RIS311432 Bijlage
Tekst van het document
Deze koppeling is zowel vanuit Wabo als APV toegestaan. De reden van koppeling is enerzijds om bomen te beschermen (niet kappen voordat er gewerkt wordt), anderzijds is er al een tijdsvenster gegeven voor de BVC-procedure. Mogelijk is het voor de geplande werkvolgorde wenselijk om deze koppeling los te laten. Dit is echter vanuit het oogpunt van de bescherming van het groen en de houtopstanden niet wenselijk. Vooruitlopend op de toestemming om de grond te roeren, is er geen noodzaak om de bomen in kwestie te kappen. 2. Indiener neemt aan dat de voorwaarde is gesteld om te voorkomen dat houtopstanden worden verwijderd voordat zekerheid is verkregen dat de warmteleidingen kunnen worden aangelegd. Indiener meent dat deze zekerheid afdoende wordt verkregen door de samenhang met het (nog) vast te stellen PIP. Pas als dat onherroepelijk is, kan indiener overgaan tot het kappen van houtopstanden. Deze stelling is onjuist. De toestemming om houtopstanden te vellen wordt bij verlening van de omgevingsvergunning al gegeven voordat middels het instemmingsbesluit is bepaald of er gegraven mag worden. Van deze vergunning gaat namelijk een directe werking uit. De
46
samenhang met het nog vast te stellen PIP is onvoldoende om hierop vooruit te kunnen lopen. Om deze reden blijft de koppeling van belang. 3. Handhaving van de koppeling is onevenredig belemmerend voor indiener aangezien de detailinformatie die nodig is voor de vergunning ex artikel 2.11 APV en een gedragen BVC-plan van de uitvoerend aannemer, pas op zijn vroegst over enkele maanden bekend is. Pas daarna kan de artikel 2.11 APV-aanvraag worden ingediend. De koppeling tussen beiden heeft gevolgen voor de planning, overigens werkt die koppeling daardoor ook belemmerend voor werkzaamheden van de gemeente Den Haag (geschikt maken trambanen voor nieuwe voertuigen). In verband hiermee verzoekt indiener dringend om deze voorwaarde te schrappen. Wij verwijzen voor de beantwoording naar hetgeen is gezegd onder de nummers 1 en 2. 4. Daarnaast ziet indiener graag dat de ontwerpbeschikking wordt gewijzigd in verband met een tussentijdse tracéwijziging. In eerste instantie kruiste de warmtetransportleiding de kruising Guntersteinweg / Pr. Beatrixlaan middel een GFT-boring van circa 160 meter, maar inmiddels is duidelijk geworden dat deze boring technisch zeer gecompliceerd is en er hoeven in de ecologische verbindingszone aan de Middachtenweg minder bomen te worden verwijderd als wordt gekozen voor een open ontgraving. Daarbij loopt de leiding eerst van west naar oost onder de Pr.
Beatrixlaan door, kruist dan de Guntersteinweg en sluit vervolgens aan op het reeds aangevraagde tracé aan de Middachtenweg (oostzijde). Verzocht wordt om de ontwerpbeschikking (voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, het uitvoeren van werk- of werkzaamheden en voor het vellen van houtopstanden) zodanig aan te passen dat de leiding via het gewijzigde tracé aangelegd kan worden. Het voorstel is door indiener vervat in een nieuwe vergunningaanvraag (kenmerk 202107746). Dat is noodzakelijk nu het voorstel een planwijziging inhoudt die niet tijdens de inzagetermijn aan derden-belanghebbenden is openbaargemaakt. Het huidige besluit betreft daarom alleen de oorspronkelijke vergunningaanvraag binnen cluster 1.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z37
Particulier uit Delft De zienswijze is niet-ontvankelijk
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z38
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Midden-Delfland: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Midden-Delfland: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Midden-Delfland: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Midden-Delfland: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning waterstaatswerken en bijbehorende zones • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning onttrekken grondwater/infiltreren van water • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) 47
!
• Rijkswaterstaat: Vergunning gebruik maken van waterstaatswerken (rijkswegen A4 en A20) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunningen voor het wijzigen of gebruikmaken van waterstaatswerken, voor het onttrekken of infiltreren van water, of voor het gebruiken van provinciale infrastructuur of (droge) waterstaatswerken. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER • Ontwerpbesluiten Delft • Ontwerpbesluiten Midden-Delfland. Indiener stelt dat in het natuurgebied niets moet worden geplaatst en gegraven, om beschadiging ervan te voorkomen. Zie de antwoorden onder Z14 en Z24 nummer 9.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z39
f
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • MRDH (RET/HTM): Vergunning voor werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen of het gebruiken van provinciale infrastructuur. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER • Ontwerpbesluiten Delft Indiener vindt het raar en storend dat het tracé ter hoogte van de N470 in Delft ineens afbuigt, de wijk Tanthof-West doorboort en daar onnodige schade, verandering en overlast toebrengt, terwijl deze naderhand parallel aan de Prins Beatrixlaan afbuigt richting Rijswijk. Hij acht het logischer en praktischer om het tracé ook ter hoogte van Delft en Den Hoorn parallel aan de A4 te laten lopen en pas bij Rijswijk het tracé af te buigen richting `s-Gravenhage.
Daarmee kunnen zowel de werkzaamheden als het latere onderhoud met behoud van de natuurrijke en historische omgeving en zonder overlast worden uitgevoerd, terwijl toch duurzaam vooruitgang wordt geboekt. In het verleden zijn verschillende alternatieven onderzocht. Zie hierover de antwoorden onder Z24, nummers 7 en 20, 21 en 22 Voor het aspect overlast wordt verwezen naar Z24 nummer 20.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
48
Z40
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Midden-Delfland: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Midden-Delfland: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Midden-Delfland: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Midden-Delfland: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener is het oneens met de uit te voeren plannen, in verband met de schade aan natuur en infrastructuur en het veroorzaken van overlast. Zie Z14 en Z24 nummer 9 voor de beantwoording over aantasting van het groen en het proces rond de herinrichtingsplannen. Voor het aspect overlast wordt verwezen naar Z24 nummer 20.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z41
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Midden-Delfland: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Midden-Delfland: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Midden-Delfland: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Midden-Delfland: Vellen of doen vellen van houtopstanden. Indiener maakt bezwaar tegen de werkzaamheden en aanleggen van pompinstallaties en leidingen in de schaarse natuurgebieden in de directe woonomgeving. Zie Z14 en Z24 nummer 9 voor de beantwoording over aantasting van het groen en het proces rond de herinrichtingsplannen. Voor het aspect overlast wordt verwezen naar Z24 nummer 20.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z42
CMAG BV De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER 1. Indiener meent dat in de stukken zaken en belangen van toekomstige warmteafnemers en lokale ondernemers in duurzame warmteontwikkeling over het hoofd worden gezien. WLQ heeft invloed op de gehele leveringsketen maar omdat slechts een deel wordt belicht, ontstaat een incompleet en misleidend beeld. Het MER schiet op een aantal punten te kort en zal moeten 49
worden herzien. De in februari 2020 daarop gerichte bezwaar is zonder opgaaf van redenen `niet ontvankelijk' verklaard, terwijl de essentiële tekortkomingen nog niet zijn aangepast. Het is niet duidelijk waarop indiener doelt. In een eerdere fase in dit proces heeft hij een reactie gegeven op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ten behoeve van het toen nog op te stellen milieurapport (MER). Hierop heeft indiener een reactie ontvangen. Onze conclusie luidde dat naar aanleiding van deze reactie de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen milieurapport niet aangepast hoefde te worden. 2. Doordat in de warmtetransitie de regie bij de gemeenten is gelegd, maar rijk en provincies ook substantiële investeringssubsidies toezeggen en volumegaranties afgeven, is het voor bedrijven en burgers niet duidelijk hoe en bij welk bestuursorgaan de democratische controle van de belangen van de afnemers ligt. Onder die omstandigheden worden concrete investeringsbeslissingen genomen voor projecten zoals WLQ, zonder dat een expliciet participatieproces is doorlopen en worden lokale energie-ondernemers buiten spel gezet, terwijl lokale bronnen op basis van het gemeentelijke beleid altijd voorrang zouden moeten hebben. De overheden treden gezamenlijk en in onderlinge afstemming op. Deze MER wordt gecotirdineerd door de provincie en in samenwerking met de gemeenten én Gasunie uitgevoerd.
