RIS312173 Beantwoording SV Afval in Laakkwartier en schoon op papier
Tekst van het document
Datum
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE
5 juli 2022
VRAGEN
Onderwerp
Ons kenmerk
Antwoord van het college op de vragen van het raadslid de heer Assad, luidend: ‘Afval in Laakkwartier en ‘Schoon op papier’
DSB/10340095 RIS312173
Het raadslid de heer Assad heeft op 26 april 2022 een brief met daarin achtentwintig vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. Naar aanleiding van de beantwoording van de schriftelijke vragen van D66, ingediend op 27 januari 2022 (RIS311421), stelt de fractie van D66 deze vervolgvragen. De onderwerpen van de (vervolg)vragen zijn dezelfde als de inhoud van het onderzoeksrapport ‘Schoon op papier’ van de rekenkamer Den Haag. Om die reden zijn er ook vragen gesteld over het onderzoeksrapport. 1.
Is het college het met D66 eens dat een alomvattend onderzoek naar de vervuiling van de openbare ruimte noodzakelijk is om in kaart te brengen wat de achterliggende oorzaken zijn? Zo ja, is het college bereid om een dergelijk onderzoek te laten verrichten? Zo nee, waarom is het college niet van mening dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk is en op basis van welke argumenten concludeert het college dat de huidige kennis voldoende is om het afvalprobleem op te lossen?
Vanwege de veelzijdigheid van de gestelde vragen vindt het college het van belang om voorafgaand aan de beantwoording een situatieschets te geven van het dossier schone stad. Vooropgesteld, het college is bereid om op verzoek van de gemeenteraad een alomvattend onderzoek te laten uitvoeren naar de vervuiling van de openbare ruimte. Het college geeft uw Raad in overweging een werkbespreking te organiseren om in gezamenlijkheid de onderzoeksvraag en de scope van het onderzoek te bepalen. Wie zich door Den Haag verplaatst, komt schone en vervuilde plekken tegen. Voor een deel is het zo dat vervuiling overal en op ieder moment kan ontstaan. De onvoorspelbaarheid van het menselijk gedrag maakt dat de gemeente niet op alles kan anticiperen. Er zijn daarnaast ook plekken aan te wijzen waar vervuiling de overhand lijkt te hebben. Op het gebied van schone buitenruimte en bijplaatsingen probeert de gemeente de vervuiling tegen te gaan aan de hand van interventies zoals beschreven in het Programma voor een Schone Stad 2021-2022 (RIS307053) en het Actieplan Schone Stoep 2021-2022 (RIS305593). Beide komen nauwelijks terug in het rapport van de rekenkamer. De eerstvolgende beleidsnota voor een schone stad zal begin 2023 gereed zijn.
In dit vernieuwde programma worden verbeteringen doorgevoerd, zo worden onder andere de aanbevelingen uit het rekenkamerrapport Schoon op papier (RIS310905) opgenomen. De verbeteringen worden doorgevoerd met als doel de aanpak meer succesvol te maken. Op het gebied van schone buitenruimte geldt in de gehele stad dezelfde indicator. Op basis van technische metingen moet in de gehele stad gemiddeld minimaal een 8.0 gescoord worden en per stadsdeel minimaal een 7.0.
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
In de voortgangsrapportage Voortgang Een Schone Stad 2018 (RIS302247) is aangegeven dat de huidige meetmethode, op basis waarvan de indicator wordt bepaald, een onvolledig beeld laat zien. In de Voortgangsrapportage Programma voor een Schone Stad 2021-2022 (RIS311561) en in het rekenkamerrapport Schoon op Papier is aangegeven dat de meetmethode wordt aangepast waarbij de indicator zoals die nu gebruikt wordt, wordt losgelaten. Voor het onderdeel bijplaatsingen geldt momenteel geen indicator. Bijplaatsingen zijn geen nieuw fenomeen. Voor de uitrol van de ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) werd bijgeplaatst naast bovengrondse containers. De toename van het aantal ORAC’s heeft geleid tot een toename van het aantal bijplaatsingen. De ORAC’s hebben als grote voordelen dat bewoners geen volle vuilniszakken in huis hoeven te bewaren tot de ophaaldag en dat meeuwen of katten de zakken die in de ORAC zitten niet openscheuren. Zonder hier vergelijkende cijfers voor te hebben, durft het college wel te stellen dat stadsbreed de hoeveelheid (zwerf)afval afkomstig van huishoudelijk afval na plaatsing van de ORAC’s flink is verminderd. Bijplaatsingen zijn geen typisch Haags fenomeen. Grote en kleine gemeenten in Nederland maar ook steden in het buitenland hebben te maken met deze problematiek. Bijplaatsingen ontstaan wanneer bewoners het afval niet in de ORAC doen maar ernaast zetten.
