CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311929 Bijlage

Algemene Raadscommissie 1 juni 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Raadsvoorstel: Concept-Planuitwerkingskader (PUK) herontwikkeling KPN-locatie Mgr. Nolenslaan19.478 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6.4 Wonen Woonvisie Den Haag 2017-2030 Het woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Den Haag 2017 stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en groene woonstad te blijven moeten er gezorgd worden dat de sociaaleconomische verschillen niet te groot wordt en overstappen op een nieuwe vorm van energievoorziening. De gemeente Den Haag gaat voor de langere termijn uit van een jaarlijks netto bouwprogramma van 2000-2500 woningen. De ruimte om te groeien is beperkt. Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de gebouwen en gemengde woon-werkgebieden. Daarbij wordt ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaande wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen wijken. De woonvisie zet in op: 1. 2. 3.

Een meer sociaal-inclusieve stad. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Dit heeft zowel betrekking op de duurzaamheid van woningen als op de levensloopbestendigheid van woningen.

Woonagenda 2019-2023 Het Haagse Woonbeleid is vastgelegd in de Woonagenda 20192023. Het woonprogramma van nieuwbouwontwikkelingen moet hieraan voldoen. Er heerst in Den Haag een grote druk op de woningmarkt. In de Woonagenda worden maatregelen genomen om deze druk te verlichten. De Woonagenda is ingedeeld in vier thema’s die elk eisen en wensen bevatten met betrekking tot nieuwbouw. Een percentage van 20% van de woningen heeft een middeldure huur tussen de liberalisatiegrens en de €950. Hiervan ligt de helft tussen de liberalisatiegrens en €850 en de andere helft tussen €850 en €950. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van CPI alle huishoudens volgens de ‘jaar-opjaarmethode’, reeks 2019=100 + 1%. De huur mag jaarlijks stijgen met dezelfde indexatiemethode. De middeldure huurwoningen worden minimaal 20 jaar verhuurd met een middeldure huur, ook na mutatie. De gemeente wordt gedurende deze 20 jaar jaarlijks ingelicht over de huurprijzen.

Een percentage van 30% van de woningen is een sociale huurwoning. Woningcorporaties hebben het primaat in sociale woningbouw. Daarom moet een initiatiefnemer in het beginstadium een samenwerking aangaan met een in Den Haag actieve woningcorporatie. Bij gemengde ontwikkelingen wordt de onrendabele top op sociale woningbouw evenredig verdeeld tussen initiatiefnemer en woningcorporatie. Het is niet mogelijk om het aandeel sociale huur af te kopen. Door in een vroeg stadium een woningcorporatie te betrekken kan er nog invloed uitgeoefend worden op het sociale programma, de kosten en het beheer. Als blijkt dat geen van de woningcorporaties capaciteit heeft om de woningen tegen een sociale prijs af te nemen moet een andere verhuurder de 30% sociaal op zich nemen. Hierbij gelden voorwaarden. Er is voldoende diversiteit in woningtypen/groottes. De sociale huurwoningen worden minimaal 20 jaar verhuurd met een huur onder de liberalisatiegrens conform ‘regels voor toewijzing naar inkomen’ die jaarlijks door de Rijksoverheid worden gepubliceerd, ook na mutatie. De gemeente wordt gedurende deze 20 jaar jaarlijks ingelicht over de huurprijzen. De woningen worden verhuurd via het regionale woonruimteverdeelsysteem, in beheer van de Sociale Verhuurders Haaglanden.

Bij een te eenzijdig aanbod van kleine woningen bestaat het risico dat bewoners hier passanten worden zonder binding met de omgeving. Om dit te voorkomen geldt dat maximaal 20% van de woningen een kleine woning mag zijn studentenhuisvesting, zorgwoningen en bijzondere concepten. Planontwikkeling Bij nieuwbouw en verdichting wordt een norm van 30% sociale woningbouw voor de hele Stad gehanteerd. De gebieden Zuidwest, de Schilderswijk, Transvaal, Mariahoeve, Kompasbuurt, Waldeck, Kom-Loosduinen, Spoorwijk en de Molenwijk kennen een hoog aandeel sociale woningbouw en zullen daarom áls er verdichting plaatsvindt zoveel mogelijk woningbouw niet te laten stijgen. Áls er sociale woningen worden gesloopt komt wel minstens hetzelfde aantal terug.

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

39

Dit is een verdichtingslocatie en het is een relatief klein project, en dus kan in andere segmenten dan sociaal worden gebouwd, waarbij wel moeten worden voldaan aan de eis van 20 % middelduur. Dit kan in de vorm van huurwoningen (bovengrens kunnen middeldure koopwoningen zijn. De ontwikkeling van de KPN locatie Nolenslaan gaat uit 85 - 95 sociale huurwoningen. In de directe nabijheid van de KPN-locatie aan de Mgr. Nolenslaan, wordt aan het Colijnplein 12 een bouwplan ontwikkeld van circa 170 woningen ontwikkeld door Urban Interest. De ambities uit de Woonagenda 2020 – 2023 van Den Haag (30/20/20) zijn, gelet op de specifieke context en autonome beheervorm van de beide complexen, lastig op complexniveau in te vullen. Staedion en Urban Interest hebben daarom de handen ineen geslagen en streven er daarom gezamenlijk naar om op gebiedsniveau een invulling te geven de betaalbaarheidsambities uit de Woonagenda 2020 – 2023. Dat betekent dat voor de KPN-locatie de programmering 100% sociaal zal zijn. Voor het Colijnplein zal het programma bestaan uit 50% woningen in het middeldure huursegment en 50% vrije sectorwoningen met aandacht voor de doorstroming van senioren. Er wordt ook onderzocht of op deze locatie dit eventueel gekoppeld kan worden aan zorgarrangementen voor ouderen. Partijen zullen de afspraken onderling consolideren en dit ter goedkeuring voorleggen aan de gemeente.

Het toevoegen van gedeelde voorzieningen (ontmoetingsruimte) kan bijdragen aan het creëren van een vorm van nabuurschap. 6.5 Vigerend Juridisch kader Het vigerend bestemmingsplan voor de locatie is Rosenburg (27-6-2013). Hierin heeft het plangebied de bestemming Maatschappelijk. De gewenste ontwikkeling is niet passend binnen deze bestemming. Om het voorliggende plan planologisch-juridisch mogelijk te maken, zal een procedure worden doorlopen om af te wijken van het bestemmingsplan. Hierbij is het voor de omgeving en belanghebbenden mogelijk om een zienswijze op het plan in te dienen (zie paragraaf 7.2 voor een nadere toelichting).

40

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

Bestemmingsplan Rosenburg (2013)

Voor Hagenaars voelt het vaak of groen voor nieuwe ontwikkeling moet wijken. Het is de uitdaging om intensivering te combineren met een waardevolle, betekenisvolle, gezonde en goed functionerende groenstructuur. Intensivering van de stad vraagt om intensivering van groen en groenkwaliteit. Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen toe. Omgekeerd zorgt groen ook voor toename van vastgoedwaarde. Deze twee waarden zouden elkaar moeten vinden en versterken.

