CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311432 Bijlage

Commissie Leefomgeving 17 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken51.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

De grond van de greppel zou gebruikt kunnen worden om het verzonden zandtalud op te hogen en zo beloopbaar te maken. Deze wens zal door de gemeente worden betrokken bij de uitwerking van het herinrichtingplan voor Delft. Zie nummer 1. 3. In Tanthof West komt op de kop van de Laan der Verenigde Naties een pompstation. In dit verband is niet gesproken over water- en groencompensatie. ND stelt voor om hier nieuw water met een knotwilgensingel aan te leggen en het gebouw supernatuurinclusief te bouwen. Het gebouw voor het pompstation leent zich niet goed voor supernatuurinclusief bouwen. De ruimtelijke inpassing van het pompstation is echter wel nader bekeken. Zie ook Z24 nummer 24. In verband hiermee is de planregeling voor het pompstation in het inpassingsplan verder aangescherpt. 4. Bij de kruising Beatrixweg en Ruys de Beerenbroeckweg wordt de nog recent aangelegde natuurvriendelijke oever met de jongen bomenaanplant flink geraakt. De ruimte voor compensatie met grote bomen is hier erg beperkt na de aanleg. Als suggestie is voorgesteld om hier bijvoorbeeld resistente essen en elzen in de nieuwe natuurvriendelijke oever te zetten om toename van geluidsoverlast voor de achterliggende buurt te beperken. Zie nummer I.

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. De planregeling en de verbeelding voor het pompstation worden aangepast. De zienswijze heeft geen gevolgen voor de vergunningen van de gemeente Delft.

62

Z48

Particulier uit Delft

!

De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden De zienswijze heeft inhoudelijk ook betrekking op onderwerpen uit het PIP c.q. Combi-MER. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Delft • Ontwerp-PIP/Combi-MER Indiener maakt bezwaar tegen de plannen voor aanleg van een warmtetransportleiding langs en door de wijk Tanthof West in Delft. Het passeert de randen van een belangrijk natuurgebied waarin beschermde vogels en slangen broeden. De bomen hebben hierin een voorname ecologische functie. Geadviseerd wordt om van dit plan af te zien of een alternatieve route te bepalen. In het verleden zijn verschillende alternatieven onderzocht. Zie hierover de antwoorden onder Z24 nummers 7 en 20, 21 en 22. Voor het aspect overlast wordt verwezen naar Z24 nummer 20.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z49

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener vindt het een erg slecht plan om een pompstation in de wijk Tanthof West te bouwen en de leiding door het weinige natuur in Tanthof te leggen. Waarom dwars door Delft als Delftse wijken geen gebruik gaan maken van het warmtenet? Dan kan het tracé beter de snelwegen A4 of A13 volgen. Zie Z14 en Z24 nummer 9 voor de beantwoording over aantasting van het groen en het proces rond de herinrichtingsplannen in Delft. De provincie en de gemeente Delft stellen zich op het standpunt dat Warmtelinq van belang is voor de gemeente Delft en de andere deelnemende gemeenten. Ten aanzien van de suggestie om de warmtetransportleiding langs de A4 aan te leggen, wordt verwezen naar de beantwoording onder Z24 nummer 7.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z50

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener vindt de wijk Tanthof West nu aantrekkelijk vanwege de vele groen voorzieningen. Beschadiging hiervan door midden in de eco zones leiding aan te leggen is een verslechtering van het woonklimaat in deze wijk. Zie voor de beantwoording Z24 nummer 9

63

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z51

!

Stichting Den Haag Fossielvrij (J. Oudshoorn) De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Midden-Delfland: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Midden-Delfland: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Midden-Delfland: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Midden-Delfland: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Rijswijk: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Rijswijk: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Rijswijk: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Schiedam: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Schiedam: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Schiedam: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Vlaardingen: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Vlaardingen: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Vlaardingen: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Vlaardingen:

Vellen of doen vellen van houtopstanden • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning waterstaatswerken en bijbehorende zones • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning onttrekken grondwater/infiltreren van water • MRHD (RET/HTM): Vergunning voor werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) • Rijkswaterstaat: Vergunning gebruik maken van waterstaatswerken (rijkswegen A4 en A20) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunningen in de gemeenten Delft, Midden-Delfland, Rijswijk, Schiedam en Vlaardingen, noch op de vergunningen voor het wijzigen of gebruikmaken van waterstaatswerken, voor het onttrekken of infiltreren van water, voor werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen of voor het gebruiken van provinciale infrastructuur of (droge) waterstaatswerken. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER • Ontwerpbesluiten van Den Haag. Indiener heeft een zeer uitgebreide zienswijzen (24 blz.) en drie bijlagen (A t/m C) ingediend met betrekking tot het ontwerpinpassingsplan, alle ontwerpbesluiten, het MER en de overige daarop betrekking hebbende stukken. In deze zienswijze worden verschillende procedurele (nrs.

1 t/m 7) en inhoudelijke punten (nrs. 8 t/m 38) benoemd. Deze zijn hieronder beknopt samengevat. 1. Indiener behoudt zich het recht voor om zijn zienswijze aan te vullen met onderdelen uit de zienswijzen van andere partijen en stelt dat alle bij de bevoegde gezagen bekende rapporten enz. als ingevoegd moeten worden beschouwd. In dat kader verwijst indiener naar een tweetal petities die steunbetuigingen voor de ingediende zienswijze hebben opgeleverd. Wij zien geen reden om bij de beantwoording van de zienswijze van DHF, ook de inhoud van andere zienswijzen te betrekken. Het is niet duidelijk naar welke rapporten indiener verwijst, 64

noch wat hij daarmee beoogt of welke aan- of opmerkingen er zijn. Deze procedure heeft alleen betrekking op het inpassingsplan, de ontwerpbesluiten van de bevoegde gezagen van cluster 1en daarbij gevoegde onderzoeken en rapporten ten behoeve van het project WarmtelinQ Van de petities is kennisgenomen, zie ook beantwoording inzake bijlage C 2. De eerder door indiener toegezonden zienswijze op de NRD is ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Daardoor is de inpassingsplanprocedure niet zorgvuldig doorlopen en moet deze worden overgedaan. De eerdere zienswijze is opnieuw toegevoegd zodat deze in het kader van deze zienswijzeprocedure beantwoord kan worden. De zienswijze op de NRD is inderdaad niet ontvankelijk verklaard, maar wel inhoudelijk per brief beantwoord (kenmerk PZH-2020-750886656, 15 september 2020). Dit heeft echter niet geleid tot wijzigingen in de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Ter beantwoording van de eerdere zienswijze - die als onderdeel van de zienswijze op de ontwerpbesluiten opnieuw is ingevoegd - herhalen wij onze reactie van 15 september 2020. Zie hiervoor de beantwoording inzake Bijlage B 3. De procedure voldoet niet aan de condities van de Crisis en Herstelwet (Chw). De provincie heeft niet beargumenteerd waarom de Chw kan worden ingezet en waarom deze ontwikkeling middels een maximaal 10-jarig experiment tot stand gebracht moet worden.

De condities uit de Chw dienen zelf ook gemotiveerd en getoetst te worden, inclusief alle relevante vragen rondom het gebruik van de pijplijn. Dit is onjuist. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Het voornemen valt onder categorie 1, duurzame energie van bijlage I van de Crisis- en herstelwet. Uit dien hoofde is de Chw op het project van toepassing. Deze uitleg wordt onder steund door de Memorie van Toelichting van de wet waaruit blijkt dat de term in dit verband ruim moet worden uitgelegd, het gaat onder meer over een schoon milieu en een duurzame energievoorziening, zowel in Nederland als elders in de wereld. Er is geen sprake van een 10 jarig experiment. 4. Indiener meent dat alternatieve — wel duurzame — scenario's niet zijn onderzocht, bijvoorbeeld van lage temperatuur warmtenetten, voorrang voor lokale bronnen of hybride scenario's van elektrificering plus (groen)gas voor de piekvraag. Hierdoor is er geen goed beeld van de gevolgen van WarmtelinQ, de maatschappelijke kosten en de duurzaamheidsopbrengst. Ook zijn andere randvoorwaarden niet bekeken (zoals aanleg lokale distributienetten, verduurzaming bron en overige basiswarmte). Daardoor is Warmtelinq variant zelf ook onvoldoende onderzocht en vergeleken met alternatieven. Ten slotte zijn de risico's op vollopen, deelname, en leegloop onvoldoende onderzocht en vergeleken.

