RIS311483 Bijlage 3
Tekst van het document
Wie zijn de werkende armen in Den Haag? De gemeente Den Haag doet veel om inwoners die zich in een situatie van armoede bevinden, te ondersteunen. Maar niet iedereen die in armoede leeft, maakt hier gebruik van of is in beeld bij de gemeente, bijvoorbeeld doordat zij voor een deel in hun eigen levensonderhoud voorzien. In 2019 is hier door het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) in het Urban Data Center (UDC) Den Haag onderzoek naar gedaan. De gemeente Den Haag heeft het UDC/CBS Den Haag gevraagd om een actualisatie van dit onderzoek met de jaren 2018 en 2019. Ten tijde van het onderzoek was 2020 nog niet beschikbaar In dit stuk staan enkele conclusies van dit onderzoek. De complete onderzoeksresultaten zijn terug te vinden op www.cbs.nl/udc-den-haag.
Wanneer is iemand ‘werkend arm’? In deze rapportage ligt de focus op de groep personen met een huishoudensinkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Deze groep wordt ‘personen met een laag inkomen’ genoemd. Hierbij is telkens gekeken naar het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van het huishouden. Een persoon is vervolgens ‘werkend arm’ wanneer zijn of haar voornaamste inkomensbron in 2019 afkomstig was uit werk als werknemer of zelfstandige of een combinatie van deze twee. Werkende armen zijn in dit document dus: Personen van 18 tot en met 65 jaar die wonen in een huishouden met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en die werk als voornaamste inkomensbron hebben.
Werkende armen in Den Haag In totaal telde Den Haag in 2019 538 duizend inwoners. De doelpopulatie voor dit onderzoek bestaat uit alle inwoners van Den Haag van 18 tot 65 jaar in particuliere huishoudens met het gehele jaar een inkomen. Studentenhuishoudens en personen die in tehuizen of inrichtingen verblijven zijn buiten beschouwing gelaten. In totaal behoren 321 duizend personen tot de doelpopulatie. Als in dit stuk percentages worden genoemd, dan gaat het om percentages binnen de doelpopulatie. Bijna 51 duizend Hagenaars hadden een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum; dat komt neer op 16 procent van alle Hagenaars in de leeftijd van 18 tot 65 jaar. Van alle Hagenaars hadden er 229 duizend personen inkomen uit werk (71 procent). Van de Hagenaars met een laag inkomen hebben 14 300 personen inkomen uit werk (28 procent). Dit is de groep ‘werkende armen’ in 2019. Het percentage werkenden onder de personen met een laag inkomen ligt ruim een factor 2,5 keer zo laag vergeleken met alle Hagenaars.
In 2019 waren er 14 300 werkende armen, 700 meer dan het jaar ervoor en 1 300 minder dan in 2015. Het aantal personen met een laag inkomen is in 2019 niet veranderd in vergelijking met een jaar eerder maar ligt wel ruim 4 000 lager dan in 2015.
Het aantal werkende armen is gedaald in de periode 2015 2019. Het aandeel werkende armen ten opzichte van het totaal aantal werkenden is gedaald van 7,5 procent in 2015 naar 6,2 procent in 2019.
Onderstaande figuur toont de bron van het inkomen van werkende armen. Van de 14 300 werkende armen in 2019 hebben er 8 000 inkomen uit loondienst (werknemer). Dat is 56 procent van het totaal. Van de in totaal 14 300 werkende armen zijn er in totaal 4 100 langdurig werkend arm. Bij langdurige werkende armen zien we verhoudingsgewijs wat meer personen in loondienst terug en wat minder zelfstandigen.
Als we kijken naar de personen met een laag inkomen dan valt de grootste groep in de leeftijdsklasse van 45 tot en met 65 jaar. De meeste personen in de groep van werkende armen zitten in een leeftijdsklasse lager, namelijk in die van 25 tot 45 jaar. Het aandeel personen in de leeftijdsklasse van 18 tot 25 jaar is de laatste jaren stabiel gebleven op 11 procent. In de jaren 2015 – 2019 daalde het aandeel in de leeftijdsklasse van 25 tot 45 juist, van 59 procent naar 56 procent. Het aandeel van de oudste categorie is in die jaren gestegen van 30 procent naar 34 procent.
Werkende armen hebben vaker een Westerse migratieachtergrond in vergelijking met de totale groep personen met een laag inkomen. Deze aandelen zijn in de jaren 2015 tot en met 2019 nauwelijks gewijzigd.
Werkende armen wonen wat vaker samen met een partner met of zonder kinderen. Deze groep bestaat wat minder vaak uit eenouderhuishoudens.
In het onderzoek is ook gekeken welke Haagse zelfstandigen gebruikmaakten van de tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Van alle 38 900 Hagenaars met primair inkomen als zelfstandige, maakte 29 procent gebruik van de Tozo-regeling (in 2020 en deels 2021). Onder de 4 800 zelfstandigen met een laag inkomen is dat percentage een stuk hoger, met 44 procent. Van de personen met een langdurig laag inkomen als zelfstandige maakt de helft gebruik van de Tozo-regeling.
Naast de groep ‘alleen zelfstandigen’ is er ook een groep die zowel zelfstandige is als werknemer zie onderstaande figuur. Het aandeel Tozo-gebruik voor de totale groep ligt iets lager.
