CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311432 Bijlage

Commissie Leefomgeving 17 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken51.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

DHF vraagt om de effecten van de warmtetransportleiding te onderzoeken op de uitstoot van CO2, de ontwikkeling van lokale duurzame bronnen in Den Haag en de andere gemeenten en op vertragingen bij het beperken van CO2-uitstoot in de Rotterdamse haven. Voorts dienen bij deze zienswijze de door anderen ingediende zienswijzen en bijdragen aan hoorzittingen enz. als bijgevoegd te worden beschouwd. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Volgens Europa en het Rijk is restwarmte dus duurzame warmte, de provincie ziet geen redenen om van dat standpunt af te wijken. De warmte komt vnj bij productieprocessen en wordt benut voor de verwarming bij andere gebruikers. Hierdoor komt er geen extra CO2 vnj voor de opwekking (centraal of decentraal) van die elders te benutten warmte. In het MER worden de milieueffecten van het voornemen in beeld gebracht en wordt toegelicht waarom restwarmte een duurzame warmtebron is. De warmtetransportleiding staat het ontwikkelen van lokale bronnen en warmtenetten niet in de weg. Beide zijn nodig om te kunnen voorzien in de warmtevraag in de regio. Lokale netten en deze warmtetransportleiding zijn complementair aan elkaar versterken gezamenlijk een duurzame warmtetransitie.

Voor het beperken van de uitstoot van de industriële sector is onder andere in juni 2019 een klimaatakkoord gesloten waarbij circulariteit een steeds grotere rol gaat spelen in de verduurzaming van de industrie en het beperken van emissies. Er zijn geen reden om bij de beantwoording van de zienswijze van DHF, ook de inhoud van andere zienswijzen te betrekken 2. Duurzaamheidsopgave: onderzoek naar uitgangspunten en wetenschappelijke onderbouwing van beleid 77

DHF twijfelt of de duurzaamheidsambities van de Provincie Zuid-Holland en het Rijk voldoende zijn om de doelstellingen van Parijs te halen. Volgens verschillende onderzoekers moet Europa al rond 2035-2040 op nul uitstoot zitten, aangezien de wereld als geheel uiterlijk in 2050 klimaatneutraal moet zijn en rijkere landen hun uitstoot eerder moeten reduceren dan armere landen. De gemeente Den Haag wil al in 2030 klimaatneutraal zijn en een voorlopers rol spelen. Volgens DHF vloeit uit de klimaatzaak van Urgenda voort dat scenario's met relatief veel negatieve emissies vanuit het voorzorgbeginsel geen uitgangspunt mogen zijn bij het OO2-reductiebeleid. Bovendien zijn de studies die zijn gebruikt ter onderbouwing van het gebruik van fossiele restwarmte en de Leiding door het Midden (hierna LdM) gebaseerd op een lagere CO2-prijs en verouderde WLOscenario's. DHF meent dat daarom moet worden onderzocht of de beleidsuitgangspunten wel op de meest recente onderzoeken zijn gebaseerd. Zij heeft veel vragen bij de duurzaamheid en betaalbaarheid van het benutten van de Rotterdamse restwarmte. Om die vragen te kunnen beantwoorden meent DHF dat veel meer onderzoek worden gedaan naar diverse alternatieven voor LdM op aspecten als CO2-reductie en de totale maatschappelijke kosten beoordeling.

Net als DHF, hecht de provincie zeer aan wetenschappelijke kennis en onderzoek en beiden spelen ook zeker een rol bij de besluitvorming over en realisatie van grote infrastructurele projecten, zoals in dit geval WarmtelinQ Vlaardingen — Den Haag. Het realiseren van projecten in sectoren met een hoge maatschappelijke en technische dynamiek, zoals in casu de energietransitie, betekent ook dat er soms stappen moeten worden gezet, terwijl nog niet alles tot in de details is uitgewerkt. Uitgangspunt is dat wordt voldaan aan de m.e.r.-verplichtingen uit de Wet milieubeheer, maar ook dat bij de selectie van de redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven de doelstelling(en) van de initiatiefnemer(s) worden betrokken. We zien dan ook geen noodzaak om in dit MER al de genoemde vragen tot op dit detailniveau te onderzoeken en te betrekken bij de verdere besluitvorming rondom deze hoofdwarmtetransportleiding. De stelling van DHF dat het rijk en de provincie zich bij de aanleg van warmteleiding baseren op een bepaalde aanname ten aanzien van het C02 -effect van de leiding en dat die aanname alleen is gebaseerd op het rapport van CE Delft is onjuist. De provincie en het rijk baseren deze aanname op het brede erkende principe, dat dubbel gebruik (van wat dan ook) voorkomt datje voor dit hergebruik nieuwe productie moet organiseren.

Dat bij dit dubbelgebruik ook bijeffecten kunnen optreden die de milieuwinst kunnen doen verminderen (zoals een mogelijke rem op besparingsinzet bij de industrie en de kosten en materiaal- en energiegebruik) is bij njk en provincie bekend. 3. Doelstelling in context DHF vindt het opvallend dat de doelstelling niet de leiding zelf is, maar de verduurzaming van zowel de bestaande als toekomstige warmtelevering in Den Haag en de overige gemeenten. DHF stelt voor om de doelstelling uit te breiden door te stellen dat dit zodanig moet gebeuren dat de daadwerkelijke uitstoot van OO2, andere broeikasgassen en overige milieuvervuilende stoffen (hierna C02 c.a.) worden beperkt (en niet alleen op papier). Restwarmte is duurzame warmte (zie nr. 1) en daarom hoeft de uitstoot van CO2 door de warmteleveranciers niet te worden betrokken bij de onderzoeksopgave voor de warmtetransportleiding 4. Zelfstandige afweging en onderzoek naar alternatieven Aangezien de NRD is opgesteld in opdracht van LdM CV en ook nog de status van concept heeft, meent DHF dat niet aannemelijk is dat de provincie in deze een zelfstandige beoordeling van de alternatieven voorstaat De NRD is het startpunt voor de scope van het MER en wordt pas na de beantwoording van de zienswijzen hierop het definitieve kader waaraan het MER zal moeten voldoen.

