CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315197 Bijlage 2 Rapport onderzoek niet-gebruik armoederegelingen

Gemeenteraad 25 mei 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Aanpak Geldzorgen en Geldproblemen 2022-2023 (RIS315197)5.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen

CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de nietgebruikers van Haagse minimaregelingen

Datum

Opdrachtnaam

Status

Januari 2023

Armoedemonitor

definitief

Versie

Opdrachtgever

1.2

Dienst SZW / afdeling Beleid, onderzoek & projecten

Auteur

Team onderzoek, uitvoering onderzoek door CBS

Opdrachtnummer

nvt

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Inhoudsopgave

1 SAMENVATTING

3

2 INLEIDING

5

3 NIET-GEBRUIK IN BEELD

6

3.1 3.2 3.3 3.4

Omvang van de groep niet-gebruikers van minimaregelingen Kenmerken van niet-gebruikers van minimaregelingen Concentraties van niet-gebruik in Den Haag Oorzaken van niet-gebruik en mogelijke oplossingsrichtingen

BIJLAGEN Bijlage 1: niet-gebruik per minimaregeling Bijlage 2: Literatuur

6 7 9 12

14 15 21

2/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

1

SAMENVATTING

Het CBS stelt voor de gemeente Den Haag periodiek de omvang en kenmerken van de groep Haagse minimahuishoudens en het bereik van gemeentelijke minimaregelingen vast. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en een vermogen onder de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet. De meest recente gegevens over minimahuishoudens gaan over 2020. Dit rapport beschrijft de groep minimahuishoudens die geen gebruikmaakt van gemeentelijke minimaregelingen, te weten de Ooievaarspas, het kindpakket, de Haagse zorgverzekering, de individuele inkomenstoeslag, de vergoeding voor chronisch zieken en gehandicapten, bijzondere bijstand en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Circa een vijfde van de minima gebruikt geen minimaregelingen Den Haag telt in 2020 33.800 tot 44.100 minimahuishoudens met een inkomen van 110 tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Van hen, maken er 5.600 tot 9.400 van geen van de genoemde Haagse minimaregelingen gebruik. Dat komt neer op 17 tot 21 procent van alle Haagse minimahuishoudens. Het niet-gebruik per minimaregeling varieert en is opgenomen in de bijlage. In het vervolg van deze samenvatting richten we ons op de 9.400 minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. In circa 1.600 van deze huishoudens groeien kinderen op.

Concentraties van niet-gebruik in Centrum en Escamp De meeste minimahuishoudens zonder gemeentelijke minimaregelingen wonen in de stadsdelen Centrum en Escamp, gevolgd door stadsdeel Laak. In Laak vinden we de wijk met de meeste niet-gebruikers, in het Laakkwartier en Spoorwijk. De top 10 wijken met het hoogste niet-gebruik wordt vervolgd door Centrum, Schilderbuurt, Valkenboskwartier, Rustenbrug en Oostbroek, Bouwlust en Vrederust, Moerwijk, Stationsbuurt, Transvaalkwartier en Morgenstond. In deze 10 wijken tezamen woont bijna 60 procent van de niet-gebruikers van minimaregelingen. Niet gebruikers zijn vaker kortdurend arm, alleenstaand en jonger De meerderheid van de minimahuishoudens zonder gemeentelijke minimaregelingen zijn kortdurend arm. Hierin wijken ze sterk af van de minimahuishoudens met ondersteuning. Desondanks komt 36 procent langdurig, dat wil zeggen 3 jaar of langer, rond van een laag inkomen. Afgezet tegen de groep gebruikers, zijn niet gebruikers van minimaregelingen betrekkelijk jong. Circa 10 procent van de groep niet-gebruikers heeft een kostwinner tot 24 jaar en bijna de helft heeft een kostwinner tussen de 25 tot 45 jaar. Bij de groep gebruikers zien we juist vaker oudere (45+) hoofdkostwinners.

Niet-gebruikers hebben vaak inkomen uit loon of een eigen bedrijf Zo’n 60 procent van minimahuishoudens zonder gemeentelijke minimaregelingen heeft inkomsten uit werk. In totaal gaat het om 3.100 minimahuishoudens met inkomsten uit werk en 2.400 huishoudens met inkomsten uit een eigen onderneming. Een kwart heeft inkomen uit een uitkering anders dan bijstand. De resterende niet-gebruikers leven van een pensioen. Een vijfde van de niet-gebruikers heeft schulden Vergeleken met minimahuishoudens met gemeentelijke ondersteuning, hebben minimahuishoudens zonder deze ondersteuning ongeveer net zo vaak problematische schulden. In beide groepen gaat het om circa 1 op de 5 huishoudens. Minima zonder ondersteuning hebben minder vaak een Wmo-indicatie en minder vaak hoge zorgkosten. Desondanks gaat wel om respectievelijk 10 en 15 procent van de groep niet-gebruikers.