Indiener vindt dat een scenario moet worden gekozen met een hoge maatschappelijke waarde. Door dit allemaal niet te onderzoeken is de procedure onzorgvuldig verlopen en is het PIP niet rechtsgeldig opgesteld. In het Combi-MER zijn diverse alternatieven onderzocht. In het plan-MER zijn de effecten van een aantal energiescenario's beschreven, zoals all-electric en collectieve warmte. Het project MER-deel beschrijft de effecten van de tracéalternatieven voor het concrete project van de initiatiefnemer Deze aanpak is conform de geldende m.e.r.-wet- en regelgeving. Zie ook de beantwoording onder Z42 nummer 11, 5. Het bevoegd gezag heeft wijkinitiatieven ten onrechte niet als stakeholders meegenomen in het proces. Zij zijn ten onrechte niet geïnformeerd of anderszins betrokken. Het participatieproces is onvoldoende zorgvuldig verlopen en dat leidt ertoe dat dit proces niet tot een rechtsgeldig inpassingsplan kan leiden. Indiener pleit ervoor dat wordt geanticipeerd op de Europese richtlijn waarin lokale energiecoöperaties worden erkend als speler op de energiemarkt met bijbehorende rechten en plichten. Zie de beantwoording van Z01 over de onderwerpen participatie en inspraak. De warmtetransportleiding en lokale initiatieven zijn complementair aan elkaar. De veronderstelling dat op termijn alleen deze hoofdtransportleiding lokale distributienetten gaat voeden is niet juist.

Zie ook het antwoord op Z19 nummer 6 inzake het onderwerp WarmtelinQ in relatie tot lokale oplossingen. 65

6. In het PIP ontbreken o.a. de watertoets en natuurtoets en daardoor kan het PIP niet worden vastgesteld. Ook had er onderzoek moeten worden gedaan naar de warmte van de leiding. Door deze fundamentele omissie moet ook het MER worden overgedaan. Tevens had de provincie voor WarmtelinQ en vanwege de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2022 een Sociale Effect Rapportage (SER), sturend op hoogste maatschappelijke waarde, moeten uitvoeren. Voorts dateert de MER van 2 jaar terug. Inmiddels zijn er nieuwe onderzoeksgegevens beschikbaar (o.a. over de beschikbaarheid van duurzame bronnen in de verzorgingsgebieden van WarmtelinQ). Deze gegevens zijn ten onrechte niet meegenomen in het onderzoek. Derhalve is het MER verouderd en is daardoor het PIP niet rechtsgeldig opgesteld. De gevolgen voor zowel water (zie paragraaf 7.4) als natuur (zie paragraaf 12.5) zijn uitgebreid beschreven in het MER en daarmee is ons inziens sprake van een zorgvuldig opgesteld MER. Er is ook onderzoek gedaan naar de gevolgen van de warmte in de bodem. Zie hiervoor de beantwoording onder Z08 nummer 7. Dat als gevolg van de invoering van de Omgevingswet een `Sociale Effect Rapportage' had moeten worden gedaan, is onjuist. Zie hiervoor ook de beantwoording op Z08 nummer 10. DHF geeft aan dat het MER verouderd is. Dat is in de eerste plaats feitelijk onjuist aangezien het MER kortgeleden is afgerond.

Daar komt bij dat een MER geen uiterste houdbaarheidsdatum heeft. De rechter heeft regelmatig aangegeven dat ook een wat ouder MER onder omstandigheden gebruikt kan worden ten behoeve van de bestuurlijke besluitvorming. Er is ons inziens geen sprake van omstandigheden die vragen om een volledige herziening van het MER. 7. Indiener heeft in het PIP een meerdere onregelmatigheden, onzorgvuldigheden en fouten aangetroffen. Deze zijn opgenomen in bijlage A. Daardoor kan het PIP als zodanig niet worden vastgesteld. Zie de beantwoording inzake Bijlage A hierna. 8. Indiener vindt bewoners, overheden en natuur worden opgescheept met een nutteloos project. WarmtelinQ is niet nodig en werkt de transitie naar een CO2-neutrale samenleving tegen. De terugverdientijd van de WarmtelinQ is berekend op 30-60 jaar, terwijl raffinaderijen hoofdleverancier van de restwarmte - binnen die 60 jaar overbodig kunnen zijn omdat we aardolie niet meer nodig hebben. Daar komt voor Den Haag bij dat de stad de ambitie heeft in 2030 klimaatneutraal te zijn. Verduurzaming van de industrie staat de benutting van Warmtelinq niet in de weg. Het is alleen maar goed nieuws als de industrie binnen 30 jaar verduurzaamd zou zijn. Dan zijn we zowel voor de energietransitie in de industrie, als voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving op koers. 9.

De aanleg van WarmtelinQ vertraagt de energietransitie omdat het een nieuwe business voor de industrie creëert, namelijk het leveren van warmte. Daardoor neemt de incentive tot het circulair maken van de industrie af en dat werkt door in de productie sectoren en in de gebouwde omgeving, terwijl de Urgenda-uitspraak de staat juist maant om te versnellen. Dat lukt alleen als we WarmtelinQ juist NIET mogelijk maken. De industrie heeft conform het Klimaatakkoord 2030 een eigenstandige opgave tot verduurzaming. Dit staat los van de benutting van de beschikbare restwarmte van de industrie en de inzet daarvan in WarmtelinQ. Levering van restwarmte levert voor de industrie geen bijdrage aan het bereiken van de eigen verduurzamingsopgave. Dat volgt uit (inter)nationale regels. Ook tijdens en na realisatie van de verduurzamingsopgave door de industrie is er restwarmte beschikbaar. Daarbij wordt de oorsprong van deze warmte steeds duurzamer. Het valt niet in te zien waarom levering van restwarmte de energietransitie vertraagt, integendeel. 10. Indiener meent dat niet gekeken is naar de snelheid waarmee CO2 bespaard kan worden. Volgens CE Delft kunnen de lokale bronnen in Den Haag sneller ontwikkeld worden dan de warmtenetten, waardoor er geen behoefte is aan WarmtelinQ. Ook de impact op CO2 besparing is niet in kaart gebracht en niet met alternatieven vergeleken. 66

Naar CO2-effect en snelheid van realisatie van CO2-reductie is gekeken. Het CO2-vrije karakter van restwarmte is een van de belangrijke motivaties voor de realisatie van Warmtelinq. De eerstvolgende optie voor lokale warmte die CO2-vrije warmte van gelijke kwaliteit kan produceren, is geothermie. Dat heeft (tenminste) twee nadelen ten opzichte van Warmtelinq: het kost meer elektriciteit, waardoor de elektriciteitsopgave groter wordt en de kosten zijn hoger (door zowel de blijvend grotere elektriciteitsvraag en hogere aanlegkosten). Daar komt nog bij dat er onvoldoende geothermie aanwezig is om de regionale warmtevraag te dekken. 11. WarmtelinQ schept verdringingseffecten voor alternatieven en die zijn niet bekeken (o.a. voor lokale warmtenetten, voor lokale warmteopslag in de publieke ruimte en voor lokale warmtebronnen voor dezelfde woning waar ook basiswarmte op zomerniveau vanuit de leiding wordt geleverd). Lokale netten en WarmtelinQ zijn complementair aan elkaar en versterken gezamenlijk een duurzame warmtetransitie. Zie Z19 nummer 6 voor de beantwoording van het onderwerp WarmtelinQ in relatie tot lokale oplossingen. 12. Zelfs in slecht geïsoleerde huizen is hoge temperatuur warmte helemaal niet nodig voor flatline basislast. Deze kan beter met lage temperatuur worden geleverd en daarvoor is elke (goedkope) bron in of nabij het huis voldoende.