Bovendien wordt in het kader van WarmtelinQ intensief samengewerkt met het Rijk. Uw zienswijze wordt daarmee door al deze partijen behandeld. Wat dat betreft is er geen onduidelijkheid. Zie Z01 voor beantwoording over het onderwerp participatie en inspraak. Alleen de gemeente Den Haag bepleit dat lokale bronnen altijd voorrang zouden moeten hebben. De provincie stelt zich op het standpunt dat de warmtetransportleiding en lokale initiatieven complementair aan elkaar zijn. De veronderstelling dat alleen de warmtetransportleiding de lokale distributienetten gaat voeden is niet juist. Ook lokale warmtebronnen, zoals geothermie, zonthermie en aquathermie zijn nodig voor de warmtetransitie. Door de gemeenten worden naast regionale energiestrategieën (RES) ook lokale warmtevisies en wijkuitvoeringsplannen opgesteld. Daarbij bepalen zij zelf welke strategieën zij volgen en hoe zij de lokale energie-ondernemers daarbij betrekken. Naast beschikbaarheid of juist gebrek aan lokale bronnen is het mogelijk dat ook andere strategische overwegingen op gemeentelijk niveau meespelen. 3. Het is onjuist om met de uitvoering van de energietransitie te starten voordat er een duidelijke visie en strategie is waarin wordt beschreven hoe en wanneer de doelstelling moet worden bereikt. In de RES 1.0 Rotterdam-Den Haag staan weliswaar doelstellingen maar dat is nog geen gedragen visie.
WarmtelinQ goedkeuren voordat er een gedragen visie ligt, is conceptueel onzuiver en introduceert risico's die het halen van de doelstelling in gevaar brengen. WarmtelinQ is een van de oplossingen om afnemers 'van het gas' af te halen, maar het levert geen 0O2-vrije warmte en staat niet vast dat er in 2040-2050 nog voldoende restwarmte beschikbaar is. Provincie, Rijk en gemeenten werken intensief samen bij de ontwikkeling van WarmtelinQ. Zoals u aangeeft hebben de gemeenten de regie als het gaat om het concreet maken van de vraag naar warmte en de keuze uit opties op wijk- en buurtniveau. De restwarmte die WarmtelinQ kan leveren, is onderdeel van deze keuze. Op dit punt is er geen onduidelijkheid over het democratisch proces bezien vanuit de gebruikers. Een wezenlijk onderdeel van het project is het concretiseren van het commitment om restwarmte af te nemen. Dit is het domein van de gemeente en het maken van de keuze kan niet zonder de benodigde kaders en ondersteuning van de hogere overheden. Zo wordt gezamenlijk gewerkt aan de best passende oplossingen en betaalbaarheid voor de gebruikers.
Uit meerdere studies, zoals het Integraal Ontwerp Warmtetransport Zuid-Holland van Gasunie (mei 2021) en het Collectief Warmte Systeem (CWS) in opdracht van de RES Rotterdam Den Haag blijkt dat restwarmte een deel van de oplossing is, maar zeker niet alle gevraagde warmte in de provincie kan leveren. Voor ruim 70% van de warmtevraag zijn alternatieven nodig. Dit biedt niet alleen volop kansen voor meer lokale oplossingen, maar het maakt de doorontwikkeling van oplossingen juist essentieel. Op wijk- en buurtniveau zullen de definitieve keuzes gemaakt worden over welke oplossing het beste past onder regie van de gemeente. In de recente studie rond het Integraal Ontwerp van Gasunie is als uitgangspunt genomen dat 50
alle nu bekende lokale oplossingen voor warmte worden ontwikkeld. In de studie is vervolgens in beeld gebracht hoe restwarmte aanvullend daarop bijdraagt aan de warmtetransitie. Deze werkwijze is in gesprekken met gemeenten en RES-partijen afgestemd. Daarmee draagt deze studie bij aan duidelijkheid voor alle partijen. Uit de studie komt naar voren dat WarmtelinQ een logische stap is en dus past in de hiervoor beschreven aanpak. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Volgens Europa en het Rijk is restwarmte dus duurzame warmte, de provincie ziet geen redenen om van dat standpunt af te wijken. De warmte komt vrij bij productieprocessen en wordt benut voor de verwarming bij andere gebruikers. Hierdoor komt er geen extra CO2 vrij voor de opwekking (centraal of decentraal) van die elders te benutten warmte. Ook bij de verduurzaming van de industrie zal afvalwarmte worden geproduceerd dat ingezet kan worden voor warmtetransitie doeleinden. 4. Indiener wijst erop dat de stelling dat industriële afvalwarmte duurzaam naar de meest gangbare internationale maatstaf niet wordt onderbouwd. Ten aanzien van het onderscheid tussen afval- en aftapwarmte merkt indiener op dat aftapwarmte (warmte die voor een ander doel wordt ingezet dan het primaire bedrijfsproces) geen afvalwarmte is, maar een regulier (co)product.
Pas als de warmte niet nuttig wordt ingezet, is het afvalwarmte. Als afvalwarmte een waarde krijgt, is het niet langer afval, maar een co-product, waaraan CO2-emissie moet worden toegewezen. Dit uitgangspunt is beschreven in de WRI/GHG protocol. De waarde van het product 'warmte voor de gebouwde omgeving', bestaat niet alleen uit de prijs voor die warmte, maar ook uit de toekenning van gratis CO2-emissierechten en vermeden CO-2-emissiekosten. De substantiële investeringen in uitkoppeling en transport onderbouwen de 'product' status van warmte. Het begrip `duurzaam' is breder dan alleen de hernieuwbare origine van de energie waaruit restwarmte is ontstaan. Duurzaam gaat ook over circulariteit, over zuinig zijn met grondstoffen en met energie, ect. In die bredere betekenis is gebruik van restwarmte ook van fossiele energie inderdaad duurzaam, omdat het hergebruik van afval is. Zo is de term hier ook bedoeld: het is duurzaam om restwarmte toe te passen en daarmee is het duurzame warmte. Ondanks de fossiele herkomst, is de toepassing dus wel duurzaam. De keuze uit de oWCW om geen Garanties van Oorsprong te kunnen verkrijgen voor restwarmte van fossiele origine, maakt dit duidelijk. De CO2 uitstoot van warmteleveranciers zoals raffinaderijen hoeft dan ook niet te worden berekend.
