CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS313001 Bijlage

Algemene Raadscommissie 14 september 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken8.757 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

PLANRUIMTE

h

\\ \

C

.

w

N v

1

5 7 2 7 2 1 8 5 7 2 7 1 7 1 2 (7 25522127/122 2 5 2 2 7 1 8 5 0 2 3 8 1 4 1"

1

m >111 <

! r i i nmmunun I

-ese

rd rm a u m m ë p s c re re

?

•

1

n

J h u z a z a a n "

fillH iti

1

' ■i' . . .

A

T

•

'I

#2

mm

W 7

'

V B

.

NMAVTAEad

*

.

S.

i

"I

e

ï

1-. ,2 Hece 5"

ilM 10

NI

N

+

t

iiiinm .

2

8

s

3

ni_

s

i

58599

2:

1,

1p

X.

I ,\

sanc.c

-3

22nsj

a

A S -,

—

ruimte voor morgen

-n..

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Opdrachtgever:

Datum:

09-11-2021

Status:

definitief

Planruimte Frans Leharlaan 130

2102 GW Heemstede Telefoon info@planruimte.nl

E-mail

www.planruimte.nl

Internet

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Aanleiding

1.2 1.3 1.4

Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan

Leeswijzer

3 3 3 4 4

2

Bestaande situatie

5

3

Nieuwe situatie

7

4 Beleidskader 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

10 11 13

Omgevingsaspecten Water

15

5

5.1 5.2

Bodem

5.3 5.4

Flora en fauna

Cultuurhistorie en archeologie

5.5

Geluid

5.6

Luchtkwaliteit

15 16 17 18 19 21

5.7

Externe veiligheid

22

5.8 5.9 5.10

Bedrijven en milieuzoneringen

23 23 23

6

6.1 6.2

Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties

Milieueffectrapportage / M.e.r.-(beoordelings)plicht Uitvoerbaarheid Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

25 25 25

Bijlage 1 Tekeningen bestaande en nieuwe situatie Bijlage 2 Bezonningstudie........................................ Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek................. Bijlage 4 Geluidsonderzoek................................... Bijlage 5 Huurovereenkomst parkeren.................. Bijlage 6 Participatie buren.....................................

2

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Het initiatief betreft het realiseren van een kleinschalige woning op het perceel naast Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 te Den Haag. Het plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan en kan gerealiseerd worden met een uitgebreide omgevingsvergunning. Hiertoe is de voorliggende beknopte ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.2 Ligging plangebied Het perceel is gelegen Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 te Den Haag en wordt ontsloten via de Maziestraat. Het plangebied wordt aan noordzijde begrensd door de Maziestraat, aan oost- en westzijde begrensd door bestaande woonbebouwing en aan zuidzijde begrensd door een tuin behorende bij pand Noordeinde 164. -\

M5, 03

6

IS

2

"7

5)A •

A ®

1 •

*0 52 58 22

RA("• ! NN •V

o

,3

1e

*

",

t

4 ..•9

18a

N

. A;g9

_ «SS

v

e ■■■

%

ëtas

e"

\

sn ..

V

5

•\ 89

02a

7

G

•W.

1

8% *

\

-V.. ag%

18ÖA

-< * 02

210

-9 —

Ligging plangebied

3

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied ligt in het op 14 november 2017 vastgestelde bestemmingsplan ‘St. Jacobskerk e.o.’. De gronden ter plaatse van het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Gemengd T, met de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1‘ en ‘Waarde -Cultuurhistorie’.

Voor het plangebied geldt ook het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’. Hierin zijn specifieke regels opgenomen rond parkeren en fietsparkeren. 9■

•(“»

X

[309

L ’

E x+

“e ++

++

1366

* 44.+

++++++

(2

St. Jacobskerk e.o.

's-Gravenhage bestemmingsplan deels onherroepelijk in werking (vastgesteld 2013-10-17) PLEKINFO

DOCUMENTEN

KENMERKEN

e ■

•+)

16351

: $ 80738.9,455522

k 1643 A

%-

+,0+ irm + +

+.

. 4 KPa \ '

hi t X+-M N

+ + 15g01

1NKN M) , +B + M

+ + 4+ + .

++++ + ++

ti

421 4

++\♦*+ N

Enkelbestemming Gemengd -1

_ __ Dubbelbestemming ±±±± Waarde - Archeologie 1

jwu

♦ +

Dubbelbestemming + Waarde - Cultuurhistorie

ttt t-* • ■ ♦

Y + ♦, + »+- ++ + * + + + +**t**e

• N • v +*+ ++

: :N \' * ••n *■ t :Xt t . . . •M ; . N x . :crj3 4 +

.2

Uitsnede bestemmingsplan ‘St. Jacobskerk e.o.

