CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311796 Bescherm stadsgezicht Mariahoeve bijlage

Commissie Ruimte 5 april 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Raadsmededeling: Status beschermde stadsgezichten, RIS3131457.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Den Haag

Mariahoeve Toonbeeld van de wederopbouw

Dit document is opgesteld naar aanleiding van het deelprogramma Wederopbouw van de visie Erfgoed en Ruimte en is een nadere uitwerking van de kernkwaliteiten zoals die genoemd zijn in bijlage 3 van de Visie Erfgoed en Ruimte.

Met kennis en advies geeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de toekomst een verleden.

Inhoud Wederopbouw: tonen van een tijdperk pagina 2 Methodiek en leeswijzer pagina 3 De wederopbouwperiode pagina 4 Introductie Mariahoeve pagina 5 Stedenbouwkundige analyse pagina 8 Uitbreidingen en aanpassingen pagina 21 Bijzondere karakteristieken pagina 23 Kernkwaliteitenkaart pagina 29 Begrippenlijst pagina 30

2 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

30 wederopbouwgebieden

Wederopbouw: tonen van een tijdperk

30 wederopbouwgebieden

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft in 2011 dertig wederopbouwgebieden geselecteerd uit de periode tussen 1940 en 1965. In deze periode is een groot deel van Nederland opnieuw ingericht. Dat gebeurde op een totaal andere manier dan vóór de oorlog. De geselecteerde gebieden geven met elkaar een goed beeld van hoe er gedacht, gebouwd en ingericht werd en kunnen worden beschouwd als toonbeelden van de Wederopbouwperiode. Ze onderscheiden zich nationaal of zelfs internationaal, bijvoorbeeld vanwege de kwaliteit van de architectuur of als bijzonder voorbeeld van stedenbouw of landschapsinrichting. De Rijksdienst heeft de gebieden in drie gebiedstypen ingedeeld: de wederopbouwkernen (herstelde oorlogsschade), de naoorlogse woonwijken (planmatige­ opgezette uitbreidingswijken) en de landelijke gebieden (agrarische ruilverkavelings- en landinrichtingsgebieden).

In lijn met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (TK 2009-2010, 32 156 nr. 13) wordt hier in juridische zin invulling aangegeven – niet door aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht – maar als uitvloeisel van de verplichting om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van de belangenaf­ weging in het kader van de totstandkoming van bestemmings­ plannen, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening.

Wederopbouw is één van de vijf prioriteiten uit de rijksnota Kiezen voor karakter, de rijksvisie op erfgoed en ruimte die op 15 juni 2011 door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu namens het kabinet is aangeboden aan de Tweede en Eerste Kamer (TK 2010-2011, 32 156 nr. 29).

Kennis, inzicht en begrip van de cultuurhistorische waarden van de wederopbouwgebieden en hun ruimtelijke ontwikkelings­ geschiedenis zijn van belang bij het maken van weloverwogen keuzes in de planvormingsprocessen. Dit gebiedsdocument is bedoeld ter ondersteuning hiervan en brengt de bijzondere kernkwaliteiten van één van deze gebieden in beeld: de naoorlogse wijk Mariahoeve.

De selectie als wederopbouwgebied zorgt in de eerste plaats vooral voor meer aandacht en waardering. Daarnaast wil het Rijk stimuleren dat de bijzondere eigenschappen, de kwalitei­ ten van de Wederopbouwgebieden, ook in de toekomst herkenbaar aanwezig blijven en als cultureel erfgoed een rol van betekenis spelen in de ruimtelijke ordening.

30Wederopbouwkernen wederopbouwNaoorlogse woonwijken gebieden

8

Landelijke gebieden

23

Mariahoeve 8

Wederopbouwkernen Naoorlogse woonwijken Landelijke gebieden

24 10

23

9 24 10

11

Nu zo’n zestig jaar na de realisatie bouw of aanleg, zijn deze wederopbouwgebieden als gevolg van maatschappelijke en sociaaleconomische veranderingen, object van (ingrijpende) vernieuwingsoperaties. De uitdaging hierbij is om ontwikkelin­ gen en vernieuwing hand-in-hand te laten gaan met het behoud van het bijzondere karakter van deze gebieden.

25

211 2 14 3 15 5

14 3 15 5

17

1716

28

19

29

27 4

27 4

1

12

26 26

28

6

6

18

18 29

1

13

16

13

1930 20

30 20

7

7

21 22

Wederopbouwkernen 10. Nagele 01. Hengelo binnenstad 11. Amsterdam Westelijke Tuinsteden 02. Katwijk aan Zee Boulevardzone 12. Hengelo Klein Driene I en II 03. Den Haag Atlantikwallzone 13. Apeldoorn Kerschoten Kijkduin-Zorgvliet 14. Den Haag Mariahoeve Wederopbouwkernen 10. Nagele Landelijke gebieden 04. Rhenen binnenstad 15. Leidschendam-Voorburg 01. 11.Prinsenhof Amsterdam Westelijke Tuinsteden 23. Skarsterlân Haskerveenpolder 05. Hengelo binnenstad De Heuvel 06. Nijmegen binnenstad 24. Noordoostpolder 16. Utrecht De Halve Maan 02. Katwijk aan Zee Boulevardzone 12. Hengelo Klein Driene I en II 07. Oostburg 25. Vriezenveen 17. 03. Den Haag Atlantikwallzone 18. 13. Apeldoorn Kerschoten 26. Berkelland Beltrum I Kijkduin-Zorgvliet Den Haag Mariahoeve Naoorloogse woonwijken 19. Breda De14. Heuvel 27. De Groep en omgeving 08. Groningen Wijert-Noord 20. Eindhoven 28. Maas en Waal-West Landelijke gebieden 04. Rhenen De binnenstad 15.‘t Hool Leidschendam-Voorburg 09. Emmen Emmermeer, Angelslo 21. Heerlen Vrieheide 29. Veere Walcheren 23. Skarsterlân Haskerveenpolder 05. en Emmerhout De Heuvel Prinsenhof 22. 30. Boxtel en Best De Scheeken

21

22

06. Nijmegen binnenstad 07. Oostburg

16. Utrecht De Halve Maan 17. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel18. Erfgoed. Naoorloogse woonwijken 19. Breda De Heuvel 08. Groningen De Wijert-Noord 20. Eindhoven ‘t Hool 09. Emmen Emmermeer, Angelslo 21. Heerlen Vrieheide en Emmerhout 22.

24. Noordoostpolder 25. Vriezenveen 26. Berkelland Beltrum I 27. De Groep en omgeving 28. Maas en Waal-West 29. Veere Walcheren 30. Boxtel en Best De Scheeken

3 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Methodiek en leeswijzer De methodiek is er op gericht de kernkwaliteiten uit de Wederopbouwperiode te analyseren en herkenbaar in beeld te brengen. Als basis voor de ruimtelijke analyse zijn bestaande studies gebruikt, waar nodig aangevuld met een veldbezoek om de bureaustudie te toetsen. In het colofon van dit docu­ ment is opgenomen welke studies en rapporten als basis gebruikt zijn voor dit gebiedsdocument. De inhoudelijke focus van de gebiedsdocumenten ligt op de Wederopbouwperiode en de actuele situatie van het gebied. Om de context van de ontwikkelingen te begrijpen, zijn waar nodig relevante ontwikkelingen uit andere tijdsperioden meegenomen in de analyse. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de wederop­ bouwperiode in het algemeen en de specifieke ontwikkelingen met betrekking tot de naoorlogse woonwijken (planmatig opgezette uitbreidingswijken) in het bijzonder. In de erna volgende hoofdstukken wordt ingezoomd op het onderhavige gebied en word door middel van een gebiedsanalyse geduid wat de specifieke kernkwaliteiten zijn die dit gebied tot een wederopbouwgebied van nationaal belang maken. Bron: Gemeentearchief Emmen.