In dit geval hebben GS in het ARD (naar aanleiding van andere zienswijzen) geadviseerd om het MER op enkele punten uit te breiden. Naar onze mening is die uitbreiding noodzakelijk voor een goed onderbouwde besluitvorming over het inpassingsplan en de benodigde vergunningen. De genoemde `vooringenomenheid' is dus vooral een kwestie van beeldvorming. 5. Provinciaal belang DHF ziet in het besluit graag een onderbouwing opgenomen over welk provinciaal belang gemoeid is bij het project. In het ontwerp provinciaal inpassingsplan (PIP) zal hierop worden ingegaan. 78

6. Impact provinciaal inpassingsplan en legitimiteit DHF ziet graag onderbouwd in hoeverre de provincie met keuze voor een PIP de ambities en doelen van gemeenten en waterschappen buiten spel zet, welke doelen en ambities worden nagestreefd en hoe dit project erin past. Gemotiveerd moet worden op grond van welke bevoegdheid de provincie in de plaats treedt van de gemeenten en waterschappen en welke besluiten daarin voorzien. Gemeenten en waterschappen die meewerken moeten aangeven hoe hun medewerking past binnen de eigen ambities en doelen. De realisatie van een regionale warmte-infrastructuur is niet een exclusief provinciaal belang, daarom is aan de zes gemeenten en het waterschap bestuurlijk commitment gevraagd op deze aanpak en om hierin samen met de provincie op te trekken. In dat kader hebben deze partijen stilgestaan bij hun eigen doelen en ambities. Met het uitblijven van een standpunt van de gemeente Den Haag is bij de besluitvorming rekening gehouden. Wij concluderen dan ook dat er ruim voldoende bestuurlijke en democratische legitimiteit is voor het besluit van Provinciale Staten van 18 december 2019 om voor de realisatie van deze warmtetransportleiding tussen Vlaardingen en Den Haag een provinciaal inpassingsplan op te stellen en de provinciale coördinatieregeling uit artikel 3.33 Wro toe te passen.

Overigens behouden alle bevoegde gezagen in dit project hun normale wettelijke bevoegdheden qua vergunningverfening en inspraak. Van het buiten spel zetten van andere bevoegde gezagen door de provincie is dus geen sprake. Zie ook nr. 8. 7. Verband met leiding Vondelingenplaat DHF meent dat het tracé tussen Vlaardingen en Den Haag niet los gezien kan worden van het deel vanuit Vondelingenplaat. Beide leidingen moeten daarom gelijk worden ingezet en via dezelfde procedure tot stand komen. Ook moet naar de vertragingsrisico's worden gekeken. Het tracé vanuit Vondelingenplaat maakt geen deel uit van de warmtetransportleiding Vlaardingen- Den Haag. De warmtetransportleiding tussen Vlaardingen en Den Haag wordt in eerste instantie volledig gevoed vanuit de Leiding over Noord. Pas wanneer het warmtetransportnet wordt uitgebreid komen andere aan — en aftakkingen (zoals Vondelingenplaat) in beeld. Dat er in dit grotere plaatje van een bovenregionaal warmtetransportnetwerk sprake is van samenhang tussen verschillende projecten maakt niet dat zij per se samen en gelijktijdig via dezelfde procedure moeten worden gerealiseerd. Er is dus geen sprake is van een verplichting om het tracé Vondelingenplaat in dit inpassingsplan op te nemen en er is dus ook geen verplichting om beide projecten in het MER volledig te beschrijven. 8.

Samenwerking en respect voor gemeentelijke besluitvorming DHF voelt zich overvallen door de start van het project door de provincie, in weerwil van het verzoek van de gemeente Den Haag om eerst lokale besluitvorming af te wachten. DHF verwacht in het vervolgbesluit een toelichting op de bestuurlijke samenwerking. In het provinciaal inpassingsplan wordt ingegaan op de samenwerking tussen provincie en alle overige betrokken overheden. Zie ook nr. 6. 9. Energietransitie van onderop DHF meent dat een PIP een ingrijpende beperking is in de ruimte die bewoners hebben om de energietransitie van onderop vorm te geven. Daarom moet worden onderbouwd dat het voornemen tot stand is gekomen vanuit het beleidsuitgangspunt dat de energietransitie van onderop wordt vormgegeven, of dat dit principe niet wordt aangetast. Dat de energietransitie van onderop haaks staat op het realiseren van een warmtehoofdinfrastructuur is een onjuist beeld. Integendeel, een aanwezige hoofdinfrastructuur maakt juist dat voor veel wijken via de distributienetten van warmtebedrijven een C02-vrije, betaalbare en beperkt ingrijpende keus wordt toegevoegd aan de al aanwezige lokale opties. De keuze voor wat lokaal als passend wordt beschouwd, wordt door de gemeenten besloten, dit gebeurt veelal op basis van gemeentelijke warmtetransitievisies en wijkuitvoeringsplannen. 10.