Het plan is strijdig met de bouwregels van het bestemmingsplan ‘St. Jacobskerk e.o.’, gezien er ter plaatse van de beoogde woning geen bouwvlak aanwezig is. Het bestemmingsplan biedt geen toereikende afwijkingsmogelijkheid voorde geconstateerde strijdigheid. Ook artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) biedt geen toereikende afwijkingsmogelijkheid. Afwijken is uitsluitend mogelijk middels de afwijkingsprocedure als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3°. Hiertoe is de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt de nieuwe situatie beschreven. In hoofdstuk 5 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan de relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

4

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

2

Bestaande situatie

Op het perceel kadastraal bekend als GVH01 - D - 896 aan de Maziestraat naast nr. 20, 22. 22A en 24 te Den Haag wil de eigenaar een kleinschalige woning realiseren. Het betreft een onbebouwd perceel ingeklemd tussen de bestaande bebouwing van de Maziestraat nr. 24 en Maziestraat nr. 21. In de bijlage zijn de tekeningen en enkele foto’s van de bestaande situatie opgenomen.

Al

s

e2

.39

* 4 \

a;,

A '

2

a

2

——

7

18

8 Restat

w■

\

% '

•,0

5,

3

05

J

°

5

2a ( b . % A- ,3

V

0-

' -3

9

} g

8

p

A

2

3

d,

ve

I

:a

s v E

pi

Achterzijde perceel (zicht vanuit de tuin Noordeinde 164).

5

& 2.72

"A

___

<

2

gaog •1 N

a t

2M4 *•*

4 2 1

■ '

n

II h

8

IIILo"I "na-1

.“sb, e

I

I N95 *

’

V

-

• - —//g ///

Ligging plangebied

Voorzijde perceel (vanaf Maziestraat). PLANRUIMTE

B

Ie

8

E

§

I

1

1. '

Maziestraat

8

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

8

3

i

5

r

n

2

□

V

E

*

ë

9

§

I I

i .

88g

hi

o

■a

i

8

j

1

ë

I

8

S

5

I

1

1

CQ

r i i

Plattegrond bestaande situatie

n

n

b.K. dakopstand ca. 8.650 +P

b.k.dakvloer ca. 8.450 +P

ca. 6.030 +P ca. 5.770 *P

AL

ca. 2.800 +P

PEIL = 0

PEIL = 0

L.

DOORSNEDE A - A (zijgevel Maziestraat 24) 1 : 100

ca. 9.450 +P

ca. 8.650 +P

—=

ca. 6.030 +P

— PEIL = 0

: ca. 2.650 +P

HUM

Illlllllllllll,

[ [ mm u

□

I I l, l l ll!llllllllllllllllllllllll’

□□

E

n

—bouwlocatie-■—1 AANZICHT VOORGEVEL (Maziestraat 20-24) 1 : 100

6

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Nieuwe situatie

3

In de nieuwe situatie wordt op het perceel aan de Maziestraat naast nr. 20, 22, 22A en 24 te Den Haag kadastraal bekend als GVH01 • D - 896 een kleinschalige woning gerealiseerd.

|

g

I

5

t

§

e

V

y o

li

7

2

i

£

i

T

e

5

*

ï

o I

I2

E

&

li a

3

s

817 Hl 3 5

ii

5

*e .

tl

TE

[

ra2 2 ë

g

EE 2

E §

cw

•1

E E

1

1

I

I

I i

i

I

i

5:5 22

I

I 8

ll

f tl

ll

os

a 2

!

F

ë

ï

I

8

§

Si

5

3

2

8

£

t q

78

ffsi

I E

1

ë

I

■

i

.j

—

CD-

: •

I

2 1i

O

#

I

$

AllllI

5'

s

2

T

I

%

i

H

IE '.III I

00

i

;

'

2 *

i

I

I

Ir

Maziestraat

I

I

I I

ft

Het plan bestaat uit twee bouwlagen met daarboven op een lage kapverdieping met zolder. Hierdoor is er sprake van een goothoogte van 6,2 m en een nok c.q. bouwhoogte van 7,85 m. De voorgevel is opgetrokken en volgt de hellingshoek van de dakschilden. Beide zijdes en de achterzijde zijn voorzien van dakschilden. Het geheel oogt hierdoor kleinschaliger en sluit nu in massa aan op de bebouwing van de Maziestraat zuidzijde. Dit komt de leesbaarheid van de gevelwand, als stedenbouwkundige eenheid, ten goede.