De flatline basislast van WarmtelinQ is dus helemaal niet nodig, en moet wat betreft prijs ook alleen vergeleken worden met andere oplossingen die alleen flatline warmte leveren. De flatline van de warmtevraagkromme bestaat alleen uit vraag naar warm tapwater. De isolatiegraad van woningen doet voor de warmwatervraag niet terzake. Juist de flatline is gebaat bij een leveringstemperatuur die zonder verdere inzet van hoogwaardige energie kan worden gebruikt voor warm water. Voor de flatline is de hoge leveringstemperatuur juist zeer relevant. 13. WarmtelinQ gaat er vanuit voorrang te krijgen bij levering voor restwarmte uit Rotterdam, terwijl deze voorrang ook wordt beloofd voor lokale bronnen. Dit is tegenstrijdig. Hier moet duidelijkheid over komen voordat tot besluitvorming over de vergunning kan worden overgegaan. De aanleg van Warmtelinq krijgt geen ander milieueffect als er een andere gebruiksvorm of beslisstructuur of voorkeursvolgorde wordt gekozen. Maar er zit een publieke kant, een publiek belang, aan de wijze waarop Warmtelinq uiteindelijk wordt gebruikt, maar het is niet Warmtelinq of de Gasunie, die daarover gaat. Vooralsnog is het aan een warmtebedrijf om te kiezen welke bronnen ze contracteert. De gemeente heeft de regie in het bijbehorende democratische keuzeproces. De verwachting is daarom dat de prijs op de plek van gebruik bepalend is.

Als dat in te grote mate tot keuzes leidt die beter betaalbaar, maar slechter voor het publiek belang zijn, ligt sturing van de overheid op basis van die publieke belangen voor de hand. Onder die belangen valt van alles, bijvoorbeeld ruimte, klimaat, luchtkwaliteit, mogelijkheden voor anderen om duurzame energie toe te passen of te produceren, mate waarin publiek geld de optie betaalbaar maakt, lage termijn houdbaarheid van de keuze enzovoort. 14. De ruimtelijke inpassing van WarmtelinQ moet niet doorgaan omdat niet goed is doorgerekend wat de impact is op de verduurzaming van Nederland. Een bezwaar/zienswijze van de klimaatbeweging op de onderzoeksvraag in de startnotitie is niet meegenomen in het proces en er zijn onvoldoende alternatieven onderzocht. Ook de alternatieven die in deze fase nog worden aangereikt, moeten worden onderzocht en tot dan kan van inpassing geen sprake zijn. In het Combi-MER zijn diverse alternatieven onderzocht. In het plan-MER zijn de effecten van een aantal energiescenario's beschreven, zoals all-electric en collectieve warmte. Het project MER-deel beschrijft de effecten van de tracéalternatieven voor het concrete project van de initiatiefnemer. Deze aanpak is conform de geldende m.e.r.-wet- en regelgeving. Een doorrekening voor heel Nederland is dus niet noodzakelijk.

In de zienswijze op de NRD zijn door DHF destijds geen realistische alternatieven aangedragen voor het warmtetransport.

67

15. Door het toestaan van WarmtelinQ ontstaat een lock-in voor A. De gehele transitie in Nederland, B. De transitie van de industrie in de Rotterdamse haven, C. Bestaande warmtenetten, D. Voorkomt ontstaan nieuwe warmtenetten en E. Nieuwe warmtenetten. De transitie in Nederland wordt slechts voor een miniem deel rechtstreeks beïnvloed door Warmtelinq. Als Warmtelinq mislukt, wordt de transitie in Nederland echter meer op achterstand gezet dan alleen in het toekomstige bedieningsgebied van Warmtelinq, omdat een negatief sentiment weerslag heeft op andere projecten. Maar een mislukking zou juist een lockin creëren, namelijk op het moeten ontwikkelen van meer alternatieven. Onder meer gaat dit gepaard met meer elektriciteitsverbruik en daarmee de noodzaak tot realisatie van meer windmolens, meer zonnepanelen De resulterende langere duur van de energietransitie leidt tot langer en groter gebruik van fossiele energie en daarmee een grotere voetafdruk op onze omgeving en de rest van de wereld. Een lock-in van fossiele warmteproductie door de industrie is niet aannemelijk. In ons antwoord onder nummer 11 hebben wij dit reeds gemotiveerd. In het antwoord onder nummer 9 hebben wij gemotiveerd dat warmte van WarmtelinQ complementair is aan lokale warmteoplossingen en in die zin de transitie versterkt en bestaande en toekomstige warmtenetten niet hindert.

Zie ook het antwoord op Z19 nummer 6 inzake WarmtelinQ in relatie tot lokale oplossingen. 16. Door WarmtelinQ met fossiele (rest)warmte neemt weerstand tegen energietransitie toe omdat de bron niet als duurzaam wordt gezien en doordat vanwege het risico dat onvoldoende mensen mee doen, burgers worden gedwongen voor deze optie te kiezen. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Volgens Europa en het Rijk is restwarmte dus duurzame warmte, de provincie ziet geen redenen om van dat standpunt af te wijken. De warmte komt vrij bij productieprocessen en wordt benut voor de ve►warming bij andere gebruikers. Hierdoor komt er geen extra CO2 vnj voor de opwekking (centraal of decentraal) van die elders te benutten warmte. Het staat eenieder vnj om hier anders tegenaan te kijken en tegelijkertijd is het een gezamenlijke opgave om waar mogelijk de inhoudelijke feiten te benoemen daar waar onjuiste argumenten worden gehanteerd. We vertrouwen erop dat burgers het belang zien van hergebruiken van restwarmte boven weggooien en dat zij de lagere kosten van restwarmte ten opzichte van alternatieven zullen waarderen. In ons antwoord onder nummer 9 hebben wij gemotiveerd dat warmte van WarmtelinQ complementair is aan lokale warmte oplossingen en in die zin het gebruik van warmte van WarmtelinQ niet gedwongen oplegt maar juist de transitie versterkt.

Zie ook Z19 nummer 6 voor de beantwoording van het onderwerp WarmtelinQ in relatie tot lokale oplossingen. 17. Voor hergebruik van restwarmte uit de industrie zijn betere alternatieven, bijvoorbeeld voor het verhogen van de begintemperatuur van het productieproces van de industrie of de verwarming van ruwe olie. In het ongunstigste geval is hiervoor een nieuwe fabriek nodig en in het gunstigste geval niet. Dat er uit energiegebruik altijd restwarmte ontstaat, vindt zijn oorzaak in de natuurkunde: waar een drijvende kracht nodig is, is energie inzet nodig. De enige manier om verliezen tot nul terug te brengen, is door energiegebruik tot nul terug te brengen, want processen zonder verliezen bestaan niet en energieverliezen hebben nu eenmaal de verschijningsvorm warmte. Laagwaardige warmte, die niet terug het proces in kan omdat de kwaliteit ervan grotendeels verloren is gegaan. Naarmate processen grootschalig zijn en toch binnen afzienbare tijd moeten plaatsvinden, is een overmaat energie onvermijdelijk. Op die overmaat besparen betekent inboeten op snelheid en vergroten van de reactor, de warmtewisselaar etc. Efficiëntie heeft daardoor grenzen. Dat is ook de reden dat met duurzame energie werkende processen niet wezenlijk minder energieverlies hebben dan met fossiele energie aangedreven processen. 18.