6.6 Flora en Fauna In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komen te staan. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven: groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. De stedelijke leefkwaliteit is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema’s: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling.

Elke (vastgoed)ontwikkeling draagt bij aan de groene kwaliteit van Den Haag. Dit gebeurt op verschillende wijze: op de klassieke wijze door ontwikkeling van parken en straatgroen, door het ontwikkelen en openstellen van groene binnengebieden en daktuinen, als ook het realiseren van geveltuintjes of groene gevels. Ook kunnen investeringen in kwaliteit of gebruikswaarde uitkomst bieden. Natura 2000 / stikstofdepositie Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken die leiden tot significant schadelijke effecten op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. De initiatiefnemer is verplicht om de stikstofeffecten van het project door te laten rekenen. Indien sprake is van significante effecten op Natura 2000 gebieden, is een zogenoemde passende beoordeling noodzakelijk.

6.7 Duurzaamheid De Nota Duurzaamheid “Schone energie in een groene stad” (RIS301829) beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het grondstoffengebruik toekomstbestendig wil maken. Voor de KPN locatie betekent dit dat er gebouw- en omgevingsmaatregelen nodig zijn. Voor de verschillende thema’s (energie, groen, water, mobiliteit, circulariteit etc) zijn specifieke beleidsnota’s opgesteld. In volgorde van de Nota Duurzaamheid wordt de betekenis van de relevante beleidsnota’s voor de KPN locatie onderstaand beschreven. Het team Duurzame Leefomgeving (S&P) is beschikbaar voor advies op projectniveau. Duurzame energievoorziening Den Haag heeft de ambitie om in 2030 een klimaatneutrale stad te zijn. Daarvoor moet de Haagse energievoorziening aangepast worden. De energievoorziening van nieuwbouw moet daarom gelijk toekomstbestendig, zonder aardgasaansluiting (wettelijk), ontwikkeld te worden. De gekozen energievoorziening moet passen bij de oplossingsrichting die in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869) en het ontwerp van de Transitievisie warmte (RIS310442) vastgesteld is voor dit deel van de stad. Omdat nieuwbouw vanwege de goede isolatie met lage temperaturen verwarmd kan worden is het gebruik van hoge temperatuur stadsverwarming onwenselijk. Die warmte is nodig voor de verwarming van bestaande woningen en gebouwen.

Warmteen koude opslag in de bodem is hier naar verwachting een voor de hand liggende techniek. In de dimensionering van zo’n systeem kan rekening gehouden worden met de overige ontwikkelingen rond de kavel. Om het thermisch gebruik van de ondergrond te optimaliseren stelt de gemeente waar nodig bodemenergieplannen op. Voor dit deel van de stad is zo’n bodemplan er (nog) niet. Bij de dimensionering is daarom aandacht nodig voor mogelijke ondergrondse interferentie met omliggende warmte- en koudeopslag in de bodem.

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

41

Den Haag voert duurzaambouwenbeleid met de integrale prestatie-instrumenten GPR of BREEAM. De ambitie voor GPR is minimaal een 8 voor de thema’s milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde en 9 voor energie. Wordt gekozen voor BREEAM dan is de norm minimaal vier sterren. Veel nieuwbouw in Den Haag en Nederland laat ziet dat dit gangbaar is. Deze instrumenten helpen om duurzaam te bouwen met een maximale vrijheid voor ontwikkelaars. Bij een hogere prestaties kan korting gegeven worden op legeskosten. Duurzame leefomgeving: Natuur Stadsnatuur In Den Haag zien we de natuur als belangrijk onderdeel van onze stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen.

Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van

42

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlast gevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur. Bij elke (her)inrichting en omvorming van de openbare ruimte stellen we een natuurkansenscan verplicht. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden, mede op basis van de natuurkansenscan, ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Natuurinclusief denken én werken wordt zo steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces. De Natuurkansenscan is opgenomen in bijlage 6 van de Nota Stadsnatuur (RIS305824): De gemeente Den Haag bevordert groen- en natuurinclusief bouwen in de stad met het besluit Natuurinclusief bouwen (RIS288182). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen.

Dit zijn soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen nestelgelegenheden meer hebben. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer natuurlijk groen in de directe woonomgeving toe te passen. Door de toenemende stedelijke verdichting is deze opgave extra actueel. Extra natuur op en aan gebouwen levert een bijdrage aan de instandhouding van soorten, aan het reduceren van hittestress en wateroverlast, aan de natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend aan het welzijn en de gezondheid van mensen.

Het besluit over het Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen (RIS301953) beschrijft het aantal punten dat op een locatie behaald moet worden. Dit is afhankelijk van de footprint, hoogte en het soort stedelijk gebied. Het puntensysteem beschrijft de maatregelen waar uit gekozen kan worden. Het puntensysteem is voor dit type bouwprojecten nog niet verplicht maar kunnen wel onderdeel uitmaken van de prestatieafspraken tussen de gemeente en Steadion. Het is een wens van de gemeente dat het puntensysteem bij dit type projecten wel toegepast wordt omdat met relatief eenvoudige maatregelen een mooie bijdrage aan de natuur in de stad mogelijk is. Het puntensysteem biedt hiervoor goede kaders. Duurzame leefomgeving: Klimaatbestendig Volgens de laatste scenario’s van het KNMI zal klimaatverandering ertoe leiden dat we in Nederland vaker te maken krijgen met hevige regenbuien, meer dagen met tropische temperaturen, langere droge perioden en een verdere stijging van de zeespiegel. Dergelijke weersextremen kunnen veel schade en overlast veroorzaken, ook op het gebied van gezondheid. De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de (directe) omgeving klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten.

Naast maatregelen op en aan gebouwen die gericht zijn op het buitenhouden van de zomerse zon of verkoeling (overstekken, groene daken, verticaal groen, geveltuintjes) bieden bomen schaduw en verkoeling in de zomer. Samen met extra groen houden ze ook regenwater vast. Bomen vormen daarom ons groene kapitaal. Zodoende wordt terughoudend omgegaan met het afgeven van kapvergunningen en zal, waar kappen onvermijdelijk is, nieuw aangeplant moeten worden. Duurzame Mobiliteit Ten aanzien van verkeer en vervoer wordt versneld ingezet op schonere alternatieven. Met deze maatregelen, zoals het versnellen van elektrische mobiliteit, wordt onze lucht schoner. Vanwege de gezondheidseffecten van luchtvervuiling streven we overal in de stad de norm van de

Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit na. In en rond het gebouw kan actief rekening gehouden worden met de gewenste vormen van vervoer door ruimte en voorzieningen aan te brengen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen en laadpunten voor elektrische voertuigen. Duurzame grondstoffen Den Haag neemt deel aan de City Deal Circulair Bouwen. Dit richt zich op het hergebruiken van bouwelementen en -materialen, het gebruik van biobased producten en op het circulair ontwerpen zodat hergebruik in de toekomst eenvoudiger wordt. Deze werkwijze is het uitgangspunt voor de herontwikkeling. Innovatie kan helpen bij het doelmatig inkopen. De gemeente kan hier bij helpen. Afval dat tijdens de bouw en daarna in de gebruiksfase vrijkomt moet zoveel mogelijk aan de bron gescheiden worden en apart afgevoerd te worden. Het huishoudelijk afval dient inpandig en op eigen terrein te worden opgeslagen. In het ontwerp dient hiervoor ruimte gereserveerd te worden. 6.8 Microklimaat (zon, schaduw en wind) Bezonning Voor het initiatief moet een bezonningsonderzoek verricht worden om te kunnen beoordelen wat de invloed is van de realisatie van de bebouwing op de bezonning van omliggende bebouwing en de buitenruimte. Hierbij moet voldaan worden aan de Haagse Bezonningsnorm (RIS170509). De bezonningsstudie is uitgevoerd in 2021 door bureau Klunder. De bouwmassa voldoet aan de Haagse norm (zie 5.8).