Onderbouwing bestuurlijke afwegingen DHF mist in de NRD de afwegingen die in het vervolgbesluit weloverwogen genomen moeten worden. 79

De NRD is het document dat het startsein vormt voor het uit te voeren milieuonderzoek (MER). De uitkomsten van het MER worden vervolgens betrokken bij de te nemen besluiten door de bevoegde gezagen. Het is aan de bevoegde gezagen om dan die afwegingen te maken. 11. Gebrek alternatieven in reikwijdte en detailniveau DHF meent dat het doorlopen trechteringsproces miskent dat in het MER juist breed naar alternatieven moet worden gekeken en dat alternatieven nauwkeurig beschreven moeten worden, inclusief de afgevallen van alternatieven. Wij menen dat DHF de verplichtingen vanuit de m.e.r.-regelgeving over de altematievenafweging te ver oprekt. De wet vraagt om het onderzoeken van de 'redelijkerwijs' te beschouwen alternatieven en het motiveren van die keuze. Trechteren is een geaccepteerde methode om te komen tot een beperkt aantal realistische (dat wil zeggen technisch maakbare, haalbare en betaalbare) alternatieven voor dit tracé. In het kader van de vaststelling van de Visie Ruimte en Mobiliteit medio 2014 is al een plan-MER uitgevoerd waarin onder meer is ingegaan op de gevolgen van een regionaal warmtenetwerk. In dat MER wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van een dergelijk netwerk positief is voor alle natuur- milieu-, energie- en klimaatdoelstellingen. De warmtetransportleiding Vlaardingen - Den Haag betreft de ontwikkeling van een deel van dit regionale warmtenetwerk.

12. M.e.r.-beoordelingsplicht DHF meent dat ten onrechte wordt gesteld dat het project niet voldoet aan de drempelwaarden uit categorie D8.4 van het Besluit mer. De diameters van beide leidingen moeten bij elkaar worden opgeteld en in de tekst van het Besluit mer zou en/of moeten staan in plaats van en. Het is niet redelijk om te veronderstellen dat de regelsteller heeft bedoeld dat een mer-beoordelingsplicht niet noodzakelijk is als slechts aan een van beide criteria wordt voldaan. Wij menen dat DHF de tekst van categorie D8.4 onjuist interpreteert. Provinciale Staten hebben om andere redenen al besloten dat voor het project een Combi-MER wordt opgesteld, in plaats van een mer-beoordeling, dit is in de NRD beschreven. Een nadere beschouwing op dit punt is dus irrelevant. 13. Referentiekader DHF meent dat de in de NRD gehanteerde definitie van 'referentiesituatie' mogelijk leidt tot een verkeerde weging van de effecten in het MER. In het MER wordt altijd naar de toekomst gekeken. De referentiesituatie wordt daarbij altijd gebaseerd op de huidige situatie van het milieu, samen met de gevolgen van zogenaamde autonome ontwikkelingen, voor zover daarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De hier gehanteerde definitie is een zeer gangbare die in de rechtspraak is bekrachtigd en daarom zien wij geen aanleiding om deze definitie aan te passen. 14.

Eerdere studies DHF maakt bezwaar tegen het feit dat eerder uitgevoerde studies de basis zullen vormen voor de vergelijking van strategische alternatieven. Hierdoor is het voor derden niet mogelijk om gemotiveerd alternatieven aan te reiken. De inspraak op de NRD biedt juist mogelijkheden om alternatieven aan te dragen, zoals anderen ook hebben gedaan. Dat alternatieven mede worden vergeleken op basis van uitkomsten van bestaande studies verschaft juist een transparant en inzichtelijk afwegingskader. Wij zien hierin geen belemmering voor het aandragen van alternatieven. 15. Onterechte beperking alternatief tot vastgesteld beleid DHF meent dat in deze m.e.r.-procedure een onjuiste definitie van 'autonome ontwikkeling' wordt gehanteerd. Uit deze definitie en uit het feit dat de realisatie van een bovenregionaal warmtenetwerk (de warmterotonde) al sinds 2014 opgenomen is in het provinciaal beleid, leidt DHF af dat sinds 2014 niet c.q. veel minder is gewerkt aan alternatieve 'ontwikkelingen.

80

De provincie zet in op verscheidene duurzaamheids- en energiestrategieën, waaronder een regionaal warmtenetwerk. De gehanteerde definitie is een zeer gangbare en wij zien geen aanleiding deze definitie aan te passen. Zie nr. 13. 16. Onderzoek naar leveren warmte voor basislast Omdat het provinciale voornemen zich beperkt tot het leveren van flat-line basislast via een regionaal netwerkt, meent DHF dat moet worden onderzocht of juist aan die warmte grote behoefte is. DHF meent juist dat de basiswarmtevraag ondergeschikt is omdat er lokaal wordt geïnvesteerd in isolatie en in duurzame bronnen die zowel de basis- als de piekvraag kunnen leveren. Daardoor gaat ook de terugverdientijd van duurzame bronnen omlaaggaat. Daarom moet worden onderzocht hoe de levering van flat-line basiswarmte via een regionaal netwerk invloed kan hebben op de lokale investeringen in duurzame bronnen en op de milieueffecten die daaruit voortvloeien. De transportleiding voorziet in een potentieel aanbod van warmte. Het is aan de afnemer om te bepalen of de ingekochte transportcapaciteit ingezet wordt als basislast of meer. Deze leiding voegt op lokaal en individueel niveau een keuzemogelijkheid toe in de warmtetransitie.