Indiener meent dat het disfunctioneren van het ETS WarmtelinQ in de kaart speelt. Het ETSsysteem zorgt ervoor dat een raffinaderij die zijn restwarmte aan WarmtelinQ kan leveren, voor dat deel van de CO2 uitstoot niet wordt belast. Maar omdat restwarmte als `hernieuwbaar' is gelabeld, telt hij ook voor de consument als CO2-vrij. De raffinaderij wordt zo CO2 efficiënter en hoeft in het ETS geen of minder emissierechten bij te kopen, terwijl deze intussen niets doet om het productieproces zelf CO2-efficiënter te maken, bijvoorbeeld door de restwarmte te gebruiken om het productieproces met een hogere begintemperatuur te starten, of 68

de ruwe olie voor te verwarmen. Door deze innovaties ontstaat er een nieuwe - lagere - drempel voor gratis rechten en moeten er meer gekocht worden waardoor de CO2 prijs stijgt. Als de fabriek een warmtenet voedt, wordt het moeilijker om hem te sluiten. Voor de aangesloten warmtenetten ontstaat een 'lock in' situatie: waar moeten ze de voeding vandaan halen als hun grootste warmtebron dichtgaat? Ook het primaire proces van de afvalcentrales wordt steeds meer het leveren van energie, waardoor zelfs afval uit o.a. Engeland, Italië en Hongarije wordt geïmporteerd De manier waarop restwarmte op dit moment georganiseerd is en de manier waarop ETS met warmte-uitkoppeling omgaat, staan in deze procedure niet ter beoordeling. Wat betreft de moeilijkheden die het gevolg zouden zijn van verlies van een warmte leverend bednjf (faillissement, verhuizing, gedwongen sluiting, verandering productieproces enz.): in situaties waarin maar een of een zeer beperkt aantal potentiële bronnen beschikbaar zijn, dat is een risico dat tot dure vervangende warmte kan leiden.

Een risico dat overigens vooral het warmtebedrijf treft, want zo er al inkomsten uit restwarmte ontstaan, zijn die niet meer dan kostendekkend en dus zeker niet voldoende om een noodlijdend bednjf overeind te houden Juist de grote schaal waarop warmte in de haven beschikbaar is en het geothermiepotentieel dat daar achter de hand is, maken dat er geen bednjf hoeft door te draaien omdat de warmtelevering anders in gevaar komt. In de huidige Warmtewet en in het wetsvoorstel oWCW is geregeld dat de warmtelevering verzekerd moet zijn in een situatie waarin de grootste bron uitvalt 19. Warmtelinq verhindert het ontstaan of voortbestaan van lokale warmtenetten door de hoge temperatuur (van 120 graden) omdat duurzame bronnen alleen op lagere temperatuur kunnen leveren en daarom dus niet op Warmtelinq kunnen aansluiten. Daarnaast zijn, naast de leidingen en warmtewisselaars (voor het uitwisselen van de warmte tussen WarmtelinQ en het stadsnet) pompen nodig waardoor het water op druk blijft en blijft stromen. Deze komen in de haven zelf en in Delft, maar ook bij de stadsnetwerken zijn pompen nodig om het water rond te pompen. Den Haag heeft deze pompen dus al bij de Uniper-centrale. Warmtelinq verdringt geen bestaande lokale warmtenetten, maar is juist afhankelijk van (een toename in het aantal) lokale warmtenetten.

Beoogd is dat er juist veel meer lokale netten kunnen komen omdat er betaalbaarder CO2-arme, en op den duur CO2-vrije, warmte kan worden geleverd dan zonder Warmtelinq mogelijk zou zijn. Zie ook Z19 nummer 6 voor de beantwoording van dit onderwerp. 20. Indiener meent dat een Open netwerk in de praktijk niet gaat werken omdat de warmte moet worden aangeleverd op de temperatuur die WarmtelinQ op dat punt in het netwerk heeft (120 graden) en er zijn geen duurzame bronnen die dergelijke temperaturen kunnen opleveren. In de haven zijn meerdere bronnen die warmte op dergelijke temperaturen over hebben en dat nu naar lucht of water lozen. Wie die warmte contracteert, kan voor het transport bij Warmtelinq aankloppen en een transportovereenkomst sluiten. Er kan dus warmte van concurrerende warmtebedrijven via Warmtelinq worden getransporteerd. Distributienetten waar Warmtelinq een 'bron' voor wordt, kunnen op lagere temperatuur werken dan WarmtelinQ zelf. Daardoor kan per distributienet verschillen welke lokale bron(nen) zonder temperatuurverhoging kunnen invoeden op het distributienet. Hoe open het distributienet wordt, wordt daardoor niet door Warmtelinq bepaald.

Wel is de consequentie van de hoge temperatuur waarop Warmtelinq zelf gaat werken, dat duurzame bronnen in de haven met een te lage temperatuur voor Warmtelinq duidelijk op achterstand staan ten opzichte van zowel identieke opties aan de afnamekant van Warmtelinq, als ten opzichte van CO2-vrije bronnen in de haven die wel de Warmtelinq-temperatuur hebben Dat is ook precies de bedoeling. 21. Het zal moeilijk zijn om WarmtelinQ rendabel te krijgen omdat dit afhankelijk is van veel factoren, o.a. voor de condities bij de fabrieken die warmte leveren, voor de subsidie- en andere voorwaarden voor Gasunie als eigenaar van WarmtelinQ en de levervolumes en voor de bedrijven die de warmte aan de huishoudens gaan leveren. De uitvoerbaarheid van Warmtelinq is uiteraard een aandachtspunt, want het is zeker geen gemakkelijk project. De reden dat Warmtelinq desondanks op (steeds meer) steun kan rekenen en dicht bij een investeringsbeslissing is, is de gunstiger score van WarmtelinQ ten 69

opzichte van alternatieven. Die zijn zowel duurder als trager en hebben een grotere impact op de ruimte (of ons geëxporteerde ruimtegebruik), vanwege de hoeveelheid extra elektriciteit die nodig is voor systemen die meer hoogwaardige hulpenergie kosten. De huidige situatie - met gasstook in vrijwel de gehele gebouwde omgeving - lijkt weliswaar goedkoper, maar zal het leefklimaat, zeker in Zuid-Holland, uiteindelijk zo ernstig aantasten, dat dat op termijn nog veel hogere kosten oplevert. Juist dat milieubelang, met voorop het klimaatbelang, vormt in de kern de bestaansreden van Warmtelinq. 22. Er zijn onvoldoende afnemers voor WarmtelinQ. In Rotterdam hebben ze voldoende warmte uit de eigen warmtenetten en dus niet geïnvesteerd in nieuwe dure distributienetten. Dat geldt ook voor andere gemeenten. In Delft zijn er mogelijkheden voor lokale geothermie. Voor Leiden en Den Haag betekent WarmtelinQ niet dat de gascentrales daar uitgeschakeld kunnen worden, want deze blijven nodig voor elektriciteit en piekverwarming. De grote hoeveelheid pompenergie die hiervoor nodig is en de impact ervan, is overigens niet onderzocht. In Den Haag en Rijswijk is alleen Eneco afnemer. Dat is strijdig met de doelstelling van de leiding. Daar komt bij dat de pijplijn in Rotterdam zonder warmtewisselaar aansluit op een pijpleiding van Eneco.