4 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

De wederopbouwperiode Nederland maakte tussen 1945 en 1965 een ongekende transformatie door. In ruimtelijk, economisch en in sociaalmaatschappelijk opzicht veranderde ons land ingrijpend. Na de Tweede Wereldoorlog was veel landelijk gebied, gebouwde omgeving en infrastructuur zwaar beschadigd geraakt, stonden onder water of lagen compleet in puin. Het herstel van de oorlogsschade en de wederopbouw begon al in de oorlog. Steden en dorpen herrezen uit het puin dankzij krachtige samenwerking en een sterke centrale sturing. In deze periode zijn veel innovatieve en ongekende ontwerpen gerealiseerd, zowel bij stedelijk herstel en uitbreiding als bij de herinrichting van het landelijk gebied en de aanleg van nieuw land. Wijkgedachte

Na de oorlog was er grote woningnood in Nederland en de sociaaleconomische omstandigheden waren dramatisch. Steden werden gezien als te massaal en daardoor bedreigend voor een goede samenleving vanwege de slechte woon- en leefomstandigheden en het gebrek aan sociale cohesie binnen de wijken en alle mogelijke negatieve consequenties die daarmee konden samenhangen. Al voor de oorlog waren stedelijke gebieden verpauperd of in slechte staat en boden ze onvoldoende ruimte aan de bevolkingsgroei. De ‘wijkgedachte’, die in de jaren twintig al in Nederland bekend was als ordenend concept, werd na de oorlog nader uitgewerkt door de studiegroep Bos in het boek De stad der toekomst, de toekomst der stad (1946). Vanuit sociologisch oogpunt ging deze wijkbenadering uit van een maximale grootte van de wijk en het gezin kwam centraal te staan als hoeksteen van de samenleving. Wonen, werken, verkeer en recreatie werden nauwkeurig geordend en veelal van elkaar gescheiden. Elke wijk werd opgebouwd uit buurten, wooneenheden met eigen voorzieningen. In de buurten waren winkels voor de dagelijkse behoeften binnen bereik. Op wijkniveau waren er

ook andere voorzieningen zoals scholen, kappers, banken, een bibliotheek, kledingwinkels en kerken aanwezig. Deze opbouw moest het gemeenschapsgevoel stimuleren en de chaotische groei van steden tegengaan. Het katholieke zuiden van Nederland kende een variant op dit type indeling en opbouw. Hier werden deze wijken ‘parochiewijken’ genoemd, waarbij de kerk letterlijk en figuurlijk centraal stond. De wijkgedachte is een belangrijk uitgangspunt geweest voor de ontwikkeling van de stedenbouw in de naoorlogse periode. Licht, lucht en ruimte

De wederopbouw was ook een periode van optimisme en modernisering. Nieuwe materialen, productiemethoden en verkavelingspatronen deden hun intrede, evenals de nieuwe wijkinrichting met veel groen. Het motto van de naoorlogse stadsuitbreidingen werd: ‘licht, lucht en ruimte’. Dit vertaalde zich niet alleen naar de bebouwing, maar vooral ook naar de stedenbouwkundige compositie van de ruimte, waarin de groenstructuur en de openbare ruimte een belangrijk aandeel hadden. De grens tussen particuliere, gemeenschappelijke en openbare ruimte is daarbij minder evident dan bij het gesloten bouwblok. Kenmerkend is de herhaling van verkavelingsvor­ men tot stedenbouwkundige eenheden. De woningtypologie verschilt ook van de vooroorlogse uitbreidingen. Rijtjeswoningen en gestapelde meergezinswoningen in open bebouwing overheersen, vaak in seriematige bouw.

Wijkgedachte. Bron: Katholiek Bouwblad 1947.

5 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Kerngegevens Kaart

Introductie Mariahoeve De stad Den Haag, zetel van de Rijksoverheid en het Provinciaal bestuur, had al vóór de oorlog grote behoefte aan middenstandswoningen, vooral door de groei van het aantal ambtenaren. Na de Tweede Wereldoorlog nam die vraag alleen maar verder toe. De wijk Mariahoeve werd ontwikkeld als middenstandswijk, waar ook veel ambtenaren gingen wonen. Gemeentelijk stedenbouwkundige F. van der Sluijs ontwierp in 1953 het definitieve plan voor deze uitbreidingswijk: een gemengde wijk met zo’n zevenduizend woningen, bedoeld voor ruim 25.000 inwoners uit verschillende inkomensgroepen. De ambitie was om, in tegenstelling tot de eerder ontworpen uitbreidingswijk Zuidwest een gevarieerde, stijlvolle wijk te creëren, met hoogwaardige woningen. Van der Sluijs baseerde zich op vernieuwende verkavelingsprincipes die op dat moment in Scandinavië in zwang waren. Dit resulteerde in experimentele verkavelingsvormen en een grote diversiteit aan woningtypen in een parkachtig landschap. De wijk dankt haar naam aan boerderij Mariahoeve die in de voormalige polder, nabij de Bezuidenhoutseweg lag.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft Mariahoeve geselecteerd als één van de dertig wederopbouwgebieden van nationaal belang. De belangrijkste, ruimtelijk onderscheidende kernkwaliteiten zijn: 1. Wijkverkaveling in vrije compositie; 2. Verdeling van de wijk in zes buurten door stelsel van hoofdwegen; 3. Vrijstaande gebouwen in het groen met afwisselende woningtypologie. Deze kernkwaliteiten worden in dit document nader toegelicht.

Algemene gegevens

− Wijk: Mariahoeve − Oppervlakte wijk: 154 ha − Woningdichtheid: 42 w/ha − Bevolkingsdichtheid: 8,464 inw/km2 − Stedenbouwkundigen: Ir. F. van der Sluijs − Architecten: o.a. R.D. Bleeker, C. Pet, P. Zanstra, Gmelig Meijling, De Clerq Zubli & Partners − Planvorming: 1953 - 1956 − Uitvoering: 1957 - 1964 − Aantal woningen bij oplevering: 6.960

Situering en definiëring Bevolkingsopbouw

Grondgebruik* Mariahoeve gemiddelde wederopbouwwijken

Statistische gegevens: Atlas voor Gemeenten 2014.

Infrastructuur

Water

Openbaar Groen

(Collectieve) Tuinen

Bebouwing

40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 0-14 jaar 15-24 jaar 25-44 jaar 45-64 jaar 65+ jaar

Mariahoeve ligt aan de oostzijde van Den Haag. De rechthoekige wijk grenst in het westen aan het Haagse Bos, landgoed De Reigersbergen en het chique Marlot. In het noordoosten ligt Wassenaar en aan de westzijde grenst de wijk aan het negentiende-eeuwse Bezuidenhout. In het zuiden lopen de spoorlijn Den Haag-Leiden en het riviertje de Schenk. De stedenbouwkundige opzet volgt de parallelle lijnen van kust en strandwallen waarlangs Den Haag is opgebouwd. Deze lijnen, van west naar oost: de kustlijn, de Bezuidenhoutseweg, de Theresiastraat-Vlaskamp, de Loudonstraat-Het Kleine Loo en de Schenkzone – zorgen ervoor dat de wijk is ingebed in de stedelijk structuur en hierdoor verbonden is met het Haagse centrum.

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

! !

!!

!

!

!

!

! !

! !

!

!!

! !! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!!

!

!!

!

!

!

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

! !

!

!

!

! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

! ! !!

!

! !!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!

!!

!

!

! !

!