Windklimaat Bij een bouwhoogte van 25 meter en meer moet een windonderzoek verricht worden om te kunnen beoordelen wat de invloed van de nieuwe bebouwing is op het windklimaat. Er moet minimaal gestreefd worden naar de kwalificatie ‘matig’ (NEN 8100).

6.9 Milieuaspecten 6.9.1 Lucht- en geluidkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd hoeft te worden en het plan doorgang kan vinden. Met andere woorden, draagt een project niet of niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling ‘niet in betekenende mate’ bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen.

Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Gezien de omvang van de ontwikkeling, draagt het plan niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid Omdat wonen een geluidgevoelige functie is, is de Wet Geluidhinder (Wgh) van toepassing. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning zal een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Indien er sprake is van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeursgrenswaarde, zullen hiervoor geluidwerende maatregelen worden getroffen. De

Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer 6.9.2 Bodem Op 1 januari 2006 is de wijziging van Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: • het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; • het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; • het wegnemen van actuele risico’s. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico’s die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaatsvindt en waar nog geen onderzoek en/ of sanering heeft plaatsgebonden, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden. De noodzaak van onderzoek is afhankelijk van het plan. Wanneer de bodem wordt geroerd of grond wordt verzet, bijvoorbeeld voor een nieuwe fundering is bodemonderzoek noodzakelijk.

Op 1 juli 2013 heeft de laatste wijziging plaatsgevonden onder de Circulaire bodemsanering. Deze circulaire heeft het karakter van richtlijnen, dat wil zeggen dat het bevoegd gezag uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming rekening moet houden met hetgeen hier is bepaald. Het bevoegd gezag mag voor specifieke situaties gemotiveerd maatwerk toestaan.

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

43

De reikwijdte van deze circulaire omvat met name de risicobeoordeling en de saneringsdoelstelling. De wijze waarop de risico’s worden weggenomen (saneringsaanpak) is een afweging van het bevoegd gezag en blijft hier buiten beschouwing. Voor de saneringsaanpak een afweging gemaakt tussen de kosten en baten van het wegnemen van de risico’s. In voorkomende gevallen kan bijvoorbeeld bij ecologische risico’s het wegnemen van de verontreiniging schadelijker zijn voor het ecosysteem dan niet ingrijpen in het ecosysteem. De bodemkwaliteit van het betreffende gebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt en het hergebruiksbeleid is vastgesteld in de Nota bodembeheer 2013-2023 RIS-nummer: 60571. Inmiddels heeft van de Nota bodembeheer een actualisatie plaatsgevonden inzake PFAS. RIS-nummer 311238. 6.9.3 Water Watertoets Eén van de instrumenten om het waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het hoogheemraadschap toetst bouwinitiatieven en herinrichtingsplannen aan het nationaal waterbeleid en het Provinciaal Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft de Handreiking Watertoets voor gemeenten opgesteld. In de Handreiking Watertoets (www.

hhdelfland.nl/watertoets) worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt. Riolering Vanuit wet milieubeheer (afvalwater voorkomen) en klimaatbestendigheid (regenwateroverlast) is het verplicht om 50mm regenwater te kunnen opvangen op eigen terrein wat na 48u weer beschikbaar moet zijn.

44

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

6.10 Welstandbeleid Bouwplannen dienen te voldoen aan de welstandscriteria zoals beschreven in de Welstandsnota Den Haag 2017 (RIS 297760). Aanvullend daarop beschrijft de beeldkwaliteitsparagraaf in dit PUK de gewenste uitstraling van deze ontwikkeling. 6.11 Cultuurhistorie Veel archeologische waarden in de bodem van Den Haag zijn nog niet of slechts gedeeltelijk bekend. In gebieden waar de waarden niet bekend zijn maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, is sprake van een archeologische verwachting. Aan de hand van de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart van de gemeente Den Haag, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van ZuidHolland en lokale waardenkaarten is voor gebieden bepaald of sprake is van een archeologische verwachting en zo ja, waar de grenzen van het (potentieel) archeologisch waardevol gebied lopen. Dit is vertaald in de bestemmingsplannen via een dubbelbestemming Waarde – Archeologie. De archeologische waarde van het plangebied is laag, er is daarom geen dubbelbestemming Waarde–Archeologie van toepassing in het vigerende bestemmingsplan.

Dat betekent dat er vanuit de archeologische monumentenzorg geen extra voorwaarden worden verbonden aan vergunningaanvragen voor activiteiten waarbij bodemverstoringen optreden. Er is wel een archeologische meldingsplicht. Dit houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten aangetroffen worden, waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. 6.12 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied

bepaalt de externe veiligheidsituatie mede ruimtelijke (on) mogelijkheden. Er zijn geen risicobronnen aanwezig of geprojecteerd waarvan de veiligheidscontouren op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en de bijbehorende regeling geheel of gedeeltelijk in het plangebied zijn gelegen. Er hoeft geen nader onderzoek naar het groepsrisico uitgevoerd te worden. 6.13 Kabels en leidingen Wettelijk is het verplicht om vooraf aan graafwerkzaamheden een KLIC-melding te doen, zodat duidelijk is waar eventuele kabels en leidingen liggen en hiermee rekening gehouden kan worden bij de graafwerkzaamheden. 6.14 M.e.r.- beoordeling In de ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ bij de aanvraag omgevingsvergunning dient ook een beschouwing over het project in relatie tot wetgeving over milieueffectrapportages te worden opgenomen. De drempelwaarde van 2.000 woningen uit het Besluit m.e.r. wordt met dit planvoornemen bij lange na niet gehaald. Dat neemt niet weg dat een vormvrije m.e.r.beoordeling plaats moet vinden aan de hand van drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): • de kenmerken van het project • de plaats van het project • de kenmerken van het potentiële effect.

7. FINANCIERING EN UITVOERINGSASPECTEN 7.1 Financiële uitvoerbaarheid en planschade De locatie is volledig privaat eigendom van Staedion en de ontwikkeling vindt volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer plaats. Het bouwplan, een sloopnieuwbouwontwikkeling, resulteert in circa 85-95 nieuwbouwappartementen.