Lokale investeringen zijn afhankelijk van de keuzes die op zeer lokaal niveau worden gemaakt (denk aan individuele investeringsmogelijkheden en overige persoonlijke afwegingen) de hiervan afgeleide milieueffecten gaan ver buiten de scope van de doelstellingen van dit milieuonderzoek. Deze overwegingen horen thuis in warmtetransitieplannen en wijkuitvoeringsplannen. Zie ook nr. 9. 17. Beoordeling alternatieven op welke gronden DHF meent dat de alternatieven op veel meer gronden moeten worden beoordeeld en somt daarna een groot aantal gronden die verbonden zijn aan de duurzaamheid van het voornemen aan onder meer de klimaatdoelen van Parijs, de CO2-reductie, de klimaatdoelen van de EU, het Rijk, de Provincie en elk van de individuele gemeenten en waterschappen. Hoe het voornemen toekomstige innovatie tegenwerkt of juist stimuleert, of het een bijdrage levert aan de piekvraag in de energietransitie, bewonersparticipatie, klimaatrechtvaardigheid en klimaatadaptatie. In het MER behorende bij de Visie Ruimte en Mobiliteit 2014 is geconcludeerd dat de ontwikkeling van een regionaal warmte netwerk positief is voor alle natuur- milieu-, energie- en klimaatdoelstellingen. De warmtetransportleiding Vlaardingen - Den Haag vormt een deel van dit regionale warmtenetwerk. Het doel van een milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming.

Daarvoor is vereist dat er voldoende milieu-informatie aanwezig is en dat die van voldoende kwaliteit is. Dat betekent niet automatisch dat in het MER altijd tot op zeer gedetailleerd niveau inzicht moet worden gegeven in de milieueffecten van het voornemen en de alternatieven. Op dat punt mag best worden gewerkt met modelmatige uitgangspunten ter abstrahering van de complexe werkelijkheid, vaak is dat zelfs onontkoombaar om te komen tot een helder afwegingskader voor de alternatieven. Wij menen dat DHF de beoordelingsgronden te ver doorvoert. Wij zien geen aanleiding die beoordelingsgronden zo ver op te rekken en daarom blijven deze buiten de scope van dit milieuonderzoek. Zie ook de nrs. 2, 3 en 9. 18. Toetsing duurzaamheidstrategieën en prijsstelling DHF meent dat op grond van de Urgenda-uitspraak het onvoldoende is om de afweging van alternatieven te baseren op bestaande duurzaamheidstrategieën van overheden. Bij die afweging moet ook gekeken worden naar de effecten op de uitstoot van CO2. Voorts is onderzoek nodig naar het risico op stranded assets. Gezien de focus van de plannen op een regionaal netwerk, is de beoordeling van hoe het voornemen past in de provinciale en andere duurzaamheidsstrategieën, ongepast waardoor bij het opstellen van een mer-beoordeling vooringenomenheid dreigt te ontstaan.

Bij het afwegen van alternatieven moet ook naar de prijs van die alternatieven worden gekeken. Daarin moet ook de prijs worden meegenomen voor het later uit de atmosfeer halen van CO2 bij een teveel aan uitstoot gemeten over de levensduur van LdM. De warmtetransportleiding leidt niet tot extra CO2 uitstoot bij de warmteleveranciers, er is immers sprake van gebruik van restwarmte. Er is dan ook geen sprake van het meenemen van de prijs voor het verwijderen van zogenaamde (niet) uitgestoten CO2 door de industrie, dat valt ver buiten de scope van dit project. De provincie zet in op verscheidene duurzaamheids- en energiestrategieën, waaronder een regionaal warmtenetwerk. Er is dan ook geen sprake van vooringenomenheid ten aanzien van dit MER voor de warmtetransportleiding van Vlaardingen naar Den Haag. Zie ook de nrs., 1, 2, 3, 12, en 21. 81

19. Werkelijke uitstoot centraal DHF vraagt wat in het MER wordt bedoeld met de begrippen 'verduurzaming' en 'duurzame warmte' Gaat dat om daadwerkelijke besparingen op CO2 en andere broeikasgassen of om besparingen als gevolg van definities en rekenmodellen? DHF meent dat het MER de daadwerkelijke effecten in beeld moet brengen, en dus ook op de daadwerkelijke uitstoot die aan bepaalde keuzes is verbonden. De warmtetransportleiding en het gebruik van restwarmte leidt niet tot extra CO2 uitstoot bij de warmteleveranciers, er is immers sprake van hergebruik van deze bij het productieproces vrijgekomen warmte. Er is dus geen daadwerkelijke uitstoot te berekenen behalve die benodigd is voor het transporteren van de warmte door de leiding. De uitstoot van CO2 als gevolg van het transporteren van de warmte door de warmtetransportleiding wordt meegewogen bij de vergelijking van de strategische alternatieven. Zie ook de nrs 1, 2, 17 en 18 20. Enkele overwegingen bij de onderzoeken DHF meent dat uit het gegeven dat LdM een warmteneutraal netwerk is en geen specifieke infrastructuur voor duurzame energie, voortvloeit dat voor alle onderzoeken geldt dat separaat aandacht besteed moet worden aan de situatie dat de leiding Vondelingenplaat niet doorgaat dan wel na LdM opengaat.

