CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS314007 Aangifte moskeekoepels tegen minister Primair en Voortgezet Onderwijs bijlage

Commissie Samenleving 23 februari 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken2.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Drs. D. Yeşilgöz, Ministerie van Justitie en Veiligheid Postbus 20301 2500 EH Den Haag 5 december 2022, te Rotterdam

Betreft: Aangifte inzake ambtsdelicten gepleegd door de minister van Primair en Voortgezet Onderwijs

Geachte minister Yeşilgöz, Op 18 november j.l. stuurde de minister van Primair en Voortgezet Onderwijs een brief aan de Tweede Kamer over ‘Vrij en Veilig Onderwijs’. Daarin werden ook maatregelen aangekondigd en uitspraken gedaan over informele scholing. De minister heeft naar aanleiding van de brief ook een aantal uitspraken gedaan in de media. Op 18 november hebben wij onze afkeuring over het standpunt van de minister uitgesproken in een persbericht. In een brief van 29 november hebben wij vervolgens onze grote constitutionele zorgen met de minister gedeeld. Wij hebben deze brief in afschrift gezonden aan een aantal bewindslieden, waaronder uzelf. Helaas is een reactie op onze bezwaren van de zijde van de regering tot nu toe uitgebleven. Het optreden van de minister heeft echter wel reacties opgeroepen in de media. Vanuit ons perspectief is met name de berichtgeving in de NRC en in Nieuwsuur op 1 en 2 december relevant. De journalisten Milena Holdert en Andreas Kouwenhoven konden zich bij hun berichtgeving baseren op interne stukken die door het ministerie van OCW aan hen ter beschikking waren gesteld en dus een openbaar karakter hebben. Wij hebben inmiddels ook kennis kunnen nemen van de inhoud van die stukken.

De brief van 18 november en daarover door de minister ingenomen standpunten in de media gaven ons al het vermoeden dat hier sprake was van het plegen van ambtsdelicten. De stukken die op 1 en 2 december zijn geopenbaard bevestigen dit vermoeden. Daarom verzoeken wij u thans de vervolging van de minister van Primair en Hoger Onderwijs in gang te zetten. Die vervolging zou wat ons betreft in ieder geval, maar niet uitsluitend, gericht moeten zijn op de volgende delicten. De minister heeft zich naar onze mening in de eerste plaats schuldig gemaakt aan het ambtsdelict bestaande uit het geven van bevelen, wetende dat daardoor de Grondwet wordt geschonden, dan wel het opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet voor zover die uitvoering wegens de aard van het onderwerp tot zijn taak behoort of hem uitdrukkelijk is opgedragen. Deze handelingen zijn strafbaar gesteld in art. 355 Sr. In zijn brief kondigde de minister diverse maatregelen aan ten aanzien van het informeel onderwijs waarvan hij wist dat deze een schending zouden opleveren van de godsdienstvrijheid van art, 6 Grondwet, de vrijheid

van meningsuiting van art. 7 Grondwet, de verenigingsvrijheid van art. 8 Grondwet en de vrijheid van onderwijs van art. 23 Grondwet. Nu de minister verantwoordelijk is voor het primair en hoger onderwijs is de uitvoering van art. 23 Grondwet uitdrukkelijk aan hem opgedragen. Aangezien de minister tijdens zijn eedsaflegging ten overstaan van Z.M. de Koning trouw heeft gezworen of beloofd aan de Grondwet behoren het respecteren en uitvoeren van de artt. 6, 7 en 8 Grondwet echter evenzeer tot zijn verantwoordelijkheid. Dat de voorgestelde maatregelen tot schending van genoemde grondwetsbepalingen konden leiden was de minister op het moment van het versturen van de brief van 18 november bekend. Zo had hij in het kader van de voorbereiding van zijn brief de Landsadvocaat gevraagd om advies uit te brengen over zijn voornemens. Bij brief van 7 juli 2022 had de Landsadvocaat de minister te kennen gegeven dat zijn plannen juridisch gezien een doodlopende weg waren: zij zouden vrijwel zeker leiden tot ongeoorloofde inbreuken op grondrechten zoals de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van meningsuiting en de verenigingsvrijheid. Ook in diverse ambtelijke nota’s werden zorgen geuit over de constitutionele aanvaardbaarheid van de voorstellen. Zo bevat de nota van 31 augustus op p.

5 een passage waaruit blijkt dat de ambtenaren vinden dat het invoeren van toezicht op informeel onderwijs ingaat tegen verscheidene grondrechten: de vrijheid van meningsuiting, van vereniging, van godsdienst en van onderwijs. Volgens de ambtenaren dient daarom een sterke rechtvaardiging te worden aangetoond. De minister geeft in de marge te kennen deze constitutionele bezwaren ‘wat kort door de bocht’ te vinden. In een slide deel uitmakend van de PPT gevoegd bij een nota van 7 juli, genaamd ‘Uitdagingen I (volgens LA)’stellen de ambtenaren dat over het algemeen geldt dat er bij het ingrijpen bij informele scholing fundamentele rechten in het geding komen, waaronder: vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, godsdienstvrijheid. In de marge lijkt de minister die inbreuken op fundamentele rechten te relativeren met de opmerking ‘Niet tegen elke prijs toch?’. In een andere slide genaamd ‘Uitdagingen II’ wijzen ambtenaren erop dat het creëren van nieuwe mogelijkheden die wel binnen bevoegdhedensfeer van OCW vallen juridisch gesproken uitermate complex is en forse wijzigingen van wet- en regelgeving vraagt. Daarbij werpen de betrokken ambtenaren de vraag op of zulks wel proportioneel is gegeven de aard en omvang van het probleem. In de marge voegt de minister daaraan toe: gezien potentiële impact durf ik dat wel te stellen.