Voor deze ontwikkeling is een herinrichting van een deel van de omliggende openbare ruimte noodzakelijk. De herinrichting van en de aansluiting op de bestaande openbare ruimte komt voor rekening van de ontwikkelaar en moet conform het “Handboek openbare ruimte” worden uitgevoerd. Daarnaast zullen er (plan) kosten worden gemaakt voor de noodzakelijke ambtelijke inzet in verband met de beoordeling van dit privaatrechtelijke initiatief. Ook zal een eventuele planologische inpassing kunnen leiden tot voor vergoeding in aanmerking komende schade ex artikel 6.1 Wro (planschade). Kostenverhaal Bij de vaststelling van een omgevingsvergunning voor een particuliere ontwikkeling dient de gemeente te borgen dat de kosten die de gemeente maakt voor o.a. de planologische procedure, de aanleg van bovenwijkse voorzieningen, ondergrondse-en bovengrondse infrastructuur en plankosten worden verhaald op de initiatiefnemer (afd. 6.4 Wro). Dit initiatief betreft het slopen van het voormalige KPN kantoor annex techniekgebouw en het bouwen van een appartementencomplex met circa 85-95 woningen. De ontwikkeling is hiermee een bouwplan in de zin van art. 6.2.1 van het Bro. Hiermee is afdeling 6.4 Wro van toepassing. Omdat het bij deze ontwikkeling private percelen betreft en er nog geen anterieure overeenkomst is gesloten, is het kostenverhaal nog niet anderszins verzekerd.

De gemeente is verplicht het kostenverhaal te verzekeren. Het betreft hierbij zowel gemeentelijke plankosten, uitvoeringskosten en toe te rekenen bovenwijkse kosten die zij maakt om het gebied te transformeren zodat de ontwikkeling mogelijk wordt.

Bovendien zullen we bijzondere afspraken willen maken met de initiatiefnemer waaronder het afwentelen van planschade, als ook het gebruik van een naastgelegen parkeergarage om te voldoen aan de parkeernorm. De gemeente kan deze kosten verhalen door een exploitatieplan op te stellen, maar het sluiten van een anterieure overeenkomst geeft vooraf zekerheid voor alle partijen en heeft sterk de voorkeur. Hierover is reeds gesproken in de overleggen tussen gemeente en ontwikkelaar. Dit betekent dat een anterieure (voor vaststelling bestemmingsplan of voor verlening van de omgevingsvergunning indien er een uitgebreide Wabo procedure gevoerd gaat worden) exploitatieovereenkomst zal worden gesloten met de initiatiefnemer waarin voor de niet gedekte kosten een exploitatiebijdrage zal worden overeengekomen, door initiatiefnemer te voldoen aan de gemeente. Het sluiten van een anterieure overeenkomst is noodzakelijk voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend. Als deze afspraken gemaakt zijn is het kostenverhaal vooraf volledig verzekerd en kan het besluit worden genomen om geen exploitatieplan vast te stellen.

Vervolgproces Het PUK geeft u de kaders om uw plan verder te ontwikkelen. Voor de uiteindelijke realisatie van uw plan dient u de verdere procedure te volgen via het Omgevingsloket. U dient dan een aanvraag om een omgevingsvergunning in. Uw plan wordt vervolgens beoordeeld op een goede ruimtelijke onderbouwing, de aanpassing van het bestemmingsplan en de bijbehorende verzekering van het kostenverhaal. De gemeente brengt hiervoor separaat de kosten bij u in rekening. De verzekering van het kostenverhaal is de verrekening van kosten voor het mogelijk maken van de ontwikkeling. De gemeente is op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht deze kosten bij u in rekening te brengen bij het opstellen van een nieuw juridisch-planologisch kader. Het uiteindelijke bedrag van de bij u te verhalen kosten leggen wij – zoals hierboven is beschreven - met u vast in een anterieure

overeenkomst. Indien de gemeente niet met u tot overeenstemming komt over het sluiten van een anterieure overeenkomst, is de gemeente verplicht een exploitatieplan op te stellen waarbij deze kosten bij u in rekening worden gebracht. Er dient een officiële oplevering plaats te vinden na realisatie van de nieuwbouw met de weg- en groenbeheerder van het stadsdeel Loosduinen. 7.2 Juridische planologische procedure Op basis van dit planuitwerkingskader kan de initiatiefnemer zijn planvoorstel verder uitwerken. De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk dat zijn planuitwerking voldoet aan de kaders uit het planuitwerkingskader en voor het opstellen van een goede ruimtelijke onderbouwing. In het vigerend bestemmingsplan Rosenburg zijn de gronden ter plaatse van het initiatief bestemd als Maatschappelijk. Binnen deze bestemming zijn de functie wonen en de voorgestelde bouwhoogte niet toegestaan. Om het planinitiatief mogelijk te maken, dient een juridisch-planologische procedure te worden doorlopen: Een uitgebreide Wabo-procedure: de doorlooptijd hiervoor bedraagt circa 6 maanden na formele indiening van de vereiste stukken bij de behandelende dienst. Bij een eventuele rechtsgang, kan de bezwaarfase worden overgeslagen en kan direct beroep worden ingesteld bij de Rechtbank.

Daarna is eventueel nog hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Het is wenselijk om hiervoor voorafgaande aan het formele vergunningentraject een ‘beginselplanprocedure’ te doorlopen. Deze dient als vroegtijdige toetsing door de gemeente, bij plannen die niet in de huidige bestemming passen. Een beginseluitspraak helpt om in een vroegtijdig stadium mogelijke risico’s en knelpunten duidelijk te krijgen en de nodige adviezen te verzamelen, die bij de verdere planuitwerking kunnen worden gebruikt.

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

45

Omgevingswet De Omgevingswet bundelt 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De bundeling van wetten en regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water heeft grote impact op de bestaande processen, uitgangspunten, werkwijzen en eisen. Eén Omgevingswet moet leiden tot een eenduidige aanpak van het omgevingsrecht. In 2016 is de Omgevingswet aangenomen en gepubliceerd. De vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) werden in augustus 2018 gepubliceerd. Nu wordt gewerkt aan de ministeriële regeling, de Invoeringswet en onderliggende regelgeving en de aanvullingswetten en onderliggende regelgeving. De Omgevingswet treedt op 1 juli 2022 inwerking. In de Invoeringswet wordt het overgangsrecht geregeld waardoor er een soepele overgang ontstaat tussen bestaande en nieuwe wetten. Zo wordt met het overgangsrecht het bestemmingsplan van de gemeente gelijkgesteld met het omgevingsplan. Daarmee heeft de gemeente op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt dus in formele zin een omgevingsplan. Gedurende de overgangstermijn kan de gemeente het omgevingsplan ‘in naam’ dan omvormen naar een volwaardig omgevingsplan.