De redenen waarom bewoners de zak naast de ORAC plaatsen zijn divers. Een volle, vieze of verstopte bak kan aanleiding zijn om de zak naast te plaatsen. Onwil, onwetendheid of gemakzucht komen ook voor. Ook wordt (grof)afval bijgeplaatst wanneer het te groot is voor de trommel van de container. Het college is doorlopend actief om de mogelijke oorzaken weg te nemen, rekening houdend met de verscheidenheid aan onderliggende redenen. In het Raadsinformatiesysteem wordt sinds 2012 gesproken over de “aanpak bijplaatsingen”. Tot 2020 bestond deze aanpak vooral uit losse experimenten, soms zonder goede effectmeting. Het Actieplan Schone Stoep bracht hier verandering in door experimenten gestructureerd op te zetten, een voor- en nameting uit te voeren om zo te proberen het effect te kunnen bepalen. De instrumenten die de gemeente inzet om de buitenruimte schoon te maken en schoon te houden zijn enerzijds overal hetzelfde, zoals de afvalinzameling op basis van sensordata en de inzet van de buurtserviceteams, en verschilt anderzijds per gebied. Welk instrument wordt ingezet is maatwerk dat doorlopend wordt aangepast; waar het wordt ingezet en hoe vaak het wordt ingezet is allemaal afhankelijk van de actuele behoefte. Oftewel, afhankelijk van de aanwezigheid of afwezigheid van vervuiling.
De intensiteit en combinatie van de inzet van instrumenten worden mede bepaald door zowel de beschikbare personele capaciteit als de beschikbare middelen. Vaker en meer gecombineerd inzetten kan leiden tot een schonere buitenruimte, maar leidt zeker tot verhoogde kosten. Over de te bereiken resultaten en de kosten gaat het college graag met de gemeenteraad in gesprek. Het college is van mening dat een alomvattend onderzoek naar de vervuiling van de openbare ruimte een brede scope moet hebben. De verschillen tussen schone en structureel vervuilde plekken hebben in de ogen van het college dieperliggende oorzaken waar een integrale aanpak voor nodig is. Overbewoning, kortdurende bewoning en sociale problematiek zoals werkloosheid en armoede zijn enkele van deze oorzaken. De gemeente kan dagelijks medewerkers vervuilde wijken insturen om de straten te vegen en grofvuil en bijplaatsingen te verwijderen, maar als de hieraan ten grondslag liggende problematiek niet wordt geadresseerd is het dweilen met de kraan open. Het college adviseert uw Raad om de wens van onderzoek naar oorzaken en oplossingen niet alleen te betrekken op de vervuiling en het afvalgedrag, maar ook op de samenhang met de bewoningspatronen en sociaaleconomische omstandigheden in de wijken waar de vervuilingsoverlast zich concentreert.
2/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
Het college ziet bij voorkeur een tweesporenaanpak voor zich: het op lange termijn terugdringen van de vastgestelde dieperliggende oorzaken van vervuiling en het op korte termijn blijvend inzetten op een schone buitenruimte. Benoemen dat de oorzaken van vervuiling dieperliggend zijn, ontslaat de gemeente uiteraard niet van haar verantwoordelijkheid om te zorgen voor een leefbare stad voor alle bewoners. 2.
Is het college op dit moment tevreden met de aanpak van de vervuiling van de openbare ruimte? Zo ja, kan het college onderbouwen waarom het tevreden is met het huidig beleid? Zo nee, wat is het college van plan om tot succesvoller beleid te komen?
Zie beantwoording vraag 1. De Rekenkamer Den Haag heeft een onderzoek verricht genaamd ‘Schoon op papier’. De rekenkamer schrijft in het nawoord dat het college niet op de conclusies is ingegaan die de rekenkamer heeft getrokken. 3.
Waarom is het college niet ingegaan op de conclusies die de rekenkamer heeft getrokken?