De leiding vanuit Vondelingenplaat maakt geen deel uit van het PIP en de vergunningen voor de warmtetransportleiding Vlaardingen — Den Haag. Er wordt dus in het kader van deze procedure hiervoor geen separaat onderzoek uitgevoerd of aandacht besteed aan de leiding vanuit Vondelingenplaat. Zie ook nr. 7. 21. Onderzoeksvolgorde DHF meent dat twee parallelle onderzoekstrajecten nodig zijn: enerzijds de lokale vraag naar basiswarmte en anderzijds de effecten van investeringen in infrastructuur voor fossiele restwarmte uit de Rotterdamse haven. De Warmtetransportleiding Vlaardingen Den Haag biedt mogelijkheden om aan te takken, het is aan de gemeenten zelf te bepalen waar en hoe die warmte wordt ingezet. Door de gemeenten worden naast regionale energiestrategieën (RES) ook lokale warmtevisies en wijkuitvoeringsplannen opgesteld. Daarbij bepalen zij zelf welke strategieën zij volgen. Naast beschikbaarheid of juist gebrek aan lokale bronnen is het goed denkbaar dat ook andere strategische overwegingen op gemeentelijk niveau meespelen. Zie ook de nrs. 2, 9 en 17. 22. Onderzoekspad 1: lokale warmte Omdat LdM alleen basiswarmte zal leveren moet het referentieonderzoek eveneens alleen de vraag naar basiswarmte in ogenschouw te nemen.

Daarbij dient volgens DHF van onderop te worden onderzocht of er lokaal voldoende echte duurzame basiswarmte is ontwikkelen is, waar in de regio tekorten zijn, en of dat met lokale import via een warmteleiding op te lossen is. Pas daarna komen regionale oplossingen in beeld. Zie nr. 21 23. Onderzoekspad 2: van grote kaders naar detail Parallel aan onderzoekspad 1 meent DHF dat moet worden gekeken of het voornemen past binnen de grote kaders en of strategische alternatieven werkelijk afvallen. Onderzocht moet worden of bijvoorbeeld met het beprijzen van milieu- en klimaatschadelijke processen, eerder een duurzaam omslagpunt kan worden bereikt en wat de effecten zijn op het niet-beprijzen van niet-efficiente deelprocessen waarbij restwarmte vrijkomt. Op basis hiervan kan worden onderzocht worden welke effecten het voornemen heeft op de leveranciers van warmte en hun uitstoot van CO2 c.a. Pas dan wordt duidelijk of er gedurende de levensduur van LdM sprake is van een overschot aan echt duurzame basiswarmte in de Rotterdamse haven.

24.

Onderzoekspad 3: regionaal beleid op basiswarmte 82

Pas als de onderzoekspaden 1 en 2 zijn doorlopen, kan er volgens DHF onderzoek worden gedaan naar regionaal beleid. Daarin zou moeten worden onderzocht op welke wijze de energievraag verder kan worden teruggebracht door vergaande isolatie en vestigingsbeleid en hoe vervolgens het energietransport naar die locaties kan worden vormgegeven. Onderzocht moet worden of basis-restwarmte van 120 graden omgezet kan worden in elektriciteit of een andere transporteerbare vormen die vervolgens kunnen worden ingezet als piekvoorziening. Pas na het uitvoeren van deze onderzoeken, is duidelijk of er sprake is van een regionale behoefte aan warmtetransport, waarbij gekeken kan worden naar wat de meest passende modaliteit is. Het alternatief dat daaruit als meest gewenste naar voren komt moet nogmaals worden onderzocht de randvoorwaarden van CO2-uitstoot, Urgenda, beleidsbeperking Hoge Raad, EU, Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen. Dat levert de finale toets op voor besluitvorming. Zie nr 21. 25.

Hoge temperatuur en duurzame bronnen Volgens DHF gelden er voor het gebruik van warmte van duurzame bronnen twee principes: - gebruik hoge temperatuurwarmte voor processen die de meest hoge temperatuur vergen - zet zoveel mogelijk in op lage temperatuurwarmte want er is immers meer duurzame warmte van 40 graden beschikbaar dan van hogere temperaturen en dat maakt ook dat die bronnen goedkoper zijn. Het algemeen streven is de beschikbare duurzame warmtebronnen zo efficiënt mogelijk in te zetten voor de transitie, passend bij de benodigde warmtevraag. De keuze voor het meest passende alternatief is vnj en wordt door individuele burgers, woningcorporaties en lokale overheden bepaald. Gemeenten doen dat onder andere via gemeentelijke warmtetransitievisies en wijkuitvoeringsplannen. Zie ook nr. 9. 26. Relatie temperatuur, isolatiegraad en labels Volgens DHF zijn er veel misvattingen over de temperatuur die nodig is om een huis te verwarmen en over de invloed die isolatiemaatregelen hebben op de warmtevraag (basis-warmte en piekwarmte) en op het energielabel van die woning. Daarom moet in het onderzoek van de effecten van LdM op de energietransitie rekening worden gehouden met het effect op de maatregelen die leiden tot minder energievraag, minder piekvermogen en zo laag mogelijke aanvoertemperaturen. Pas daarbinnen moet worden gestuurd op een zo laag mogelijke energierekening.