DOORSNEDE B-B 1:100

7

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

noogste punt 8.030-F L bs nak 7 .TM +P

1

I

II

f

ra s

■■

■i

EEi

IIIII

b.K. vloer 2.900 +F

PEIL-O (b.k. yloer)

1i

H

lil

gn

gn

□□niHi

i

■■

■■ iülllllllllllllllllllllllllllllllll|

■■

I

i

।

I

D.k. dakopztand 6.125 +F — b.k. vloer E.800-F

V - Berdekt 9=Pldd.5t

went latierooster

AANZICHT VOORGEVEL 1 : 100

TH

1

1

7

n

D.k nok 7.760 -F

lil IIII lil ,11111111

AF

D.k dakopstan 00 +F

UK1MTMEMM ramen werkkamer voo 2 en van zonneschermen D.k vloer 2.900 -P

□

I

1

I

1

I

1

FEL-0 (b.k. vicer) "v - verdekt geplaatst ventlaterooster

AANZICHT ACHTERGEVEL 1 :100

rast

EMH HH HE

l I

ra ü üT

b.k. nok 7.760 +P

b.k, dakopstand 6.125-P — b.k. vloer 5.800+P

ramen werkkamer voorzien van zonneschermen

b.k. «loer 2.900 +P

■

PEIL (b.k. vloer)

AANZICHT ZIJGEVEL ( C - C) 1 : 100

zijgevel nieuwbouw vervangt bestaande erfafscheiding (schutting)

kozijnen zijgevel voorzien van niet doorzichtig translucent melkglas i.v.m. positie tegen erfgrens

raamconstructies worden 30 minuten brandw conform NEN6069 op criteria EW uitgevoerd

Welstand Het plan voorgelegd aan de Welstands- en Monumentencommissie. Hierbij is het bouwplan getoetst aan de Welstandsnota en beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming ‘WaardeCultuurhistorie’. 8

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

De commissie kan zich het inpassen van een volume op deze lege kavel voorstellen. Het nieuwe volume, twee bouwlagen met een zadeldak aan de voorkant en een dakschild aan de achterkant, voegt zich in schaal en typologie mooi toe aan de bestaande bebouwing. De voor-, zij- en achtergevel zijn nu goed aan elkaar gerelateerd. De zijgevel is ook zorgvuldig vormgegeven en voorzien van openingen.

Bij de uitwerking van dit ontwerp tot bouwplan vraagt de commissie aandacht voor de kleurstelling van de gevels en de kozijnen. Voor de gevelpleister geeft zij voorkeur aan een warm grijs. De aansluiting van de zijgevel op de tuinmuur van de buren dient ook zorgvuldig gedetailleerd te worden. Beschermd stadsgezicht Het plan ligt binnen het Rijks beschermd stadsgezicht ‘Centrum’ en grenst aan de Koninklijke Stallen. Een volume is hier denkbaar. Het bouwplan voegt zich voldoende in het bestaande stedelijk weefsel en in de gevelwand van de Maziestraat (even zijde). De voorgestelde twee bouwlagen met kap sluiten voldoende aan op de naastgelegen woningen en de woningen op de kop. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen het beschermd stadsgezicht ‘Centrum’.

Ruimtelijke onderbouwing Het plan geeft een kwaliteitsverbetering ten opzichte van de bestaande situatie. De woning past qua opzet en typologie ook goed bij de bestaande woonbebouwing van de Maziestraat. Ook wordt qua dakvorm, omvang en materialisatie aansloten bij de bestaande woonbebouwing. Het plan levert een duidelijke verbetering op voorde woonomgeving. Daarnaast draagt het plan bij aan het duurzaam gebruik van de gronden en wordt een woning met een kwalitatief hoogstaand niveau gerealiseerd.

Bezonning Voor het plan is in de uitwerking een bezonningsstudie uitgevoerd naarde schaduwwerking van het bouwplan op de omliggende bebouwing (zie bijlage). Hieruit blijkt dat impact op de omliggende bebouwing gering is en nadelige schaduwval beperkt blijft. Parkeren In het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ zijn regels gesteld omtrent (fiets)parkeren. Bij het plan is sprake van een nieuwbouwsituatie. Het maatgevend moment voor motorvoertuigen is avond-nacht. De parkeerbehoefte bedraagt afgerond 2 parkeerplaatsen.

Het is niet mogelijk deze parkeerplaatsen op eigen terrein te kunnen realiseren. Het bestemmingsplan biedt echter een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid op grond van artikel 6, juncto artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Formeel moet de volledige parkeerbehoefte van nieuwbouw worden opgelost op eigen terrein, maar als de parkeerdruk lager is dan 80 %, mag de parkeerbehoefte van bezoekers worden opgelost in de openbare ruimte. Op basis van de gegevens van de gemeente blijkt dat de parkeerdruk lager dan 80% ligt. In dit geval komt de parkeereis voor bezoekers uit op 1 parkeerplaats, waarin voorzien mag worden door te parkeren in de openbare ruimte. De parkeereis voor bewoners komt eveneens uit op 1 parkeerplaats, waar in beginsel op eigen terrein in voorzien moet worden. Dit is ter plaatse niet rnogelijk, waardoor in de parkeereis voorzien moet worden door te parkeren op privéterrein in de omgeving. Dit moet aangetoond worden middel een huurovereenkomst voor de duur van minimaal 10 jaar.