Het college heeft gemeend vooral te moeten reageren op de bevindingen en aanbevelingen. Onderstaand alsnog de reactie van het college op de twee deelconclusies: Deelconclusie 1: De gemeenteraad en het college sturen onvoldoende op een effectieve aanpak van overlast door vervuiling van de openbare ruimte. Het college kan zich niet vinden in deze conclusie. De huidige inzet is in de ogen van het college effectief in het beheersbaar maken van de overlast. Dat is binnen de grenzen van de beschikbare middelen en binnen de beperking dat het opruimen van vervuiling de dieperliggende oorzaken niet wegneemt. Deelconclusie 2:Het college richt zich in de aanpak onvoldoende op het voorkomen van vervuiling van de openbare ruimte. Het college vindt het lastig om zich over deze conclusie uit te spreken. Immers wanneer heeft de gemeente voldoende gedaan aan het voorkomen van vervuiling in de openbare ruimte en welke maatregelen heeft de Rekenkamer dan voor ogen en welke kosten zijn daarmee gemoeid? Wel heeft de gemeente jaarrond ingezet op communicatie, onder andere met de acties Schone Buurt, de campagne Schoon, doen we toch gewoon?1 en de website Haagse Handen,2 bewonersparticipatie en educatie op het gebied van schoon. Gelet op de capaciteit en middelen die beschikbaar zijn en de verdeling hiervan over de wijken, is het college van mening dat er maximaal is ingezet.
De rekenkamer schrijft in het nawoord dat het college wel gereageerd heeft op de onderbouwing van de bevindingen. In overeenstemming met de verordening op de rekenkamer heeft de rekenkamer het onderzoeksrapport eerst voorgelegd aan de ambtelijke organisatie voor een controle op de feiten. De kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen is echter niet in het feitelijke wederhoor naar voren gekomen.
1 Website: https://schoondoenwegewoon.nl/ 2 Website: https://haagsehanden.nl/
3/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
4.
Waarom is de kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen niet in het feitelijke wederhoor naar voren gekomen?
Het college kan zich niet vinden in deze conclusie. Het college is van mening dat tijdens het (ambtelijk) feitelijk wederhoor wel degelijk vragen zijn gesteld aan de Rekenkamer ten aanzien van het onderzoek en de bevindingen. 5.
Is het college het met D66 eens dat, doordat het college niet ingegaan is op de conclusies van het rekenkameronderzoek en de kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen niet in het feitelijke wederhoor naar voren zijn gekomen, dit een negatieve invloed heeft gehad op de verdere uitwerking van het onderzoeksrapport en de reactie van het college op het onderzoeksrapport om die reden onvolledig is? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet?
Nee. Zie beantwoording vragen 3 en 4. 6.
Is het college het met D66 eens dat, doordat het college niet ingaat op de conclusies van het rekenkameronderzoek en de kritiek van het college op de onderbouwing van de bevindingen niet in het feitelijk wederhoor naar zijn gekomen, het werk van de gemeenteraad wordt belemmerd? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet?
Nee. Het college heeft gemeend vooral te moeten reageren op de bevindingen en aanbevelingen. 7.
Is het college bereid om alsnog in te gaan op de conclusies die de rekenkamer heeft getrokken? Zo ja, wanneer zou de gemeenteraad dit kunnen verwachten? Zo nee, waarom is het college hiertoe niet bereid?
Zie beantwoording vraag 3. De rekenkamer stelt vast dat zowel de gemeenteraad als het college al langere tijd nalaten voorstellen te doen voor aanscherping van de doelen of het verder ontwikkelen van het beleid. De rekenkamer stelt ook vast dat hierdoor onvoldoende specifieke doelen aanwezig zijn waardoor sturing op een effectieve aanpak van overlast, veroorzaakt door vervuiling van de openbare ruimte, niet kan worden behaald. 8.
Deelt het college deze mening? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet?
Zie beantwoording vraag 1. De rekenkamer stelt vast dat het college en de gemeenteraad de discussie over de kosten en te bereiken resultaten onvoldoende expliciet voeren. 9.
Deelt het college deze mening? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet?
Zie beantwoording vraag 1.
4/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
10. Is het college het met de rekenkamer eens dat opstellen of wijzigen van (nieuwe) doelen leidt tot nieuwe overwegingen van de middelen die nodig zijn om deze doelen te behalen? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet? Zie beantwoording vraag 1. 11.