! !

!

!

!

!

!

!

!!

!

! !

!

!!

!

!

!

!

!!

!

!

!

! ! !

! ! !

!

!!

!! ! !

! ! !

!! !

!!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!!

!!

!

! !

!

!

!

!!

!

! !

!

1970

!

!

!

! ! ! ! !

!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! ! !

!

1930

!

!

!

!!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! !

! !

!

!

!

!

! !

!

!

!

! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

! ! !

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

6 —

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! !!! !

!! !

!

!!

!

!

! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!! !! !!

!

!

!

!

!

! !!

!

! !

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!!!

! ! !

! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!! !! !! !!

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! ! !

! !!

!!

!!

!!

!

!

! ! !! !!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

! ! !

!!

!

!!

!!

!!

! !! !!

!

!

!

! !!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

! !!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!!

!

!!

!

!!

!

!

!

! !! ! !!

!

!

! !

!

!

!

!

!!

!! !

!

!

!

!

!!

!!

!

!

!

!

!!

!!

!!

!!

!!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!!

!!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! !! ! ! ! !! ! ! ! ! ! !! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! !! ! ! ! ! !! !! ! ! !! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!!

!

!

!!

!

! !

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !!

!

!

!

! !

!

! ! !

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

! !

!

!

! ! ! !

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! !

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

! !

! !

!!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

! !

!!

!

!

!

! !

!

!!

!

!

!

!

! !

!!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

! !!

!

!

!

!

!!

!

!

!

! ! ! !!

!

!!

!

!

!

! !

! !

!

!

!

!

!

!!

!!

!

!!

!

!

! !

!!

! !

!

!!

!

!!

!!

!

!

!!

! !!

!!

!!

!!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!!

! !

! ! !

!

!!

!

!!

!!

!!

!

!!

!

!

!!

!!

!!

!

!!

!!

!!

!

!!

! !

!

!

!

!

!

! !!

!

!

!!

!!

!

!

!

!!

!

!

!

!!

!

!

!

!!

!!

!

!!

!!

!

!

!

!

! ! !

! !!

!!

!

!!

!!

! !

!!

!! !

!!

! !!!!

!

! ! !! !!

!!

!

! !

!

!!

!

! ! ! !

!

!!

! ! ! !! !

!

!

! !!

!

! !

!!

!!

!

!

! ! ! !

!

! !! ! !

!

!!

! !!

!

! !

!

!

!!

!!

!

!

!!

!!

!!

!

!

!!

!!

!!

!

!

!!

!!

!

! !

! !

!

!!

!

!

!!

!!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!!!

! !!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!! ! !! !!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!!

! ! ! ! !! ! ! !! !

!

!

!

!

!

!

!

!!

!!

!

! !

!

!

!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!!

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!!

!

!

! !

!!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!!

!

!!

!

!

!!

!

!!

!

!

!!

!

!!

!

!

!!

!

!!

!

!

!

!

!!

!

!

!!

!

!

!

!

!!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

! !! ! !! !! !! !! !! !! ! ! !! !! !

!

!

!!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! !! ! ! !! ! ! !! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!!

!

!

!

!

!!

!!

!!

!

!!

!

!

!!

!!

! !!

!

!

Marlot

!

!

! !!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

! !! ! ! ! ! !!

!

!

! ! ! ! !! ! ! !

!! !

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!!

!

!!

!

!

!

Huis ten Bosch

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !! !! !! !

!

!

!!

!!

Huis ten Bosch

!

! !!

!

!

!

!!

!!

!!

! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! !!

!

!

!

!

! !!

!

!

!

! !!

! !

!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! !! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! !! ! ! !! ! !! ! !! ! !! ! !! ! !! ! !

!

!

!! !

!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !!

! !

!

!

!

!

!

! !!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

Marlot

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

! !

!

!

!!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!!

!

! !

Bezuidenhout

Bezuidenhout

! !

!

! ! ! ! ! ! ! !

! ! !

! ! ! !

!

!

! ! !!

! !

! ! !

! ! !

!

! !

!

!

! ! !

! ! ! ! !

!

!

! !

!

!

!

!

!

!! !

!

!

!

! !

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

! ! !

! !

! !

!

! ! !

! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!!

! !

!

!

!

!

!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

! !

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

! !

! !

!!

! ! ! !

! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

! !!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!!

!

!

!

!

!!

!

! !

! !

!!

!

!!

!

!

!!

!

!!

!

!

!

!

!

!

! !

!

!

! !

!

!

!!

!!

!

!

! !

!

!

! ! ! ! ! !

! ! !

!

!!

!

!

! ! ! !

! !

!!

!

!

! !

!

!

!! ! !

!

!

! ! !

!

Mariahoeve in 1970. Kaart: MUST.

!

! !

! !

!

!

!

! !

!

!

!

!

!!

!

!

! ! !

!

!

!

!!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! !

!

Het gebied waar Mariahoeve zou worden aangelegd, in 1930. Kaart: MUST.

!

!

!

! !

!!

!

!

!!

!

!!

!

!!

!

! !

!!

!

!

!

7 —

Ligging Mariahoeve: • Grenzend aan de wijk Bezuidenhout in het zuidwesten, het Haagse Bos, landgoed Reigersbergen en Parc Marlot aan de noordwestzijde, • de polder in het noordoosten en het spoor van Den Haag naar Leiden/Amsterdam in het zuidoosten.

Luchtfoto van Mariahoeve met zicht op Catharinaland en in de verte het Haagse Bos en Huis ten Bosch Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Siebe Swart.

8 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Stedenbouwkundige analyse Planontwikkeling en uitgangspunten voor het ontwerp

Dudok

Voorafgaand aan het stedenbouwkundig ontwerp van Van der Sluijs hebben de architecten Berlage en Dudok een rol gespeeld in de totstandkoming van de uitbreidingsplannen voor de oostzijde van Den Haag.

In 1934 volgde Dudok de overleden Berlage op als stedenbouw­ kundig adviseur. In 1936 presenteerde hij een eerste uitbrei­ dingsplan voor Mariahoeve, dat met de kenmerkende diagona­ len sterk deed denken aan het plan van Berlage. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin Den Haag door bombar­ dementen en de aanleg van de Atlantikwall grote schade opliep, kwam Dudok met een grondige revisie van zijn plan – als onderdeel van het structuurplan voor Den Haag. Dit structuurplan vormde de ruimtelijke onderlegger voor de wederopbouw van de verwoeste stadsdelen en voor de nieuwe uitbreidingswijken. Voor het eerst werd verder gekeken dan de formele stadsgren­ zen. Daarmee kwam Dudok tegemoet aan de kritiek die al in de jaren twintig en dertig was geuit op de stadsuitbreidingen uit de tijd van Berlage. Men vond dat die plannen te weinig

Berlage

Berlage was tijdens zijn aanstelling als stedenbouwkundige bij de gemeente onder andere verantwoordelijk voor het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1908, dat hij tussen 1928 en 1934 verder uitwerkte. Onderdeel hiervan was een ontwerp voor het gebied waar later Mariahoeve is gebouwd. Berlage voorzag hier een compacte wijk voor arbeiders en middenstanders, met gesloten bouwblokken in een complex stelsel van diagonalen, pleinen en plantsoenen. De spoorlijn van Scheveningen naar Rotterdam-Hofplein was mede bepalend voor deze opzet.

anticipeerden op de ontwikkeling van de stad als geheel en dat de nieuwe wijken onvoldoende aansloten op het bestaande stedelijk weefsel. Dudok baseerde zich voor zijn tweede ontwerp voor Mariahoeve op de uitkomsten van een uitvoerige survey naar bevolkingsont­ wikkeling en economische prognoses. Dit resulteerde in een wijkontwerp van herkenbare buurten – geïnspireerd op de wijkgedachte – met twee wijkcentra en ongeveer vijfduizend woningen, waarvan driehonderd voor de welgestelden. De gesloten bouwblokken uit zijn eerste plan maakten plaats voor halfopen bouwblokken en de wijk werd beter verbonden met de bestaande stad. In het herziene plan is veel ruimte voor straten en pleinen. Dat laatste kwam Dudok op kritiek van de provincie en de gemeente te staan – die pleitten voor een hogere dichtheid en meer woningen voor welgestelden.