Door de eigenaar is een huurovereenkomst gesloten om één privéparkeerplaats voor de duur van 10 jaar te huren in de garage van de Maziestraat 16 (zie bijlage). Hiermee is aangetoond dat voldaan kan worden in de benodigde parkeerbehoefte. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de kaders van de ‘Parapluherziening fiets(parkeren)’. 9

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

4

Beleidskader

Het kader voor een bestemmingsplan wordt gevormd door diverse nationale, provinciale, (deel) regionale, en (deel)gemeentelijke nota's. Dit beleid stelt planologische en bestuurlijke beleidskaders (randvoorwaarden) aan de ruimtelijke (on)mogelijkheden voor het plangebied waarmee rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt voor het plangebied het relevante algemene beleid beknopt samengevat.

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Deze opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten het Rijk stelt bij de inrichting van Nederland en hoe keuzes gemaakt worden bij de uitvoering daarvan. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken aan de nationale prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio’s; • en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. • Toetsing Planspecifiek De NOVI kent een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2011) Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het betreft de onderstaande projecten: Rijksvaarwegen Project Mainportontwikkeling Rotterdam Kustfundament Grote rivieren Waddenzee en waddengebied Defensie Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Natuurnetwerk Nederland 10

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Ruimtereservering parallelle Kaagbaan

Planspecifiek Voorliggend plan ligt niet in een van de benoemde gebieden of aandachtsvelden als bedoeld in het Barro. Vanuit het Barro volgen dan ook geen randvoorwaarden voor het plan.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. Planspecifiek In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Het voorgenomen plan betreft geen stedelijke ontwikkeling. Het verder doorlopen van een ladder toets is daarom niet vereist.

4.1.4 Conclusie rijksbeleid Het plan past binnen de kaders van het rijksbeleid, zoals beschreven in de NOVI en het Barro.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie ZuidHolland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 7 augustus is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.

De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau n

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.

Planspecifiek Het onderhavige plan is kleinschalig en raakt het provinciale beleid niet, zoals verwoord in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Conclusie Het plan past binnen de kaders van de provinciale omgevingsvisie.

4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Op 7 augustus 2021 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. In deze verordening zijn alle regels voorde fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht. Voor het plan zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit en 6.10 Stedelijke ontwikkelingen relevant.

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2.

het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. 12

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Planspecifiek Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat vanuit het artikel geen belemmeringen zijn ten aanzien van het plan. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen.

In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

3.

Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

Planspecifiek Het begrip stedelijke ontwikkeling is in het Besluit ruimtelijke ordening gedefinieerd als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen Het plan is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Vanuit de omgevingsverordening gelden daarom ook geen aanvullende regels. Derhalve is een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Conclusie Het plan past binnen de kaders van de Omgevingsvisie Zuid-Holland.

4.2.3Conclusie provinciaal beleid Het plan past binnen de kaders van het provinciale beleid, zoals beschreven in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland.\

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Wereldstad aan Zee, Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020 (Rv 197 - 2005; RIS 129201). De ambitie is om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners (nu ca 500.000) en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er ca 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de 13

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Wéreldstad aan Zee vormgegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11-zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4-zone en de Schakelzone Lozerlaan).

Planspecifiek Het plan past binnen de gemeentelijke opgave om 40.000 woningen toe te voegen aan de bestaande stad. Het plan levert een duidelijke verbetering op voor de woonomgeving ten opzichte van de bestaande situatie. Daarnaast draagt het plan bij aan het duurzaam gebruik van de gronden en wordt een woning met een kwalitatief hoogstaand niveau gerealiseerd.

4.3.2Agenda voor de Haagse Verdichting De 'Agenda voor de Haagse Verdichting' (Rv 51 - 2009; RIS 159469) is een thematische uitwerking van de Structuurvisie en dient als leidraad voor de binnenstedelijke verdichting in Den Haag tot 2020. Door middel van verdichting kan de bevolkingsgroei binnen het bestaande stedelijke gebied opgevangen worden. Daarnaast kan verdichting worden aangegrepen om de stedelijke kwaliteit van Den Haag te versterken. In de Verdichtingsagenda wordt gemeld dat verdichting met respect voor, en kennis van de cultuurhistorie, de identiteit en het karakter van Den Haag moet gebeuren. Verdichtingsingrepen mogen deze niet aantasten of negatief beïnvloeden. In de beschermde stadsgezichten is verdichten alleen mogelijk als programma, schaal, maat en architectuur aansluiten bij de bestaande kwaliteiten. Verdichting kan wel eventuele weeffouten in de structuur zelf herstellen.

Planspecifiek Het plan past binnen de kaders van de Agenda voor de Haagse Verdichting. Hierbij wordt met respect voor, en kennis van de cultuurhistorie, de identiteit en het karakter van Den Haag verdicht. Het bouwplan voegt zich in het bestaande stedelijk weefsel en in de gevelwand van de Maziestraat (even zijde) en tast de aanwezige cultuurhistorische waarden niet aan. De voorgestelde twee bouwlagen met kap sluiten ook voldoende aan op de naastgelegen woningen en de woningen op de kop.