Als om politieke redenen die energierekening toch sturend is, dan moeten ook aanpassingen van de energiebelasting voor bedrijven en huishoudens in het onderzoek worden betrokken en welke effecten dat heeft op de totale OO2-uitstoot. De beschreven onhandigheden van labels herkennen wij. We baseren ons bij het vormgeven van de warmtevoorziening dan ook niet op de labelsystematiek. De warmtetransportleiding maakt onderdeel uit van verscheidene strategieën op rijk, provinciaal en gemeentelijk niveau die samen de energietransitie vorm moeten geven. Het onderzoeken van de effecten van LdM op de energietransitie als totaal, de energierekening, en de energiebelasting voor huishoudens en bedrijven vallen buiten de scope van het MER. De primaire verantwoordelijkheid voor de financiële consequenties van de warmtetransitie ligt bij het Rijk. Zie ook nr. 17. 27. Relatie prijsstelling en duurzaamheid DHF meent dat er een verband is tussen de prijs van warmte en de duurzaamheid ervan. Daarom moet worden onderzocht met welke prijsstellingen de verschillende partijen in de keten zullen rekenen en welke prijsprikkels buiten de energieketen relevant zijn.

Daarbij moet zowel naar de GJprijs worden gekeken als naar de vaste kosten, want op die manier wordt duidelijk waar de financiele prikkels liggen en welke kant die op gaan en of die voor het voornemen en de alternatieven richting een OO2-neutrale toekomst wijzen De provincie streeft naar verdere verandering van de Warmtewet 2.0 op het punt van de tariefstelling/vergoeding voor restwarmte, maar de bepnjzing van warmte valt buiten de scope van dit MER Zie de nrs. 1, 17 en 19. 28.

Daadwerkelijke OO2-uitstoot versus rekenregels en definities 83

De onderzoeken die moeten worden gedaan voor het bepalen van de effecten op het milieu enz. moeten inzicht geven in de daadwerkelijke uitstoot van CO2 c.a. Bij onderzoek naar de gevolgen van gedrag door de verschillende partijen mag wel worden uitgegaan van de voor de partijen geldende regels over de toerekening van CO2 c.a. DHF vindt het belangrijk dat wordt onderzocht hoe eenduidig de uitstoot van CO2 c.a. van warmte wordt toegerekend, zodat de totale uitstoot van CO2 c.a. bij de leverancier terugkomt in de verdeling tussen primair proces en restwarmte en de prijsprikkels voor OO2-besparing blijven bestaan. Nu wordt daarin geen onderscheid gemaakt waardoor in de verhouding tussen leveranciers en afnemende huishoudens de toerekening van CO2 en de prijsprikkels voor CO2-besparing inconsequent is. Het is onwenselijk om restwarmte afkomstig van fossiele energie onbenut te laten. Er is een effectieve prikkel nodig om tegen te gaan dat energie wordt weggegooid of dat de kwaliteit daarvan grotendeels onbenut wordt gelaten. In lijn met wat zou gebeuren in geval van een lozing van restwarmte, heeft restwarmteoverdracht geen CO2-overdracht tot gevolg. Dat is ook logisch: die restwarmte veroorzaakt geen CO2. De opgave om het onderliggende proces met hernieuwbare energie te voeden in plaats van met fossiele bronnen blijft dus overeind.

Deze lijn is ook terug te vinden in de Warmtewet 2.0. Prijsprikkels voor CO2 besparing maken daarom geen onderdeel uit van de scope van het MER. Zie ook de nrs. 1 en 19. 29. Onderbouwing met studies van afvallen strategische alternatieven DHF merkt op dat in de NRD meerdere studies worden genoemd zonder deze bij naam te noemen. Dit moet in het vervolgbesluit duidelijk worden aangegeven, en op basis van welke elementen uit deze studies bepaalde strategische alternatieven zouden zijn afgevallen. DHF ziet niet in waar en hoe is aangetoond dat LdM het beste alternatief is en behoudt zich het recht voor om in het vervolgbesluit hierop nader in te gaan. Voorts volgt uit een studie waarin collectieve warmte wordt voorgesteld nog niet dat er daarom een LdM moet komen. Dat er beleidsstukken zijn waarin sprake zou van "realisatie van een bovenregionaal warmtenetwerk" is volgens DHF noch een onderbouwing van afvallende alternatieven, noch een pleidooi voor een specifiek bouwwerk. DHF meent dat in de aan te halen studies verwezen moet worden maar de aannames die daarin gedaan zijn en zulke aannames inclusief de incongruenties daartussen moeten in de vervolgbesluiten apart worden onderzocht, zeker als deze aannames uit die studies worden gebruikt om strategische alternatieven te doen afvallen. Het MER gaat in op de strategische alternatieven en de onderbouwing c.q.

beschrijving van de effecten daarvan. Dit is in het NRD beschreven, daarom is het gevraagde geen aanvulling. Bij verschil van inzicht en meningen lopen de interpretatie van onderzoeken en de toepassing van die onderzoeksresultaten vaak uiteen. Wij menen dat DHF de verplichtingen vanuit de m.e.r.-regelgeving te ver oprekt. Zie ook de nrs. 2, 3, 9 ,11 en 17. 30. Pompenergie DHF meent dat moet worden onderzocht welke pompenergie maximaal nodig is. In het MER wordt ook aandacht besteed aan de benodigde pompenergie voor het transporteren van de warmte door deze warmtetransportleiding. Zie ook nr. 19. 31. Temperatuur Leiding door het Midden DHF meent dat moet worden onderzocht welke temperatuur het mogelijk maakt om lokale geothermiebronnen te ontwikkelen die zonder extra investeringen kunnen invoeden op de LdM. Ook moet worden onderzocht hoe LdM dan nog rendabel kan draaien Bronnen kunnen invoeden op het hoofdtransportsysteem als aan technische voorwaarden wordt voldaan. Op de (lokale) distributienetten is invoeding van lage temperatuurbronnen mogelijk. Lokale initiatieven en de daarbij benodigde investeringen vallen buiten de scope van dit MER. Zie de nrs. 9 en 17. 32.