9 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Net als in het plan van Berlage deelde de spoorlijn de wijk diagonaal in tweeën. Dit bleef een complicerende factor tot de NS het Haagse deel van de spoorlijn in 1953 ophief. Hiermee ontstond een nieuwe situatie en dat vroeg wederom om een nieuw plan. Hoewel de plannen van Berlage en Dudok niet zijn gerealiseerd, is hun werk wel van invloed geweest op het type wijk dat Mariahoeve zou worden. Plan van Van der Sluijs

Het vertrek van Dudok in 1951, vanwege onenigheid over andere uitbreidingsplannen die hij had gemaakt, was voor de gemeente een extra aanleiding om voor Mariahoeve een nieuw plan te laten maken. Mariahoeve moest in geen geval gaan lijken op de enigszins monotone en rechtlijnige arbeiderswijken die Dudok in Zuidwest had ontworpen. Mariahoeve moest volgens het concept van de ‘ongedeelde stad’ – waar verschillende bevolkingsklassen samenleven in één wijk – een gemengde en gevarieerde wijk worden. De gemeente schreef een interne prijsvraag uit en koos het plan van F. Van der Sluijs als winnend ontwerp. Van der Sluijs, hoofdontwerper bij de Dienst voor de Wederopbouw en de Stadsontwikkeling, ontwierp Mariahoeve als ‘parkstad’, de Zweedse variant van het tuinstadconcept. Van der Sluijs had een vrije ontwerphouding en hechtte niet aan een cijfermatige en economische benadering van een uitbreidingswijk. Hij zocht het experiment en introduceerde nieuwe verkavelingsvormen en woningtypen. Van der Sluijs was ook pragmatisch. Hoewel zijn plan een zeker ambitieniveau had, was het in geen geval een eindplan dat precies zo moest worden uitgevoerd. Het diende ter inspiratie, voor corporaties en particuliere bouwers. Tijdens de realisatie

Het tweede ontwerp uit 1948 voor het uitbreidingsplan Mariahoeve door Dudok. Bron: Gemeente Archief Den Haag.

zijn dan ook veel details anders uitgevoerd. In plaats van bijvoorbeeld de geplande stervormige flats zijn gelede etageflats en flats in haak- en waaiervorm gebouwd. In 1956 werd het plan goedgekeurd door de gemeenteraad en in 1958 door de Rijksoverheid.

10 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Introductie stedenbouwkundige opzet

Mariahoeve heeft een rechthoekige hoofdstructuur. Een stelsel van hoofd- en secundaire wegen verdeelt de wijk in zes buurten: De Kampen noord [1], De Kampen zuid [2], De Horsten [3], De Burgen [4], De Landen noord [5] en De Landen zuid [6]. Deze stedenbouwkundige ensembles worden steeds bepaald door terugkerende elementen: een groene kern met buurtvoor­ zieningen, zoals winkels, speelplaatsen en scholen, omringd door diverse typen woongebouwen. De bebouwing is altijd gesitueerd aan een buurtstraat, een voetpad of een gemeen­ schappelijk binnenterrein. Bij de grotere buurten De Horsten en De Burgen is het ensem­ ble minder herkenbaar. Hier wordt het centrale groen gevormd door het wijkpark [De Horst] met daaromheen een aantal voorzieningen en in De Burgen door sportvelden. Aan het Kleine Loo, één van de hoofdontsluitingswegen die de deze twee buurten doorsnijdt, ligt winkelcentrum Mariahoeve. Hier tegenover is op een opvallende plek een kerk gesitueerd.

Het wegenstelsel deelt de wijk op in zes kwadranten.

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Infrastructuur

Van der Sluijs had oorspronkelijk een eenvoudige verkeers­ structuur voor ogen. Van de vier parallelle wegen zijn de Bezuidenhoutseweg en Het Kleine Loo tegenwoordig de belangrijkste verkeersassen die de wijk met het centrum van de stad verbinden. De Bezuidenhoutseweg loopt vooral vóór de wijk langs. Het is een parkway met een breed profiel en ruime groenstroken met water tussen de bebouwing en de weg. De langgerekte en geknikte flats passen qua maat en schaal bij het royale profiel. Het brede profiel van Het Kleine Loo, met in het midden een dubbel tramspoor, aan weerszijden forse wandbe­ bouwing [variërend in hoogte en positionering] en de dubbele laanbeplanting, onderstreept het belang van deze weg. De twee wegen die haaks op deze wegen staan, de Hofzichtlaan en de Reigersbergenweg, zouden in eerste instantie een regionale functie vervullen. De Hofzichtlaan was een belang­ rijke verbinding tussen Voorburg en Marlot en de Reigersbergenweg zou deel gaan uitmaken van een provinciale weg tussen Zoetermeer en Scheveningen. De provinciale weg is er nooit gekomen, maar het ruim opgezette, groene profiel van de Reigersbergenweg herinnert nog wel aan die ambitie. Naar Zweeds voorbeeld zijn de woonbuurten van Mariahoeve zoveel mogelijk autoluw gemaakt.

Door het scheiden van doorgaand en bestemmingsverkeer was de wijk een vroeg voorbeeld van de hiërarchische verkeersscheiding die in de jaren zestig veelvuldig is toegepast. Het stelsel van brede doorgaande wegen biedt ruimte aan de auto; de lusvormige buurtontsluitingswegen zoals Catharinaland, hebben een smal profiel. Parkeerplaatsen liggen langs de weg en rondom de flatgebouwen, maar er zijn ook opvallend veel garageboxen in de verschillende buurten.

11 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

12 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

13 —

Het groene profiel van Vlaskamp draagt bij aan de groene beleving van de wijk. De bomen aan beide zijden van de straat passen bij de maat en schaal van de bebouwing. De groenstrook aan de rechter zijde loopt door tot aan de gevel van de getrapte flat. Bron: Nadine van den Berg.

15 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Groenstructuur

Het groen is de onderlegger voor de gehele wijk. Mariahoeve wordt omsloten door grote groenzones [de sportvelden aan de westkant, de Schenkzone aan de zuidkant en de groen­ strook langs de N14 in het oosten] en kleinere groengebie­ den [de groenstroken en laanbeplanting langs de Bezuidenhoutseweg], die de ligging van de wijk op de grens van landgoederen en polder benadrukken. Binnen de wijk bestaat het grootschalige groen uit het centrale wijkpark, de sportvelden, de buurtparken en de groene singels en waterlopen. De gedifferentieerde beplan­ ting met bloeiende struiken en diverse boomsoorten draagt bij aan de seizoensbeleving. Dit grootschalige, publieke groen vertakt zich via een gelaagde groenopbouw tot aan de gevels van de woonge­ bouwen. De openbare plantsoenen gaan over in kleinscha­ lige, semi-openbare binnenhoven – een ‘tussenschaal’ die de overgang van publiek naar privé verzacht. Bij de eenge­ zinswoningen liggen privétuinen. De groene assen versterken de stedenbouwkundige structuur en dragen bij aan de groene beleving van de wijk. Langs de wegen liggen brede bermen en borders die via straten en voetpaden doorlopen tot in de buurtjes. De continue groenstructuur is wezenlijk voor het parkachtige karakter van Mariahoeve.