14

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

5

Omgevingsaspecten

Voor het plangebied zijn diverse onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van de plannen te toetsen. Daarnaast geven deze onderzoeken de randvoorwaarden waarde planontwikkeling in het plangebied aan moet voldoen.

5.1 Water 5.1.1 Wet- en regelgeving en beleid Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren en stelt zich ten doel dat alle Europese wateren in 2015 een 'goede toestand' hebben en dat heel Europa duurzaam omgaat met water. Waterwet De Waterwet (2009) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet helpt Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie.

Het Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan geldt voor de planperiode 2016-2021 en heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Waterprogramma 2016-2021 (WBP 5) In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) worden de bouwstenen met de programma's en beheerstaken van het waterschap beschreven. Hiermee wordt tevens een prioritering aangebracht en is aangegeven aan hoe het waterschap over de bouwstenen willen participeren.

De Keur In dit beleidsdocument staan de regels voor het beheer, gebruik en onderhoud van waterstaatswerken. Particulieren, bedrijven en andere overheden zijn verplicht zich aan de Keur te houden. Indien er niet aan de Keur wordt gehouden, zal het waterschap genoodzaakt zijn maatregelen te nemen.

5.1.2 Onderzoek water Oppervlaktewater In het plangebied bevinden zich geen watergangen.

Grondwater Ten aanzien van het grondwater worden geen problemen verwacht. Waterketen Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, te voorkomen wordt het regenwater niet direct naarde riolering afgevoerd maar volgens de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren ’ behandeld. Het hemelwater van de dakvlakken wordt afgekoppeld.

15

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Waterberging In de bestaande situatie is het terrein vrijwel geheel verhard. Door het plan neemt het verhard oppervlak nauwelijks toe (minder dan 10 m2). Het hoogheemraadschap van Delfland hanteert het 'stand still' principe wat inhoudt dat wanneer bij nieuwe ontwikkelingen het verhard oppervlak toeneemt, dit een verslechtering van de waterhuishouding is die gecompenseerd moet worden. Dit bouwplan is vanwege deze geringe toename van de verharding aan te merken als een kruirnelgeval waardoor geen compensatie nodig is. Watertoets In het kader van de watertoets is voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Delfland.

5.1.3 Conclusie water Er worden ten aanzien van het oppervlaktewater, grondwater en waterketen geen problemen verwacht. Ook neemt het verhard oppervlak niet toe, waardoor geen compensatie nodig is. Het plan zal dan ook geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding in en in de nabijheid van het plangebied. Het plan is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het hoogheemraadschap.

5.2 Bodem 5.2.1 Wet- en regelgeving en beleid Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (1996) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd.

Voor ruimtelijke plannen moet ten minste een historisch onderzoek worden verricht (conform NEN 5725). Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, moet een verkennend bodemonderzoek worden verricht (conform NEN 5740).

5.2.2 Bodemonderzoek In het kader van het bouwplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (zie bijlage). Hieruit blijkt dat lichte verontreinigingen aanwezig zijn.

De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, minerale olie en PAK en sterk verontreinigd met lood en/of zink, ter plaatse van boringen 01 t/m 04 (traject 0,0-0,5 m -mv). De ondergrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood en/of zink. Ter plaatse van boring 04 (traject 1,1-1,5 m -mv) is de ondergrond sterk verontreinigd met lood. De verontreinigingen met metalen in de boven- en ondergrond op de onderzoekslocatie, komen deels overeen met de gevonden verontreinigingen ter plaatse van de tuin op het naastgelegen perceel. Het is mogelijk dat de destijds aangetoonde verontreinigingen dus een groter gebied beslaan dan gedacht.

Bovendien staat in de Nota Bodembeheer genoemd dat in deze zone “O1: Vroeg bebouwd gebied rondom het centrum” metaalverontreinigingen sterk heterogeen voorkomen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. De tijdens eerder onderzoek op naastgelegen perceel aangetoonde benzeenverontreiniging is niet op de huidige onderzoekslocatie aangetoond. 16

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

De metaalverontreinigingen zijn immobiel en als zodanig, relatief eenvoudig te saneren door middel van een BUS-melding middels het aanbrengen van een isolatielaag (leeflaag of aaneengesloten duurzame verhardingslaag) al dan niet in combinatie met een open ontgraving. Het is in dit kader niet strikt noodzakelijk om de omvang exact in beeld te brengen middels het uitvoeren van een nader onderzoek. Er zal een saneringsplan worden opgesteld voor het ontgraven van de bovenste laag waarbij een leeflaag van schone grond wordt gerealiseerd. Hierdoor zijn geen milieu hygiënische belemmeringen voorde realisatie van het bouwplan.