De facto wordt Eneco zo baas over wat er in de pijplijn naar Den Haag gebeurt. Het is niet duidelijk op welke wijze een milieubelang in het geding is als gevolg van wie waal de afnemende partij van Warmtelinq zal of zullen zijn. Wel is duidelijk dat er een milieubelang wordt gediend met het transport van restwarmte uit de haven via Warmtelinq. Met het systeem kan 250 MW aan warmte worden getransporteerd, maar het staat in dit stadium nog niet vast hoeveel pompenergie hiermee exact gemoeid zal zijn. Dit hangt namelijk samen met de mate van volloop, de invulling van de basislast en de eventuele doorontwikkeling van het netwerk. Zowel voor bestaande warmtenetten die nu nog gevoed worden met warmte uit aardgascentrales als voor nieuwe warmtenetten, is restwarmte een kosteneffectieve oplossing voor de levering van duurzame warmte, complementair aan lokale oplossingen. Uit meerdere analyses blijkt dat er voldoende afnemers zijn voor deze warmte, te beginnen met de afnemers in bestaande warmtenetten. 23. De warmte die WarmtelinQ levert, kunnen we in Den Haag en elders niet gebruiken. Dit is vanwege de beperkte 'flat line' vraag en basiswarmte (in Den Haag circa 90% van de vraag). De piekvraag is 10%.

lik

dig

Uit deze grafiek blijkt dat flatline basiswarmte leveren, betekent dat WarmtelinQ voorrang krijgt op andere lokale bronnen, terwijl gemeenten zeggen dat lokale bronnen voorrang krijgen. Bovendien voorziet deze flatline warmte slechts in een beperkte deel van de warmtebehoefte van woningen. Er zijn dus veel meer woningen en distributienetten nodig dan wordt gesteld op basis van de te leveren energie. De gascentrales van Uniper leveren ook elektriciteit en kunnen daarom pas op langere termijn worden uitgeschakeld. De warmte uit Rotterdam, vervangt dus de warmte uit Den Haag, maar levert geen bijdrage aan vermindering van CO2uitstoot, terwijl een studie van CMAG/CE Delft aantoont dat Den Haag in 2030 voor 90% (flatline en basiswarmte) verwarmd kan worden met energie uit duurzame bronnen, zoals aardwarmte, aquathermie, rioolwarmte enz.). Deze lokale duurzame bronnen zijn pas rendabel als zij voorrang krijgen en ook flatline basiswarmte mogen leveren. Omdat deze bronnen ook de 70

volgende lijnen in de badkuipgrafiek kunnen leveren (tot 90% van de warmte), zijn dit betere bronnen, maar ze kunnen niet rendabel ontwikkeld worden als dat deel bij WarmtelinQ komt. De lokale warmtevoorraad kan nog groter zijn, want niet alles is al in dit rapport onderzocht, bijvoorbeeld restwarmte uit de Uniper-centrale, die omschakelt op groen gas of waterstof, uit de productieprocessen van lokale bedrijven of van bedrijven met een grote koelvraag zoals supermarkten). Het warmtevraag-patroon van Den Haag ziet er niet wezenlijk anders uit dan de warmtevraag elders. Daarmee is rekening gehouden. In theorie zijn er veel bronnen om Den Haag van warmte voor gebouwen te voorzien. Dat zijn echter opties die het totale energiesysteem zwaarder belasten én die duurder zijn dan het gebruik van bestaande, nu weggegooide restwarmte. Door restwarmte niet te gebruiken wordt de totale transitie een grotere opgave. Restwarmte en lokale bronnen zijn complementair aan elkaar. Restwarmte zal voor een deel van de warmtevraag in Den Haag voorzien, lokale bronnen in het andere deel. Zie Z19 onder 6 voor de beantwoording van het onderwerp WarmtelinQ in relatie tot lokale oplossingen. Er is geen plicht of dwang om Warmtelinq-warmte voorrang te geven boven lokale warmte.

Lokale bronnen van geschikte temperatuur en met betaalbare mogelijkheden tot uitkoppeling hebben juist een betere positie dan warmte uit Warmtelinq. Er mag dus verwacht worden dat die bronnen prioriteit krijgen. Helaas zijn bronnen die net als restwarmte weinig hulpenergie nodig hebben schaars. Naarmate bronnen meer hulpenergie nodig hebben omdat een warmtepomp ingezet moet worden, zullen deze niet op de basislevering kunnen concurreren. Als bronnen voor flexibele vraag (grofweg van paars tot paars in de figuur) zijn dat wel geschikte bronnen. Veel van de genoemde bronnen hebben meer hulpenergie nodig dan de warmte die met de Warmtelinq wordt aangevoerd. Dat is dan ook de reden dat Warmtelinq wordt ontwikkeld en dat Warmtelinq wel degelijk helpt om de voetafdruk van Den Haag en andere gemeenten kleiner te maken. 24. WarmtelinQ levert geen effectieve bijdrage aan de warmte- en koude opgaven in de stad. Daarom moet de gewenste afvoer van warmte uit de stad worden meegenomen in de systeemkeuze. Deze noodzakelijke lokale aanpassingen verdringen de flat-line warmte van de leiding. Daarnaast zijn er nog andere transities (meer zonnepanelen, elektrische auto's), de kosten daarvan worden ten onrechte aan de warmtetransitie toegeschreven.

De warmte die door Warmtelinq naar (onder meer) Den Haag wordt getransporteerd, biedt een effectieve bijdrage aan de warmtevraag in de stad, maar inderdaad niet aan de koudevraag. De jaargemiddelde buitentemperatuur (nu 9 graden) zal in Nederland niet boven de ruimtetemperatuur uitstijgen. Los van warmwaterbehoefte, zal de ruimtewarmtebehoefte van verreweg de meeste bestaande woningen daardoor netto groter blijven dan de koudebehoefte. Voor wijken met HT- en MT-warmtenetten lijkt voor koude levering het gebruik van het koudeoverschot van (open en gesloten) bodemenergiesystemen van naburige woningen of naburige wijken die op LT-voorzieningen zijn aangesloten het meest wenselijk. Daarnaast kan gedacht worden aan gebufferde winterkoude voor passieve koeling in de zomer. Deze koude oplossingen zijn los van de warmtevoorziening te ontwikkelen. 25. WarmtelinQ wil de gemakkelijkste buurten uit Den Haag van flatline warmte voorzien, terwijl juist lokale bronnen voorrang zouden moeten hebben op deze buurten. Warmtelinq kan vanwege de leveringstemperatuur van tenminste 70°C elk type wijk van warmte voorzien, maar HT-of MT-netwarmte kan niet elke wijktype even gemakkelijk of even concurrerend van warmte voorzien. Elk type verduurzaming heeft eigen voors en tegens.

Wat voor de ene voorziening de meest gunstige wijk is, hoeft daarom voor een andere optie absoluut niet óók de meest interessante en betaalbare wijk te zijn. Wijken met goed geïsoleerde grondgebonden bouw met L T-afgiftesysteem zijn zeer geschikt voor warmtepompen, maar niet voor een MT of HT-warmtesysteem. Voor MT- en HT netwarmte zijn juist hoogbouw en bestaande meerlaagse bebouwing geschikte warmtevragers, terwijl dat voor warmtepompen juist weer moeilijke woningen zijn. Die keuze ligt niet bij Warmtelinq, maar bij de gemeenten in het kader van de Transitievisie warmte, in samenhang met onder andere de keuzes in RESverband en in samenspraak met bewoners en bedrijven en medeneming van vele andere belangen. 71

26. WarmtelinQ belemmert de verduurzaming van de warmtevoorziening in Den Haag, omdat de aansluitset vooral worden gehuurd (vaste kosten), de warmtetemperatuur hoog is (en er daardoor vooraf niet door de huiseigenaar wordt geïsoleerd) en omdat door de lage variabele lasten er geen financiële prikkels zijn om energie te besparen. Dit is niet goed voor de CO2 reductie doelen. Warmtelinq wordt aangelegd om te zorgen dat meer mensen binnen afzienbaar tijdsbestek een betaalbare en acceptabele energietransitie kunnen tegemoet zien. Dat wordt onder meer bereikt doordat er minder noodzaak is om nieuwe afgiftesystemen te plaatsen in bestaande bebouwing, te isoleren of energie te besparen. Tegelijk staat het iedereen vnj deze maatregelen wel te nemen en de kosten daarvan te dragen. De inzet is om voor een grote groep gebruikershoge (voor)investeringen, hoge aanpassingskosten in de woning en gedragsaanpassing te vermijden en tegelijkertijd CO2-arme én betaalbare warmte te bieden. De mogelijkheden tot kostenbesparing door warmte te besparen moeten in verhouding met de investeringen en kosten voor isolatie, en een groter afgiftesysteem worden beoordeeld. Op zelfgekozen, natuurlijke en passende momenten, bijvoorbeeld bij een verbouwing, kunnen deze aanpassingen wel gedaan worden. 27. Dat geldt ook voor verduurzaming van warm tapwater.