• Het groen rondom Mariahoeve loopt via groene lanen, singels en groenstroken verder de wijk in. • Iedere buurt heeft een royaal buurtpark.

16 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Groen op buurtniveau – in dit geval De Kampennoord. Het groen loopt tussen de bebouwing door. In het midden van het openbare buurtpark staan de drie woontorens. Ook de randbebouwing staat in [semi] openbaar groen, met uitzondering van de eengezinswoningen met privétuinen.

Openbaar en collectief [de hoven] groen overheerst in Mariahoeve. Iedere buurt heeft een eigen openbaar buurtpark.

17 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

• Openbare plantsoenen gaan over in kleinschaliger, semi-openbare binnenhoven. • De gedifferentieerde beplanting met bloeiende struiken en diverse boomsoorten draagt bij aan de seizoensbeleving, zoals linksonder in één van de hoven tussen de Jadehorst en de Barnsteenhorst. • De [deels reeds gesloopte] hoven tussen de geschakelde étagewoningen langs de Schenkstrook [Margarethaland en Finnenburg] zijn soberder ingericht [foto rechtsonder].

Groen langs gevel. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Sergé Technau.

Hof Barnsteenhorst. Foto: Nadine van den Berg.

Hof Schenkstrook. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Sergé Technau.

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Verkaveling en bebouwing

In Mariahoeve zijn bijna zevenduizend woningen gebouwd, bedoeld voor mensen uit alle lagen van de samenleving en voor alle leeftijden, zodat men ‘van de wieg tot het graf’ in de wijk kon blijven wonen. Wel kreeg Mariahoeve een relatief groot aantal woningen voor middenstanders en welgestelden. In elke buurt is laag-, midden- en hoogbouw op verschillende manieren gegroepeerd en vormgegeven. Er is gewerkt met een beperkt aantal basishoogten: twee, vier, acht of twaalf woonlagen. De maatvoering van de bebouwingsclusters is net als hun omvang een terugkerend gegeven. Vijf van de zes buurten hebben een groene kern en beschikken oorspronkelijk over een aantal buurtvoorzieningen, zoals winkels, speelplaatsen en scholen. In de groene kernen staan drie woontorens van twaalf lagen. Met de omringende ‘zigzagverkavelingen’ – waar de bebouwing een maximale hoogte van vier woonlagen heeft – vormen de torens een stedenbouwkundig ensemble. In De Burgen komt de compositie van woontorens in het groen ook voor, maar is de begrenzing van het ensemble minder duidelijk.

• • • •

Mariahoeve heeft een gelaagde hoogteopbouw: De bebouwingsranden rondom de buurten variëren: twee, vier of acht bouwlagen. In de centra van de buurten liggen hogere gebouwen van twaalf bouwlagen. Aan Het Kleine Loo en bij de kruising van deze weg met de Horstenroute is afgeweken van de hoogtematen. Een aantal entrees van de wijk is met hoogbouw gemarkeerd. Verschillende verkavelingsmotieven worden – met kleine variaties – in de wijk herhaald.

18 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

19 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

De meeste verkavelingsmotieven komen vaker voor. • In de groene zone langs de N14 liggen dwars geplaatste galerijflats, waarmee door de verschillende bouwhoogtes een ritmische compositie is gecreëerd. Ook in de noordoost­ hoek langs de Bezuidenhoutseweg staan galerijflats. • Langs de Bezuidenhoutseweg zijn lange, geknikte woonblok­ ken geplaatst, waarachter stroken van portiekflats liggen – die een semicollectieve buitenruimte omsluiten. • De Schenkstrook is oorspronkelijk ontworpen als één ensemble met een repeterende stempelverkaveling. De stempel bestaat uit drie blokken van portieketageflats van drie of vier woonlagen, die in een Z-vorm geschakeld zijn. Deze Z-stempels zijn in elkaar geschoven en vormen semi-openbare binnenhoven. • De wijk bestaat voor overwegend uit gestapelde bouw. Laagbouw is beperkt aanwezig en bevindt zich voornamelijk langs de zuidwestelijke randen van de buurten. In de noord­ oosthoek ligt een klein buurtje met vrijstaande, twee-ondereen-kap en splitlevel-drive-inwoningen. Door de repetitie van maten, bouwhoogten en verkavelingspa­ tronen is niet alleen een herkenbare ritmiek ontstaan, maar ook een bijzonder evenwicht tussen eenheid en verscheidenheid. Die samenhang wordt versterkt door de eenheid in architec­ tuur.

Dit komt vooral tot uiting in het sobere kleurgebruik en de toepassing van baksteen en beton, maar door het hoge ambitieniveau, de betrokkenheid van particuliere beleggers met ruimere budgetten en de supervisie vanuit de gemeente is de architectonische kwaliteit van Mariahoeve veel hoger dan in andere naoorlogse wijken.Bijzondere aandacht is besteed aan de vormgeving van de entreepartijen, trappenhuizen, balkons en uitkragende vensters.

20 —

21 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Uitbreidingen en aanpassingen Over het algemeen is het stedenbouwkundig concept van Van der Sluijs intact gebleven – wat betreft hoofdstructuur, bebouwing en binnenhoven. Voorzieningen

De oorspronkelijke voorzieningenstructuur van Mariahoeve – met wijkcentrum en zes autonome buurtcentra – functioneert niet meer. Veel buurtwinkels zijn inmiddels niet meer in gebruik door de groei van het wijkcentrum. Het Kleine Loo is inmiddels door de forse uitbreiding van het winkelcentrum een barrière tussen wijkpark De Horst en De Burgen. Nieuwbouw en groen

Veel van de nieuwbouw is ten koste gegaan van de open groene ruimtes, zoals de nieuwbouwschool in De Kampen noord en in wijkpark De Horst. De uitbreiding van het winkelcentrum en de voorzieningen in De Horsten hebben afbreuk gedaan aan de kwaliteit en de belevingswaarde van het park. De later toegevoegde bevoorradingsplekken en de parkeerplaatsen achter de grote flats hebben geleid tot blinde muren aan de openbare ruimte. De nieuwbouw had een meer diverse bewonerssamenstelling in de wijk tot doel. Hiervoor zijn sociale huurwoningen gesloopt en vervangen door koopwoningen. Voor een recent nieuw­ bouwproject tussen Isabellaland, Elviraland en Catharinaland zijn de groenstrook bij het College St. Paul en de voormalige sportvelden opgeofferd. Hier worden appartementen,

bungalows, vrijstaande huizen en rijtjeswoningen gerealiseerd, bedoeld voor alle inkomensgroepen. Waar in de oorspronke­ lijke opzet de meeste woningen in of aan openbaar of collectief groen staan, grenzen de nieuwe woningen met hun voortuinen aan een woonstraat. Collectief groen ontbreekt. Binnen de nieuwe bouwblokken varieert de architectuur, terwijl de oorspronkelijke bouwblokken een grote mate van eenheid kennen. Aan de Schenkstrook is een groot deel van de nieuw­ bouw geplaatst in het patroon van de oorspronkelijke verkaveling. Het groen in de wijk is in de loop der jaren enigszins verschraald door de keuze voor minder intensief onderhoud. Hiermee is het aantal plantvakken en de soortendiversiteit afgenomen. Ook de toename van muren of schuttingen heeft op verschillende plekken gezorgd voor een andere beleving.

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Nieuwbouw die niet overeen komt met de uitgangspunten van het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan.