Dat is nodig want in het bestemmingsplan staan alleen ruimtelijke regels, maar in het omgevingsplan zullen uiteindelijk veel meer regels staan, denk daarbij bijvoorbeeld aan regels over milieu en erfgoed. Ook regelt het overgangsrecht hoe procedures die onder het ‘oude’ recht zijn gestart na de inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten worden afgehandeld. Voorbehoud gemeente Tegen de vaststelling van ruimtelijke besluiten, omgevingsvergunningen en alle andere besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht belanghebbenden bestuursrechtelijke rechtsmiddelen van bezwaar en/of beroep kunnen instellen. Eventuele gerechtelijke procedures, (gewijzigd) bestuurlijk besluitvormingsproces en externe

46

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

omstandigheden kunnen, ondanks de ambtelijke inspanningen ten behoeve van uw planvorming, de totstandkoming en de inwerkingtreding van het nieuwe juridisch-planologische regime beïnvloeden. Hiervoor is de gemeente nimmer aansprakelijk. 7.3 Planning en fasering Planning sloop – nieuwbouw KPN locatie Vaststelling PUK februari 2022 Bomen kappen uiterlijk 15 maart 2022 Sloop april / mei 2022 Design&Build aanbesteding april- juli 2022 Planuitwerking vanaf Q3 2022 Realisatie Q1 2023 Oplevering Q2 2024 Bovenstaande planning is onder voorbehoud. Het gebouw wordt in één fase gerealiseerd. 7.4 Omgevingsveiligheidsplan Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt een omgevingsveiligheidsplan toegevoegd. Dit zal door het bevoegd gezag worden getoetst.

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJLAGE I

Maatregelentabel voor stadszone ‘Woonwijk’

Stadszone Woonwijk Punten Aspect

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Maatregel

1

gevel/dak

Geveltuin

1

gevel/dak

Geen lichtuitstraling vanuit gebouw

1

gevel/dak

Groen dak met sedum (> 5 – 7 cm) /30%

2

gevel/dak

Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm) /30%

Ecologische samenhang

3

gevel/dak

Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) /30%

4

gevel/dak

Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) /30%

4

gevel/dak

Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) /30%

2

gevel/dak

Gevelgroen

Woonwijken bieden over het algemeen een gemengd biotoop en kennen hierbinnen een verschil in menselijke dynamiek. Openbaar groen, waaronder groenstroken, maar ook solitaire bomen en bomenrijen, vormen geschikt leefgebied voor verschillende soorten fauna en insecten. Open water vormt geschikt leefgebied voor watergebonden soorten. Daarnaast hebben de woningen een functie voor gebouw bewonende soorten, mits voldoende mogelijkheden/ openingen aanwezig zijn.

4

gevel/dak

1

verblijf

Alleen bij hoogbouw (>50m): minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Insectenstenen

1

verblijf

Nestplaatsen voor gierzwaluwen

1

verblijf

Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen

1

verblijf

Zomerverblijfplaats voor vleermuizen

1

verblijf

Winterverblijfplaats voor vleermuizen

Haagse gidssoorten

1

omgeving

Geen buitenverlichting bij groen

1

omgeving

Cluster van 3 inheemse bomen

De volgende gidssoorten zijn relevant voor de woonwijken:

1

omgeving

Cluster van inheemse struiken 50m2

1

omgeving

Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur

1

omgeving

Insectenhotel

1

omgeving

Voor vlinders geschikte struiken

1

omgeving

Droog bloemrijk grasland > 10m2

1

omgeving

Faunapassage onder hekwerk

2

omgeving

Natuurlijke haag > 25 meter

2

omgeving

Natuurlijke verharding 25% areaal

2

omgeving

Boomgaard met > 10 fruitbomen

2

omgeving

Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2

2

omgeving

Groen >25% onbebouwde areaal

2

omgeving

Zoomvegetatie langs perceelsranden

3

omgeving

Natuurlijke poel

3

omgeving

Pocketpark (minipark)

1

omgeving

Muurplanten in oude (kade)muur

1

omgeving

Doorstroming van open water

1

omgeving

Rustzone fauna langs wateroever

2

omgeving

Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt)

2

omgeving

Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m

2

omgeving

Ecologische wadi

Natuurfunctie

Door de aanwezigheid van verspreid groen binnen een woonwijk, is soms sprake van stapstenen die niet met elkaar verbonden zijn. Vaak is echter wel een groenblauwe dooradering aanwezig die deze stapstenen met elkaar verbindt. Stadsparken hebben hierbij vaak een belangrijke functie als leefgebied binnen de wijk. Tuinen vormen daarnaast geschikt leefgebied en hebben vaak een functie voor de gebouwbewonende soorten die in de directe omgeving foerageren. Het ‘verstenen’ van tuinen draagt echter bij aan een verslechtering van de biotoop voor de aanwezige soorten als geheel.

• • • • • • • • • • • • • •

gewone dwergvleermuis laatvlieger gierzwaluw huismus merel fuut egel kleine watersalamander boomblauwtje kleine vos tongvaren steenbreekvaren bijenorchis grote kattenstaart

Groenfunctie Realisatie van gevelgroen, aanplant van groen, verbeteren van de kwaliteit van open water en het plaatsen van nestkasten/ verblijfplaatsen aan gebouwen draagt bij aan diverse doelstellingen: • • • • •

de belevingswaarde van de woonwijk geluiddemping en ruimtelijke scheiding van wonen en verkeer de wateropgave: bijdrage aan waterhuishouding in plaats van verharding medegebruik van groen en water binnen de woonwijk door kleine fauna en insecten medegebruik van woonwijk door typische fauna van woonwijken, uitbreiding van leefgebied

-In bijlage C worden de maatregelen nader toegelicht. -In bijlage D staan de gebieden aangegeven waar toepassing van maatregelen 'verblijf' verplicht is voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. -Aanbevelingen: samenwerking met een ecoloog en/of landschapsarchitect gedurende het hele bouw(plan)proces / Zorg voor robuust groen / Raadpleeg Natuurkaart Den Haag / Koppel meerdere doelen mee / Maak een plan voor meerjarig beheer en onderhoud / Zorg voor borging behoud van het groen bij verkoop pand. 19

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

47 18

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJLAGE C - OMSCHRIJVING MAATREGELEN

1

verblijf

Nestplaatsen voor gierzwaluw; conform Soortenmanagementplan Den Haag

1

verblijf

Nestplaatsen voor zwarte roodstaart

1

verblijf

Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen; conform Soortenmanagementplan Den Haag

1

verblijf

Nestkast slechtvalk

1

verblijf

Zomerverblijfplaats voor vleermuizen; conform Soortenmanagementplan Den Haag

Punten

Aspect

Maatregel

Nadere omschrijving maatregel

alle aspecten

Opstellen / laten opstellen van ecologisch advies

Voor adequate inpassing van natuurinclusieve maatregelen in nieuwbouw en directe omgeving is een ecologisch advies wenselijk. Het gaat namelijk altijd om maatwerk en de juiste afweging van belangen. Volgens eisen gemeente; folder geveltuinen

1

gevel/dak Geveltuin

1

gevel/dak Geen lichtuitstraling gebouw

1

gevel/dak Groen dak met sedum (> 5 – 7 cm)

2

gevel/dak Groen dak met sedum, grassen en kruiden (7 - 15 cm)

Aanleg van groen dak (van 7 - 15 cm dik) met sedum, grassen en kruiden; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

gevel/dak Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) gevel/dak Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm)

Aanleg van groen dak (van 15 - 30 cm dik) met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

2

gevel/dak Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) gevel/dak Gevelgroen