Is het college het met de rekenkamer eens dat er doelen moeten worden opgesteld voor de bijplaatsingen? Zo nee, waarom deelt het college deze mening niet?
Op het gebied van het tegengaan van bijplaatsingen stelt de gemeente zichzelf twee hoofddoelstellingen: het doorlopend verbeteren van de aanpak om bijplaatsingen te voorkomen en de bijplaatsingen die onverhoopt toch ontstaan snel te verwijderen. 12. Is het college het met D66 eens dat bijplaatsingen een gevolg kunnen zijn van de achterliggende oorzaken? Zo nee, op grond waarvan deelt het college deze mening niet? Ja, om deze reden is het college ook bereid om op verzoek van de gemeenteraad een alomvattend onderzoek te laten uitvoeren naar de vervuiling van de openbare ruimte. In het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat het van mening is dat de ontevredenheid in de gemeenteraad en onder bewoners vooral gericht is op de problematiek rondom bijplaatsingen. Uit het rekenkameronderzoek blijkt daarentegen dat de ontevredenheid gaat over de resultaten van de aanpak van de vervuiling van de openbare ruimte. Dat is breder dan alleen bijplaatsingen. De rekenkamer geeft aan dat het onderwerp zwerfafval veelvuldig wordt aangehaald in vragen en moties vanuit de gemeenteraad. De rekenkamer constateert dat er ook onder bewoners ontevredenheid bestaat over de mate van vervuiling van de openbare ruimte. 13.
Op grond waarvan komt het college tot de conclusie dat de ontevredenheid vooral gericht is op de bijplaatsingen en dat die ontevredenheid niet breder is zoals de rekenkamer concludeert? Op het gebied van zwerfafval, gemeten aan de hand van de huidige schoonmeting, behaalt de gemeente al jaren de doelstelling. Het aantal meldingen over de onderwerpen achtergelaten fietsen en hondenpoep zijn, hoewel iedere melding er wat de betreft gemeente één teveel is, marginaal ten opzichte van het aantal meldingen over bijplaatsingen. 14. Is het college van mening dat de resultaten van de aanpak van de vervuiling van de openbare ruimte onvoldoende zijn? Zo ja, is het college voornemens om met nieuwe plannen te komen om dit te verbeteren, en zo ja, op welk termijn? Zo nee, waarom niet? Zie beantwoording vraag 1. In de reactie op het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat naast handhaving ook veel ingezet wordt op het opruimen van afval.
5/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
15.
Is het college het met de rekenkamer eens dat opruimen van afval niet hetzelfde is als preventie om vervuiling van de openbare ruimte te voorkomen?
Het college is het hier deels mee eens. Uitgaande van de Broken Windows3 theorie trekt een bevuilde omgeving extra vuil aan. Het tegenovergestelde zou dan ook waar zijn, een schone omgeving houdt schoon. De rekenkamer stelt vast dat het college zich in de uitvoering te veel richt op handhaving en te weinig op instrumenten die gericht zijn op het voorkomen van overlast veroorzaakt door vervuiling van de openbare ruimte, zoals communicatie naar en participatie van bewoners. 16. Welke structurele maatregelen neemt het college om vervuiling van de openbare ruimte te voorkomen? Naast het schoonhouden van de buitenruimte om de maatschappelijke norm van een schone omgeving uit te dragen, zet het college in op een goede inzamelinfrastructuur voor (zwerf)afval en jaarronde communicatie, educatie en participatie. Aanvullend gaat van de aanwezigheid van handhavers ook preventieve werking uit. 17.
Hoe betrekt het college de participatie van en de communicatie naar de bewoners bij het voorkomen van overlast door vervuiling van de openbare ruimte?