22 —

23 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Bijzondere karakteristieken Scandinavische invloed

Na de Tweede Wereldoorlog was er wereldwijd belangstelling voor de moderne architectuur van landen die relatief weinig last hadden gehad van het oorlogsgeweld – zoals Zwitserland, Brazilië en Zweden. Hier was de ontwikkeling van de sociale woningbouw en nieuwe bouwtechnieken doorgegaan. Scandinavië werd het grote voorbeeld voor de woningbouw. De opzet van Mariahoeve is hier sterk door bepaald. De wijk vertoont gelijkenissen met de verkaveling van de wijk Kortedala in Götenburg, in 1951 ontworpen door Brolids en Wallinders. De stervormige flats in het oorspronkelijke plan van Van der Sluijs waren een rechtstreekse kopie van de verkaveling van een buitenwijk in Stockholm. Verschillende kenmerken van de Scandinavische stedenbouw zijn wezenlijk gebleken voor het karakter van Mariahoeve. - De geleding tussen stad, wijk en buurt. - De duidelijke randen en kernen op wijk- en buurtniveau. - De differentiatie en menging van woonvormen op buurtniveau. - De toepassing van hoogbouw om op maaiveld zoveel mogelijk groene ruimtes te creëren. - Een vrije en zeer gevarieerde compositie van bouwblokken in het groen. - De hoge kwaliteit van afwerking van de woningbouw. - De harmonie tussen architectuur en landschap. - De scheiding van bestemmings- en doorgaand verkeer.

Bij de presentatie van het plan voor Mariahoeve werd die Scandinavische invloed bewust naar voren gebracht – het stond symbool voor exclusiviteit, groen en collectieve waarden. Deze verwijzing gaf Mariahoeve de gewenste uitstraling: een mix van middenstands- en sociale huurwoningen met stijl, luxe en kwaliteit. Daarmee was de wijk uniek in Den Haag en vooral anders dan de wijk Zuidwest.

Wijkranden.

24 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Gearticuleerde randen

De begrenzing van Mariahoeve bestaat uit gearticuleerde randen: een markante positionering van de bebouwing en een daarop afgestemde groene ruimte met coulissewerking. Deze heldere afbakening met randen en kernen komt op wijk- en buurtniveau voor. In het oosten markeren hoge schijfvormige flats de wijkrand. Ze staan haaks op de wijkgrens, zijn ritmisch gegroepeerd in het groen, variëren in bouwhoogte en bieden zicht op het polderlandschap. De langgerekte flatgebouwen langs de Bezuidenhoutseweg vormen een unieke wandbebouwing langs de wijkgrens in het noorden. De oorspronkelijke portieketagewoningen in hofvorm langs de Schenk en de lage eengezinswoningen langs de sportvelden in het zuiden vormen eveneens een gearticuleerde wijkrand. Deze laatste zijn door hun hoogte en door de wijzigingen die inmiddels hebben plaatsgevon­ den, minder evident.

Noordelijke bebouwingsrand langs Isabellaland.

De ritmisch geplaatste schijfflats vormen niet alleen de begrenzing van de wijk, maar leggen ook de verbinding met het polderlandschap bloot.

De flatgebouwen langs Isabellaland tegen de N14. Foto: Nadine van den Berg.

26 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Door de verspringende positie van de gebouwen ten opzichte van elkaar zijn diagonale doorzichten de wijk in gecreëerd.

Langgerekte ‘knikflats’ vormen een groot gebaar langs de brede Bezuidenhoutseweg.

27 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

De randbebouwing van de buurten bestaat uit gekromde wanden of wanden met zaagtandmotief. Geschakelde of langgerekte portiekflats ‘omarmen’ groenstroken of torens. Samen met het middenterrein vormen ze bebouwingsensembles. De randbebouwing keert zich van de hoofdwegen af en zorgt in vier van de zes buurten voor een naar binnen gekeerd karakter. Dit wordt versterkt doordat de meeste buurten door maar één weg worden ontsloten.

Gearticuleerde randen van de buurten.

Gekromde wanden en geschakelde of langgerekte portiekflats ‘omarmen’ een reeks stroken of torens. Samen met het middenterrein vormen ze de bebouwingsensembles. Een goed voorbeeld hiervan is Catharinaland.

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

28 —

Wijkverkaveling in vrije compositie

In Den Haag deed Van der Sluijs met zijn ontwerp voor Mariahoeve voor het eerst een poging om stedenbouwkundige vernieuwingen en typologische innovaties te combineren. Hij streefde geen eenduidige opbouw na, maar juist een zo groot mogelijke afwisseling met een mix van gebouw- en verkavelingstypen. De bebouwing hoefde niet langer met de entree aan de straat te liggen en dat bood nieuwe mogelijkheden. Oriëntatie op de zon werd een belangrijk uitgangspunt. De vrije verkaveling in het groen was nieuw voor die tijd.

• Doorlopend groen tot aan de gevel. • Vrije positionering van bouwblokken in het groen in Catharinaland. De woontorens staan vrij in de ruimte en worden ontsloten door woonpaden en opritten. De omliggende bebouwing ligt aan de buurtstraat, een woonpad of een gemeenschappelijk binnenterrein.

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Kernkwaliteitenkaart

29 —

30 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

Begrippenlijst Bouwkunde

montagebouw - bouwen met geprefabriceerde onderdelen, zoals

Woning typologieën: Drive-in-woning

kozijnen, kastwanden, maar ook complete puien en badka­ mers. Later werden ook fabrieken op de bouwplaatsen zelf gebouwd voor met name grote elementenbouw, zoals wanden en vloeren.

Bij een drive-in-woning bevindt zich op de begane grond of op -1 een afgesloten garage. Het woongedeelte is op de eerste verdieping gelegen. Duplexwoningen

Duplexwoningen zijn eengezinshuizen die gesplitst zijn in twee woonlagen om ruimte te bieden voor twee gezinnen. Deze woningen werden na de oorlog gebouwd met de bedoeling om er na de woningnood weer één ruime woning van te maken. De woningnood hield langer aan en bovendien bleek het ombouwen duurder dan gedacht, waardoor dit weinig of pas veel later is gedaan.

gietbouw - (dragende) wanden en vloeren worden op de plek zelf gegoten in tijdelijke of blijvende bekisting. Ook nu nog is systeembouw meestal een combinatie van gietbouw en montagebouw. skeletbouw - opbouw van geprefabriceerde kolommen en liggers.

Deze worden aan de buitenzijde bekleed.

Stromingen Bossche School

Maisonnettes

Maisonnettes zijn woningen in een groter gebouw, zoals een flat of appartementencomplex, met meerdere verdiepingen per woning. Ook dit was in die tijd in de Nederlandse woningbouw een nieuw type. Woonensemble

(vaste) Compositie van verschillende losstaande wooneenheden Systeembouw

De term systeembouw heeft betrekking op meerdere vormen van industrieel bouwen: stapelbouw - het stapelen van muren met (steeds grotere) lichte betonnen elementen. Deze worden meestal bekleed met baksteen.