Temperatuur aansluitende hoofdnetstructuur DHF meent dat de hoge temperatuur van LdM (120 graden) ertoe leidt dat andere hogere temperatuurbronnen (fossiele restwarmte) over grotere afstanden kunnen transporteren terwijl lagere temperatuurbronnen (< 70 graden) hun warmte alleen lokaal in een subnet kwijt kunnen. Daardoor ontstaat er marktwerking voor fossiele restwarmte in plaats van voor duurzame bronnen. 84

Onderzocht moet worden hoe duurzame bronnen bij minder vraag zonder extra kosten kunnen leveren aan LdM. DHF vindt dat onderbouwd moet worden hoe LdM kan dienen als aanjager van duurzame lokale bronnen, in het bijzonder voor de situatie in Den Haag waar deze rol nu al wordt vervuld door de Uniper-centrale. Voor de andere gemeenten moet onderzocht worden of tijdelijke financiële ondersteuning bij niet-gelijktijdige oplevering van distributienetten en duurzame bronnen niet gunstiger is dan investeren in een warmtetransportnet dat de werkelijk duurzame bronnen juist in de weg zit. Separaat moet worden onderzocht hoe de businesscase en concurrentiepositie van werkelijk duurzame bronnen eruitzien met en zonder LdM. DHF betwist de stelling dat biomassa daadwerkelijk bijdraagt aan de reducties van C02 enz. en meent dat die moet worden onderzocht en onderbouwd. De warmtetransportleiding en lokale initiatieven kunnen prima naast elkaar staan en zijn complementair aan elkaar. Onderzoek hoe duurzame lokale bronnen bij minder vraag zonder extra kosten kunnen leveren aan de LdM valt buiten de scope van dit MER. Ook business cases en concurrentieposities van lokale warmtebronnen en het vraagstuk rond biomassa-projecten vallen niet onder de scope van dit project. Zie de nrs. 2, 9 en 17. 33.

Uitstoot in Rotterdam of Den Haag DHF meent dat in het kader van dit project moet worden berekend hoeveel daadwerkelijke uitstootbesparing LdM oplevert, zodat dit kan worden vergeleken met een alternatief zonder LdM of met een ander alternatief. In dat onderzoek moeten de tijdvensters 2020 en 2030 worden vergeleken en gekeken worden naar de klimaatneutraal-doelstelling voor 2050. Specifiek voor Den Haag moet onderzocht worden welke invloed LdM heeft op de Haagse ambitie om in 2030 klimaatneutraal te zijn. DHF meent dat met de restwarmte van Uniper ruim voldoende warmte geleverd kan worden aan het bestaande warmtenet en betwijfelt of de LdM zal leiden tot daadwerkelijk minder OO2-uitstoot. DHF vindt dat 3 hypothesen moeten worden onderzocht: A. Bestaand warmtenet in Den Haag blijft evenveel C02 uitstoten en uitstoot door fossiele restwarmte gaat in Rotterdam en Den Haag door. Bij uitbreiding van het Haagse net blijft die situatie gelijk. B. Geothermie en LdM concurreren op de levering van basiswarmte vanwege de beperkte beschikbaarheid van warmtenetten om de warmte af te zetten. C. Op basis van diameters en pompsnelheden kan LdM veel meer dan 2 PJ aan Den Haag leveren. Onderzocht moet worden hoeveel warmte LdM kan leveren bij 120 graden en de retourtemperatuur van het Eneco-netwerk wordt verlaagd naar 40 graden.

Onderzocht moet worden hoeveel warmtenetaansluitingen in Den Haag gerealiseerd moeten worden en in welk tempo voordat er een langdurig tekort aan basiswarmte ontstaat, dat de investering en aanleg van LdM rechtvaardigt. Uit dat onderzoek zou moeten volgen dat LdM pas richting Den Haag wordt aangelegd als die langdurig nodig is voor de levering van basiswarmte. Ook moet worden onderzocht hoe snel de ontwikkeling van geothermiebronnen en andere duurzame bronnen in andere gemeenten kan gaan als wordt besloten om LdM niet aan te sluiten en/of zijn er geen andere tijdelijke fossiele bronnen te gebruiken die ook voor de piek van LdM kunnen worden ingezet? De gemeente Den Haag, Uniper en WarmtelinQ zijn tot een samenwerking gekomen, waarin ook de warmte van Uniper een rol heeft. Dit wordt technisch nader uitgewerkt, maar is geen onderdeel van de scope van dit MER. Zie nrs. 9 en 17. Geothermie wordt in het MER meegenomen als strategisch alternatief, dit is al verwoord in het NRD. Wat betreft de vraag om de "daadwerkelijke" uitstoot te berekenen volgens drie hypothesen, zie ook de nrs. 1 en 19. De aangehaalde hypothesen zijn deels gebaseerd op keuzen die in het verlengde liggen van de gemeentelijke visies, over warmtedistributie en inzet.