3/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Tot slot Inkomensondersteunende voorzieningen zijn voor veel minimahuishoudens nodig of zelfs noodzakelijk om in de kosten voor levensonderhoud en maatschappelijke participatie te voorzien. In dit licht is het terugdringen van niet-gebruik van groot belang, zeker als er naast niet-gebruik sprake is van (kans op) financiële problemen of schulden in het huishouden. In dit onderzoek is alleen gekeken naar de omvang van het niet-gebruik onder verschillende soorten Haagse minimahuishoudens. Om de redenen van het niet-gebruik te achterhalen is verder onderzoek nodig. Vervolgonderzoek kan zich richten oorzaken van niet-gebruik en op kansrijke interventies voor het terugdringen van niet-gebruik. Een belangrijke groep binnen de niet-gebruikers zijn de minima met inkomsten uit werk. Interventies gericht op deze groep zouden onbekendheid met en drempels voor gebruik moeten beslechten. Verder lijkt het zinvol om de samenwerking op te zoeken met professionals uit andere domeinen en / of met andere instanties waar niet-gebruikers al wel bekend zijn.

4/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

2 INLEIDING Het CBS stelt voor de gemeente Den Haag periodiek de kenmerken van de Haagse minimapopulatie en het bereik van gemeentelijke minimaregelingen vast. Waar in de Armoedemonitor het gebruik van deze regelingen centraal staat, gaat dit rapport over minimahuishoudens die geen gebruikmaken van de beschikbare regelingen. Achtergronden De gemeente Den Haag ondersteunt minima met verschillende regelingen (zie tabel 1). Regelingen zijn bedoeld voor minimahuishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en een vermogen binnen de gestelde grenzen in de Participatiewet. Tabel 1: minimaregelingen in de gemeente Den Haag in 2020 Soort regeling Inkomens- en vermogensgrens* Ooievaarspas 130 procent van het sociaal minimum Kindpakket Leergeld Den Haag 130 procent van het sociaal minimum en kind van 4-18 jaar in huishouden Haagse zorgverzekering 110 tot 150 procent van het sociaal minimum (gemeentelijke bijdrage afhankelijk van inkomen en uitgebreidheid van pakket) Individuele inkomenstoeslag 110 procent van het sociaal minimum voor een periode van 36 maanden of langer, leeftijd vanaf 21 jaar tot AOW-leeftijd Vergoeding langdurig zieken en 150 procent van het sociaal minimum én een langdurige ziekte of gehandicapten beperking en/of met Wmo-beschikking en/of zorgindicatie van het CIZ of wijkverpleegkundige.

Bijzondere bijstand Inkomen rond het sociaal minimum en hoge noodzakelijke uitgaven, vanaf 21 jaar (beoordeling per aanvraag) Kwijtschelding gemeentelijke Laag inkomen en onvoldoende betalingscapaciteit belastingen Vermogensgrens strikter* Bron: gemeente Den Haag * vermogen tot de gestelde grens in de Participatiewet (strikter bij kwijtscheldingen)

Werkwijze Het CBS stelt vast hoeveel minimahuishoudens Den Haag telt en onderscheidt hierbij minima met een inkomen van 105, 110 en 130 procent van het sociaal minimum. Het CBS baseert zich op inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over het kalenderjaar 2020. Dit zijn de meest recente gegevens beschikbaar ten tijde van dit onderzoek en op het moment van publicatie zijn deze cijfers nog voorlopig. De onderzoekspopulatie bestaat uit alle particuliere huishoudens met een volledig jaarinkomen die op 1 januari 2020 in de gemeente Den Haag woonden. Het CBS stelt het bereik van de minimaregelingen vast door gebruiksgegevens (aangeleverd door de gemeente) af te zetten tegen het totaal aantal rechthebbende minimahuishoudens. Zo is de groep gebruikers en niet-gebruikers in beeld te brengen. Een uitgebreidere werkwijze is beschreven in de Armoedemonitor (zie CBS 2022). Leeswijzer Hoofdstuk 1 beschrijft hoeveel minimahuishoudens géén van de genoemde minimaregelingen gebruiken, welke kenmerken zij hebben en waar ze wonen. De bijlage beschrijft de niet-gebruikers per regeling (ongeacht het gebruik van andere Haagse minimaregelingen). Bevindingen zijn gebaseerd op de maatwerktabel van het CBS, te vinden op Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2020 (cbs.nl). NB: percentages genoemd zijn veelal gebaseerd op afgeronde aantallen uit de tabellen.

Zeker bij kleine aantallen moeten percentages worden opgevat als indicatief.