Overigens lijkt u zichzelf tegen te spreken door herhaaldelijk aan te geven dat er een verschil is tussen afval- en aftapwarmte kijkend naar de productstatus van beiden. Dat maakt uw punt minder duidelijk. Voor de (toewijzing van) CO2-emissies is het (inter)nationale klimaatbeleid van toepassing. Specifiek voor grote restwarmtebronnen geldt het Europese Emission Trading System (ETS). In dit systeem wordt de totale CO2-emissie van een installatie toegerekend aan die installatie. Specifiek voor restwarmte levering geldt zoals u aangeeft dat gratis CO2-emissie rechten worden toegekend. Daarbij wordt in zekere mate restwarmte als een specifieke activiteit en een specifiek product' in het ETS erkend. Dit doet echter niets af aan het uitgangspunt dat de bij restwarmte productie vrijkomende CO2-emissie volledig wordt toegerekend aan de installatie of deze nu geloosd wordt of nuttig gebruikt. Daarbij blijft het een verantwoordelijkheid van de eigenaar van de installatie om de CO2-emissie te reduceren conform de opgelegde doelstelling. Eerder hebben wij gemotiveerd dat ook dan voldoende beschikbaarheid van restwarmte zeer aannemelijk is. 5. Er zijn onvoldoende garanties of de Botlekindustrie zich aan de CO2-afspraken uit Parijs 2015 gaat houden en of er voldoende afvalwarmte beschikbaar blijft. Warmte uit WarmtelinQ is daarmee niet duurzaam en de aanvoer is onzeker.
Wij zijn van mening dat dit project juist bijdraagt aan het klimaatakkoord van Parijs. Ook bij de verduurzaming van de industrie zal afvalwarmte worden geproduceerd, dat ingezet kan worden voor warmtetransitie doeleinden. Restwarmte wordt per definitie geloosd in de omgeving. Het gebruik van restwarmte voor verwarming van woningen leidt daarmee tot CO2-reductie door vervanging van fossiele brandstof bij de gebruiker en draagt zo sterk bij aan de gezamenlijke CO2-reductie opgave. De industrie zal voor de eigen processen moeten voldoen aan 51
de CO2-reductieopgave, waaronder de industriedoelstelling per 2030. Daarmee wordt ook de oorsprong van de restwarmte steeds duurzamer. Het Integraal Ontwerp, de CWS studie en de Cluster Energie Strategie van de Rotterdamse haven wijzen uit dat er nu en in de toekomst voldoende restwarmte beschikbaar zal zijn. Samen met de verwachtte restwarmte levering door de toekomstige ontwikkeling van waterstof-producerende elektrolysers is er in potentie een veelvoud aan restwarmte beschikbaar ten opzichte van de te vetwachten vraag. Daardoor is aanbod van voldoende restwarmte aannemelijk, ook al is niet al het restwarmte aanbod zeker. 6. De hoge investeringen voor de leiding naar Den Haag en de extensie naar Leiden onderstrepen de productstatus van warmte. De majeure investeringssubsidies, de volumegaranties en de ETS-vergoedingen creëren een systeem waarmee andere partijen in de warmteketen niet kunnen concurreren. Voordat WarmtelinQ met overheidsgeld wordt gerealiseerd, moet eerst de potentie van lokale hernieuwbare bronnen worden onderzocht. Dat negeren, is een onacceptabele omissie. De overheid stimuleert op verschillende manieren zodat de diverse oplossingen betaalbaar worden voor de eindgebruikers. Zowel lokale collectieve en individuele oplossingen als centrale collectieve oplossingen worden ondersteund om dat doel te bereiken.
Op rijksniveau wordt niet verder gestimuleerd dan het wegnemen van de onrendabele top en het vergoeden van extra kosten. Dit hangt nauw samen met (inter)nationale staatssteunkaders die verdere stimulering niet toestaan. Dit leidt voor alle oplossingen tot ondersteuning op een vergelijkbaar niveau. Uit meerdere studies blijkt dat restwarmte een deel van de oplossing is maar zeker niet alle gevraagde warmte kan leveren. Voor ruim 70% van de warmtevraag zijn alternatieven nodig. Dit biedt niet alleen volop kansen voor meer lokale oplossingen maar het maakt de doorontwikkeling van deze oplossingen juist essentieel. Op wijk- en buurtniveau moeten de definitieve keuzes gemaakt worden welke oplossing het beste past. De gemeente heeft daarbij een belangrijke regierol. In het Integraal Ontwerp is als uitgangspunt genomen dat alle nu bekende lokale oplossingen voor warmte worden ontwikkeld. In de studie is vervolgens in beeld gebracht hoe restwarmte aanvullend daarop bijdraagt aan de warmtetransitie. Deze werkwijze is in gesprekken met gemeenten en RES-partijen afgestemd. Daarmee draagt deze studie bij aan duidelijkheid voor alle partijen. Uit de studie komt naar voren dat WarmtelinQ een logische stap is en dus past in de hiervoor beschreven aanpak. Zie voor de relatie tussen WarmtelinQ en de lokale bronnen ook beantwoording bij nummer 2. 7.
Door RES 1.0 en de Warmtewet 2.0 wordt warmte een verdienmodel voor veelal buitenlandse bedrijven. Er ontstaan gedurende 20-30 jaar monopolies waardoor afnemerscondities verminderen, innovatie geblokkeerd en opbrengsten naar het buitenland vloeien. Toekomstige afnemers worden hierdoor misleid. Indiener citeert een passage uit de RES 1.0 van de regio Rotterdam Den Haag. Deze MER procedure gaat niet over deze RES maar over het WarmtelinQ project. Wij geven u in overweging om uw vragen over de RES aan de betreffende betrokkenen te stellen. De warmtetransportleiding en lokale initiatieven zijn complementair aan elkaar. De veronderstelling dat op termijn alleen WarmtelinQ de lokale distributienetten gaat voeden is niet juist. Zie ook de beantwoording onder nummer 2, 8. RES1.0 en WarmtelinQ missen de benodigde legitimatie, ondanks de participatie-evenementen. Nederland moet (inter)nationale afspraken over klimaatrisicobeheersing nakomen. Door WarmtelinQ vroegtijdig te realiseren worden veel opties geblokkeerd en de burger buiten spel gezet zonder dat men de gelegenheid heeft gehad deze beslissing op waarde te beoordelen. In het Integraal Ontwerp is als uitgangspunt genomen dat alle nu bekende lokale oplossingen voor warmte worden ontwikkeld. In de studie is vervolgens in beeld gebracht hoe restwarmte aanvullend daarop bijdraagt aan de warmtetransitie.