5.2.3 Conclusie bodemonderzoek Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect bodem. Er zal een saneringsplan worden opgesteld voor het ontgraven van de bovenste laag waarbij een leeflaag van schone grond wordt gerealiseerd. Hierdoor zijn geen milieu hygiënische belemmeringen voorde realisatie van het bouwplan.

5.3 Flora en fauna 5.3.1 Wet- en regelgeving en beleid Natuurbescherming in Nederland De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunning plichtig.

Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Nederland (voormalig EHS) en het Programma Groen zijn ruimtelijk vastgelegd in de Agenda Groen. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones bestaand uit het Natuurbeheerplan Brabant en de Structuurvisie. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

5.3.2 Onderzoek flora en fauna Natuurgebieden Het plangebied ligt niet in of nabij een speciaal beschermingsgebied. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000 gebied ligt op 2,5 km. Vanwege de relatieve kleine ingreep worden geen verstorende effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied verwacht. 17

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Soorten Het terrein is vrijwel geheel verhard en heeft geen belangrijke natuurwaarden. Het is daarom niet te verwachten dat op het perceel beschermde soorten aanwezig zijn en kan met redelijkheid worden uitgesloten dat het plan significante negatieve effecten heeft op beschermde soorten.

5.3.3Conclusie Geconcludeerd wordt dat als gevolg van het plan geen negatieve effecten op beschermde gebieden of de populaties van beschermde planten of dieren te verwachten zijn.

5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.4.1 Wet- en regelgeving en beleid Erfgoed wet De Erfgoedwet (2017) regelt de bescherming van het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed). Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. De uitgangspunten van de wet zijn: archeologische waarden worden zoveel mogelijk in de bodem bewaard en alleen opgraven als behoud in de bodem niet mogelijk is, vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie en bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen (principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit.

Archeologiebeleid Gemeenten hebben de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie geeft de gemeente aan hoe de gemeente zorg wil dragen voorde archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. Op de gemeentedekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeente beleid heeft gekoppeld:

1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de

archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan

bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2.

Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van

de bodemopbouw en/of historische kaarten). Bij activiteiten met een bodemverstoring

groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten.

3.

Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht. Hier verbindt

de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten.

Cultuurhistorie De locatie ligt in het Rijks beschermd stadsgezicht ‘Centrum’ en grenst aan de Koninklijke Stallen. 18

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

5.4.2 Onderzoek archeologie De gemeente heeft aangeven dat bij het bestemmingsplan Jacobskerk e.o. een verkeerde dubbelbestemming is opgenomen. Dit zou de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 moeten zijn. Een bouwplan in een Waarde-Archeologie 2 gebied wordt getoetst aan een dieptecriterium (0,5 m -mv) én een oppervlaktecriterium (50 m2). Omdat het bouwplan beide criteria niet overschrijdt wordt voor dit bouwplan geen archeologisch onderzoek gevraagd.

5.4.3Onderzoek cultuurhistorie De locatie ligt in het Rijks beschermd stadsgezicht ‘Centrum’ en grenst aan de Koninklijke Stallen. Een volume is hier denkbaar. Het bouwplan voegt zich voldoende in het bestaande stedelijk weefsel en in de gevelwand van de Maziestraat (even zijde). De voorgestelde twee bouwlagen met kap sluiten voldoende aan op de naastgelegen woningen en de woningen op de kop. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen het beschermd stadsgezicht ‘Centrum’.

5.4.4Conclusie cultuurhistorie en archeologie Geconcludeerd wordt dat archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het plan.

5.5 Geluid 5.5.1 Wet- en regelgeving en beleid Wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalt dat het bevoegd gezag bij vaststelling van omgevingsvergunning de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Uitzondering hierop betreft de toetsing bij rijkswegen. Als meerdere rijkswegen in de directe nabijheid van een plan zijn gelegen dient het gecumuleerde geluidsniveau van deze wegen te worden gehanteerd bij de toetsing aan de Wet geluidhinder (SWUNG1).

Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Als dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde ‘Hogere waarde’. De Hogere waarde mag alleen worden verleend als uit akoestisch onderzoek blijkt dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting brengen niet mogelijk is. Aan de ‘Hogere waarde’ is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder1. Voor de aanleg van een weg geldt een maximale geluidsbelasting van resp. 53 en 58 dB op bestaande woningen in buitenstedelijk respectievelijk stedelijk gebied. Voorde nieuwbouw van agrarische woningen geldt een maximale geluidsbelasting van 58 dB.

1 Conform artikel 110g mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer. Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen

5 dB. De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wet

geluidhinder vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast.