5/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

3 NIET-GEBRUIK IN BEELD

3.1

Omvang van de groep niet-gebruikers van minimaregelingen

Den Haag telt in 2020 33.800 tot 44.100 minimahuishoudens (110 tot 130 procent van het sociaal minimum, zie tabel 2). Van deze groep gebruiken 5.600 tot 9.400 geen enkele Haagse minimaregeling. Dat komt neer op 17 tot 21 procent van alle Haagse minimahuishoudens. Het niet-gebruik onder langdurige minima ligt veel lager. Tabel 2: minimahuishoudens, uitgesplitst naar gebruikers en niet gebruikers van gemeentelijke minimaregelingen in 2020 (aantallen en percentages) totaal niet-gebruik Gebruik Alle minima N N % n % 110% sm 33.800 5.600 17 28.200 83 130% sm 44.100 9.400 21 34.700 79 Langdurige minima (> 3 jaar laag inkomen) 110% sm 22.600 1.600 7 21.000 93 130% sm 31.000 3.400 11 27.600 89 Bron: CBS 2022 Figuur 1 toont de ontwikkeling van het aantal en percentage niet-gebruik onder minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent (links) en 130 procent van het sociaal minimum (rechts). Zoals uit de figuur blijkt, neemt het niet-gebruik bij beide inkomensgroepen licht toe vanaf 2018. Figuur 1: aantal en percentage niet-gebruik onder minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent (links) en 130 procent (rechts) van het sociaal minimum)

Bron: CBS 2022, 2021, 2020

6/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

3.2

Kenmerken van niet-gebruikers van minimaregelingen

Tabel 3 brengt de kenmerken van de totale groep minimahuishoudens in beeld, gespecificeerd naar minima met en zonder gemeentelijke minimaregelingen. Waar we bij de gebruikers vooral langdurige minima zien, zijn bij de niet-gebruikers de kortdurende minima in de meerderheid (zie tabel 3). Desondanks leeft 29 tot 36 procent van de niet-gebruikers 3 jaar of langer van een laag inkomen. Tabel 3: kenmerken van minimahuishoudens met een inkomen tot 110 en 130 procent van het sociaal minimum, uitgesplitst naar niet-gebruikers en gebruikers van Haagse minimaregelingen in 2020 (percentages) 110% 130% Totaal Totaal niet wel totaal niet wel (n=33,8*) (n=5,6*) (n=28,2*) (n=44,1*) (n=9,4*) (n=34,7*) Duur van armoede < 3 jaar laag inkomen 33 71 26 30 64 22 > 3 jaar laag inkomen 67 29 74 70 36 78 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 8 27 5 14 33 8 Inkomen uit eigen onderneming 6 33 1 6 26 1 Werkloosheidsuitkering 1 4 1 2 3 1 Arbeidsongeschiktheidsuitk.

8 9 8 10 12 10 Bijstandsuitkering 43 0 51 35 0 45 Overige uitkering 8 13 7 7 10 7 Pensioen 25 15 27 26 17 28 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 66 69 63 67 62 66 Paar zonder kinderen 10 13 11 14 10 9 Paar met kinderen 8 9 10 10 10 8 Eenoudergezin 15 7 15 7 17 16 Overig huishouden 1 2 1 2 1 1 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 3 9 4 10 2 2 25 tot 45 jaar 33 47 33 45 30 30 45 tot 65 jaar 38 29 37 27 39 40 65 jaar of ouder 25 15 26 18 29 28 Herkomst hoofdkostwinner Nederlandse achtergrond 40 41 42 45 41 40 Met migratieachtergrond 60 59 58 55 59 60 Zorggebruik Wmo-indicatie (ja) 33 7 32 10 38 38 Hoge zorgkosten (ja) 26 13 25 15 28 28 Langdurig hoge zorgkosten (ja) 8 2 8 3 10 9 Financiële situatie Problematische schulden (ja) 21 23 20 20 21 20 Bron: CBS 2022 * aantallen x 1000

7/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Circa 60 procent van de niet-gebruikers heeft inkomsten uit werk of een eigen onderneming. Ook het aandeel van minima met een uitkering anders dan bijstand is met een kwart relatief groot. Het gaat dan om minima met inkomen uit een WW-, arbeidsongeschiktheids- of overige sociale uitkering. Hoewel niet-gebruikers ten opzichte van de minima met minimaregelingen minder vaak van een pensioen rondkomen, vormen zij toch 15 tot 17 procent van de groep niet-gebruikers. Dat komt neer op 800 tot 1.600 minimahuishoudens. De niet-gebruikers zijn betrekkelijk jong. Meer dan de helft heeft een hoofdkostwinner tot 45 jaar ten opzichte van een derde in de groep gebruikers. Zowel bij de gebruikers als de nietgebruikers zijn alleenstaanden in de meerderheid. In bijna een vijfde van de groep nietgebruikers groeien kinderen op. Dat komt neer op 900 tot 1600 gezinnen (110 tot 130 procent sociaal minimum). Van alle 14.300 kinderen van 4 tot 18 uit minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum, maken er naar schatting 1.600 geen gebruik van de Ooievaarspas, terwijl 2.700 kinderen geen gebruikmaken van het kindpakket (gegevens niet in tabel). Van de groep niet-gebruikers heeft verder 7 tot 10 procent een Wmo-indicatie en 13 tot 15 procent hoge zorgkosten (110-130 procent sociaal minimum). Deze percentages liggen lager dan in de groep gebruikers van minimaregelingen.