Deze werkwijze is in gesprekken met
52
gemeenten en RES-partijen afgestemd. Daarmee draagt deze studie bij aan duidelijkheid voor alle partijen. Uit de studie komt naar voren dat WarmtelinQ een logische stap is. De lokale energietransitie staat niet haaks op het realiseren van hoofdinfrastructuur voor warmte, De aanwezigheid van die hoofdinfrastructuur maakt juist dat in veel wijken later via een lokaal warmtenet een CO2-vrije en betaalbare optie kan worden toegevoegd aan het lokale keuzepalet. Die keuze wordt door de gemeenten bepaald, veelal op basis van de gemeentelijke warmtevisies en wijkuitvoeringsplannen. De provincie (en anderen) zetten volop in op het realiseren van lokale warmtenetten en de komst van Warmtelinq vergroot de kansen voor de lokale netten. Zonder WarmtelinQ wordt de opgave voor alternatieven groter, verloopt de warmtetransitie langzamer en wordt de uitvoering duurder. In alle gevallen waarbij een collectieve warmtebron ontwikkeld wordt (aquathermie, geothermie, zonthermie, restwarmte etc.) is een lokaal warmtedistributienet nodig om deze warmte te transporteren. In die zin is restwarmte uit een warmtetransportnet zoals WarmtelinQ één van de opties. De keuze die gemaakt wordt op wijk- en buurtniveau wordt geregisseerd door de gemeente. De door u genoemde Warmtewet 2.0 beoogt daarbij dat de gemeente een leverancier aanwijst die in een vastgestelde warmtekavel de warmte gaat leveren.
Bij deze wezenlijke keuze zal de gemeente ook de participatie van de afnemers vormgeven in aanvulling op de communicatie- en participatie activiteiten die vanuit de RES en WarmtelinQ plaatsvinden. De toekomstige Wet Collectieve Warmtevoorziening (Warmtewet 2.0) borgt op verschillende manieren de belangen van de afnemers met een belangrijke toezichthoudende rol door de ACM. De toepassing van restwarmte onderscheidt zich in dit geheel niet van de alternatieven De stelling dat door WarmtelinQ monopolies worden gecreëerd, kunnen wij niet volgen. 9. Zuid-Holland heeft een zeer gunstige uitgangspositie voor verduurzaming van de energievoorziening en er is een groot potentieel van lokale hernieuwbare bronnen. Door met veel overheidssteun een hoog-temperatuurnet te forceren, staan deze lokale hernieuwbare bronnen technisch en economisch buitenspel en gaat circa 450 miljoen potentiële lokale marktwaarde verloren. De overheid stimuleert op verschillende manieren zodat de diverse oplossingen betaalbaar worden voor de eindgebruikers. Zowel lokale collectieve en individuele oplossingen als centrale collectieve oplossingen worden ondersteund om dat doel te bereiken. Op rijksniveau wordt niet verder gestimuleerd dan het wegnemen van de onrendabele top en het vergoeden van extra kosten. Dit hangt nauw samen met (inter)nationale staatssteunkaders die verdere stimulering niet toestaan.
Dit leidt voor alle oplossingen tot ondersteuning op een vergelijkbaar niveau. Uit meerdere studies blijkt dat restwarmte een deel van de oplossing is maar zeker niet alle gevraagde warmte kan leveren. Voor ruim 70% van de warmtevraag zijn alternatieven nodig. Dit biedt niet alleen volop kansen voor meer lokale oplossingen maar het maakt de doorontwikkeling van deze oplossingen juist essentieel. Op wijk- en buurtniveau moeten de definitieve keuzes gemaakt worden welke oplossing het beste past. De gemeente heeft daarbij een belangrijke regierol. 10. De risicoparagraaf is te summier. Indiener verwijst naar de voortgangsrapportage Leidse regio en de COR annotatie, waarin meer en andere risico's niet beschreven zijn. Daarom kan er geen besluit worden genomen over WarmtelinQ voordat er een gedegen risico-onderzoek is uitgevoerd. De genoemde stukken uit de Leidse regio zien toe op de afweging om restwarmte in te zetten voor de warmtetransitie in de Leidse regio. De gemeenteraden in de Leidse regio hebben inmiddels alles overwogen en ingestemd met het voorstel van de colleges van B&W. Dit besluit betrof niet de investeringsbeslissing in WarmtelinQ. Die beslissing neemt Gasunie en hanteert daarvoor een eigen risico-inschatting. 11. Het MER schiet te kort, zowel in de CO2-emissie analyse als in het identificeren en uitwerken dan wel beoordelen van alternatieven.
Zo is niet duidelijk naar welke strategie wordt verwezen in paragraaf 3.1, wordt restwarmte ten onrechte als duurzaam bestempeld en wordt niet 53
duidelijk naar welke samenspraak wordt verwezen waarin de afwegingscriteria werden geformuleerd. Niet iedere suggestie voor een alternatief hoeft overgenomen te worden door de initiatiefnemer. Uitgangspunt in het MER is het project van de initiatiefnemer en de daarbij behorende doelstellingen. Op grond van artikel 7.23 Wm, eerste lid, onder d is de initiatiefnemer wettelijk verplicht om een beschrijving te geven van de redelijke alternatieven. Redelijke alternatieven zijn die alternatieven waarmee het doel van de initiatiefnemer wordt bereikt tegen redelijke kosten en die wezenlijk andere milieueffecten zullen veroorzaken. Alternatieven die ongeveer dezelfde milieugevolgen veroorzaken hoeven niet allemaal beschreven te worden, want die geven geen nieuwe milieu-informatie. Restwarmte die afkomstig is uit fossiele energie krijgt in de nationale regelgeving (in wording) inderdaad niet het etiket `hernieuwbare energie'. Daarom worden in de oWCW (artikel 6.2 e. v.) Garanties van Oorsprong niet opengesteld voor restwarmte uit fossiele energie. Restwarmte uit fossiele energie is dus wél CO2-vrij, maar niet hernieuwbaar. Dat laatste is alleen het geval als de restwarmte afkomstig is uit hernieuwbare energie. Hert MER en het PIP beogen op die terminologie aan te sluiten. 12.
Indiener meent dat gemeenten buiten het stedelijk industrieel complex van Rotterdam/Westland niet als omliggende bedrijven en -woningen kunnen worden gezien en dat WarmtelinQ niet rendabel is zonder forse investeringssubsidies en volumegaranties. Bovendien levert WarmtelinQ alleen basislast en geen pieklast en zou daardoor gediskwalificeerd of aangepast moeten worden. Hoewel uiteraard wel relevant voor de haalbaarheid van het project als geheel, zijn mogelijke investeringssubsidies en volumegaranties geen onderdeel van de procedure voor dit PIP en het bijbehorende MER waarmee de warmtetransportleiding ruimtelijk mogelijk wordt gemaakt. Gasunie concludeert dat transport van restwarmte een kostenefficiënt alternatief voor aardgas is. Zie ook integraal ontwerp van Gasunie, de RES 1.0 Rotterdam-Den Haag en het eindrapport collectieve warmtevoorziening dat als onderbouwing geldt voor de warmtestructuurvisie van de RES. Volgens de initiatiefnemer is voor de warmtetransportleiding Vlaardingen — Den Haag geen pieklastondersteuning nodig. Daarom voorziet het beoogde pompstation in Delft alleen in pompcapaciteit. Het klopt dat warmtetransport naar verwachting vooral wordt ingezet als basislast en dat de pieklast (en backup-installatie) lokaal geregeld moeten worden. De stelling dat dit moet leiden tot diskwalificatie dan wel aanpassing, onderschrijven wij niet. 13.