1

verblijf

Aanleg van groen dak (van meer dan 50 cm dik) met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak Aanplant van gevelgroen (klimop, bruidsluier, wingerd, vuurdoorn, clematis of kamperfoelie) op muur met weinig of geen ramen over breedte van minimaal 5 meter en bij voorkeur grondgebonden (plantgat minimaal 30 cm x 50 cm grondoppervlak) Incorporeren van insectenstenen: Plaatsen van vijf insectenstenen (= 1 cluster) per gebouw op enkele meters afstand van elkaar waarbij er minimaal twee op een zon beschenen plek worden gestitueerd en twee op een meer beschaduwde plaats. De neststenen moeten op maximaal drie meter afstand van nectarleverende planten en maximaal twee meter boven het maaiveld (of dakoppervlak in het geval van een groendak) worden geplaatst. Kleinschalig project: het inmetselen van 1 cluster van vijf insectenstenen per gebouw*. Middelgroot project: het inmetselen van 2 clusters van vijf insectenstenen per gebouw*. Grootschalig project: het inmetselen van 3 clusters van vijf insectenstenen per gebouw* *met inachtneming van afstand tot nectarleverende planten, maaiveld (c.q. dakoppervlak)

3

4

4

Insectenstenen

Tegengaan van uitstralen binnenverlichting op plaatsen waar het gebouw grenst aan groene omgeving (openbaar groen): uitschakelen verlichting tussen zonsondergang en zonsopgang of gebruik van afscherming Aanleg van groen dak (van 5 - 7 cm dik) met sedum; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

Aanleg van groen dak (van 30 - 50 cm dik) met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

53

48

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

Realiseren van nestplaatsen voor gierzwaluwen: Kleinschalig project: het inmetselen van 2 neststenen voor gierzwaluwen per gebouw*. Middelgroot project: het inmetselen van 6 neststenen voor gierzwaluwen per gebouw*. Grootschalig project: het inmetselen van 12 neststenen voor gierzwaluwen per gebouw*. *indien geen geschikte openingen aanwezig in gebouw, De neststenen dienen in een cluster te worden geplaatst. Voor neststenen geldt: - neststeen met invliegopening horizontaal 30x65 mm en verticaal 32x65 mm (40 mm boven de bodem van binnen gemeten) - ophanghoogte tussen de 15 en 21 meter vanaf maaiveld, bij ontwikkelingen < 15 m kunnen nestplaatsen lager worden gerealiseerd. Minimale hoogte voor realisatie ter hoogte van de dakgoot is circa 6 m. - onderlinge afstand nestkastopeningen is minimaal 0,8 meter - ingangen op het noorden, oosten en/of noordoosten - aanvliegroute van ca. 3 meter vrijhouden van obstakels (zoals groen, openslaand raam of balkon) Plaatsen van 5 neststenen voor half-holenbroeders en/of behouden van geschikte openingen in middelhoge en hoge gebouwen (voorkeur 20 meter en hoger) Realiseren van nestplaatsen voor huismussen (neststenen en speciaal ontworpen spleten en kieren met voldoende ruimte; geen vogelvides) ter plaatse van dakranden: Kleinschalig project: 2 nestplaatsen voor huismussen per gebouw*.

Middelgroot project: 6 nestplaatsen voor huismussen per gebouw*. Grootschalig project: 6 nestplaatsen voor huismussen per gebouw*. *Deze maatregel is alleen functioneel als in de omgeving voldoende leefgebied (tuinen, hagen, dichte struiken) aanwezig is en/of wordt gerealiseerd. De neststenen dienen in een cluster te worden geplaatst. Voor neststenen geldt: - neststeen met invliegopening minimaal 35 mm in diameter - ophanghoogte tussen de 5,5 en 12 meter vanaf maaiveld (binnen eerste drie woonlagen). Minimale ophanghoogte is 3 meter. - onderlinge afstand nestkastopeningen is minimaal 0,5 meter - ingangen op het noorden, oosten en/of noordoosten - binnen straal van 50 van nestplaats enkele dichte (het liefst inheemse) heesters zoals wilde liguster, hulst, vuurdoorn of klimop, rommel- en onkruidhoekjes, zand (zandbak of plantborder) en water Plaatsen van een nestkast voor slechtvalk indien onvoldoende aanwezig binnen omgeving Realiseren van zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen: Kleinschalig project: 2 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* Middelgroot project: 6 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* Grootschalig project: 12 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* *Deze maatregel is alleen functioneel als gebouw grenst aan het bestaande of nieuwe groen. Maak daarbij gebruik van loze ruimten in spouwmuur en/of dakrand.

Voorkom op deze plaatsen verlichting van de gevel (aanstralen).

54

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

1

2

omgeving

Zoomvegetatie langs perceelsranden

3

omgeving

Natuurlijke poel

3

omgeving

Pocketpark (minipark)

verblijf

Winterverblijfplaats voor vleermuizen; conform Soortenmanagementplan Den Haag

1

omgeving

Geen buitenverlichting bij groen

1

omgeving

Cluster van 3 inheemse bomen

1

omgeving

Cluster van inheemse struiken 50m2

1

omgeving

1

omgeving

1

omgeving

1

omgeving

1

omgeving

2

omgeving

Realiseren van massawinterverblijfplaatsen voor vleermuizen: Kleinschalig project: n.v.t. (te weinig ruimte) Middelgroot project: 1 massa winterverblijfplaats voor vleermuizen per gebouw* Grootschalig project: 2 massa winterverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* *Realiseren van een massa winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis indien onvoldoende aanwezig binnen omgeving. Grote stenen en betonnen gebouwen (flats, appartementen) met spouwmuren komen hiervoor in aanmerking. Dit kan uit oogpunt van veiligheid betekenen dat de functies groen en wandel- en fietspaden niet samen gaan In clusters aanplanten / behouden van minimaal 3 inheemse bomen, zoals zomereik, wintereik, linde, berk, zwarte els, beuk, haagbeuk, veldiep, zoete kers, gewone appel en/of lijsterbes.

In clusters aanplanten van inheemse struiken met minimaal 50 m² grondoppervlak met minimaal 3 soorten: hulst, taxus, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, vlier, gelderse roos, egelantier, vuilboom en/of krentenboompje. aansluiting groene tuin Versterk stedelijke ecologische hoofdstructuur door groene tuin en ecologische structuur rondom het gebouw hierop aan te laten sluiten, zowel qua ligging (laten grenzen) als qua inrichting (beplantingstypen). Insectenhotel Aanleg van insectenhotel op 3 locaties in wijk- en buurtgroen in directe omgeving gebouw en/of plaatsen van insectenstenen in 3 gebouwen; plaatsing op zonnige plaats in nabijheid van bloemrijk grasland en/of ander groen Voor vlinders geschikte Aanplant van inheemse nectarrijke struiken met een rijke variatie struiken aan voedsel geselecteerd voor vlinders: minimaal 25m² grondoppervlak Droog bloemrijk grasland Realiseren van droog grasland ter plaatse van gemeenschappelijk of > 10m2 openbaar groen waar deze van lage ecologische kwaliteit is (wat nu gazon is): minimaal 10m² grondoppervlak. Het mag ook gaan om spontane ontwikkeling van braakliggende industrieterreinen. van Na inrichting over gaan op ecologisch beheer. Faunapassage onder Realiseren van openingen onderaan schutting/ hekwerk voor kleine hekwerk fauna (zoals egels): opening van minimaal 15x15cm Natuurlijke haag > 25 meter