Verschillen tussen wijken In de wijken Centrum, Schilderswijk, Bouwlust en Vrederust, Moerwijk en Laakkwartier en Spoorwijk wonen de meeste werkende armen. In de wijk Laakkwartier en Spoorwijk wonen de meeste werkende armen: ruim 11 procent van de in totaal 14 300 werkende armen.
Werkkenmerken Werkende armen die in januari 2019 een baan als werknemer hadden, werkten in die maand meestal minder dan 25 uur per week. 14 procent werkte die maand fulltime en 18 procent werkte die maand niet. Van alle Hagenaars met werk als voornaamste inkomensbron, werkte meer dan de helft in januari fulltime.
Van alle werknemers had 29 procent in januari een baan voor bepaalde tijd, voor werkende armen lag dit percentage in januari 2019 beduidend hoger: 51 procent. Ruim de helft van de werkende armen (werknemers) had een flexibele baan als uitzend- of oproepkracht: 54 procent en 27 procent had vast werk.
In onderstaande figuur staan de Haagse werkenden naar sector: er is gekeken naar alleen werknemers totaal en werknemers die werkende armen zijn en er is onderscheid gemaakt tussen alleen zelfstandigen die zelfstandigen die werkende armen zijn. Van de werkende armen was 27 procent in januari 2019 werkzaam in de handel of horeca, tegenover 15 procent van alle werknemers die in deze sector werken. Verder werkte 23 procent van de werkende armen in de zakelijke dienstverlening (incl. uitzendbureaus) en 11 procent in de gezondheids- en welzijnszorg. Zelfstandigen werken relatief vaker in de landbouw, de industrie en de culturele- en recreatieve sector en dit geldt ook zeker voor de werkende armen uit die categorie.
Overige kenmerken werkende armen In 2019 ontving ruim 23 procent van de werkende armen op enig moment in 2019 (ook) een uitkering. Meestal was dat een bijstands- of WW-uitkering. In 2015 was dit percentage nog 26 procent. Van de werkende armen had 15 procent een partner die ook als voornaamste inkomensbron werk had. In 2019 woonde 18 procent in een koopwoning waarvan de meeste woningen een WOZwaarde had tussen 150 duizend en 250 duizend euro. Ruim een kwart (29 procent) van de werkende armen heeft een auto. Dit is meer dan gemiddeld onder personen in een huishouden tot 130 procent van het sociaal minimum (20 procent). Van de werkende armen hebben 1 800 werknemers een auto en voor de (alleen) zelfstandigen geldt dat het aantal lager ligt: 1 000 zelfstandigen. Echter het percentage autobezit ligt bij de zelfstandigen met 43 procent bijna twee keer zo hoog dan bij werknemers (23 procent).
39 procent van de werkende armen heeft een negatief vermogen (zie begrippenlijst voor de onderdelen die in het vermogen worden meegenomen). Dit percentage ligt wat hoger dan gemiddeld onder personen in een huishouden tot 130 procent van het sociaal minimum (38 procent) en dan gemiddeld in Den Haag (25 procent). Het zijn voornamelijk de werknemers die een negatief vermogen hebben (lees schulden). In 2019 had 5 procent van de werkende armen een of meer kinderen in jeugdzorg. In 2015 was dit nog 9 procent. 7 procent had een achterstand in betaling van de zorgverzekering (dit betreft opgaven van de zorgverzakeraars van hun verzekerden met een premieachterstand van ten minste zes maanden. Het peilmoment betreft 31 december van het betreffende jaar). Dit is gelijk aan het percentage onder personen in een huishouden tot 130 procent van het sociaal minimum en hoger dan gemiddeld in Den Haag (3 procent).
Begrippen Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt. Het gestandaardiseerd inkomen is een maat voor de welvaart van (de leden van) een huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e), premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden, premies ziektekostenverzekeringen, en belastingen op inkomen en vermogen. Sociaaleconomische activiteit De voornaamste sociaaleconomische activiteit (SEC) van een persoon is vastgesteld op basis van inkomensbronnen en het volgen van onderwijs.
Bij het bepalen van de sociaaleconomische categorie wordt groter gewicht toegekend aan inkomen uit eigen onderneming , omdat het resultaat uit onderneming laag of zelfs negatief kan zijn, ofschoon de persoon hiervoor vele uren per week actief is. Ook aan inschrijving in voltijdonderwijs is bij de vaststelling van de sociaaleconomische categorie prioriteit toegekend. Personen zijn in deze gevallen alleen getypeerd als zelfstandig ondernemer respectievelijk scholier/student, indien geen substantiële inkomsten uit andere bronnen bij de persoon aanwezig waren. Vermogen Het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen bestaan uit financiële bezittingen (banktegoeden en effecten), onroerend goed en ondernemingsvermogen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet. Enkele zaken zijn bij de berekening van het vermogen niet meegeteld door gebrek aan gegevens. Zo kan het tegoed dat is opgebouwd bij spaar- en levenhypotheken, niet aan de bezittingen toegevoegd worden. Ontbrekende vormen van bezit zijn verder contant geld, duurzame consumptiegoederen (met uitzondering van de eigen woning), juwelen en antiek. Aanspraken op pensioen of lijfrente zijn ook als een vorm van vermogen te beschouwen. Omdat een huishouden niet vrijelijk kan beschikken over deze aanspraken zijn deze echter niet in de vermogensdefinitie opgenomen.