Ten aanzien van de strategische alternatieven in het MER is niet aangegeven waarom deze zijn geselecteerd en ook niet, welke alternatieven niet werden onderzocht. Het verschepen van warmte via terminals via binnen- en buitenwater werd ongemotiveerd niet onderzocht. Het aangehaalde onderzoek van CE Delft uit 2015 is gedateerd en het nieuwere onderzoek naar hybride warmtenetten in Den Haag moet in de alternatievenafweging worden opgenomen voordat het WarmtelinQ voorstel voor besluitvorming wordt voorgelegd. Ook andere typen lokale hernieuwbare bronnen (o.a. zonthermie, aquathermie en warmtepompen op groene stroom) zijn niet meegenomen. In uw reactie op de NRD heeft indiener het verschepen van warmte via schepen als alternatief naar voren gebracht. Daarop hebben wij aangegeven dat wij dit alternatief op dit moment niet realistisch achten en daarom geen aanleiding zien om dit alternatief in het MER te laten onderzoeken. Niet iedere suggestie voor een alternatief hoeft overgenomen te worden door de initiatiefnemer. Uitgangspunt in het MER is het project van de initiatiefnemer en de daarbij behorende doelstellingen. Lokale warmte is in het MER beschouwd in paragraaf 3.2, te weten all-electric, collectieve warmte, groen gas en biomassa.
Collectieve warmte zoals in de MER bedoelt richt zich op alle vormen van levering van warmte op hoge en lage temperatuur waarbij sprake is van gebruik van warmtenetten. Als voorbeelden zijn restwarmte, bodemwarmte, geothermie en een groen gas WKK genoemd. Op grond van artikel 7.23 Wm, eerste lid, onder d is de initiatiefnemer wettelijk verplicht om een beschrijving te geven van de redelijke alternatieven. Redelijke alternatieven zijn die alternatieven waarmee het doel van de initiatiefnemer wordt bereikt tegen redelijke kosten en die wezenlijk andere milieueffecten zullen veroorzaken. Alternatieven die ongeveer dezelfde milieugevolgen veroorzaken, hoeven niet allemaal beschreven te worden, want die geven geen nieuwe milieu-informatie. Lokale netten en deze warmtetransportleidinq zijn complementair aan elkaar en versterken gezamenlijk een 54
duurzame warmtetransitie. De warmtetransportleiding staat het ontwikkelen van lokale bronnen en warmtenetten ook niet in de weg, beide zijn immers nodig om te kunnen voorzien in de warmtevraag in de regio. Om die reden zijn deze in het MER als alternatief voor WarmtelinQ niet nader onderzocht, In de Integraal Ontwerp studie is op basis van nationale kosten nagegaan op welke wijze restwarmte kan bijdragen aan de CO2-reductie opgave. Daarbij zijn alle bekende lokale oplossingen als vertrekpunt genomen. Hieruit komt naar voren dat voor 25% van de warmtevraag in de provincie restwarmte de gewenste keuze is. WarmtelinQ komt als logische stap in deze studie naar voren, maar kan niet de volledige potentiële restwarmtevraag van 25% bedienen. Daarvoor is verdere uitbreiding van het warmtetransportnet noodzakelijk. Voor deze verdere uitbreiding en bijbehorende beslissing zal opnieuw naar de relatie met alternatieven worden gekeken. De definitieve keuze voor een warmte oplossing per wijk of buurt wordt gemaakt onder regie van de gemeenten. Nieuwe inzichten in (hybride) oplossingen zullen in dit keuze proces hun rol krijgen om tot een definitieve keuze te komen. 14. In het MER worden onvolledige en onjuiste definities van restwarmte gehanteerd, waardoor de warmte uit WarmtelinQ ten onrechte als duurzaam wordt bestempeld.
Daarnaast hanteert het MER ook het criterium aardgasloos maken van de gebouwde omgeving en dat is geen zuivere doelstelling, want het zou moeten gaan om het reduceren van de CO2-emissie. In zijn geheel lijkt het MER gebaseerd op gedateerde studies van CE Delft, terwijl de optie lokale warmtenetten, die in de tussentijd sterk ontwikkeld zijn, ontbreken in de alternatievenafweging. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Volgens Europa en het Rijk is restwarmte dus duurzame warmte, de provincie ziet geen redenen om van dat standpunt af te wijken. De warmte komt vnj bij productieprocessen en wordt benut voor de verwarming bij andere gebruikers. Hierdoor komt er geen extra CO2 vnj voor de opwekking (centraal of decentraal) van die elders te benutten warmte. In de nationale regelgeving (in wording) is er inderdaad niet voor gekozen om restwarmte die afkomstig is uit fossiele energie, het etiket `hernieuwbare energie' te geven en daarom worden in de oWCW (artikel 6.2 e. v.) geen Garanties van Oorsprong (GvO's) opengesteld voor restwarmte uit fossiele energie. Restwarmte uit fossiele energie is aldus wél CO2-vnj, maar niet hernieuwbaar. CO2vnj én hernieuwbaar is restwarmte alleen als de restwarmte afkomstig is uit hernieuwbare energie. MER en PIP beogen daarop aan te sluiten.
Het begrip `duurzaam' is dus breder dan alleen de hernieuwbare origine van de energie waaruit restwarmte is ontstaan. Duurzaam gaat ook over circulariteit, over zuinig zijn met grondstoffen en met energie, ect. In die bredere betekenis is gebruik van restwarmte ook van fossiele energie inderdaad duurzaam, omdat het hergebruik van afval is. Zo is de term hier ook bedoeld: het is duurzaam om restwarmte toe te passen en daarmee is het duurzame warmte Ondanks de fossiele herkomst, is de toepassing dus wel duurzaam. De keuze uit de oWCW om geen GvO's te kunnen verkrijgen voor restwarmte van fossiele origine maakt dit duidelijk. In het MER zijn de milieueffecten van het voornemen in beeld gebracht en is toegelicht waarom restwarmte een duurzame warmtebron is. MER en PIP zijn met bovenstaande in lijn Voor wat betreft de niet onderzochte alternatieven wordt verwezen naar het antwoord onder nummer 12. 15. Een eventuele toename van de CO2-uitstoot door uitstel van WarmtelinQ kan worden opgevangen met een energievraagreductieprogramma, waarmee de energievraag in de gebouwde omgeving tot 60% kan worden gereduceerd en nog andere voordelen genereren. Reductie van de energievraag (warmtevraag) is altijd een goede strategie. Deze leiding voegt op lokaal en individueel niveau een keuzemogelijkheid toe aan de warmtetransitie.
Reductie van de energievraag is geënt op keuzes op zeer lokaal niveau. Denk hierbij aan individuele investeringsmogelijkheden en overige persoonlijke afwegingen. Dit valt ver buiten de scope van deze procedure waarbij een warmtetransportleiding ruimtelijk mogelijk wordt gemaakt. Ook hiervoor geldt dat alle in te zetten middelen voor lokale warmtelevering, de
55
warmtetransportleiding en de vraagreductie complementair zijn aan elkaar om de energietransitie — en klimaatdoelstellingen te halen.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z43
I
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken/werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Midden-Delfland: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Vlaardingen: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunningen in de gemeenten Den Haag, Midden-Delfland en Vlaardingen, noch op de vergunning voor het gebruiken van provinciale infrastructuur. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER • Ontwerpbesluiten Delft Indiener heeft bezwaar. Geen beschadigingen aan groen en geen werkzaamheden rond het huis en geen pompstation bij Tanthof west Zie ook de beantwoording van Z14 en Z24 nummer 9 voor de beantwoording over overlast, aantasting van het groen en het proces rond de herinrichtingsplannen in de gemeente Delft. Zie Z24 nummer 23 voor de beantwoording van het onderwerp locatie van het pompstation.
