CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS312875 Fietspad Westduinpark

Gemeenteraad 6 oktober 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Mondelinge vragen (niet tijdig beantwoorde schriftelijke vragen)842 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENTERAAD RIS-nummer: 312875

Schriftelijke vragen: Fietspad Westduinpark Indiener: Coen Bom (Hart voor Den Haag) Datum: 20 juli 2022 Het Westduinpark is een schitterend natuurgebied met fantastische wandel- en fietspaden waar veel mensen met plezier gebruik van maken. De gemeente heeft hierbij een zorgplicht en is verantwoordelijk voor de veiligheid van de paden. Hart voor Den Haag heeft al twee keer vragen gesteld over de volgende casus. Aangezien de vragen onjuist en onvolledig zijn beantwoord, doe ik hierbij een derde poging. De casus: De heer Leether (inwoner van Den Haag) heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor zijn ernstige val in augustus 2020. De gemeente heeft op voorhand iedere aansprakelijkheid afgewezen, al heeft men na de val en de correspondentie daaromtrent (RIS309792 en RIS311169) wel de toezegging gedaan om waarschuwingsborden te plaatsen bij strandafslag 7. NB: Dit is tot op heden niet gebeurd. De frustratie bij de heer Leether zit hem vooral in de manier waarop hij als burger behandeld wordt door de gemeente en het onvolledig en onjuist beantwoorden van eerder gestelde schriftelijke vragen. Zo werd stelselmatig aangegeven dat er vanuit de gemeente contact met hem is geweest, hetgeen onjuist is. Door personele wisselingen kan de gemeente ook geen bewijzen van dat contact overleggen.

Aangezien de waarschuwingsborden nog niet zijn geplaatst voldoet de gemeente nog steeds niet aan het uitvoeren van de zorgplicht. Daarom hierbij een aantal vervolgvragen, waarbij ik wil benadrukken dat ik verwacht dat de beantwoording deze keer wel juist en volledig is. Driemaal is scheepsrecht. Overeenkomstig Artikel 30 van het Reglement van orde stelt het lid Bom (Hart voor Den Haag) de volgende vragen aan de voorzitter van de Haagse gemeenteraad. 1. Welke maatregelen had het college op 5 augustus 2020, de dag van het fietsongeval van de heer Leether, reeds getroffen om de risico’s van valpartijen door stuifzand op de fietspaden zoveel mogelijk te beperken? 2. Hoe valt het antwoord van het college (zie antwoorden van het college d.d. 5 oktober 2021 op vraag 6 en 7 van Hart voor Den Haag) dat het plaatsen van waarschuwingsborden in gang is gezet te rijmen met haar antwoord (zie haar antwoord op vraag 8 van dezelfde datum) dat specifieke waarschuwingsborden niet nodig zijn en dat met waarschuwingen op de “huisregelborden” kan worden volstaan? Actuele situatie: De toegezegde waarschuwingsborden staan er nog altijd niet terwijl ook de door het college aangekondigde waarschuwing op de huisregelborden die bij de ingangen van het gebied staan, ontbreken. 3. Wanneer worden de toegezegde maatregelen getroffen? Pagina 1 van 2

In de beantwoording van beide sets schriftelijke vragen van collega’s Oudshoorn en Roopram stelt het college dat er “vanuit Dhr. Leether nog aanvullende informatie zou worden aangedragen, maar dat die tot op heden (nog) niet is ontvangen”. Hierop is door de heer Leether contact opgenomen, met de destijds betrokken medewerker van de gemeente, om te vragen om welke aanvullende informatie het zou gaan, maar deze medewerker zei niet te weten welke informatie werd bedoeld. 4. Kan het college aangeven welke additionele informatie nog zou zijn gevraagd of door de belangenbehartiger van de rechtsbijstandverzekering van de heer Leether zou zijn toegezegd? Het college heeft gekozen voor de zogenoemde “vergrijzing van de duinen” met als verwachte gevolg minder groen en meer zand. Dat heeft, aldus het college, geleid tot “een dynamisch gebied waarin zandverstuiving een grote rol speelt. Om die reden is het zand op de weg niet goed te beheersen.” Die eigen keuze van het college is derhalve de directe oorzaak van de huidige zandoverlast en evenzeer van de daaruit voortvloeiende grotere risico’s voor fietsers. 5. Waarop baseert het college haar standpunt dat het betreden van een natuurgebied een eigen verantwoordelijkheid met zich brengt en over welke verantwoordelijkheid gaat het dan? 6.

Deelt het college de mening dat door deze opstelling de zorgplicht van de wegbeheerder dan weinig meer voorstelt als de verantwoordelijkheid zo eenvoudig wordt afgeschoven? Het controle- en veegbeleid is na de val van de heer Leether geïntensiveerd. Ook het voornemen van maatregelen als het plaatsen van specifieke waarschuwingsborden en/of het op de huisregelborden waarschuwen voor zandverstuivingen op de fietspaden, ook al zijn die nog niet uitgevoerd, dateren van ruimschoots na zijn ongeval. Het College was klaarblijkelijk van mening dat die maatregelen nodig waren om de bekende risico’s van verzande fietspaden te verkleinen. Dat blijkt eens temeer uit het antwoord van het college d.d. 21 maart 2022 op vervolgvraag 1 van Hart voor Den Haag: “we met het huidige onderhoud en met de bebording voldoen aan de zorgplicht die we als gemeente hebben.” De daaruit voortvloeiende conclusie kan geen andere zijn dan dat op 5 augustus 2020, de dag van het ongeval van de heer Leether, dat dus nog niet geval was. 7. Is het college desondanks van mening dat als gevolg van de later door haar (voorgenomen) getroffen maatregelen met terugwerkende kracht ook de aansprakelijkheid voor het ongeval van de heer Leether op 5 augustus 2020, is komen te vervallen en zo ja op welke juridische gronden? Coen Bom Hart voor Den Haag

Pagina 2 van 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11710406/1