Tot slot heeft ruim 20 procent van de groep niet-gebruikers problematische schulden. In de groep gebruikers van minimaregelingen is dat percentage vergelijkbaar. 1 ‘Risico’ op niet-gebruik Figuur 2 laat het (niet-)gebruik zien onder minima met verschillende kenmerken. In heel Den Haag ligt het percentage niet-gebruik op 21 procent. De groepen met een bijzonder hoog ‘risico’ op niet gebruik zijn – zoals uit het voorgaande ook al bleek - minima met inkomsten uit een eigen onderneming of uit loon. Van alle 2.800 minima met inkomsten uit een eigen bedrijf maakt 86 procent geen gebruik van gemeentelijke minimaregelingen. Van de 6.000 minimahuishoudens met inkomsten uit loon is dat ongeveer de helft. Dit is vergelijkbaar bij minimahuishoudens met een jongere kostwinner (tot 24 jaar). In omvang is de groep jongeren wel kleiner dan de groep met inkomsten uit werk. Het niet-gebruik ligt ook relatief hoog onder minimahuishoudens met een hoofdkostwinner tussen de 25 en 45, bij paren zonder kinderen en minima met een arbeidsongeschiktheids- of overige sociale uitkering.

1 uitgaande van een registratie bij het CJIB, CAK, WSNP, Belastingdienst en DUO.

8/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Figuur 2: niet-gebruik en gebruik van gemeentelijke minimaregelingen onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum, per kenmerk (2020, percentages)

Bron: CBS 2022 (aantallen tussen haakjes x 1000)

3.3

Concentraties van niet-gebruik in Den Haag

Tabel 4 geeft weer in welke stadsdelen veel minimahuishoudens wonen, gespecificeerd voor gebruikers en niet gebruikers van minimaregelingen. De meeste niet-gebruikers wonen in de stadsdelen Centrum en Escamp. Dat zijn de stadsdelen waar sowieso de meeste minima wonen. Het niet-gebruik is relatief hoog in de stadsdelen Laak en Segbroek. In Laak vinden we de wijk met de meeste niet-gebruikers, namelijk in Laakkwartier en Spoorwijk. De top 10 wijken met het hoogste niet-gebruik wordt vervolgd door Centrum, Schilderbuurt, Valkenboskwartier, Rustenbrug en Oostbroek, Bouwlust en Vrederust, Moerwijk, Stationsbuurt, Transvaalkwartier en Morgenstond. In de top 10 van wijken met de meeste niet-gebruikers woont bijna 60 procent van de gehele groep niet-gebruikers met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum.

9/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Tabel 4: minimahuishoudens met een inkomen tot 110 en 130 procent van het sociaal minimum naar stadsdeel, uitgesplitst naar niet-gebruikers en gebruikers van Haagse minimaregelingen in 2020 (percentages) 110%* 130%* Totaal niet wel totaal niet wel Totaal (n=33,8)

Centrum 31 Escamp 30 Laak 10 Loosduinen 7 Segbroek 7 Haagse Hout 6 Scheveningen 6 Leidschenveen-Ypenburg 3 Bron: CBS 2022 * aantallen x 1000

(n=5,6)

(n=28,2)

(n=44,1)

(n=9,4)

(n=34,7)

29 24 13 5 11 7 7 4

31 31 10 7 6 6 6 3

30 30 10 7 7 6 6 3

26 25 13 6 11 6 8 4

31 31 10 7 6 6 6 3

Figuur 3 geeft per wijk het percentage wel- en niet gebruik weer onder de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. In de figuur staan de wijken waar de meeste minimahuishoudens wonen bovenaan. Ten opzichte van het niet-gebruik in heel Den Haag (21 procent), ligt het niet-gebruik hoog in de wijken Laakkwartier en Spoorwijk, Centrum en de Stationsbuurt. Dat geldt ook voor verschillende andere wijken waar minder minimahuishoudens wonen, zoals in de Bomen- en Bloemenbuurt en in Duinoord. In wijken met relatief veel minima, zoals de Schildersbuurt, Bouwlust en Vrederust, Moerwijk en Morgenstond is het niet-gebruik lager dan in heel Den Haag. Desondanks tussen de 11 en 15 procent van de minimahuishoudens in deze wijken geen gebruik van de genoemde minimaregelingen.