Het is duurzamer om drink- en douchewater in een huis apart te organiseren maar door WarmtelinQ zullen boilers juist uit huizen worden verwijderd. Ook kan de temperatuur van het warmtenet onmogelijk omlaag zonder opnieuw ingrepen in het huis. Dat er zonder tussenkomst van andere energiedragers voorzien wordt in zowel warm tapwater als ruimteverwarming, is een relevant verschil tussen warmtenetten op midden- of hoge temperatuur (d.w.z warmtenetten die tenminste 60 graden in de woning afleveren) met veel andere vormen van duurzame vetwarming. Maar dat is geen nadeel maar juist een voordeel van warmtenetten op midden- en hoge temperatuur. Dat ingrepen in huis daarmee worden beperkt — uitgesteld en waar mogelijk afgesteld — is dan ook juist een besparing. Niet alleen van geld, maar ook van materiaal en arbeidskracht. En van ruimte — want hoe lager de temperatuur van het warmtemedium, hoe meer uitwisselend oppervlak in de woning nodig is om een hoeveelheid warmte af te staan. 28. WarmtelinQ geeft geen incentive voor duurzaam gedrag of verdere CO2 besparing door afnemers omdat de variabele kosten - de prijs per eenheid warmte — laag zijn en de restwarmteproducenten geen baat hebben bij verder isoleren. Zij moeten bij besparingen juist meer wijken op WarmtelinQ aangesloten krijgen om dezelfde hoeveelheid warmte te kunnen blijven leveren.

Maar door het lagere energieverbruik worden de vaste kosten steeds onredelijker. De vaste kosten van Warmtelinq nemen niet toe als er meer wijken worden aangesloten op de leiding. Wel kunnen de kosten per warmtebedrijf dalen als zij erin slagen met minder Warmtelinq-capaciteit toe te kunnen en een nieuw, kleiner contract kunnen sluiten met Warmtelinq. De vaste kosten van distributienetten kunnen over meer aansluitingen worden verdeeld als er door isolatie of andere vorm van besparing ruimte ontstaat voor meer aansluitingen. De vaste kosten nemen daardoor niet toe, maar worden over meer gebruikers verdeeld en nemen per gebruiker juist af. Isolatie is dus juist voordelig voor de gebruikers, voor zover dat betaalbaar kan. Want daardoor nemen sowieso de eigen variabele kosten af én ontstaat er perspectief op meer aangeslotenen en dus een lager vast tarief Als warmtebedrijven de lagere kosten van WarmtelinQ en het distributienet doorvertalen naar de leveringscontracten van warmte dan zal besparen en isolatie niet alleen leiden tot lagere variabele kosten maar ook een lagere capaciteitsvergoeding. 29. Door WarmtelinQ moet de warmte van Uniper straks worden geloosd omdat de centrale nodig blijft voor de elektriciteitsproductie. Als de restwarmte niet meer het warmtenet van Den Haag in kan zal deze in de Haagse grachten worden geloosd.

Terwijl dat Maaswater die warmte beter kan verwerken dan de Haagse grachten en de milieuproblemen door te warm grachtenwater zijn ook niet onderzocht. Als Uniper (of een ander bedrijf) warmte wil gaan lozen op het oppervlaktewater, dan is daarvoor een vergunninfi nodig. Onderdeel van de beoordeling van die vergunningaanvraag, is de 72

vraag welke gevolgen dit heeft voor het ontvangende oppervlaktewater. Dat Warmtelinq de warmtelevering van de Uniper-centrale overneemt, staat dan ook geheel los van de vraag in hoeverre een dergelijke lozing wenselijk of aanvaardbaar is. Overigens is het wel gewenst dat de Uniper-centrale minder vaak aan hoeft, omdat het een aardgasgestookte centrale is die dus bijdraagt aan het fossiele aandeel in zowel de elektriciteitsmix als de warmtemix. Door Warmtelinq ontstaat een extra bedrijfsomstandigheid waarbij de centrale uit kan blijven — namelijk de situatie waarin er voldoende duurzame elektriciteit wordt geproduceerd en WarmtelinQ de benodigde warmte levert. 30. Door WarmtelinQ komen echt duurzame lokale bronnen niet meer tot ontwikkeling, want als WarmtelinQ de flatline gaat leveren (ongeveer 30 - 50% van de Haagse warmtebehoefte) krijgen de lokale initiatieven hun business case niet rond. Aantakken op WarmtelinQ is een theoretische mogelijkheid, want omdat WarmtelinQ alleen de flatline warmte levert, neemt het aantal huizen dat bediend moet worden, toe. Dat gaat gepaard met veel hogere kosten en er blijven veel minder huishoudens over voor andere bronnen. WarmtelinQ zorgt (in de volle benuttingssituatie) voor zo'n 80 % van de totale warmtevraag van de aangeslotenen. Dit is beduidend meer dan de flatline.

Lokale bronnen en WarmtelinQ zijn complementair aan elkaar en versterken gezamenlijk een duurzame warmtetransitie. Zie Z19 nummer 6 voor de beantwoording van WarmtelinQ in relatie tot lokale oplossingen. Lokale bronnen in Den Haag met warmte die direct invoedbaar is in het warmtesysteem met lagere kosten dan warmte uit Warmtelinq zullen economisch vanzelf voorrang krijgen boven Warmtelinq-warmte. Er is immers voor warmtebednjven geen plicht om Warmtelinq-warmte af te nemen, noch een voorrangsvereiste voor Warmtelinq. Ook blijven er op plekken waar warmtenetten niet de meest gunstige oplossing vormen meer dan genoeg marktkansen voor andere technieken en voorzieningen. 31. WarmtelinQ verdringt ook bestaande lokale warmtenetten omdat het om technische en fiscale redenen goedkoper is om dat lokale net aan te sluiten op WarmtelinQ (met looptijd 30-60 jaar) dan om na 15 jaar te investeren in een nieuwe warmtepomp. Ook zal de warmte per eenheid goedkoper zijn omdat WarmtelinQ met het grootverbruikersbelastingtarief rekent. De bedoeling van Warmtelinq is om te helpen de energietransitie op een aanvaardbare en beter betaalbare manier mogelijk te maken. Dat Warmtelinq warmtepompen voorbij streeft in betaalbaarheid is dus een beoogd en gewenst gevolg. De transitie wordt er betaalbaarder van als elektrificatie van warmtevraag kan worden voorkomen door warmtelevering.

Warmtelinq verdringt echter geen bestaande lokale warmtenetten, maar is juist afhankelijk van een toename in het aantal lokale warmtenetten. Warmtelinq zorgt voor een goedkopere en minder belastende bron van die netten, doordat er voor de levering vanuit Warmtelinq minder elektriciteit nodig is dan voor een warmtepomp. Daarvoor wordt warmte opgehaald die nu vrijwel helemaal wordt weggegooid, of warmte die in de diepe ondergrond zit. Die warmte transporteren naar gebruikers kost aanzienlijk minder elektriciteit dan warmtepompen en dan andere productie van warmte. 32. Restwarmte wordt veel duurder dan voorgesteld, want deze wordt geleverd door een commerciële partij die een maximaal rendement wil behalen. Dit leidt dus niet automatisch tot een lage prijs voor bewoners. In het beste geval is de warmte niet duurder dan gas. Maar anders dan bij gas en elektriciteit wordt over warmte nog geen energiebelasting geheven. Als er straks wel energiebelasting op warmte betaald moet worden, zijn bewoners extreem veel duurder uit. Een warmtenet wordt vaak betaald uit dit gat in de energiebelastingwetgeving en vallen straks voor de bewoners extreem veel hoger uit.