2

omgeving

Natuurlijke verharding > 25% areaal

2

omgeving

2

omgeving

Boomgaard met > 10 fruitbomen Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2

2

omgeving

Groen >25% onbebouwde areaal

1

Aanplant van hagen - al of niet ter vervanging van hekwerk/ schutting - over een lengte van minimaal 25 meter en met breedte van tenminste 1 meter en hoogte van 1,5 meter met liguster, spaanse aak, zuurbes, hulst, beuk of haagbeuk. Tegengaan van betegeling: gebruik halfverharding of natuurlijke verharding (houtsnippers of grind) over minimaal 25% grondoppervlak van de onbebouwde kavel met als voorwaarde dat de verharding niet bedoeld is als voetpad / loopverbinding Aanplant van boomgaard met minimaal 10 fruitbomen: appel, kers, peer, pruim en/of walnoot Inzaaien van bloemrijk grasland met inheems bloemenmengsel ter plaatse van openbaar / gemeenschappelijk groen: grassen met éénjarige kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie, minimaal 500 m² grondoppervlak. Na inrichting overgaan op ecologisch beheer. Tegengaan van betegeling: gebruik geen verharding over 25% van het onbebouwde grondoppervlak en beplant dit met stedelijk groen; het gaat daarbij bosplantsoen met inheemse bomen en struiken 55

Muurplanten in oude (kade)muur

Doorstroming van open water Rustzone fauna langs wateroever

Realiseren van ruige groene randen ter plaatse van groene dooradering waar deze van lage ecologische kwaliteit is (wat nu gazon is): ruigte van soorten als bijvoet (droog) en riet (nat), minimaal 10m² grondoppervlak Realiseren van poel / vijver met minimaal 1 meter waterdiepte, 3 meter diameter en flauw talud; beplant inheemse oeverplanten: gele lis, moerasandoorn, grote kattenstaart, moerassprirea, echte valeriaan, grote egelskop en inheemse waterplanten: witte waterlelie, gele plomp, watergentiaan, krabbescheer Realiseren van een minipark van minimaal 250 m2 als ‘groene oase’ of ‘stadstuin’ in een stedelijke en stenige omgeving van woningen, kantoren en wegen voor multifunctioneel gebruik voor laagdynamische functies (natuur, ontspanning, ontmoeting). Belangrijkste kenmerk is dat wandelpaden, zitbankjes en stadsbomen (zoals iep en linde), op creatieve en harmonieuze wijze worden afgewisseld met (lage) inheemse struiken en/of kruiden. Voor het verkrijgen van de punten geldt dus de voorwaarde dat gekozen wordt voor inheemse struiken- en plantensoorten. Om zoveel mogelijk functies tegelijkertijd te realiseren is meerlaags ruimtegebruik (bijvoorbeeld verhoogde borders en pergola’s) mogelijk. Het benutten van regenwater is een pre, maar vraagt wel meer ruimte.

In dat geval kunnen ook poelen, waterstroompjes en oevervegetaties ontwikkeld worden waarbij eventueel menselijk gebruik niet ten koste mag gaan van kwetsbare natuurwaarden. Bij renovatie / restauratie aan oude muren met geschikte groeiplaatsen: rekening houden met verplaatsen van muurplanten en realiseren van muren met terugliggend voegwerk met kalkhoudende specie en vochtig metselwerk met afstromend regenwater of het realiseren van kademuren met een muurplantvriendelijke constructie die is voorzien van een smalle spouwmuur met vochthoudend materiaal om planten van voldoende water te voorzien, kalkhoudende specie en een terugliggende voeg. Zorg ervoor dat water voldoende doorstroomt, vooral als het zonbeschenen water betreft realiseer rustzone over oeverlengte van >10 meter voor dieren langs open water delen van de oevers zonder verstoring door mensen en/of honden door gebruik van hoge vegetatie, padenstructuren en verplicht aanlijnen van honden Aanplant / behoud van minimaal 10 inheemse bomen in bomenrij of bomengroep: zoals zomereik, wintereik, linde, berk, zwarte els, beuk, haagbeuk, veldiep, zoete kers, gewone appel en lijsterbes

1

omgeving

1

omgeving

2

omgeving

Rij van >10 inheemse bomen

2

omgeving

Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m

Open water voorzien van natuurvriendelijke oevers: minimaal 10m oeverlengte met talud van 1:5 of flauwer

2

omgeving

Ecologische wadi

Ecologische inrichting en beheer van wadi's, voor zover aanwezig; het gaat om een komvormige bufferings- en infiltratievoorziening, die tijdelijk gevuld is met hemelwater

56

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

49

BIJLAGE II

Inventarisatie bomen Thorbeckelaan in Den Haag Opdrachtgever Staedion De heer R. Goes Koningin Julianaplein 2 2504LK Den Haag

Inleiding Wij hebben een boominventarisatie uitgevoerd. Het gaat om 29 bomen in het projectgebied aan de Thorbeckelaan in Den Haag. Vakspecialist Riemke Steenhuis (European Tree Technician) heeft het veldwerk uitgevoerd op 18 februari 2019.

Inventarisatie bomen Thorbeckelaan in Den Haag

Project 302264 v1.0

Afbeelding 1.

Onderzoeksgebied (rood kader)

Foto 1.

Situatie voorzijde gebouw

Foto 2.

Situatie achterzijde gebouw

Aanleiding en doel De aanleiding voor de inventarisatie is dat bomen in de toekomst (mogelijk) geveld of gesnoeid worden vanwege de voorgenomen nieuwbouw in het projectgebied. Van alle bomen en struiken met een stamomtrek van minimaal 30 cm op 1,3 m hoogte moeten daarom gegevens worden opgenomen en foto’s worden gemaakt. Onderzoeksvragen Wij beantwoorden met onze inventarisatie de volgende vragen beantwoorden: •

Wat is de positie van alle bomen met een stamomtrek van meer dan 30 cm in het projectgebied?

•

Wat is de actuele kwaliteit en toekomstverwachting van de betreffende bomen?

•

Wat is de ernst en omvang van de aanwezige gebreken?

•

Hoe zien de bomen er uit (foto’s)?

Beschrijving situatie Het onderzoeksgebied betreft het perceel op de hoek van de Mgr. Nolenslaan en de Thorbeckelaan. Op het perceel staat nu een kantoorgebouw. Op afbeelding 1 is het onderzoeksgebied met een rood kader globaal aangeduid. Rondom het gebouw staan zowel aangeplante bomen als bomen ontstaan uit wortelopslag in vakken van sierbeplanting, bosplantsoen en gazon. Op foto 1 en 2 is de situatie afgebeeld.

