RIS312173 vervolgvragen afval in Laakkwartier en Schoon op papier
Tekst van het document
STREKT TER VERVANGING RIS-nummer: 312173 Schriftelijke vragen: Afval in Laakkwartier en ‘Schoon op papier’ Indiener: Yousef Assad Datum: 26-04-2022 Aan de voorzitter van de gemeenteraad, Naar aanleiding van de beantwoording van de schriftelijke vragen van D66, ingediend op 27 januari 2022 (RIS311421), stelt de fractie van D66 deze vervolgvragen. De onderwerpen van de (vervolg)vragen zijn dezelfde als de inhoud van het onderzoeksrapport ‘Schoon op papier’ van de Rekenkamer Den Haag. Om die reden zijn er ook vragen gesteld over het onderzoeksrapport. Overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde en in navolging van de eerdere schriftelijke vragen stelt het raadslid Yousef Assad, D66, de volgende vragen: 1.
Is het college het met D66 eens dat een alomvattend onderzoek naar de vervuiling van de openbare ruimte noodzakelijk is om in kaart te brengen wat de achterliggende oorzaken zijn? Zo ja, is het college bereid om een dergelijk onderzoek te laten verrichten? Zo nee, waarom is het college niet van mening dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk is en op basis van welke argumenten concludeert het college dat de huidige kennis voldoende is om het afvalprobleem op te lossen?
2. Is het college op dit moment tevreden met de aanpak van de vervuiling van de openbare ruimte? Zo ja, kan het college onderbouwen waarom het tevreden is met het huidig beleid? Zo nee, wat is het college van plan om tot succesvoller beleid te komen? De Rekenkamer Den Haag heeft een onderzoek verricht genaamd ‘Schoon op papier’. De rekenkamer schrijft in het nawoord dat het college niet op de conclusies is ingegaan die de rekenkamer heeft getrokken. 3. Waarom is het college niet ingegaan op de conclusies die de rekenkamer heeft getrokken? De rekenkamer schrijft in het nawoord dat het college wel gereageerd heeft op de onderbouwing van de bevindingen. In overeenstemming met de verordening op de rekenkamer heeft de rekenkamer het onderzoeksrapport eerst voorgelegd aan de ambtelijke organisatie voor een controle op de feiten. De kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen is echter niet in het feitelijke wederhoor naar voren gekomen. 4. Waarom is de kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen niet in het feitelijke wederhoor naar voren gekomen? 5.
Is het college het met D66 eens dat, doordat het college niet ingegaan is op de conclusies van het rekenkameronderzoek en de kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen niet in het feitelijke wederhoor naar voren zijn gekomen, dit een negatieve invloed heeft gehad op de verdere uitwerking van het onderzoeksrapport en de reactie van het college op het onderzoeksrapport om die reden onvolledig is? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet?
6. Is het college het met D66 eens dat, doordat het college niet ingaat op de conclusies van het rekenkameronderzoek en de kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen niet in het feitelijk wederhoor naar zijn gekomen, het werk van de gemeenteraad wordt belemmerd? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet? 7.
Is het college bereid om alsnog in te gaan op de conclusies die de rekenkamer heeft getrokken? Zo ja, wanneer zou de gemeenteraad dit kunnen verwachten? Zo nee, waarom is het college hiertoe niet bereid?
De rekenkamer stelt vast dat zowel de gemeenteraad als het college al langere tijd nalaten voorstellen te doen voor aanscherping van de doelen of het verder ontwikkelen van het beleid. De rekenkamer stelt ook vast dat hierdoor onvoldoende specifieke doelen aanwezig zijn waardoor sturing op een effectieve aanpak van overlast, veroorzaakt door vervuiling van de openbare ruimte, niet kan worden behaald. 8. Deelt het college deze mening? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet? De rekenkamer stelt vast dat het college en de gemeenteraad de discussie over de kosten en te bereiken resultaten onvoldoende expliciet voeren. 9. Deelt het college deze mening? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet? 10. Is het college het met de rekenkamer eens dat opstellen of wijzigen van (nieuwe) doelen leidt tot nieuwe overwegingen van de middelen die nodig zijn om deze doelen te behalen? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet? 11. Is het college het met de rekenkamer eens dat er doelen moeten worden opgesteld voor de bijplaatsingen? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet? 12.
Is het college het met D66 eens dat bijplaatsingen een gevolg kunnen zijn van de achterliggende oorzaken? Zo nee, op grond waarvan deelt het college deze mening niet? In het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat het van mening is dat de ontevredenheid in de gemeenteraad en onder bewoners vooral gericht is op de problematiek rondom bijplaatsingen. Uit het rekenkameronderzoek blijkt daarentegen dat de ontevredenheid gaat over de resultaten van de aanpak van de vervuiling van de openbare ruimte. Dat is breder dan alleen bijplaatsingen. De rekenkamer geeft aan dat het onderwerp zwerfafval veelvuldig wordt aangehaald in vragen en moties vanuit de gemeenteraad. De rekenkamer constateert dat er ook onder bewoners ontevredenheid bestaat over de mate van vervuiling van de openbare ruimte. 13. Op grond waarvan komt het college tot de conclusie dat de ontevredenheid vooral gericht is op de bijplaatsingen en dat die ontevredenheid niet breder is zoals de rekenkamer concludeert? 14.
