RIS312000 Beantwoording SV Juridische weging van ontstane situatie coffeeshops Weimarstraat
Tekst van het document
Datum
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE
17 mei 2022
VRAGEN
Onderwerp
Ons kenmerk
Antwoord van het college op de vragen van het raadslid de heer Partiman, luidend: ‘Juridische weging van ontstane situatie coffeeshops Weimarstraat’
DSO/10307674 RIS312000
Het raadslid de heer Partiman heeft op 5 april 2022 een brief met daarin vijf vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. In de Weimarstraat zijn vier coffeeshops gevestigd. Voor alle vier deze coffeeshops geldt dat de grond waarop de coffeeshop gevestigd is geen horecabestemming heeft (RIS311480). Op 2 februari 2022 stelde de heer Partiman (CDA) schriftelijke vragen met de titel: ‘Onvergunde coffeeshop aan de Weimarstraat?’ (RIS311480). 1.
Zou het college een juridisch onderzoek willen laten uitvoeren naar zowel de bestaande situatie als mogelijke toekomstscenario’s met betrekking tot de bestemmingsplannen en het ontbreken van een horecabestemming voor de gronden waarop deze coffeeshops zijn gevestigd? Zou het college er op toe willen zien dat in dit onderzoek niet alleen een rechtskundige weging en appreciatie wordt meegenomen en een analyse van hoe de huidige situatie heeft kunnen ontstaan, maar ook het in kaart brengen van de mogelijke risico’s en kwetsbaarheden van deze coffeeshops en de gemeente in de huidige situatie én in mogelijke toekomstscenario’s? Zo nee, waarom niet?
Een coffeeshop wordt planologisch beschouwd als een horeca-inrichting en dient als zodanig aan het bestemmingsplan te voldoen. De vier aanwezige coffeeshops waren reeds in de jaren 90 van de vorige eeuw aanwezig. Het toenmalige bestemmingsplan uit 1985 stond maximaal 9 horecabedrijven toe in het gebied, daartoe behoorde deze vier coffeeshops. Daarnaast was in de periode 1994-2009 in onze stad de Leefmilieuverordening (LMV) van kracht. Deze verordening benoemde mogelijk overlast gevende inrichtingen, waaronder horeca, die alleen geëxploiteerd mochten worden met een LMV-ontheffing. Een ontheffing kon alleen verkregen worden als het gebruik overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan was en aan de nadere regels van de LMV werd voldaan. Alle vier de coffeeshops hebben in 1994 een LMV-ontheffing gekregen. Hiermee wordt aangetoond dat men aan het bestemmingsplan en aan de LMV voldeed. Zodra dit maximum bereikt was kon geen ontheffing meer verleend worden vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat de panden legaal zijn gevestigd en dat het gebruik van deze panden onder het overgangsrecht valt. Met vorenstaande beantwoording is ook voldaan aan het door vragensteller gevraagde juridisch onderzoek.
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10307674
De gronden waarop deze vier coffeeshops zijn gevestigd hebben niet de voor coffeeshops gebruikelijke horecabestemming. Het college schrijft: “Met de aanvraag beoogt de aanvrager de sinds lange tijd bestaande situatie, in het bestemmingsplan te formaliseren in lijn met zijn bestaande exploitatievergunning.” 2.
Hoe weegt het college het feit dat bij ten minste één coffeeshop aan de Weimarstraat (en vermoedelijk bij alle vier) de bestaande exploitatievergunning formeel gezien niet geheel in lijn is met het bestaande bestemmingsplan? Zou het college deze weging willen motiveren?
Zie het antwoord op vraag 1. 3.
Zou het college alle mogelijke risico’s in kaart willen brengen van het feit dat bij ten minste één coffeeshop aan de Weimarstraat (en vermoedelijk bij alle vier) de bestaande exploitatievergunning formeel gezien niet geheel in lijn is met het bestaande bestemmingsplan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1. 4.
Zou het college voor elk van deze vier coffeeshops afzonderlijk willen toelichten wat er gebeurt mochten zij hun huidige vergunning verliezen? Zo nee, waarom niet?
Bij de beantwoording van deze vraag wordt ervan uitgegaan dat met ‘vergunning’ wordt bedoeld de ‘exploitatievergunning’, aangezien zoals hiervoor opgemerkt in het ruimtelijk spoor het aanvragen en verlenen van een vergunning voor een coffeeshop niet aan de orde is. In artikel 2:30 van de Apv is bepaald dat een horeca-inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd kan worden gesloten als de horecainrichting in bedrijf is zonder te beschikken over een exploitatievergunning. 5.
Zou het college van alle coffeeshops in Den Haag in kaart willen brengen welke bestemming hun grond heeft, en hoe hun exploitatievergunning hierop ingrijpt? Zo nee, waarom niet?
In de bijlage bij deze beantwoording is een overzicht opgenomen van alle coffeeshops in Den Haag met daarbij per vestiging de bestemming volgens het op dit moment geldende bestemmingsplan. Voor al deze coffeeshops is een exploitatievergunning op grond van de Apv afgegeven. Daar waar geen horeca bestemming is aangegeven is het overgangsrecht van toepassing. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx
Jan van Zanen