10/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Figuur 3: gebruik en niet-gebruik van gemeentelijke minimaregelingen onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum, per wijk (2020, percentages)

Bron: CBS 2022 (aantallen tussen haakjes x 1000) NB: in sommige wijken zijn aantallen te klein en onderdrukt door het CBS. Deze wijken zijn niet weergegeven.

11/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

3.4

Oorzaken van niet-gebruik en mogelijke oplossingsrichtingen

Een beknopte verkenning van literatuur rond niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen brengt diverse oorzaken voor niet-gebruik in beeld. Allereerst speelt onbekendheid met regelingen een rol. Mensen kunnen verder terughoudend zijn om regelingen aan te vragen door een teveel aan of een te complex geheel van voorwaarden en te verstrekken gegevens (Inspectie SZW 2018, Van der Schors et al. 2019). Andere belemmeringen voor gebruik zijn de verwachting niet in aanmerking te komen voor regelingen, schaamte er gebruik van te maken en/of angst om verstrekte bedragen te moeten terugbetalen. Dit speelt vooral een rol als er sprake is van wisselende inkomsten (Van Male 2014, Van der Schors et al. 2019, Vroonhof et al. 2021, Nibud 2022). Onderstaand zijn oorzaken voor verschillende groepen niet-gebruikers nader belicht. Niet-gebruik onder minima met inkomsten uit werk Van de groep minimahuishoudens die geen gebruik maakt van gemeentelijke minimaregelingen heeft de meerderheid inkomsten uit werk. De redenen van niet-gebruik onder werkende minima komen overeen met bovengenoemde redenen. We lichten er enkele uit. Opvallend is dat werkende minima niet altijd op de hoogte zijn van het bestaan van gemeentelijke minimaregelingen, of zichzelf niet als doelgroep herkennen hiervoor. Dat blijkt onder meer uit een enquête onder Haagse ondernemers die Tozo aanvroegen (Vroonhof et al, 2021).

Verder blijken vooral ondernemers moeite te hebben met het vragen van hulp aan overheidsinstanties. Trots, de wens autonoom te willen zijn en problemen zelf op te lossen spelen hierbij een rol (Van Male 2014, Inspectie SZW 2018, Vroonhof et al. 2021, SER 2021). Tot slot kan een gebrekkige aansluiting bij behoeften een oorzaak zijn van nietgebruik bij werkende minima (SER 2021, Vroonhof et al. 2021, Van Male 2014). De SER doet verschillende suggesties voor het verminderen van niet-gebruik onder werkende minima, zoals het in beeld houden van gebruikers van de Tozo en een betere aansluiting op behoeften van werkende minima. Lokale communicatiecampagnes kunnen de bekendheid van regelingen vergroten en ingaan op belemmeringen voor gebruik. Werkgevers die financiële krapte of problemen signaleren bij hun personeel zouden ook kunnen bijdragen aan oplossingen als zij beter bekend zijn met (lokale) armoedienstverlening (SER 2021). Niet gebruik onder minima bekend bij andere toegangspoorten Een deel van de niet-gebruikers is bekend bij gemeentelijke- of andere instanties. Bijvoorbeeld omdat ze een uitkering hebben (anders dan bijstand), een Wmo-indicatie of gezondheidsproblemen (afgeleid uit zorgkosten). Een deel van de minimahuishoudens met kinderen maar zonder kindpakket is bekend bij Jeugdzorg (zie bijlage 1).

Mogelijk zijn nietgebruikers te benaderen via professionals van deze domeinen en instanties. De Inspectie geeft in een onderzoek naar niet-gebruik aan dat professionals in domeinen anders dan werk- en inkomen vaak te beperkt geïnformeerd zijn over beschikbare financiële ondersteuning en inwoners daardoor niet adequaat doorverwijzen. Verder kunnen zij onwennig zijn om financiële zaken uit te vragen (Inspectie SZW 2018). Door een betere informatievoorziening van en samenwerking met tussen professionals uit verschillende domeinen of andere instanties is mogelijk winst te behalen in het terugdringen van nietgebruik. Overigens concludeert de Inspectie dat ook binnen het domein van werk- en inkomen niet altijd de gehele financiële situatie en ondersteuningsbehoeften van inwoners in beeld worden gebracht waardoor potentieel gebruik blijft liggen (Inspectie SZW 2018). In Den Haag maken alle minimahuishoudens met inkomsten uit bijstand gebruik van ten minste een minimaregeling. De automatische verstrekking van de Ooievaarspas aan mensen met bijstand speelt hierbij een grote rol. Het gebruik van andere regelingen ligt wel lager. Een beter beeld van de oorzaken hiervan vraagt om nader onderzoek. Niet-gebruik onder ouderen Hoewel het gebruik van gemeentelijke minimaregelingen betrekkelijk hoog is onder ouderen, of onder minima met een pensioen, is onder deze groepen nog winst te behalen.