Is het college van mening dat de resultaten van de aanpak van de vervuiling van de openbare ruimte onvoldoende zijn? Zo ja, is het college voornemens om met nieuwe plannen te komen om dit te verbeteren, en zo ja, op welk termijn? Zo nee, waarom niet? In de reactie op het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat naast handhaving ook veel ingezet wordt op het opruimen van afval. 15. Is het college het met de rekenkamer eens dat opruimen van afval niet hetzelfde is als preventie om vervuiling van de openbare ruimte te voorkomen?
De rekenkamer stelt vast dat het college zich in de uitvoering te veel richt op handhaving en te weinig op instrumenten die gericht zijn op het voorkomen van overlast veroorzaakt door vervuiling van de openbare ruimte, zoals communicatie naar en participatie van bewoners. 16. Welke structurele maatregelen neemt het college om vervuiling van de openbare ruimte te voorkomen? 17. Hoe betrekt het college de participatie van en de communicatie naar de bewoners bij het voorkomen van overlast door vervuiling van de openbare ruimte? 18. Welke uitdagingen ziet het college met betrekking tot preventie? Welke kansen ziet het college? In de reactie op het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat de gemeentelijke inzet ligt op opruimen van zwerfafval en bijplaatsingen. 19. Waarom ligt de gemeentelijke inzet ook niet op het voorkomen van vervuiling van de openbare ruimte? De rekenkamer stelt vast dat het college nauwelijks inzicht heeft in de effectiviteit van de ingezette instrumenten om vervuiling van de openbare ruimte tegen te gaan. Dit geldt ook voor handhaving. 20. Deelt het college deze mening? Zo ja, heeft het college plannen om de effectiviteit van de ingezette instrumenten te meten, zo ja, welke zijn dat? Zo nee, hoe meet het college de effectiviteit? 21.
Hoe wordt het causaal verband tussen het ingezette instrument en het behaalde doel gemeten? Heeft het college hier cijfers van? Zo ja, kunnen deze cijfers beschikbaar worden gesteld aan de gemeenteraad? Geldt dat ook voor handhaving? In de reactie op het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat het lastig is de effectiviteit van verschillende instrumenten te meten die gelijktijdig worden ingezet. De rekenkamer geeft aan dat bovenstaande niet het punt is wat de rekenkamer wil maken bij bevinding zes uit het rapport ‘Schoon op papier’. Het punt dat de rekenkamer wil maken is dat het college op basis van de kennis en de problematiek op specifieke locaties het effect van de aanpak kan meten, zodat nagegaan kan worden of dit ten opzichte van alleen opruimen en handhaven doelmatig en doeltreffend is. 22. Deelt het college deze mening? Zo nee, waarom niet? 23. Wat zijn de cijfers over (on)geregistreerde bewoning waar per ORAC-locatie van wordt uitgegaan? Heeft het college hiervan een overzicht per locatie? Zo ja, van welke bron is gebruik gemaakt voor het maken van deze inschatting? 24. In welke wijk(en) in Laakkwartier is sprake van huis aan huis inzameling en inzameling via ORAC’s? Is er in de wijken waar op twee manieren wordt ingezameld een ledigingsfrequentie vastgesteld op basis van een inschatting van het aantal (on)geregistreerde bewoners? 25.
Zijn er cijfers beschikbaar van hoe vaak een ORAC-locatie wordt geleegd per stadsdeel? Zo ja, kunnen deze cijfers beschikbaar worden gesteld aan de gemeenteraad? 26. Wat is de gemiddelde vulgraad van een ORAC en voor hoeveel procent moet deze gevuld zijn om geleegd te worden? Is er een grens aan hoe vaak een ORAC geleegd wordt? Worden bijplaatsingen meegenomen in het ophogen van de ledigingsfrequentie?
27. Zijn er cijfers over hoe de stadsdelen zich tot elkaar verhouden met betrekking tot het aantal (on)geregistreerde bewoners? Kortom: is het maken van een vergelijking mogelijk? 28. Heeft het college inzicht in de feitelijke inzet van de BOA’s per wijk en/of stadsdeel over de afgelopen 2 jaar en wat de inzetverhoudingen waren tussen de wijken en/of stadsdelen? Zo ja, kan het college deze informatie beschikbaar stellen aan de gemeenteraad. Zo nee, waarom heeft het college hier geen inzicht in? Yousef Assad D66