Begin jaren vijftig kwam de benaming ‘Bossche School’ voor het eerst in zwang. Het betrof een postacademische architec­ tuuropleiding in Den Bosch, die haar oorsprong vond in de naoorlogse opgave van de kerkenbouw. Bij deze vroeg naoorlogse architectuurstroming, waarvan Dom Hans van der Laan, samen met zijn broer Nico de grondlegger was, draaide alles om verhoudingen. De ontwerpen zijn gebaseerd op het ‘Plastisch Getal’, de derde macht van de gulden snede. De verschillende onderdelen van een gebouw werden via een stelsel van verhoudingen op elkaar afgestemd. In hun zoek­ tocht naar deze essentie van de architectuur bestudeerden de cursisten historische religieuze bouwwerken. De stijlkenmerken daarvan klonken nog jaren door in het werk van Bossche Schoolarchitecten. De architectuurstroming kenmerkt zich door soberheid en de afwezigheid van versieringen en het gebruik van in Nederland beschikbare, traditionele, materialen, zoals baksteen, beton, hout en keramische dakpannen. Alhoewel ornamenten

nauwelijks worden toegepast, is de detaillering van raampar­ tijen, daklijsten en erkers geraffineerd. Gevellijsten, timpanen en [doorlopende] lateien, afkomstig uit de klassieke bouw­ kunst, behoren tot de karakteristieke vormentaal van de vroege Bossche School. Met het ambachtelijk metselwerk en de tamelijk traditionele en klassieke vormentaal vloeien de Bossche en Delftse School in veel naoorlogse ontwerpen naadloos in elkaar over. Delftse School

De Delftse School is een traditionalistische architectuurbewe­ ging die in de eerste helft van de twintigste eeuw ontstond en voortduurde tot halverwege de jaren vijftig. De Delftse School werd geïnspireerd en aangevoerd door Marinus Jan Granpré Molière, architect en docent aan de Technische Hogeschool van Delft. Hij had een levensbeschouwelijke visie op het bouwen waarin ‘eeuwige waarden’ centraal stonden: gericht op een herleving van historische betekenissen, vormen en materialen. De architectuurstroming legt de nadruk op een ambachtelijke vormentaal, met het accent op bakstenen gevels en zadeldaken met keramische pannendaken. De Delftse School wordt dikwijls beschouwd als de conserva­ tieve tegenhanger van de modernistische architectuur van het Nieuwe Bouwen en de ornamentele bouwkunst van de Amsterdamse School, twee dominante richtingen in de Nederlandse architectuur tijdens het interbellum. Granpré Molière beschouwde het Nieuwe Bouwen als ‘onbesuisd,’ terwijl hij de Amsterdamse School te ‘wulps’ vond. Bouwkunst moest volgens hem ‘nederig en zelf vergetend’ zijn. Modernisme / Het Nieuwe Bouwen / Functionalisme

Onder modernisme wordt de fundamenteel nieuwe architec­ tuurstroming die begin 20e eeuw ontstond verstaan, in Nederland bekend onder de naam het Nieuwe Bouwen [of Nieuwe Zakelijkheid en Functionalisme]. De ‘modernen’ bepleitten een

31 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

rationele architectuur met een vormentaal die ‘berust op het begrip van constructie’. De architectuur van het Nieuwe Bouwen kenmerkte zich door rechte lijnen, geometrische en abstracte vormen, lichte constructies van staal en beton, grote ramen, een vrije gevelindeling en een open plattegrond. De binnen- en buitenruimtes werden met elkaar verbonden, waardoor licht, lucht en ruimte werd gecreëerd. De gevels werden vaak wit gepleisterd. In de stedenbouw richt het modernisme zich meer op de wetenschappelijke onderbouwing van de inrichting op basis van onderzoek naar de verhouding van de verschillende functies en de samenstelling van de bewonersgroepen. Het programma voor de wijk is richtingge­ vend voor de ordening en het ontwerp. Dit betekent ook een grotere zelfstandigheid van het ontwerp ten opzichte van de bestaande stad. Het Nieuwe Bouwen was in grote mate een sociaal geënga­ geerde beweging geïnspireerd door het socialisme. Net als in Duitsland, hadden De 8 [Amsterdam] en De Opbouw [Rotterdam] grote interesse in het vraagstuk van de sociale woningbouw: wat is de beste manier om de lage klasse onder goede omstandigheden te huisvesten? In deze periode kwam ook de planologie de voornamelijk op onderzoek gerichte stedenbouwkunde binnen.

Traditioneel was de stedenbouwkunde gericht op vorm, vanaf het modernisme werd functie en de ordening van de functies binnen een wijk een factor binnen de stedenbouw. CIAM - Congrès Internationaux d’Architecture Moderne,

opgericht in 1928 als overlegorgaan voor modernistische architecten met een serie spraakmakende internationale conferenties over moderne architectuur en stedenbouw. Het diende als instrument om een nieuwe manier van wonen en bouwen te stimuleren. De Amsterdamse De 8 en de Rotterdamse Opbouw vormden samen de Nederlandse CIAM-groep. In 1960 was de laatste CIAM bijeenkomst.

Traditionalisme

Het begrip traditionalisme verwijst naar het doelbewust teruggrijpen op tradities bij het bouwen wat betreft vorm, maar ook wat betreft constructie en functie. In Nederland ging de baksteenarchitectuur van de jaren twintig in de vorm van het traditionalisme na 1945 door, naast het opkomende modernisme. De baksteenbouw was nu niet langer modern expressionistisch, maar juist behoudend en gebaseerd op de nationale bouwtraditie van sobere baksteengevels met een vlakke en symmetrische opzet. Het traditionalisme kijkt eerder naar regionale dan naar nationale of internationale stijlen en gaat uit van architectuur die het vlak benadrukt. Kenmerkend voor het naoorlogse traditionalisme zijn de toepassing van vertrouwde gebouwtypologieën, archetypische bouwvormen, bemiddelende overgangsmotieven, introverte beslotenheid, ambachtelijke bouwtechnieken, hiërarchische gevelcomposities waarin de achterliggende functies afleesbaar zijn, hellende daken, markante schoorstenen en de voorliefde voor de materialen baksteen, hout, smeedijzer en natuursteen. In de stedenbouw komt het traditionalisme tot uiting in het begrip harmonie en de esthetische ontwerpprincipes van morfologische en visuele samenhang en afwisseling van beslotenheid en openheid. De nadruk ligt meer op het stratenplan dan in het vormgeven van de ruimte op een groter schaalniveau.

Ook richt het ontwerp zich op continuïteit en op harmonie met de bestaande context.

Stedenbouwkunde Bouwblok

Een bouwperceel dat de volledige ruimte inneemt tussen vier straten. Core

In 1951 werd op de achtste editie van het CIAM-congres het functionalistische ideeëngoed uit de vooroorlogse periode van CIAM ’gehumaniseerd’. De menselijke maat werd uitgangspunt. Vanaf dat moment sprak men van ‘de core’, wat staat voor de materiële uitdrukking van het gemeenschapsgevoel. Het stond voor ontmoeting en wederzijdse betrekking. Dit kon ruim worden opgevat, van plein en winkelcentrum tot park. Cul-de-sac-ontsluiting

Doodlopende weg, alleen bedoeld voor bestemmingsverkeer om woongebieden verkeersluw te houden. Hiërarchie Groensysteem

Parkstrook Groenstrook

Tuin Woning Stoep

Hof

Speelplek Woonstraat

Plas

Vaart

Singel Openbaar Villastrook gebouw

Landschap natuur

Park

Sportpark Sportveldje Schoolwerktuin

Volkstuin

Begraafplaats

Functies

Buurtstraat

Infrastructuur

Wijkweg

Stadslaan

Autoweg

Bron: Y. Feddes [2011], De groene kracht Hofvorm

Verkaveling waarbij verschillende, los van elkaar staande, wooneenheden op zo’n manier zijn gegroepeerd dat ze een hof formeren: een al dan niet openbare, centrale ruimte, meestal

32 —

Wederopbouwgebieden: Mariahoeve

met groene invulling soms ook liep een weg door de hof of waren er parkeerplaatsen gerealiseerd in de centrale ruimte. Een in Amsterdam ontwikkeld naoorlogs verkavelingstype met een minder statische compositie dan voorheen en een gunstig aantal woningen per hectare. Molenwiekverkaveling