De huidige en toekomstige regelgeving rond warmte (onder meer de Warmtewet) zijn gericht op (consumenten)bescherming, betaalbaarheid van warmte en regulering en toezicht op tarieven en kosten die warmtebednjven mogen toerekenen door de Autoriteit Consument en Markt. Rendement- en winstmaximalisatie zullen vanuit deze regulering niet toegestaan zijn. Er wordt geen energiebelasting geheven over alle warmteleveringen. Dit is een bewuste keuze en dient een doel, namelijk de betaalbaarheid van warmtelevering verbeteren ten koste van de betaalbaarheid van (vooral) gas. Het is mede vanuit dit perspectief niet aannemelijk dat energiebelasting op warmtelevering wordt geïntroduceerd, omdat vanuit oogpunt van 73

betaalbaarheid dit 1 op 1 zal moeten leiden tot verhoging van de subsidies Per saldo levert dit niets op. 33. De energiebelasting op gas is voor grootgebruikers 25 keer lager dan voor bewoners. Hierdoor zijn besparingen niet rendabel en blijft restwarmte bij grootgebruikers zelf ongebruikt. Door WarmtelinQ wordt feitelijk het inefficiënte energiegebruik door grootgebruikers in de haven doorgetrokken naar de woningen, terwijl de energietransitie juist moet inzetten op het omgekeerde. Er is niet getoetst of de investering robuust is voor veranderingen in de energiebelasting tussen groot- en kleinverbruikers, of tussen de modaliteiten warmte, gas en elektriciteit. De constatering dat er lage energiebelasting zit op de grote verbruikers is juist, maar het is niet navolgbaar waarom dat de benutting van restwarmte in de gebouwde omgeving ongewenst maakt. Ook als de energieprijs en -belasting voor grootverbruikers hoog zouden zijn, blijft er uit industriële processen nog steeds restwarmte over die nuttig kan worden hergebruikt in plaats van weggegooid. 34. WarmtelinQ is onhoudbaar wanneer voor woningen het gebruik van restwarmte niet meer is gedefinieerd als 'hernieuwbaar'.

Die definitie is onhoudbaar want hernieuwbaar is het tegenovergestelde van fossiel In de nationale regelgeving (in wording) is er inderdaad niet voor gekozen om restwarmte die afkomstig is uit fossiele energie, het etiket `hernieuwbare energie' te geven. Dat is zichtbaar in de oWCW ( artikel 6.2 e.v.), waar Garanties van Oorsprong niet worden opengesteld voor restwarmte uit fossiele energie. Restwarmte uit fossiele energie is aldus wél CO2-vrij, maar niet hernieuwbaar. 35. Door WarmtelinQ komt echt duurzaam eindplaatje verder uit zicht, omdat de hoeveelheid duurzaam op te wekken energie bij lokale duurzame bronnen sterk verminderd wordt. De totale opgave is dus beduidend lagen met lokale duurzame bronnen! De warmte die met Warmtelinq wordt vervoerd, bestaat al in de bodem in de vorm van geothermie - of in de lucht of het water waarnaar de industrie de overtollige restwarmte loost. Dat is geen andere situatie dan bij aquathermie, riothermie en warmte uit lucht, bodem of oppervlaktewater. Door Warmtelinq wordt er veel direct bruikbare warmte geleverd die niet opgewekt hoeft te worden. Voor andere warmtebronnen is in toenemende mate sprake van de noodzakelijke inzet van extra energie. Warmtelinq wordt juist gerealiseerd, vanwege de geringe aanslag op het duurzame energiesysteem.

Lokale duurzame bronnen die ook geschikt zijn om (bijna) zonder warmtepomp warm water en ruimteverwarming te leveren, en die net als restwarmte, bij niet-gebruik verloren gaan, genieten tegelijkertijd de voorkeur boven gebruik van warmte uit de Warmtelinq, omdat daarvoor geen grootschalig transport nodig is. 36. Volgens indiener is de organisatie van WarmtelinQ in strijd met de universele ontwikkelingsdoelen. Indiener pleit voor een rechtvaardige energievoorziening in een (economisch) sterke, sociale en klimaat neutrale regio. Daarom moet het klimaatbeleid democratisch worden georganiseerd, conform de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties en Nederland. Om daarin te slagen moet aan drie factoren worden voldaan A. lokale zeggenschap, B. versterking van de lokale economie, C. CO2 hanteren als indicator en maat voor het meten van de verduurzaming en D. een zorgplicht voor eenieder om die voor ogen te houden, met name voor de grote energiebedrijven. Wij menen dat er ruim voldoende bestuurlijke en democratische legitimiteit is voor de besluitvorming over het inpassingsplan en de vergunningen voor Warmtelinq. De duurzame ontwikkelingsdoelen, de ontwikkeling van brede welvaart en de green deal zijn in lijn met Warmtelinq. Ten aanzien van de betrokkenheid van burgers bij de ontwikkeling van het klimaatbeleid wordt verwezen naar de beantwoording onder Z01. 37.

Indiener pleit voor sturing op hoogste maatschappelijke waarde. Dat betekent dat de overheid de uitdaging aangaat om het klimaatbeleid democratisch en participatief vorm te geven en te vertrouwen op de sociale innovatiekracht van mensen en lokale bedrijven. 74

Zie Z01 voor de beantwoording van het onderwerp communicatie en participatie. De realisatie van een warmtetransportsysteem in Zuid-Holland levert een belangrijke bijdrage aan de energietransitie. De warmtevoorziening zal verduurzamen door de restwarmte uit de havenindustrie te gebruiken voor de warmtelevering aan huishoudens en bedrijven. Ook zal op termijn de uitstoot van CO2 en stikstof in Zuid-Holland verminderen. Aansluiting op een warmtenet is de meest kostenefficiënte manier om 'van het gas los' te gaan. Het sluit aan bij de provinciale ambities en beleidsdoelstellingen en de provincie vindt de investeringen passend en verantwoord tegen de achtergrond van de benodigde energietransitie. Zie ook nummer 36. 38. Indiener van de zienswijze verwijst naar bijlagen A tot en met C. Bijlagen A tot en met C zijn hieronder samengevat en beantwoord. BIJLAGE A. ONDERDEEL VAN DEZE ZIENSWIJZE ONREGELMATIGHEDEN, ONZORGVULDIGHEDEN EN FOUTEN IN HET CONCEPT INPASSINGSPLAN Ad p 7 - Warmteoverdrachtstation De overdracht vindt niet plaats naar een warmtedistributienet. De definitie van een warmteoverdrachtstation in het ontwerp-PIP luidt: 1.19 Warmteoverdrachtstation een voorziening waarmee warmte wordt overgedragen van een warmtetransportleiding naar een warmtedistributienet.