Milieueffecten van het pompstation zijn afgewogen in het MER en andere onderzoeken. Wij menen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het pompstation en dat de toekomstige situatie voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z44
Bomenstichting Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Den Haag: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener richt zich in de zienswijze op de situatie in Den Haag langs het voorlopige tracé — Middachtenweg, Moerweg, De la Reyweg, Wijkpark Transvaal naar de centrale aan De Constant Rebecqueplein. Indiener pleit voor het belang van bomen voor mens, dier en biodiversiteit en vraagt om uiterste terughoudendheid bij het rooien van bomen. Tevens wordt gevraagd om: 1.
exact aan te geven waar de 72 (van de 133 te rooien bomen in Den Haag) worden herplant (van de overige 57 bomen is dat reeds bekend); Dit staat aangegeven in het herinrichtingsplan. Daarin is ook de herplantplicht opgenomen.
56
2. voor de huidige situatie, het VKA en alternatief 2 de ecosysteemdiensten/kroonoppervlakte te berekenen en op basis hiervan een afweging te maken qua (alternatieve) tracés dan wel boomsparende aanlegtechnieken toe te passen; De meeste effecten zullen zich voordoen in de aanlegfase. In het MER (en overige onderzoeken) wordt ook ingegaan op de (permanente) effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten in de gebruiksfase. Bij het thema Woon-en leefomgeving, onder Aspect Invloed op milieu en luchtkwaliteit is het verdwijnen van bomen als criterium opgenomen. Het tracé inclusief de locatie van de expansielussen is dusdanig gekozen en uitgewerkt dat zoveel mogelijk groen behouden wordt. Herplant van bomen is daarbij één van de uitgangspunten, bij voorkeur op dezelfde locatie, maar als dat niet mogelijk is, in de omgeving. Bij het opstellen van de herinrichtingsplannen wordt ook gekeken naar de gevolgen voor de omgeving, maar in het MER kunnen ecosysteemdiensten niet op dit detailniveau worden onderzocht en dit is niet noodzakelijk. De herinrichtingsplannen zullen door de initiatiefnemer, in samenspraak met de gemeenten en andere stakeholders worden bepaald. 3.
in het PIP op te nemen dat de leiding na een levensduur van 50 jaar weer verwijderd moet worden en de effecten te beschrijven, waarbij negatieve effecten moeten worden voorkomen; De technische levensduur van de leidingen is weliswaar ongeveer 50 jaar, maar uit de praktijk blijkt dat de leidingen vaak veel langer meegaan. Indien noodzakelijk worden op termijn delen van de leiding vervangen, nadat de gevolgen daarvan in beeld zijn gebracht, maar omdat die gevolgen nu niet te overzien zijn, achten wij het opnemen van een algehele verwijderingsplicht van de leidingen niet zinvol. 4. een reflectie op de waarde van bomen in relatie tot nut en noodzaak van de leiding omdat de bomen en de leiding elkaar in de toekomst blijven beïnvloeden. Bij een toekomstige verwijdering van de leiding moet de nieuwe aanplant die dan tot wasdom gekomen is, weer worden gekapt. Indiener vindt dat bij deze afweging het belang van de bomen zwaarder moet wegen; Van dit standpunt wordt kennisgenomen. Indien in het kader van een toekomstige verwijdering een kapvergunning noodzakelijk is, zal het bevoegd gezag in het kader van die aanvraag de betrokken belangen afwegen. 5.
duidelijk te maken hoeveel bomen in andere gemeenten 'aanzienlijke invloed' ondervinden van de aanleg van de leiding, waardoor ze naar alle waarschijnlijkheid binnen een paar jaar dood zullen gaan en om bij de verbeteringen en berekeningen ook met deze bomen rekening te houden; In de opgestelde BEA is de kwaliteit van de standplaats meegenomen bij de beoordeling van de levensverwachting. Als het gaat om de behoudenswaardigheid zijn daar waar mogelijk bo men behouden. 6. Indiener verzoekt om onderstaande redenen een ander tracé te kiezen omdat: - het voorgestelde tracé de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) blijvend aantast (ecologische zone langs Middachtenweg en Moerweg en hoofdboomstructuren langs Middachtenweg, Moerweg en De Ia Reyweg). Doordat hier in de 'belemmerde strook' (grote) bomen moeten worden verwijderd en niet herplant mogen worden, is dit tracé in strijd met de verplichtingen van de gemeente Den Haag. Ook wordt opgemerkt dat in het plan de gemeentelijke beleidskaders ontbreken (Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGHJ,2) het Coalitieakkoord, 3) de Motie van GL(5-03-2020) en 4) Nota stadsbomen.
- deze structuren en verbindingszones ook essentiële vlieg- en fourageerroutes voor vleermuizen zijn en deze routes in kwaliteit zullen verminderen door de herplant van (kleinere boomvormende) struiken (en de verbinding tussen Park Overvoorde en Zuiderpark niet kan worden versterkt); - Den Haag in het coalitieakkoord heeft vastgelegd dat alleen bomen gekapt worden als het aantoonbaar niet anders kan, terwijl het voorgestelde traject de ecologische verbindingszones en boomhoofdstructuren aantast;
57
- de gemeenteraad bij motie van GL (5 maart 2020 H.10) het college heeft gevraagd om al haar invloed aan te wenden om het effect op bomen en natuur tot het absolute minimum te beperken; - het afnemende kroonoppervlak in strijd is met doelstelling uit de onlangs vastgestelde Nota Stadsbomen (5% meer kroonoppervlakte in 2030). De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmte-netten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase worden geaccepteerd. Onnodige aantasting van groen zal zoveel mogelijk worden voorkomen. De initiatiefnemer en de gemeente Den Haag hebben gezamenlijk onderzocht op welke wijze de leiding inclusief expansielussen technisch nog kan worden ingepast, terwijl zoveel mogelijk bomen en groen kan worden gespaard. Er zijn herinrichtingsplannen voor de groengebieden opgesteld. De herinrichtingsplannen voor de openbare ruimte evenals de te herplanten bomen maken onderdeel uit van de vergunningen die door de gemeente Den Haag worden verstrekt. Daarbij hanteert de gemeente haar eigen beleidskaders Er worden overigens in Den Haag meer bomen terug geplant dan dat er gekapt worden. 7.
Indiener vindt het opmerkelijk dat voor alternatief 2 niet bekend is welke bomen en opgaande beplanting moeten worden gekapt en vraagt om voor elk alternatief een Bomen Effect Analyse (BEA) te maken. Voorts is de uitgevoerde BEA op veel punten onduidelijk of gebrekkig. Indiener noemt de volgende concrete punten waarop de BEA moet worden verbeterd: a. De BEA beschouwt slechts één traject en biedt geen tekeningen met profielen en afmetingen van breedte, lengte en diepte. b. De breedte van de belemmerende strook is minimaal 9,40 m. De bomen die er nu staan, worden verwijderd. In die belemmerende strook mogen geen bomen terug worden geplant, maar wel struiken die de Gasunie moet goedkeuren. De gemeente heeft er niets over te zeggen. De herinrichtingsplannen zijn opgesteld met inachtneming van de (on)mogelijkheden die de aanwezigheid van het leidingtracé in de ondergrond biedt. Zowel bij de keuze voor het tracé als bij de herinrichtingsplannen is ernaar gestreefd om hoogwaardig groen terug te brengen wat minimaal gelijk en waar mogelijk beter is, dan wat er stond. Tegelijkertijd brengt de ligging van de warmtetransportleiding met zich mee dat er voor toekomstige ontwikkelingen of werkzaamheden rekening moet worden gehouden met de voor deze leidingen geldende belemmeringenstrook.