De Nationale Ombudsman concludeert dat ouderen in een financieel kwetsbare positie zonder gebruik van ondersteuning de overheid vaak niet begrijpen. Meestal kunnen zij niet zonder

12/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

hulp van anderen een inkomensvoorziening aanvragen. Deze groep heeft behoefte aan een proactieve en persoonlijke benadering door onder meer gemeenten met op hen afgestemde informatie en vereenvoudigde aanvraagprocedures. Het opzetten van een samenwerkingsverband met intermediairs die deze ouderen al ondersteunen kan hierbij behulpzaam zijn (Hanse et al. 2022).

13/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

BIJLAGEN

14/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Bijlage 1: niet-gebruik per minimaregeling Ooievaarspas De Ooievaarspas is bedoeld voor minima met een huishoudinkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. In totaal heeft 70 procent van deze groep een Ooievaarspas, terwijl 30 procent van de beoogde doelgroep geen Ooievaarspas heeft (zie tabel 5). Tabel 5: totaal aantal minimahuishoudens, uitgesplitst naar niet-gebruikers en gebruikers van de Ooievaarspas 2020 (aantallen en percentages). totaal niet-gebruik* gebruik Alle minima n n % n % 105% sm 29.500 6.800 23 22.700 77 110% sm 33.800 8.400 25 25.400 75 130% sm 44.100 13.100 30 31.000 70 Langdurige minima 105% sm 18.800 2.500 13 16.300 87 110% sm 22.600 3.500 15 19.100 85 130% sm 31.000 6.000 19 25.000 81 Bron: CBS *NB: gaat om personen met een beschikking voor een Ooievaarspas en niet om daadwerkelijk gebruik. Tabel 6 geeft de verdeling van de totale groep minima, de minima die wel én geen gebruik maken van de Ooievaarspas weer over verschillende achtergrondkenmerken. Onder de minima zonder pas zien we veel vaker kortdurende minima dan onder de minima mét een pas. Van de minima zonder pas heeft 47 procent inkomsten uit werk. Dat is een veel hoger percentage dan bij de minima met een Ooievaaspas.

Ten opzichte van de minima met een Ooievaarspas zien we verhoudingsgewijs meer eenpersoonshuishoudens, paren zonder kinderen en minima met een wat jongere hoofdkostwinner. Hoewel er binnen de groep minima zonder pas verhoudingsgewijs minder huishoudens zijn met een Wmo-indicatie, vormen zij toch bijna een vijfde van de groep. Hetzelfde geld voor huishoudens met hoge zorgkosten. Niet gebruik in wijken met de meeste minima De top 5 wijken met de meeste minimahuishoudens met weinig vermogen en een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum zijn de Schildersbuurt, Laakkwartier en Spoorwijk, Bouwlust en Vrederust, Moerwijk en Morgenstond. Het niet-gebruik is - afgezet tegen het niet-gebruik in heel Den Haag (30 procent) - lager in de Schildersbuurt (21 procent), Bouwlust en Vrederust (20 procent), Moerwijk (22 procent) en Morgenstond (22 procent) en hoger in Laakkwartier en Spoorwijk (35 procent) (zie figuur 3).

15/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Tabel 6: kenmerken van de totale groep minimahuishoudens met weinig vermogen en een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum, uitgesplitst naar minimahuishoudens die wel en geen Ooievaarspas hebben in 2020 (percentages) 130%* Totaal totaal niet wel (n=44,1) (n=13,1) (n=31) Duur van armoede < 3 jaar laag inkomen 30 54 19 > 3 jaar laag inkomen 70 46 81 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 14 28 7 Inkomen uit eigen onderneming 6 19 1 Werkloosheidsuitkering 2 3 1 Arbeidsongeschiktheidsuitkering 10 17 7 Bijstandsuitkering 35 0 51 Overige uitkering 7 14 5 Pensioen 26 20 28 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 63 69 61 Paar zonder kinderen 11 14 9 Paar met kinderen 10 8 10 Eenoudergezin 15 7 19 Overig huishouden 1 2 1 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 4 2 8 25 tot 45 jaar 33 31 40 45 tot 65 jaar 37 39 33 65 jaar of ouder 26 29 20 Herkomst hoofdkostwinner Nederlandse achtergrond 42 46 40 Met migratieachtergrond 58 54 60 Zorggebruik Wmo-indicatie (ja) 32 18 37 Hoge zorgkosten (ja) 25 18 28 Langdurig hoge zorgkosten (ja) 8 5 9 Financiële situatie Problematische schulden (ja) 20 21 20 Toeslagengebruik Zorgtoeslag 96 88 99 Huurtoeslag 81 58 91 Bron: CBS * aantallen x 1000