Jaarrond worden bewoners betrokken bij het schoonhouden van de openbare ruimte aan de hand van diverse participatie-activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn de Actie Schone Buurt, de Opruimdagen en TrashUre Hunt. Zie voor de communicatie de beantwoording van de vragen 3 en 16. 18. Welke uitdagingen ziet het college met betrekking tot preventie? Welke kansen ziet het college? Wat het college betreft zijn overbewoning, de toename aan take-away producten, eenmalige verpakkingen en dozen van webwinkels grote uitdagingen voor de hoeveelheid (zwerf)afval en de wijze waarop dit wordt aangeboden. Het college ziet kansen in het blijvend actief deelnemen aan de landelijke lobby voor regelgeving, zoals het bijvoorbeeld gedaan heeft bij het statiegelddossier en de Single Use Plastic (SUP) richtlijn. Aanvullend is het college doorlopend op zoek naar verbeteringen binnen haar eigen preventieve werkzaamheden. In de reactie op het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat de gemeentelijke inzet ligt op het opruimen van zwerfafval en bijplaatsingen. 19. Waarom ligt de gemeentelijke inzet ook niet op het voorkomen van vervuiling van de openbare ruimte? Het college deelt de constatering in de vraagstelling niet. De rekenkamer schrijft dat het college nauwelijks inzicht heeft in de effectiviteit van de ingezette instrumenten om vervuiling van de openbare ruimte tegen te gaan.
Dit geldt ook voor handhaving.
3 Wilson, J.Q, & Kelling, G.L. (1982), "Broken Windows: The police and neighborhood safety", The Atlantic.
6/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
20. Deelt het college deze mening? Zo ja, heeft het college plannen om de effectiviteit van de ingezette instrumenten te meten, zo ja, welke zijn dat? Zo nee, hoe meet het college de effectiviteit? Het college deelt deze bevinding ten dele. Wat de effectiviteit van een individueel instrument is, is een theoretische vraag omdat dit alleen in een gecontroleerde experimentele situatie kan worden benaderd. Binnen het Actieplan Schone Stoep is een aantal individuele interventies uitgevoerd waarbij het beter mogelijk is de effectiviteit te bepalen. De hierover beschikbare cijfers zijn opgenomen in de commissiebrief Evaluatie en voortzetting Actieplan Schone Stoep (RIS 310926). 21. Hoe wordt het causaal verband tussen het ingezette instrument en het behaalde doel gemeten? Heeft het college hier cijfers van? Zo ja, kunnen deze cijfers beschikbaar worden gesteld aan de gemeenteraad? Geldt dat ook voor handhaving? Zie de beantwoording van vraag 20. In de reactie op het rekenkameronderzoek ‘Schoon op papier’ schrijft het college dat het lastig is de effectiviteit van verschillende instrumenten te meten die gelijktijdig worden ingezet. De rekenkamer geeft aan dat bovenstaande niet het punt is wat de rekenkamer wil maken bij bevinding zes.
Het punt dat de rekenkamer wil maken is dat het college op basis van de kennis en de problematiek op specifieke locaties het effect van de aanpak kan meten, zodat nagegaan kan worden of dit ten opzichte van alleen opruimen en handhaven doelmatig en doeltreffend is. 22. Deelt het college deze mening? Zo nee, waarom niet? Het college deelt deze mening niet. Een evenwichtige aanpak waarbij wordt ingezet op het op orde hebben van de basis, het creëren van betrokkenheid en het inzetten van handhaving is wat het college betreft in de meeste gevallen het meest effectief. 23. Wat zijn de cijfers over (on)geregistreerde bewoning waar per ORAC-locatie van wordt uitgegaan? Heeft het college hiervan een overzicht per locatie? Zo ja, van welke bron is gebruik gemaakt voor het maken van deze inschatting? Ongeregistreerde bewoning is voor het college niet inzichtelijk of in te schatten. 24. In welke wijk(en) in Laakkwartier is sprake van huis aan huis inzameling en inzameling via ORAC’s? Is er in de wijken waar op twee manieren wordt ingezameld een ledigingsfrequentie vastgesteld op basis van een inschatting van het aantal (on)geregistreerde bewoners? De wijk Laakkwartier en Spoorwijk in stadsdeel Laak bestaat uit zes buurten: Laakhaven-West, Laakhaven-Oost, Spoorwijk, Laakkwartier-West, Laakkwartier-Oost en de Noordpolderbuurt.
Met uitzondering van Laakkwartier-Oost zijn in al deze buurten ORAC’s geplaatst. Door de hoge parkeerdruk in Laakkwartier-Oost is het tot op heden niet mogelijk ORAC’s te plaatsen. Bij huis-aan-huis inzameling en de inzameling via ORAC’s is de ophaalfrequentie niet afhankelijk van het aantal geregistreerde bewoners. Bij de plaatsing van ORAC’s wordt wel rekening gehouden met de samenstelling van de huishoudens (groot of klein) en met ongeregistreerde overbewoning. Dit wordt gedaan door in dat geval een kleiner aantal huishoudens per container aan te houden. Vanaf 1 juli 2021 is gestart met het dynamisch inzamelen. Dit betekent dat naarmate het gebruik van een container toeneemt, de ledigingsfrequentie stijgt.