Deze strook bestrijkt de zone die loopt tussen de twee lijnen die 4 meter uit het hart van de leidingen kan worden getrokken. De belemmeringenstrook met het daarbij behorende vergunningenstelsel regelt de werkzaamheden en/of activiteiten die niet zondermeer toelaatbaar zijn. Dit betekent in de praktijk dat bij een initiatief binnen deze strook voor de initiatiefnemer een omgevingsvergunningplicht geldt, onafhankelijk of dit de gemeente Den Haag of een derde betreft. Deze aanvraag omgevingsvergunning wordt door de gemeente Den Haag aan de leidingbeheerder(WarmtelinQ) voorgelegd voor een advies over de activiteit binnen de strook. De leidingbeheerder kan daarbij aangeven of de activiteit ingrijpt op de integriteit van de warmtetransportleiding of bijvoorbeeld bij het uitvoeren van beheertaken of werkzaamheden aan de warmtetransportleiding. Als dit advies wordt afgegeven, dan is het vervolgens aan de gemeente om het advies mee te wegen bij het (eventueel) verlenen van de omgevingsvergunning. Het herplanten van bomen binnen deze strook is maatwerk, zoals ook blijkt uit het herinrichtingsplan. c. Dan is er nog een werkstrook, waarvan de breedte niet in de BEA wordt genoemd, maar die volgens de Gasunie wel 15 meter kan bedragen. Ook daar kunnen bomen soms niet blijven staan en die wel mogen blijven kunnen aanzienlijke schade ondervinden.
Na het gereedkomen van het werk mogen wel bomen worden herplant in de werkstrook. Op de tekeningen in de BEA is de werkstrook aangegeven. Binnen deze werkstrook in de per boom de impact van de aanleg aangegeven. d. De sleuven zijn minimaal 2,5 m diep en de boringen ca 5 m diep. Onduidelijk is dus hoe diep de sleuven en de boringen feitelijk zullen zijn. Bij boringen worden damwanden geslagen. De vraag ontbreekt of wortels na gereedkomen van de boring nog wel bij het grondwater kunnen komen. 58
De diepte van de leiding is aangegeven op de routekaarten. Boringen liggen ruim onder het grondwaterniveau Er is dus geen belemmering voor wortels om bij het grondwater te komen. e. Hoe zit het met trillingen als gevolg waarvan bomen tijdens het werk of daarna los komen te staan of misschien wel omvallen? f. Wat zijn de consequenties van bemaling eventueel in samenhang met langdurige droogte? Om de te behouden bomen optimaal te beschermen, worden de maatregelen van de poster `Werken bij Haagse bomen' in acht genomen. Deze poster is een uitgave van de gemeente Den Haag en bevat maatregelen en randvoorwaarden om de bomen te beschermen tegen de nadelige gevolgen die werken nabij bomen kunnen veroorzaken. Indien bemaling nodig is, zal monitoring van de grondwaterstand plaatsvinden. Als er bemalen moet worden in het groeiseizoen, zal ook het grondwaterpeil worden gemonitord. Op aanwijzing van de gemeente zullen de bomen, zo nodig, van water worden voorzien. g. Om bomen te beoordelen hanteert de BEA terecht de conditie en de levensverwachting. Echter andere relevante criteria ontbreken, zoals de kwaliteit van de standplaats, de behoudenswaardigheid van bijzondere bomen en de ecosysteemdiensten, denk aan opnemen van stikstof. h.
De BEA vermeldt niet dat de groenstrook langs de Middachtenweg, het Erasmusplein, de bomenrijen langs de Middachtenweg, de Moerweg en De La Reyweg, behoren de Stedelijke Groene Hoofdstructuur, de SGH. Ook al wordt de Leiding onder de rijbaan gelegd, dan nog reikt de belemmerende strook, waar geen bomen mogen groeien, tot diep in de SGH. Dit is strijdig met de verplichting, die het college heeft, om de SGH op eenduidige en herkenbare wijze duurzaam in stand te houden. i. De BEA heeft niet onderzocht óf en zo ja welke bomen in de gebruiksfase het niet zullen redden door bijvoorbeeld de effecten van warmteafgifte van het hete water in de leiding (in de winter 120 Co) en de effecten van calamiteiten. Slechts een kleine temperatuurstijging heeft immers grote gevolgen voor alle fysisch-chemische processen en micro-organismen in de bodem, waaronder het opnemen van water en voedingsbestanddelen door bomen m.b.v. mycorrhiza. j. Den Haag is dicht bevolkt en zeer versteend. Het is altijd lastig om goede groeiplaats te vinden voor nieuwe bomen, die groot uit kunnen groeien. De BEA doet geen uitspraak over de nieuwe locaties. Een omissie. De nieuwe locaties zijn aangegeven in het herinrichtingsplan. Bij de plant van de bomen zal worden gewerkt met de normen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut bomen.
Dit betekent dat er bij de herplant van bomen gezorgd zal worden voor een goede groeiplaats die is afgestemd op de specifieke locatie. Wij zien in het voorgaande geen gronden om niet uit te kunnen gaan van de nu opgestelde Bomeneffectanalyse (BEA). De BEA voldoet aan de relevante eisen van de richtlijn BEA2.0 van de Bomenstichting (opgesteld in samenwerking met kennisplatform CROW). Ook voldoet de BEA aan de eisen die gesteld worden door gemeente Den Haag t.b.v. de omgevingsvergunning `het vellen van een houtopstand'. 126 bomen kunnen helaas niet behouden blijven en zijn daarom een verlies voor de ecosysteemdiensten en voor de stad. Dit is per boom beoordeeld en de kwaliteit van de standplaats is meegenomen bij de beoordeling van de levensverwachting. Als het gaat om de behoudenswaardigheid zijn daar waar mogelijk bomen behouden, zoals de twee vleugelnootbomen bij de Moerweg. Verder is gekeken of de bomen te verplanten zijn. Dit kan bij 7 bomen. De overige bomen komen hiervoor niet in aanmerking. Dit komt door de kwaliteit van de aanwezige grond (te los materiaal) en/of de gevoeligheid van de desbetreffende bomen. Om het verlies te compenseren zijn herinrichtingsplannen opgesteld. Als gevolg van het kappen van 126 bomen worden 126 bomen en 22 extra bomen terug geplant. 7 bomen worden dus verplant. Zie verder ook de beantwoording onder nummer 10. 8.