Compositie waarbij de voorkant en de kopse kant van een flat of strook elkaar afwisselen aan de straatkant. Het is een speelsere compositie dan een hofverkaveling en is daar vaak een verschuiving van. Stempelbouw

Stempelbouw (ook wel stempelverkaveling) is een verkave­ lingsprincipe dat in Nederland veel is toegepast in de wederop­ bouwperiode. Bij stempelbouw bestaat een wijk uit een zich herhalend patroon van (kleine) woonensembles. Deze groepe­ ring wordt ook wel de stempel genoemd. Deze stempels zijn grotendeels identiek en hebben ook dezelfde oriëntatie, maar zijn vaak verschoven ten opzichte van elkaar of gespiegeld. De herhaalbare eenheid kreeg de scheldnaam ‘stempel’ opgeplakt toen deze evolueerde naar een gestandaardiseerde variant. Strokenbouw

Strokenbouw is een stedenbouwkundig verkavelingsprincipe, waarbij de bebouwing in parallelle, vrijstaande rijen is geor­ dend, zoveel mogelijk georiënteerd op de zon. De woningen zijn vaak niet gekoppeld aan straten, maar staan hier ‘los’ van. Vaak wordt de bebouwing ontsloten door woonpaden aan de noordkant.

Tuinstadmodel

Concept geïntroduceerd in 1898 door sociaal hervormer Ebenezer Howard dat op verschillende plekken navolging kreeg. Het tuinstadmodel beloofde in zowel sociaal als ruimtelijk opzicht een oplossing te bieden voor de industriële samenleving. Het is als het ware de voorloper van de wijkge­ dachte. Nieuwe steden ontstonden op het platteland in de buurt van industrie en werden van fabrieken gescheiden door een groenzone, bedoeld voor recreatie en ontspanning. De stad werd niet langer gezien als een gesloten geheel, maar als plek waar groen vanuit het omringende landschap tot diep in de stad doordrong. Het landschap lag niet langer aan de rand van de stad, maar kwam in de stad zelf te liggen om daar lucht en ontspanning te bieden aan bewoners. Wijkgedachte/Parochiewijk

De naoorlogse stedenbouw uit de wederopbouwperiode is sterk gebaseerd op de wijkgedachte en werd als denkbeeld voor het eerst bekend door het boek De stad der toekomst, de toekomst der stad (1946). De begrip kan gedefinieerd worden als: het stichten van een complete, stedelijke gemeenschap van beperktere omvang, in een ruimtelijk vormgegeven geheel van stedelijke functies. De ruimtelijke en sociale oorsprong ligt in de Angelsaksische begrippen neighbourhood unit en de garden city. Zowel de ruimtelijke als de sociologische kant kende een hiërarchische structuur: woning – buurt – wijk – stadsdeel - stad, met het gezin als hoeksteen van de samenleving. In Nederland is de wijkgedachte sterk verbonden met het fenomeen ‘de maakbaarheid van de samenleving’ en de begrippen licht, lucht en ruimte. De grootte van de wijk was gebaseerd op het aantal inwoners en de hoeveelheid woningen en voorzieningen, zoals winkels, scholen, kerken, medische faciliteiten en sport en recreatievoorzieningen, daarvoor nodig waren. In plaats van vooroorlogse gesloten bouwblokken,

gelegen aan -soms benauwde- straten, waren de woningen en de overige gebouwen meestal gegroepeerd in open bebouwing en gelegen in ruim bemeten groen. De parochiewijk (echelon paroissial) is een sociaal-ruimtelijk stedenbouwkundig model dat in naoorlogs katholiek zuidelijk Nederland voorop stond. Hierbij kreeg de kerk een promi­ nente positie midden in de wijk toebedeeld, als belangrijkste baken. De wijkgrootte was afgestemd op de gemiddelde omvang van een parochie. In de parochiewijk stond het wonen en het gezinsleven centraal. Het idee was om in de snel veranderende wereld het overzicht te blijven houden en geborgenheid te creëren. Wooneenheid

In Ommoord staat de wooneenheid gelijk aan een flatgebouw. De term ‘wooneenheid’ is gebaseerd op het ordeningsprincipe dat de Franse stedenbouwers aanduiden met de term ‘echelon domestique’ (50 tot 150 gezinnen). De bouwsteen van een woonwijk was een groep huizenrijen of ‘wooneenheden’. Alle rijen in deze wooneenheid hadden een gelijke oriëntering, gericht op ideale bezonning. Verder werd gesteld dat deze rijen konden worden ingevuld met eengezinswoningen, etagewo­ ningen of een combinatie van beide. Bron: Architectenweb.nl | Blom, A., B. Jansen, M. van der Heide [2004], De typologie van de vroeg-naoorlogse woonwijken | RCE [2004], Monumenten van de prille welvaartsstaat | Haan, H. de, I. Haagsma [1996], Plastisch lexicon: een beknopte encyclopedie van de ‘Bossche School’

Geraadpleegde literatuur

Colofon

Blom, A. [2013], Atlas van de wederopbouw Nederland 1940-1965 - ontwerpen aan stad en land. Blom, A., B. Jansen, M. van der Heide [2004], De typologie van de vroeg-naoorlogse woonwijken. Ende, T.W. van [2008], Onderzoeksrapport naoorlogse wijken – Ontwerpend onderzoek naar de naoorlogse wijk Mariahoeve Den Haag; Afstudeerrapport Faculteit Bouwkunde, TU Delft. Steenhuis stedenbouw/landschap | Urban Fabric [2005], Mariahoeve – Cultuurhistorisch en ruimtelijk onderzoek. Valentijn, D. [2002], De Wederopbouw – Haagse gids voor architectuur en stedenbouw in de periode 1945 – 1965; VOM-reeks Gemeente Den Haag [2010], Finnenburg Margarethaland Mariahoeve – Stedenbouwkundig Kader. KCAP Architecten & Planners [2011], Toekomstvisie Mariahoeve Den Haag, gebiedsontwikkeling het Kleine Loo – Stedenbouwkundig raamwerk Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [2016], Publieksbrochure Mariahoeve

Gebiedsdocument Mariahoeve Productie: De PlaatsMakers Samenstelling en tekst: Marlijn van der Hoeven | Kaartmateriaal: Tim van Oosterbos Tekeningen en schetsen: Marije Weijers Redactie: Nadine van den Berg Eindredactie: Sanne van den Breemer. Coverfoto: Nadine van den Berg Ontwerp: Tegenwind grafisch ontwerp Begeleidingscommissie: Anita Blom, Wijnand Galema, Jacqueline Rosbergen, Doris Schmutzhart, Kya Verhagen Voor dit document is geput uit bestaand[e] onderzoek en rapportages. De kaarten in dit document zijn gebaseerd op kaarten van MUST uit 2010. Het is daarom mogelijk dat aanpassingen van na 2010 in de kaarten in dit document ontbreken. Bij het tot stand komen van deze publicatie is zoveel mogelijk getracht toestemming te krijgen voor het beeldgebruik van de oorspronkelijke rechthebbenden of hun uitgevers. Indien een rechthebbende denkt aanspraak te kunnen maken op een beeld, dan kunt u contact opnemen met InfoDesk info@cultureelerfgoed.nl ©Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed staat voor de bescherming van het roerende en onroerende erfgoed van nationaal belang. Met specialistische kennis stimuleert de dienst een goede zorg voor archeologie, monumen­ ten, cultuurlandschap, beeldende kunst en kunstnijverheid. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Smallepad 5 | 3811 MG Amersfoort Postbus 1600 | 3800 BP Amersfoort 033 – 421 7 421 | fax 033 – 421 7 799 info@cultureelerfgoed.nl www.cultureelerfgoed.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11264757/1