1

Project 302264302264 v1.0 21 januari 2022

50

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

2

Project 302264 v1.0 21 januari 2022

Werkwijze

Verplantbaarheid Wij hebben zes bomen als matig of goed verplantbaar beoordeeld. Het gaat veelal om Inventarisatie bomen Thorbeckelaan in Den Haag

Inmeting In het veld hebben wij de boomlocaties van bomen met een stamomtrek van 30 cm of meer zonder landmeetapparatuur in kaart gebracht. Wij hebben de boomlocaties bepaald door te refereren aan bestaande bebouwing. De bomen staan daarmee herleidbaar op de kaart. Beoordeling bomen

relatief kleine, solitaire bomen in of nabij verharding. Mits goed voorbereid hebben deze bomen een slagingskans van 75% of hoger. Wij hebben drieëntwintig bomen als slecht verplantbaar beoordeeld (slagingskans minder dan 50%). Dit vanwege de boomsoort, de kwaliteit, omvang of vanwege het feit dat de bomen erg dicht op elkaar staan en om die reden niet verplant kunnen worden.

Hebt u na het lezen van dit rapport nog vragen? Neem dan gerust contact op met Dennis Slotboom op 088 - 262 72 00. Met vriendelijke groet, Uw veelzijdig specialist, Cobra adviseurs bv

Met de inventarisatie hebben wij elke boom visueel gecontroleerd en de volgende punten vastgelegd: •

boom- of struiksoort (wetenschappelijke en Nederlandse naam);

•

geschatte leeftijd;

Conclusie

Joost Verhagen Directeur

Hieronder geven wij bondig antwoord op de onderzoeksvragen Alle informatie is op boomniveau terug te vinden in de bijlagen. Deze zijn te vinden in:

•

hoogte (in klassen);

•

kroondiameter (in m);

•

stamomtrek (in cm), bij meerstammige bomen is de dikste stam bepalend;

•

conditie (normaal, verminderd, sterk verminderd, zeer slecht, dood);

•

gebreken aan wortelvoet, stam, takaanhechtingen, gesteltakken, kroon;

•

toekomstverwachting;

Wat is de actuele kwaliteit en toekomstverwachting van de bomen?

•

verplantbaarheid;

Per boom hebben wij de conditie, eventuele gebreken en de toekomstverwachting

•

standplaats;

bepaald. De toekomstverwachting hebben wij gebaseerd op conditie, boomsoort en actuele

•

plantwijze.

kwaliteit. De toekomstverwachting van 28 bomen is meer dan vijftien jaar en één boom is

•

Bijlage 1: Overzichtstekening

•

Bijlage 2: Inventarisatielijst

•

Bijlage 3: Individuele boomrapporten

Aanvullend hebben wij van elke boom één foto gemaakt.

dood.

Resultaten

Wat is de ernst en omvang van de aanwezige gebreken?

Boomsoorten

Bij vier bomen is een plakoksel in de stam aanwezig. Wij adviseren bij drie van deze bomen

Op het terrein hebben wij elf boomsoorten geïnventariseerd. Het gaat om de volgende

onderhoudssnoei uit te voeren en de bewuste tak in te nemen of te verwijderen in het kader

soorten en aantallen:

van boomveiligheid. Bij één boom is een overbelaste tak aanwezig in de kroon. Om het risico

Pijnacker, 21 januari 2022

•

zeven Huntingdon iepen (Ulmus x hollandica 'Vegeta')

op afbreken te beperken, moet de tak ingenomen te worden. Bij tien bomen zijn afgestorven

•

zes gladde iepen (Ulmus minor)

takken aanwezig in de kroon. Wij adviseren bij deze bomen onderhoudssnoei uit te voeren

•

vijf ratelpopulieren (Populus tremula)

omdat de afgestorven of verzwakte takken een verhoogd risico vormen voor de omgeving.

•

zes grauwe abelen (Populus x canescens)

Als laatste adviseren wij de dode boom te verwijderen.

•

drie lijsterbessen (Sorbus sp.)

•

twee Hollandse iepen (Ulmus x hollandica)

Hoe zien de bomen er uit (foto’s)? In de individuele boomrapporten in bijlage 3 hebben wij de foto’s verwerkt.

Conditie Er zijn 28 bomen met een normale conditie. Eén getopte boom is dood. Gebreken Bij diverse bomen zijn gebreken aanwezig die de veiligheid van de directe omgeving van de Contactgegevens Cobra adviseurs bv info@Cobra-adviseurs.nl www.Cobra-adviseurs.nl T. 088 – 262 72 00

bomen negatief beïnvloeden. Samenvattend hebben wij de volgende gebreken aangetroffen: •

Bij vier bomen is een plakoksel in de stam aanwezig.

•

Bij tien bomen zijn afgestorven takken aanwezig.

•

Bij één boom is een overbelaste tak aanwezig.

Centraal postadres Franssenstraat 66 5434 SJ Vianen (NB) Bedrijfsgegevens KvK Eindhoven 17232157 Btw-nr. NL 8199.70.220.B01 IBAN NL90 INGB 0008 5217 90

3 4

5

Project 302264 v1.0 21 januari 2022

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

51

Bijlage 1 Overzichtstekening

52

PUK KPN MONSEIGNEUR NOLENSLAAN 1 MAART 2022

Bijlage 2 Inventarisatielijst

Inventarisatielijst

Projectnummer:

302264

Locatie:

Thorbeckelaan in Den Haag

Datum:

18 februari 2019

Nr

Boomsoort wetenschappelijk

Boomsoort Nederlands

Standplaats

Geschatte leeftijd

Hoogte (in m)

Kroondiameter (in m)

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

Ulmus x hollandica Ulmus x hollandica Sorbus sp. Ulmus minor Sorbus sp. Sorbus sp. Ulmus minor Ulmus minor Populus x canescens Populus x canescens Populus x canescens Populus x canescens Populus x canescens

Hollandse iep Hollandse iep lijsterbes gladde iep lijsterbes lijsterbes gladde iep gladde iep grauwe abeel grauwe abeel grauwe abeel grauwe abeel grauwe abeel

Sierbeplanting Gazon Gazon Gazon Bosplantsoen Sierbeplanting Sierbeplanting Sierbeplanting Sierbeplanting Sierbeplanting Sierbeplanting Sierbeplanting Sierbeplanting

50 jaar 50 jaar 40 jaar 25 jaar 40 jaar 25 jaar 35 jaar 20 jaar 50 jaar 50 jaar 50 jaar 50 jaar 50 jaar

18 - 24 m 18 - 24 m 9 - 12 m 12 - 15 m 12 - 15 m 6-9m 12 - 15 m 6-9m > 24 m > 24 m > 24 m > 24 m > 24 m

20 14 14 8 12 10 10 6 18 16 18 16 18

205 160 110 79 108 95 102 48 201 205 202 200 195

Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal

14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29

Populus x canescens Ulmus x hollandica 'Vegeta' Populus tremula Populus tremula Populus tremula Ulmus minor Populus tremula Populus tremula Ulmus x hollandica 'Vegeta' Ulmus x hollandica 'Vegeta' Ulmus minor Ulmus minor Ulmus x hollandica 'Vegeta' Ulmus x hollandica 'Vegeta' Ulmus x hollandica 'Vegeta' Ulmus x hollandica 'Vegeta'

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11428868/1