Deze definitie is in het kader van de warmtetransportleiding en de samenhang met de ontwerp Wet Collectieve warmtevoorziening (oWCW) correct: een warmteoverdrachtstation is de plek waar de overdracht plaats vindt van een transportnet- of leiding naar een distributienet. Dat er binnen deze leidingen of netten sprake kan zijn van meerdere warmteoverdrachtstations, staat niet in de weg aan gebruik van deze definitie. In lijn met oWCW wordt alles wat niet tot de hoofdinfrastructuur behoort, onderdeel van een distributienet. Overigens wordt de definitie naar aanleiding van Z29/Z30 nog iets aangepast om te expliciteren dat hieronder ook andere technische voorzieningen kunnen vallen. Ad p 10 - bestemming: Ondergronds mag overal, waarom niet beperkt waar al bovengronds? bestemming: beschermingszones? Waar leidingen bovengronds komen, moet er vanzelfsprekend ook ondergronds leidingwerk mogen liggen, anders is er geen verbinding tussen de bovengrondse en de ondergrondse delen mogelijk. Datzelfde geldt voor plekken waar een bovengrondse faciliteit nodig is om de ondergrondse delen naar behoren te laten functioneren.

Ad 1.6 Beschermingszone "aan een leiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding voorschriften en beperkingen gelden." Moeten die voorschriften en beperkingen niet juist in het PIP gedefinieerd worden? De begrippen zijn onderdeel van het PIP en worden op deze manier dus juist in het PIP vastgelegd. De uitwerking van die voorschriften en beperkingen is eveneens onderdeel van het PIP. Ad 4.3 bouwregels: Afwijkingen mogen, maar alleen volgens de bouwregels. Onduidelijk. Warmtetransportleiding wordt eng gedefinieerd, waardoor distributieleidingen er zelfs niet onder vallen. Doel van een warmtenet is distributieleidingen, warmtetransportleidingen moeten enkel daar komen waar deze distributieleidingen niet in de weg zitten. Dit moet eerst onderzocht worden. Nieuw leidingen voor ondergronds transport van goederen (waaronder materialen waarin energie wordt opgeslagen), koudetransport, warmteopslag, gassen waaronder waterstof, vloeistofleidingen met energiedragers, elektriciteit, riool, enz. Warmteleidingen van derden, distributieleidingen, onderlinge warmteverbindingen tussen gebouwen. Waarom kan dat allemaal niet? Juist deze lokale ontwikkelingen zijn cruciaal voor een duurzame energietransitie. Waarom kan er niet boven de leiding gebouwd worden wanneer toegang tot de leiding gewaarborgd blijft?

75

Het PIP regelt alleen de warmtetransportleiding met bijbehorende voorzieningen en de planregeling is erop gericht om de integriteit van de leiding te beschermen door beperkingen te stellen aan bepaalde activiteiten binnen de beschermingszone. Dat wil niet zeggen dat binnen die zone bij voorbaat alles onmogelijk is, maar wel dat wat binnen die zone plaats vindt afgewogen moet worden tegen de belangen van het beschermen van deze warmtevoorziening. Zie ook de beantwoording onder Z29 nummer 1 inzake het belang van artikel 6.1 onder b in deze. Ad p 11 b. De geluidbelasting vanwege het warmteoverdrachtstation ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - WOS 2' mag op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50 dB(A) etmaalwaarde dan wel de vastgestelde hogere waarde. Dit is extreem hoog, moet lager. Wat is de vastgestelde hogere waarde? Hoe kan dit een eis in een bestemmingsplan zijn? Het WOS komt te liggen in een stedelijke omgeving en daarom uitgegaan van een toetswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Ook wanneer de inrichting onder het Activiteitenbesluit valt is een toetswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde van toepassing.

Om de norm van 50 dB(A) dan wel de vastgestelde hogere waarde te kunnen waarborgen is voor het WOS aan de Tripstraat (WOS 2) in de planregels een specifieke regeling opgenomen om een goed woon- en leefklimaat planologisch te verzekeren. Overigens wordt op basis van de berekende configuratie van het WOS voor de bestaande en nieuwe woningen geen overschrijding van deze toetswaarden verwacht. Ad p 11 Verbod: 4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.5.1 Verbod "Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Warmtetransportleiding' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen en parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem, daaronder mede begrepen lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; e.

het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; g. het permanent opslaan van goederen." Volgens dit PIP mogen deze omgevingsvergunningen ook niet verleend worden. Dat is niet correct, als het leidingbelang conform het bepaalde in artikel 4.5.3 niet onevenredig wordt geschaad, zijn deze en andere activiteiten toelaatbaar (en dus vergunbaar). Ad Antidubbeltellingregel: "Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing." Dit is een vreemde regel, want het is juist de bedoeling dat er dubbelbestemmingen mogelijk zijn. Deze regel staat dubbel grondgebruik niet in de weg. Er wordt slechts geregeld dat gronden waarvoor al iets is toegelaten, niet mogen worden meegenomen bij beoordeling van een nieuw bouwplan. Het is overigens een wettelijk voorgeschreven regeling die op grond van artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening in ieder inpassingsplan of bestemmingsplan moet worden opgenomen. Ad 6.1 Deze dubbelbestemming gaat voor.

Dat betekent dat alle elementen uit andere bestemmingsplannen stuk voor stuk hierin opgenomen moeten worden om gelijkwaardig te zijn! Dit is onjuist. Omdat een PIP na vaststelling deel gaat uitmaken van de geldende bestemmingsplannen, is het nodig om de verhouding tussen de regels van het PIP en de overige bestemmingsplannen duidelijk te maken door middel van voorrangsregels. Zie hiervoor ook het antwoord over de mogelijkheden voor andere activiteiten. Ad 6.2 Bevoegdheid tot vaststellen nieuw plan "a. De gemeenteraden van Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Rijswijk en Vlaardingen zijn na tien jaar na de vaststelling van dit inpassingsplan bevoegd een bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden waarop dit 76

inpassingsplan betrekking heeft. b. In afwijking van het bepaalde in lid 6.2 onder a kan de gemeenteraad een bestemmingsplan vaststellen: 1. indien daarbij wordt voorzien in de bestemmingen en in de planregels zoals neergelegd in het inpassingsplan; 2. indien het betreft een bestemmingsplan dat mede voorziet in de aansluiting van het lokaal warmtenet op de warmtetransportleiding van de Warmtetransportleiding Vlaardingen - Den Haag." WOW: 10 jaar lang geen bestemmingsplan veranderen! Wel aansluiten, niet afsluiten. Geen bevoegdheid om leiding in te korten. Dat zou tenminste moeten kunnen. Deze bepaling ziet niet op het aan- of afsluiten van distributienetten op de transportleiding of van gebouwen op een distributienet. Deze bepaling is gericht op de conservering van de door middel van het PIP mogelijk gemaakte activiteit, maar deze bescherming kent een wettelijke eindtermijn. Als de in te passen activiteit na tien jaar nog niet geheel is gerealiseerd, dan is de gemeenteraad weer bevoegd om vrijelijk te bestemmen. Binnen deze termijn geldt de bescherming die het PIP geeft en mogen alleen bestemmingsplannen worden vastgesteld die de in te passen activiteit respecteren of ondersteunen. In die zin is het correct dat gemeenteraden geen plan kunnen vaststellen met een ander of korter tracé.

Ad 6.2 b: Is dit en, en/of of of? Een bestemmingsplan moet tenminste aan een van de twee voorwaarden voldoen. Ad 7.3 lid 3 "Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;" Een jaar is veel te kort. Bedoeld wordt artikel 7.2, lid 3. Dit betreft hier een wettelijk voorgeschreven regeling die op grond van artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening in ieder inpassingsplan en bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze termijn is in de memorie van toelichting op deze regel uit het Besluit ruimtelijke ordening nader onderbouwd en wij zien geen aanleiding om daarvan af te wijken BIJLAGE B. ONDERDEEL VAN DEZE ZIENSWIJZE Eerdere zienswijze op NRD en nu opnieuw ingediend als onderdeel van deze zienswijze Onderstaande samenvatting en beantwoording van bijlage B zijn conform de brief van GS aan DHF van 15 september 2020 (PZH-2020-750886656): 1. Inleiding Den Haag Fossielvrij (hierna DHF) geeft aan dat alleen warmte die geen fossiele oorsprong heeft duurzaam is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11166269/1