Indiener acht het niet ondenkbaar dat vanwege onduidelijkheden in tracébreedtes en werkzaamheden er meer bomen gekapt moeten worden dan wel aanzienlijke invloed ondervinden en vindt dat dit beter in kaart moet worden gebracht. In verband daarmee moeten ook de BEA's in de andere gemeenten worden uitgebreid en andere tracés en boomsparende technieken worden onderzocht. 59
Op basis van de huidige gegevens hebben wij geen reden om aan te nemen dat er meer bomen gekapt hoeven te worden. Als in de toekomst desondanks blijkt dat er meer bomen gekapt moeten worden dan in de huidige vergunning is weergegeven, dan zal daarvoor een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden. In het kader van een eventuele nieuwe aanvraag zal dan een nieuwe onderbouwing gemaakt dan wel nieuwe onderzoeken uitgevoerd moeten worden. Deze scenario's hebben geen betrekking op de huidige aanvraag en worden daarom binnen het kader van de lopende aanvraag niet verder onderzocht. 9. Indiener meent dat de stikstofdepositie van het project op N2000 groter is dan het PIP doet voorkomen. Hierin is namelijk geen rekening gehouden met de kap van bomen en wegvallende stikstofopname en het deels gaat om gebieden in Den Haag die al zwaar overbelast zijn qua stikstof terwijl de voorgestelde maatregelen onvoldoende zijn om de natuur te laten herstellen. Indiener vindt dat om die reden het gemeentelijk en rijksbeleid moet worden bijgesteld en dat de stikstofdepositie vanwege de leiding beter moet worden berekend omdat de stikstofdepositie een significant negatief effect heeft op stikstofgevoelige habitats. Bij deze herberekening moet ook het hanteren van een 5 km-rekengrens beter worden gemotiveerd. Zie het antwoord onder Z08 nummer 9 10.
Indiener vindt dat in de MER niet wordt ingegaan op de permanente (temperatuur)effecten van de leiding op de fysisch-chemische processen in het bodemleven. Hiervan moeten de contouren worden bepaald en maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen. In de eerste plaats wordt de warmtetransportleiding geïsoleerd om warmteoverdracht naar de omgeving (en daarmee warmteverlies binnen het project) te voorkomen en negatieve effecten daarvan te beperken. In par. 13.4 van het MER zijn deze effecten kwalitatief beschouwd. In aanvulling hierop is door Deltares in opdracht van WarmtelinQ onderzoek verricht naar de temperatuurseffecten in de agrarische ondergrond en de daaraan gerelateerde gewasschade. Dit onderzoek is gebaseerd op warmtemetingen langs de Leiding over Noord van Eneco in Vlaardingen. Op basis van die metingen zijn eveneens onderzoeken gedaan naar de situatie ter plaatse van het eco-aquaduct over de A4 en de effecten daarvan op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De berekeningen in deze onderzoeken staven de aannames in het MER ten aanzien van de warmtetoename in de bodem en de conclusie dat deze niet tot blijvende negatieve effecten leidt. Deze worden betrokken bij het opstellen van onder meer de herinrichtingsplannen.
In verband met de zandige bodemsamenstelling zal aanvullend onderzoek worden verricht naar de warmteoverdracht in de stedelijke omgeving van Den Haag. Alle beschikbare onderzoeken zullen worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP en de resultaten zullen in de toelichting beknopt worden beschreven. 11. Hetzelfde geldt voor het effect van trillingen en zettingen op de stabiliteit van de bodem en op bomen. Daarbij moet ook rekening moet worden gehouden met klimaatverandering en meer en zwaardere stormen, ook in de zomer als bomen in blad staan en met de consequenties van de grondwateronttrekking voor de bomen. Het is onduidelijk tot op welke afstand de wijziging van grondwaterstand (door bronbemaling, maar ook de kap van bomen) en grondwaterkwaliteit (aantrekken zoute kwel door bronbemaling) effect heeft op houtige gewassen. Zettingen vinden vooral plaats als gevolg van grondwateronttrekking. In de beantwoording van de reactie van de Bomenstichting op de NRD (Z6.7 en Z6.8) is reeds aangegeven dat grondwateronttrekking — en de milieugevolgen daarvan — een belangrijk aspect vormen van het op te stellen MER. Ten aanzien van trillingen is in diezelfde beantwoording (onder Z6.10) aangegeven dat in het MER niet zal worden ingegaan op het risico van trillingen op nabije bomen. Wij zien in de huidige zienswijze geen aanleiding om dat alsnog te (laten) doen.
Dat wil overigens niet zeggen dat het onderwerp niet belangrijk is. Om die reden is eerder al toegezegd dat de effecten van trillingen en zettingen op de omgeving (groen en bebouwing) wel in beeld worden gebracht in de nog op te stellen werkplannen die de uitvoerder ten behoeve van de werkzaamheden zal maken. Zie ook het antwoord onder nummer 7. Daarin zal ook worden aangegeven hoe deze effecten worden gemonitord en hoe negatieve effecten zonodig worden gemitigeerd met het oog op het voorkomen van schade. 60
12. Ook moet in het MER het verlies aan biodiversiteit in kaart worden gebracht (versnippering, verstoring, verdwijnen broedplaatsen voor vogels en routes voor vleermuizen enz.) Biodiversiteit is één van de criteria bij het opstellen van de herinrichtingsplannen en de selectie van soorten. Dit gebeurt door de initiatiefnemer in overleg met de gemeente en andere stakeholders, zoals de Bomenstichting, lokale (groene) belangenorganisaties en omwonenden. 13. Tot slot merkt indiener op dat in de verzameltabel 5-1 in het MER de milieueffecten voor alternatief 1 en 2 hooguit neutraal tot negatief zijn. Hierdoor vraagt indiener zich af of de alternatieven wel goed gekozen zijn. Zie ook het antwoord bij Z19 nummer 1.
Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op de onderzoeken naar warmteafdracht in de bodem en de rapportage zal worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP. De zienswijze heeft geen gevolgen voor de beschikkingen van de gemeente Den Haag.
Z45
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener is tegen het groot experimenteel pompinstallatie met leidingen door Tanthof in Delft De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Restwarmte wordt al op veel meer plaatsen in Nederland gebruikt om woningen mee te verwarmen en WarmtelinQ is dus zeker geen experimenteel project. WarmtelinQ is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase wordt geaccepteerd. Zie ook de beantwoording onder Z24 nummer 19.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z46
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener verzoekt om een andere locatie te kiezen die niet door een ecologisch gebied en de woonwijk Tanthof west loopt. In het verleden zijn verschillende alternatieven onderzocht. Zie hierover de antwoorden onder Z24, nummers 7 en 20, 21 en 22. Voor het aspect overlast wordt verwezen naar Z24, nummer 20
61
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z47
Natuurlijk Delfland (Afdeling KNNV) De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden. Indiener merkt op dat zijn organisatie meerdere malen met initiatiefnemer plezierig heeft overlegd. Toch is er aanleiding om via deze zienswijze enkele belangrijke aandachtspunten mee te geven: 1. Uitgangspunt dient te zijn dat niet alleen compensatie plaatsvindt van vergunning plichtige bomen, maar van een volledige natuurvriendelijke aanleg. Gedacht moet worden aan herbebossing van de 10-meterstrook met voedselbossen, boomgaarden, wilgengrienden, wadi's en paddenpoelen. Het herinrichtingsplan (landschapsherinrichtingsplan) wordt gemaakt door initiatiefnemer. Dit wordt gedaan in nauwe samenwerking met de gemeente Delft en de verschillende belangenverenigingen. Verhoging van de huidige kwaliteit is een duidelijke wens van gemeente en belangenverenigingen. Dit werkproces zal tussen gemeente en initiatiefnemer wordt vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst. 2. ND zou graag zien dat langs het drukke Keenenburgpad het zandbed van het oude paardenpad wordt gebruikt voor de aanleg van een verhoogd wandeldijkje met een knotwilgensingel.