Dat standpunt is opmerkelijk nu de minister er op vragen van journalisten niet in slaagde aan te geven waar en op welke schaal zich misstanden binnen het informele onderwijs voordoen. Zo geeft de minister in een vraaggesprek met Mark Misérus van de Volkskrant van 18 november jl. te kennen dit niet precies te weten en dat beter zicht op wat er in het informeel onderwijs gebeurt nodig is. Op diverse plaatsen in de nota’s stellen de ambtenaren voor de constitutionele validiteit van de voorstellen eerst te onderzoeken alvorens ze aan te kondigen. De minister blijkt niet gediend van deze ambtelijke prudentie. In de marge van de nota van 26/8 is op de pagina’s 1 en 5 enkele malen de kanttekening ‘geen onderzoek maar besluit’ te vinden.

In de marge van de nota van 31 augustus geeft de minister op pagina 4 aan dat ‘alleen onderzoek als een cirkel redenering voelt’. In de nota van 14 november, die leest als een ambtelijk proces-verbaal van het totstandkomingsproces van de brief van 18 november , beklagen de ambtenaren zich over de ‘scherpe en normerende toon’ die de minister verkiest (pagina 4), maken zij bezwaar tegen het feit dat de minister de voorstellen niet wil presenteren ‘als opties die verkend moeten worden maar als maatregelen die er zeker komen’(pagina 4) en wijzen zij erop dat ‘mogelijke nieuwe maatregelen die werden aangekondigd moesten minder voorzichtig worden opgeschreven’ (pagina 5). Zoals blijkt uit de nota van 20 september stonden ook ambtelijk SZW en BZK uitermate kritisch tegenover de toon van de brief en de inzet op wetgeving. Het ministerie van BZK, waarvan de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving als de constitutionele waakhond van de rijksoverheid geldt, geeft aan dat de voorgestelde wetgeving, zoals de Landsadvocaat ook aangeeft, op gespannen voet staat met een aantal grondrechten. De ambtenaren vinden dat die voorstellen eerst beter onderzocht en uitgewerkt moeten worden.

Ondanks deze wetenschap omtrent het dubieuze constitutionele gehalte van zijn voorstellen, die door de Landsadvocaat, zijn eigen ambtenaren en die van andere departementen nadrukkelijk onder zijn aandacht is gebracht, wilde de minister van geen wijken weten. De reden daarvoor is te vinden in de tekst van de brief van 18 november zelve. Daarin merkt de minister de fundamentele grondwettelijke waarborgen aan als ‘juridische belemmeringen’ die concrete vervolgstappen ten aanzien van het informele onderwijs tot nu toe hebben tegengehouden. Hij geeft aan dat dit kabinet zich daarbij niet wenst neer te leggen en naar manieren zoekt om te komen tot een effectieve aanpak. Ter rechtvaardiging wijst hij daarbij naar het regeerakkoord. Wat de minister betreft mag de Grondwet kennelijk de uitvoering van het regeerakkoord niet in de weg staan. Dat blijkt ook op p. 5 van de nota van 31 augustus, waar ambtenaren de minister aanraden zijn communicatie over het verbieden van lesmateriaal waarin ‘antidemocratische of antirechtstatelijke waarden’ worden uitgedragen in de richting van de Tweede Kamer enigszins te temperen. In de marge merkt de minister op ‘Dit snap/volg ik niet: Hoe bedoelen jullie? Is CA.’ (Daarmee wordt het Coalitie Akkoord bedoeld).

Opmerkelijk is in dit verband de directieve toon die de minister telkens kiest wanneer hij zijn ambtenaren beveelt de voorstellen aan te scherpen en de constitutionele bezwaren af te zwakken. De brief van 18 november en het optreden van de minister in de media leveren niet alleen een ambtsdelict op in de zin van art. 355 Sr., maar ook van de artt. 137c (groepsbelediging) , 137d (aanzetten tot haat en discriminatie) en 429 quater Sr. (discriminatie in de uitoefening van een ambt). Zoals de minister weet is het vertrouwen van de moslimgemeenschap onder andere door de infiltratie in moskeeën en het opnemen van donateurs aan moskeeën in het frauderegister van de Belastingdienst geschokt. Om dat vertrouwen te herstellen hebben wij als samenwerkende moskeekoepels het initiatief genomen tot het project ‘Bouwen aan Vertrouwen’, dat beoogt moslims een actieve rol toe te kenen in de beleidsontwikkeling door co-creatie. De pogingen om het vertrouwen te herstellen worden door de minister op een onverantwoordelijke manier doorkruist.