Ook onderzoek naar hoeveelheid warmteaansluitingen, het tempo en de investeringen hiervoor en lokale (geothermie) ontwikkelingen is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Zie nr. 9. 34. Andere overheidsmaatregelen die zelfde of beter effect op uitstoot OO2, andere broeikasgassen en verdere milieuvervuilende stoffen hebben DHF meent dat onderzocht moet worden welke andere alternatieve overheidsmaatregelen eenzelfde of beter effect hebben op uitstoot van C02 c.a. als LdM. Ook moet de flat-line prijs voor de uitkoppeling van warmte ten opzichte van de maakprijs van warmte worden onderzocht. DHF meent dat de gasprijs voor grootverbruikers in de Rotterdamse haven ten minste zo hoog moet 85

zijn dat uitkoppeling van warmte loont. Anders leidt de aanleg van LdM tot oneerlijke concurrentie tussen flatline industrieel restwarmtegebruik en seizoensafhankelijk restwarmtegebruik door huishoudens. In het MER wordt ingegaan op strategische alternatieven en hun effecten ten opzichte van de warmtetransportleiding. Bepnjzing van warmte, dat wil zeggen het invoeren, transporteren, leveren en afleveren van warmte bij de consument maakt geen onderdeel uit van de scope van dit MER. Dit is afhankelijk van de marktwerking en wat het Rijk hiervoor regelt in de Warmtewet 2.0. Zie voor effect op uitstoot CO2 nr. 19. 35. Lokale marktordening met en zonder leiding door het midden, en bij alternatieven DHF meent dat onderzocht moet worden welk effect het aanleggen van LdM zal hebben op de lokale marktordening aan de aanbod- en vraagzijde. Volgens DHF moeten minstens twee scenario's worden onderzocht, namelijk de situatie zonder LdM, waarbij in Den Haag wordt ingezet op lokale geothermie en aanvulling van de pieken door de Uniper-centrale en de situatie met LdM die voor allerlei ongewenste gevolgen zal zorgen, zoals verdwijnen van de isolatieprikkel, verminderde beschikbaarheid van duurzame bronnen (door hogere temperatuur) en verslechtering van de businesscase. Voorts de verdwijning van prikkel voor CO2-uitstoot en warmteverspilling in de Rotterdamse haven.

DHF meent dat hierdoor de verduurzaming van de haven stil kom te liggen. De warmtetransportleiding en lokale initiatieven kunnen prima naast elkaar staan en zijn complementair aan elkaar. De uitwerking van distributienetten is een gemeentelijke aangelegenheid. De gemeente Den Haag, Uniper en WarmtelinQ zijn tot een samenwerking gekomen, waarin ook de warmte van Uniper een rol heeft. Dit wordt technisch nader uitgewerkt door die partijen. Zie ook nr. 9. Onderzoek naar duurzame lokale bronnen en individuele investeringen (zoals isolatiemaatregelen) vallen buiten de scope van dit MER. Zie ook nr. 17. 36. Robuustheidstest DHF meent dat onderzocht moet worden of de LdM, de alternatieven en/of het niet aanleggen van een leiding robuust positief blijven op de uitstoot van CO2 c.a. bij een versnelde uitvoering van de ambities, de invoering van energiebelasting en ODE op warmtelevering en bij flexibele energieprijzen door vraag en aanbod. Restwarmte is duurzame warmte, daarmee is de robuustheid aangetoond, zie ook de nrs. 1 en 19. De invoering van een energiebelasting en/of flexibele energieprijzen is geen provinciale aangelegenheid. Deze vallen buiten de invloedssfeer van dit project en dus ook buiten de scope van dit MER. 37.

Alternatief gebruik fossiele restwarmte in Rotterdam DHF meent dat moet worden onderzocht (a) op welke wijze duurzaam in de totale warmtevraag van huishoudens en kassen moet worden voorzien wanneer LdM juist voorziet in jaarrond basiswarmte. Dit omdat die duurzame bronnen juist ook die basiswarmtevraag nodig hebben om rendabel te zijn. Volgens DHF moet worden onderzocht of (b) in de lokale warmtetransitie behoefte is aan het separaat toevoegen van basiswarmtecapaciteit zoals die door LdM wordt geleverd of dat deze in het economisch model wellicht schadelijk is voor de energietransitie? Voorts zou moeten worden onderzocht (c) hoeveel procesindustrie er in de provincie is die gebruik kan maken van deze flat-line warmte, waar deze gevestigd is en welke oorsprong, route en eindpunt nodig zijn om LdM daar optimaal op af te stemmen en (d) of herplaatsing van bepaalde procesindustrie kan bijdragen aan de kostenreductie van warmte-infrastructuur. Met jaarrond basiswarmte van 120 graden kan op de plek van oorsprong eventueel ook nieuwe procesindustrie worden gestart, waar de aanlegkosten van LdM worden uitgespaard en anders besteed. Daarom zou moeten worden onderzocht (e) waar welke hoge temperatuurprocessen plaatsvinden en of die processen te plaatsen zijn bij de bronnen van deze warmte. Daarbij horen ook dingen als het opwarmen van ruwe olie (Botlek) voor het verpompen.

Met jaarrond basiswarmte van 120 graden ook energiedragers worden geproduceerd die opgeslagen kunnen worden. Daarom moet onderzocht worden (f) of op die manier, al dan niet met gebruik van hoge temperatuur warmtepompen, restwarmte kan worden omgezet naar energiedragers die in de piekvraag bruikbaar zijn en die eenvoudig transporteerbaar zijn via boot, trein of vrachtwagen. Tot slot moet worden onderzocht (g) of restwarmte een rol kan spelen in het transport van LNG in gasleidingen. 86

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11166269/1