19

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Railverkeerslawaai Het geluidsniveau ten gevolge van het railverkeer moet op de gevels van nieuwe (ofte wijzigen) woningen in de geluidszone van een spoorwegtraject voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 55 dB. De maximale hogere waarde voor nieuwe woningen in de zone van een spoorwegtraject bedraagt 68 dB. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde ‘zware lawaaimakers’ als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde) op woningen in de geluidszone van een industrieterrein bedraagt 50 dB(A). De maximaal toelaatbare geluidsbelasting op nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A), voor bestaande woningen bedraagt deze 60 dB(A). De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden.

Cumulatie Bij de vaststelling van hogere grenswaarden verplicht de Wet geluidhinder het inzichtelijk maken van het gecumuleerde geluidsniveau. Dit betreft het gezamenlijk geluidsniveau van alle relevante geluidsbronnen (weg, rail, industrie). Een bron is relevant indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De gemeente kan een hoger grenswaarde vaststellen als er sprake is van een aanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting.

5.5.2Onderzoek geluid Wegverkeerslawaai De omliggende wegen (Maziestraat, Noordeinde) hebben een 30 km/uur regime. Deze hoeven in het kader van de Wet geluidhinder niet getoetst te worden. Ook is niet te verwachten dat deze in het kader van een goede ruimtelijke ordening tot een onaanvaardbare geluidsbelasting bij woning leidt. Wel ligt het plangebied binnen de geluidszone van Hogewal (50 km/uur). De planlocatie wordt echter aan alle zijden afgeschermd van deze weg door de bestaande bebouwing. Deze zorgen voor een aanzienlijke afscherming van het wegverkeerslawaai. Daarom wordt verwacht dat er geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en hoeft geen aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek geluidwering gevel en interne isolatie en installatiegeluid In het kader van het plan is in het kader van het Bouwbesluit 2012 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naarde geluidwering gevel en interne isolatie en installatiegeluid (zie bijlage). Hieruit blijkt dat op basis van de beschreven uitgangspunten en aangegeven randvoorwaarden aan de eisen met betrekking tot de interne geluidisolatie, installatiegeluid en geluidwering gevel kan worden voldaan.

5.5.3Conclusie geluid Vanuit de Wetgeluidhinder geldt geen onderzoeksplicht aangezien de omliggende wegen een 30 km/uur regime hebben. De Hogewal (50 km/uur) is wel relevant. Aangezien de planlocatie aan alle zijden afgeschermd van deze weg door de bestaande bebouwing wordt verwacht dat sprake is van een acceptabele geluidsbelasting en hoeft geen aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. 20

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit legt de belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit vast. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriele Regelingen. Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wet milieubeheer staan voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht: stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer.

Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of; per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of; het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2), of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)2. In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’ dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen ed. op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PMio en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo’n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen.

Het maakt voorde vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van ‘niet in betekenende mate’ projecten of ‘in betekenende mate’ projecten. De AMvB 'Gevoelige Bestemmingen' moet in beide gevallen worden nageleefd.

2 Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Met het NSL is

in 2005 gestart omdat Nederland niet tijdig aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kon voldoen. Nederland heeft

een plan gemaakt waaruit duidelijk wordt hoe de grenswaarden wel worden bereikt. In het NSL zijn allerlei grote projecten opgenomen die men wil uitvoeren samen met maatregelen die worden uitgevoerd om de concentratiebijdrages van deze grote projecten te compenseren. De concentratiebijdrage van NIBM-projecten wordt

tevens gecompenseerd door deze maatregelen. Voor de projecten die in het NSL zijn opgenomen, hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan de normen niet nodig. 21

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

5.6.2Onderzoek luchtkwaliteit Voor het plan is onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Hieruit blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

5.6.3 Onderzoek stikstofdepositie In de nabijheid van het plangebied is op ongeveer 2,5 km afstand een Natura 2000-gebied aanwezig. Aangezien het gaat om een woning waarbij gevolgen van zowel de bouwfase als gebruiksfase van het plan zeer beperkt zijn kan worden gesteld dat geen sprake is van een significante verhoging van de stikstofdepositie.

5.6.4 Conclusie stikstof Het plan geeft geen verhoging van de stikstofdepositie. Er is daarom ook geen vergunning van de Wet Natuurbescherming nodig.

5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Wet- en regelgeving en beleid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voorde omgeving bij gebruik, opslag en vervoer - over weg, water en spoor en door buisleidingen - van gevaarlijke stoffen. Ook de risico’s van het gebruik van luchthavens en de mogelijke aanwezigheid van explosieven vallen onder externe veiligheid. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (Revi II) bevat de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen. Denk hierbij aan risico’s van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)-opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) (2006). De nota heeft geen wettelijk bindende werking maar is niet vrijblijvend. Een voorstel voor een wettelijke regeling voor vervoer van gevaarlijke stoffen is in voorbereiding.

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

5.7.2Onderzoek externe veiligheid Voor het plan is onderzoek gedaan naar externe veiligheid. Hiervoor is gebruik gemaakt van de risicokaart.nl. De mogelijke risicobronnen rond het plangebied zijn hierbij in kaart gebracht. Risicovolle inrichtingen De woning is een kwetsbaar object. Er zijn geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van plangebied aanwezig.