7/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
25. Zijn er cijfers beschikbaar van hoe vaak een ORAC-locatie wordt geleegd per stadsdeel? Zo ja, kunnen deze cijfers beschikbaar worden gesteld aan de gemeenteraad? Dergelijke cijfers zijn niet standaard beschikbaar maar kunnen na een bewerking door HMS uit de verzamelde sensorgegevens worden gegenereerd. Ledigingsfrequentie, gemiddelde over 6 maanden (Periode november 2021-mei 2022) stadsdeel
Aantal/week
Centrum
1.14
Escamp
1.02
Haagse Hout
0.72
Laak
1.14
Leidschenveen-Ypenburg
0.73
Loosduinen
0.81
Scheveningen
0.99
Segbroek
0.99
(vanaf week 8 2022)
26. Wat is de gemiddelde vulgraad van een ORAC en voor hoeveel procent moet deze gevuld zijn om geleegd te worden? Is er een grens aan hoe vaak een ORAC geleegd wordt? Worden bijplaatsingen meegenomen in het ophogen van de ledigingsfrequentie? Om te bepalen of een container geleegd moet worden, wordt gekeken naar de gemiddelde vulgraad van de containers die naast elkaar staan. Die vormen samen één cluster. Dat betekent dat een container vol kan zijn, maar toch nog niet geleegd wordt omdat er in de container die ernaast staat nog voldoende ruimte is. Voor het bepalen van het moment waarop de containers geleegd worden, wordt gewerkt met een voorspelling van de vulgraad op basis van historische gegevens (zelflerend systeem). De containers worden op de planning gezet om geleegd te worden op het moment dat de voorspelling is dat het cluster die dag 80% gevuld zal raken. In het afgelopen halfjaar was de gemiddelde vulgraad op het moment van legen 80,3% en de gemiddelde vulgraad van alle containers op maandagochtend 44%. De ORAC’s (restafval) worden maximaal één keer per dag geleegd, maar deze frequentie is op geen enkele locatie in de stad nodig. Voor de papier-, pmd- en glascontainers wordt gewerkt met een ander planningsysteem waarbij containers daar waar nodig wel vaker dan één keer per dag geleegd worden.
Bijplaatsingen worden niet meegenomen bij het bepalen van de ledigingsfrequentie. De sensoren meten de vulgraad van de containers, niet de bijplaatsingen. Bijplaatsingen zijn immers in een beperkt aantal gevallen het gevolg van volle containers. 27. Zijn er cijfers over hoe de stadsdelen zich tot elkaar verhouden met betrekking tot het aantal (on)geregistreerde bewoners? Kortom: is het maken van een vergelijking mogelijk? Ongeregistreerde bewoning is voor het college niet inzichtelijk of in te schatten. Het maken van een vergelijking is daarom niet mogelijk.
8/9
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10340095
28. Heeft het college inzicht in de feitelijke inzet van de BOA’s per wijk en/of stadsdeel over de afgelopen 2 jaar en wat de inzetverhoudingen waren tussen de wijken en/of stadsdelen? Zo ja, kan het college deze informatie beschikbaar stellen aan de gemeenteraad. Zo nee, waarom heeft het college hier geen inzicht in? Bij de inzetbepaling zijn de zogenaamde 3 M’s (meldingen, metingen, meningen) van groot belang. De handhavers worden, zoals gesteld in de Nota Handhaving Buitenruimte (RIS 309911) informatiegestuurd en flexibel ingezet, zijn formatief verdeeld over verschillende teams en worden vooraf ingeroosterd. Daarnaast worden de handhavers ook informatiegestuurd ingezet daar waar de overlastproblemen op momenten groot zijn, denk bij mooi weer aan drukke plekken (het strand, parken etc.). Aanvullend is het systeem dat wordt gebruikt voor het opmaken van interventies (City Control) niet bedoeld voor het registreren van de feitelijke inzet, maar voor de afhandeling door de handhavers op straat. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de locoburgemeester, Ilma Merx
Kavita Parbhudayal
9/9