16/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Kindpakket Leergeld Den Haag biedt namens de gemeente Den Haag verschillende voorzieningen aan kinderen uit minimahuishoudens zoals de schoolspullenpas, de winterkledingpas, squlathuisabonnement, computers en fietsen. De voorzieningen zijn bedoeld voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar uit minimahuishouden met een huishoudinkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Het bereik onder de minimahuishoudens met kinderen van 4 tot 18 jaar is 78 procent. Dat betekent dat 22 procent van de beoogde doelgroep geen gebruik maakt van het aanbod van stichting Leergeld (zie tabel 7). Een groter deel van de minima met kinderen van 4 tot 18 gebruikt overigens wel de Ooievaarspas. Het niet-gebruik van de Ooievaarspas onder deze groep bedraagt 16 procent. Tabel 7: totaal aantal minimahuishoudens, onderverdeeld in gebruikers en niet-gebruikers van de voorzieningen van Stichting Leergeld Den Haag in 2020 (aantallen en percentages). totaal niet-gebruik gebruik Alle minima n n % n % 105% sm 5.200 1000 19 4.200 81 110% sm 6.000 1,100 18 4.900 82 130% sm 8.500 1,900 22 6.600 78 Langdurige minima 105% sm 3.100 300 10 2.800 90 110% sm 3.900 400 10 3.500 90 130% sm 6.100 900 15 5.200 85 Bron: CBS 2022 Van de gezinnen die tot de doelgroep van Stichting Leergeld behoren maar daar geen gebruik van maken is ongeveer de helft langdurig arm.

Verder zien we verhoudingsgewijs veel minima met werk en verhoudingsgewijs weinig minima met bijstand terug onder de niet gebruikers. Een betrekkelijk groot deel van 37 procent van de niet-gebruikers heeft problematische schulden. Dat komt neer op circa 700 huishoudens. Circa een kwart van de minimahuishoudens met kinderen maar zonder kindpakket, is wel bekend bij Jeugdzorg. Niet gebruik in wijken met de meeste minima met kinderen van 4-18 In heel Den Haag ligt het niet-gebruik van het aanbod van Stichting Leergeld op 22 procent. In de top 5 wijken met de meeste doelgroephuishoudens ligt het percentage niet-gebruik lager in de Schildersbuurt (17 procent) en in Bouwlust en Vrederust (11 procent). In de wijken Moerwijk (25 procent), Laakkwartier en Spoorwijk (30 procent) en Morgenstond (33 procent) ligt het percentage gebruik hoger.

17/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Tabel 8: kenmerken van de totale groep minimahuishoudens met weinig vermogen en een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum met kinderen van 4 tot 18, uitgesplitst naar wel- en niet gebruikers van de voorzieningen van stichting Leergeld in 2020 (percentages) 130%* Totaal totaal niet wel (n=8,5) (n=1,9) (6,6) Duur van armoede < 3 jaar laag inkomen 28 53 21 > 3 jaar laag inkomen 72 47 79 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 21 33 18 Inkomen uit eigen onderneming 7 28 2 Werkloosheidsuitkering 2 6 2 Arbeidsongeschiktheidsuitkering 12 11 12 Bijstandsuitkering 49 11 59 Overige uitkering 6 11 5 Pensioen 2 0 3 Soort huishouden Paar met kinderen 37 44 35 Eenoudergezin 60 50 62 Overig huishouden 4 6 3 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 1 0 25 tot 45 jaar 64 71 64 45 tot 65 jaar 33 29 35 65 jaar of ouder 1 0 2 Herkomst hoofdkostwinner Nederlandse achtergrond 32 37 30 Met migratieachtergrond 68 63 70 Zorggebruik Wmo-indicatie (ja) 19 11 21 Hoge zorgkosten (ja) 24 21 24 Langdurig hoge zorgkosten (ja) 5 5 5 Financiële situatie Problematische schulden (ja) 31 37 29 Toeslagengebruik Zorgtoeslag 96 84 100 Huurtoeslag 88 63 95 Bron: CBS 2022 * aantallen x 1000

18/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Haagse zorgverzekering De Haagse zorgverzekering is bedoeld voor minima met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. De gemeente biedt een maandelijkse bijdrage aan de premie voor minima met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum die kiezen voor een uitgebreid verzekerd pakket. De bijdrage voor minima met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum is het hoogst. Er is geen gemeentelijke bijdrage bij afname van een compact pakket, en niet voor huishoudens met een inkomen vanaf 150 procent van het sociaal minimum. Van de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum, maakt 54 procent gebruik van een compacte of uitgebreide Haagse zorgverzekering (zie tabel 9). Dat betekent dat 46 procent een keuze voor een andere verzekering maakt. Tabel 9: totaal aantal minimahuishoudens, onderverdeeld in gebruikers en niet-gebruikers van de Haagse zorgverzekering in 2020 (aantallen en percentages). totaal niet-gebruik gebruik Alle minima n n % n % 105% sm 29.500 13.500 46 16.000 54 110% sm 33.800 15.700 46 18.100 54 130% sm 44.100 22.400 51 21.700 49 105% sm 110% sm 130% sm