De wettelijke maatregelen die de minister wil treffen zijn evident gericht op het informele onderwijs dat door islamitische organisaties wordt verzorgd. In het interview met de Volkskrant van 18 november wordt door de minister gesproken over ‘salafistische’ onderwijsplekken. Met zijn – niet onderbouwde – verdachtmaking dat op weekendscholen de Holocaust wordt ontkend en geleerd wordt ‘dat homo’s van het dak gegooid mogen worden’ wil hij een verdenking vestigen op islamitische instellingen. Dat blijkt ook uit de nota van 26 augustus waarin de minister zich op pagina 6 in de marge het volgende afvraagt: ‘Vallen de Islam internaten bv hierin?’. In de nota van 31 augustus geven ambtenaren op pagina 3 te kennen dat de focus weliswaar ligt op islamitische informele scholing, maar dat deze focus niet moet worden geëxpliciteerd, omdat dat een negatief effect kan hebben op niet-islamitische groeperingen die mogelijk willen aansluiten bij de ontwikkeling van acties om burgerschap te verstevigen. De minister ontkent niet dat het islamitische informeel onderwijs de focus is van de voorstellen, maar vraagt de ambtenaren in de marge om ‘bredere’ voorbeelden toe te voegen, kennelijk om deze intentie aan het oog te onttrekken.

Naar onze mening pleegt de minister op deze wijze geen commune- maar ambtsdelicten, omdat hij gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken in de zin van art. 44 lid 1 Sr. Hij zet zijn beleid en zijn standpunten immers kracht bij met behulp van het ambtelijk apparaat dat hem ten dienste staat, zijn publicitaire ondersteuning en toegang tot de media, alsmede het vooruitzicht van de uitvaardiging van wettelijke, wellicht door straffen te handhaven, voorschriften. Wij sturen u deze aangifte als vertegenwoordiger van de Kroon in overeenstemming met het Protocol inzake de behandeling van aangiften bij een ministerie, het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad tegen leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen, dat op 11 oktober 2017 is vastgesteld. Niettemin zijn wij van mening dat voor u in het kader van deze procedure slechts een bescheiden rol weggelegd dient te zijn. Blijkens de besluitenlijst van de Ministerraad van 18 november jl. is de Kamerbrief ‘Vrij en Veilig Onderwijs’ namelijk door de Ministerraad aangenomen (20(b)(1)). Aangezien u lid bent van de Ministerraad bent u zelf bij de besluitvorming betrokken en zou u voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek kunnen worden.

Aangezien ook de andere leden van de Ministerraad in deze positie verkeren heeft het geen zin u door een minister van Justitie & Veiligheid ad interim te laten vervangen volgens de Vervangingsregeling ministers, zoals de toelichting bij bovengenoemd Protocol suggereert. Dit probleem kan worden opgelost door het zwaartepunt in de besluitvorming neer te leggen bij de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Dit kan worden bereikt als u zich op voorhand verbindt de uitkomsten van het door de Procureur-Generaal uit te voeren oriënterend onderzoek en diens aanbevelingen ten aanzien van een mogelijke vervolging onverkort over te nemen. In zijn brief van 18 november en tijdens zijn optredens in de media beschuldigde de minister actoren in het informeel onderwijs van ondemocratisch en onrechtstatelijk gedrag. Naar onze mening neemt de minister echter zelf een loopje met de waarborgen van de democratische rechtsstaat. Dat de coalitiepartijen hem zijn gang laat gaan en wel zien waar het schip strandt, zoals Arjan Noorlander liet doorschemeren in de Nieuwsuur uitzending van 1 december jl., is niet aanvaardbaar. Als burgers van dit land keuren wij

af dat er wordt geëxperimenteerd met het oprekken van de grenzen van de democratische rechtsorde over de ruggen van één miljoen moslims die dit land rijk is om politiek te kunnen scoren. Dit is te meer verwerpelijk nu Nederland altijd de eerste is om andere staten op hun mensenrechtelijke tekortkomingen aan te spreken. Wij doen deze aangifte niet lichtvaardig. Het strafrecht is ook voor ons een laatste middel. De geopenbaarde stukken laten echter zien dat de normale politiek-bestuurlijke checks and balances niet hebben gewerkt, zoals steeds vaker het geval lijkt te zijn. De constitutionele expertise van de adviseurs heeft het klaarblijkelijk moeten afleggen tegen politiek opportunisme. Daarom rest ons helaas geen andere mogelijkheid dan het volgen van de strafrechtelijke weg.

Hoogachtend,

N. El Ouali (SPIOR), te Rotterdam A. Maas (SIORH), te Den Haag A. el Yandouzi (SMUO), te Utrecht D.A. Maddoe (FIO), te Den Haag A.S. Houbban (SML), te Venray S. Fenzar (SMBZ), te Etten-Leur M. Atrar (RVM N-H), te Amsterdam S. Chabrani (SMGA), te Bussum

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12156886/1