Propaantank Voor propaantanks gelden op grond van het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden. Deze afstanden zijn van ruimtelijk belang als ze strekken tot buiten de perceelsgrens van de milieu22

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

inrichting (bedrijf). Propaantanks kennen veiligheidszones van 10 meter. Nabij het plangebied zijn geen propaantanks aanwezig.

Vervoer gevaarlijke stoffen door leidingen Nabij het plangebied zijn geen risicovolle leidingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Nabij het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen of waterwegen, waar transport van gevaarlijke stoffen over plaats vindt waarvan het invloedsgebied over het plangebied ligt.

5.7.35.7.4

Conclusie externe veiligheid

Vanuit externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor het plan.

5.8 Bedrijven en milieuzoneringen 5.8.1 Wet- en regelgeving en beleid De aard van de bedrijvigheid en daaraan gekoppeld de milieubelasting maken het gewenst binnen de bedrijvenbestemmingen een onderscheid aan te brengen op basis van milieucriteria. Dit geldt ook voor andersoortige bestemmingen, als niet uit de bestemmingsplanomschrijving (al) blijkt welke (milieu)categorie bedrijfsactiviteiten het betreft. Als uitgangspunt zijn de activiteiten zoals genoemd bijlage 1 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (Lijst 1- Activiteiten en Lijst 2- Opslagen en installaties) genomen.

5.8.2Onderzoek bedrijven en milieuzoneringen De omgeving van de woning is op basis van de VNG-brochure aan te merken als een gemengd gebied. Nabij het plangebied zijn lichtere functies zoals detailhandel, dienstverlening, lichte horeca, maatschappelijk, wonen, hotel, sport en kantoor mogelijk. Deze functies gaan vanuit bedrijven en milieuzonering goed samen met wonen. Daarnaast zijn verder geen bedrijven met een richtafstand aanwezig die van invloed zijn op het plangebied.

5.8.3Conclusies bedrijven en milieuzoneringen Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de woning geen belemmering oplevert voor omliggende bedrijven en is tevens sprake is van een adequaat woon- en leefklimaat.

5.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden.

5.9.1 Conclusies en aanbevelingen Er zijn geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in of nabij het plangebied.

5.10Milieueffectrapportage / M.e.r.-(beoordelings)plicht 5.10.1 Wet- en regelgeving en beleid 23

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat voor welke plannen en besluiten in welke gevallen een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en Dlijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Bij een (directe) m.e.r.-plicht dient hoe dan ook een MER opgesteld te worden. Bij een m.e.r.beoordelingsplicht dient te worden beoordeeld of de activiteit vanwege bijzondere omstandigheden toch belangrijke milieugevolgen kan hebben. Indien dat het geval is dan ligt een m.e.r.-procedure in de rede. Zo niet, dan dient het bevoegd gezag expliciet te besluiten dat geen m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Een derde situatie die zich kan voordoen betreft de situatie waarbij de betreffende activiteit qua omvang beneden de drempelwaarde voor m.e.r.beoordeling blijft. Ook in dat geval is, op grond van art. 2 lid 5 van het Besluit m.e.r., nog een beoordeling nodig, zij het dat dit een vormvrije beoordeling betreft.

5.10.2Onderzoek M.e.r. (beoordelings)plicht Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die m.e.r- (beoordelings)plichtig zijn.

5.10.3Conclusie M.e.r. (beoordelings)plicht Geconcludeerd wordt dat er voor het plan geen m.e.r of m.e.r-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd.

24

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

6

Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid Het plan voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Voor het plan wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Ook zal een planschadeovereenkomst worden opgesteld. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Participatie De directe buren zijn geïnformeerd over het plan (zie bijlage). De buren van nr. 21 hebben schriftelijk bevestigd. Deze brief is als bijlage toegevoegd. De buren van nr. 24 zijn mondeling geïnformeerd en hebben toegezegd geen bezwaar te zullen maken.

6.2.2 Overleg De ruimtelijke onderbouwing is voorgeiegd aan het hoogheemraadschap Delfland. Zij heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het bouwplan. Aangezien het plan geen provinciale belangen raakt is het niet nodig om de provincie om een reactie te vragen.

25

PLANRUIMTE

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Bijlage 1 Tekeningen bestaande en nieuwe situatie

26

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Bijlage 2 Bezonningsstudie

27

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek

28

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Bijlage 4 Geluidsonderzoek

29

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Bijlage 5 Huurovereenkomst parkeren

30

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

Bijlage 6 Participatie buren

31

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

Ruimtelijke onderbouwing Maziestraat naast nummer 20, 22, 22A en 24 Den Haag

32

PLANRUIMTE ruimte voor morgen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11774516/1