18.800 22.600 31.000

6.400 8.000 12.500

34 35 40

12.400 14.600 18.500

66 65 60

Bron: CBS 2022 Onder de minima die in aanmerking komen voor de Haagse zorgverzekering maar er geen gebruik van maken zien we relatief veel kortdurende minima. Vergeleken met de gebruikers van de verzekering, zien we verder verhoudingsgewijs veel minimahuishoudens met inkomen uit werk, veel huishoudens met een jongere hoofdkostwinner en verhoudingsgewijs minder minima met een Wmo-indicatie of hoge zorgkosten. Verder zien we minder mensen met problematische schulden: dit kan te maken hebben met uitsluiten van wanbetalers van de zorgpremie voor de zorgverzekering (wanbetalerschap is één van de indicatoren voor het hebben van problematische schulden). Niet gebruik in wijken met de meeste minima In de top 5 wijken met de meeste minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen is het niet-gebruik verhoudingsgewijs lager in de Schildersbuurt (33 procent). In de wijken Bouwlust en Vrederust (42 procent), Moerwijk (43 procent) en Morgenstond (45 procent) ligt het percentage niet-gebruik rond het percentage in Den Haag als geheel (46 procent).

19/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Tabel 9: kenmerken van de totale groep minimahuishoudens met weinig vermogen en een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum, uitgesplitst naar wel- en niet gebruikers van de Haagse zorgverzekering in 2020 (percentages). 110% Totaal Totaal Niet-gebruik Gebruik (n=33,8) (n=15,7) (n=18,1) Duur van armoede < 3 jaar laag inkomen 33 49 19 > 3 jaar laag inkomen 67 51 81 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 3 8 15 Inkomen uit eigen onderneming 1 6 13 Werkloosheidsuitkering 1 1 2 Arbeidsongeschiktheidsuitkering 8 8 9 Bijstandsuitkering 50 43 34 Overige uitkering 7 8 10 Pensioen 32 25 17 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 65 66 68 Paar zonder kinderen 11 10 9 Paar met kinderen 9 8 7 Eenoudergezin 14 14 15 Overig huishouden 1 1 1 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 1 3 6 25 tot 45 jaar 24 33 44 45 tot 65 jaar 43 38 33 65 jaar of ouder 33 25 17 Herkomst hoofdkostwinner Nederlandse achtergrond 40 45 35 Met migratieachtergrond 60 55 64 Zorggebruik Wmo-indicatie (ja) 33 22 42 Hoge zorgkosten (ja) 26 21 30 Langdurig hoge zorgkosten (ja) 8 6 10 Financiële situatie Problematische schulden (ja) 21 10 32 Toeslagengebruik Zorgtoeslag 96 92 99 Huurtoeslag 83 71 94 Bron: CBS 2022 Andere minimaregelingen Voor een beeld van het niet-gebruik van andere gemeentelijke minimaregelingen verwijzen we naar de tabellen op Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2020 (cbs.nl).

20/21

Niet-gebruik van Haagse minimaregelingen CBS onderzoek naar de omvang en kenmerken van de niet-gebruikers van Haagse minimaregelingen

Bijlage 2: Literatuur 1. 2. 3. 4.

CBS 2020: tabellenset Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2017 en 2018* (cbs.nl) CBS 2021: tabellenset Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2019* (cbs.nl) CBS 2022f: tabellenset Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2020 (cbs.nl) Hanse, D. P. Breedveld, C. Elshot en J. Schampers (2022). Met te weinig genoegen nemen. Een onderzoek naar het niet benutten van inkomensvoorzieningen door ouderen in een financieel kwetsbare positie. Nationale Ombudsman: Den Haag 5. Male, J. van (2014). Werkende armen. Rapport met de resultaten van een kwalitatief onderzoek. Ferro: Amsterdam 6. Inspectie SZW (2018). Hobbels op weg naar inkomensondersteuning. Toegang en uitvoering inkomensondersteunende voorzieningen. Inspectie SZW: Den Haag 7. Nibud (2022) Inkomensondersteuning door de overheid - Nibud – geraadpleegd op 10 februari 2023. 8. SER (2021). Werkende zonder armoede. Sociaal Economische Raad: Den Haag. 9. Van der Schors, A., C. Crijnen en G, Schonewille (2019). Geldzaken in de praktijk 20182019. Nibud: Utrecht. 10. Vroonhof, P., L. de Haan en L. van Oeveren (2021). Niet-gebruik minimaregelingen onder ondernemers in Den Haag. Panteia: Zoetermeer

21/21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12625816/1