RIS311303 Bijlage 2
Tekst van het document
Datum
Registratienummer
31 oktober 2017
RAAD/ 2017.95 RIS298236
Voorstel van het college inzake zienswijze tussenevaluatie MRDH Het algemeen bestuur van de MRDH heeft op 5 oktober de tussenevaluatie Regionaal denken, lokaal doen aangeboden en verzoekt om uw zienswijze uiterlijk 1 december te mogen ontvangen. Het AB zal vervolgens op 21 december zijn definitieve reactie vaststellen waarna tot een gezamenlijke aanpak kan worden overgegaan. De adviescommissies VA en EV hebben besloten nu geen advies uit te brengen, hangende de zienswijzeprocedure. Zij zullen in januari een advies uitbrengen. De aanbevelingen zijn door de onderzoekers op 22 september aan het AB gepresenteerd en op 29 september aan de gemeenteraden en colleges. Waarom een tussenevaluatie Bij de start van de MRDH is afgesproken om de samenwerking periodiek te evalueren, voor het eerst na 2 jaar en vervolgens om de vijf jaar. De hoofdvraag van de tussenevaluatie luidt: Welke ervaringen zijn vanaf de oprichting eind 2014 opgedaan met de MRDH en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken? Kortweg: wat was de bedoeling van de samenwerking, hoe is het de afgelopen jaren verlopen en wat is er nodig voor de toekomst?
Voor de begeleiding van het onderzoek heeft het AB een klankbordgroep ingesteld waarin de verschillende bestuurlijke organen van de MRDH vertegenwoordigd zijn. Het AB heeft de onderzoeksopzet vastgesteld na daarover een advies van de adviescommissie EV te hebben ontvangen. Dit advies drong aan op een meer integrale evaluatie dan waarin aanvankelijk was voorzien. Het AB heeft dit advies overgenomen. De kern van het onderzoek bestaat uit groepsgesprekken die met de 23 gemeenteraden en colleges zijn gevoerd, met de advies- en bestuurscommissies en met het AB van de MRDH. Ook zijn gesprekken gevoerd met o.a. het provinciebestuur en met het ministerie van BZK. Het Beleidskader Verbonden Partijen 2017 (RIS 296919) schrijft een vierjaarlijkse evaluatie voor waarbij de vraag beantwoord moet worden of de doelstelling van de verbonden partij, i.c. de MRDH, nog aansluit bij de doelstelling die de gemeente heeft met de verbonden partij. De tussenevaluatie en deze zienswijze geven een positief antwoord op de vragen die het beleidskader worden gesteld. Tot welke conclusies en aanbevelingen komen de onderzoekers? De onderzoekers doen de volgende aanbevelingen: Het verhaal 1. Een aanscherping van het inhoudelijk verhaal van de MRDH is gewenst.
De MRDH moet de studies, waarin ambities en logische taakgebieden worden aanbevolen, bundelen en komen tot een keuze van een aantal heldere kernopgaven. Deze moeten herkenbaar zijn voor deelnemende gemeenten, maar ook voor samenwerkingspartners. De MRDH organisatie wordt aangeraden hier een strategische discussie voor te organiseren tussen alle MRDH-partners.
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
Telefoonnummer 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
RAAD/2017.95
2. De MRDH moet (in verlengde van bovenstaande) een discussie voeren over de uitbreiding van het aantal taken (pijlers). Deze discussie dient in het licht van de bestaande gemeenschappelijke regeling te worden gevoerd. Op basis van de groepsgesprekken concluderen wij dat vele gemeenten wonen en ruimtelijk ordening zouden willen toevoegen. Er zijn echter ook gemeenten tegen, waardoor de wijziging van de gemeenschappelijke regeling niet tot de mogelijkheden lijkt te behoren. Zonder wijziging van de gemeenschappelijke regeling kunnen diverse thema’s wel een plek krijgen binnen de MRDH-samenwerking (aanbeveling 3). Het is van belang dat deze belangrijke thema’s in het AB worden bediscussieerd en dat het AB een visie vaststelt over deze thema’s. Bijvoorbeeld over het thema wonen en ruimtelijke ordening. Ook de provincie moet tijdig in deze discussie worden betrokken. 3. Wij adviseren te gaan werken met een opt-in systeem voor de terreinen die niet onder Va of onder EV in enge zin vallen. Het staat gemeenten dan vrij om op die aanvullende terreinen samen te werken aan het versterken van de regio. De MRDH-organisatie faciliteert deze tafels, op basis van een bijdrage (in euro’s en ambtelijke capaciteit) van de deelnemende gemeente naar rato van hun inwonertal. Ook de overige triple helix partners moeten hierbij kunnen aansluiten. Governance 4.
De MRDH-besluitvormingscyclus moet verhelderd en geëxpliciteerd worden. Dit houdt in dat de cyclus en rollen van betrokkenen helderder beschreven en krachtiger gecommuniceerd moeten worden, zodat betrokkenen op ieder moment precies weten waar een onderwerp zich bevindt in de cyclus, hoe dit samenhangt met andere onderwerpen en op welk moment zij hun stem kunnen doen gelden. De rollen van het AB en DB moeten strategischer worden en de financiële controle op de MRDH dient te worden uitgewerkt. 5. Elke gemeente moet een MRDH-klankbordgroep inrichten of versterken die structureel geïnformeerd is en op vaste momenten bijeenkomt, geënt op de beleids- en besluitvormingscyclus van de MRDH. De klankbordgroep draagt zorg voor een vroegtijdige en heldere standpuntbepaling van de gemeente, en zorgt voor een grotere impact van de gemeente in het AB en de bestuurscommissies. 6. Met de instelling van een MRDH-klankbordgroep per gemeente, kunnen de adviescommissie – waarvan het bestaan in de gemeenschappelijke regeling is vastgelegd – een lichtere invulling krijgen. Zo kunnen in plaats van de adviescommissie-bijeenkomsten brainstormmomenten en roadshows aan de voorkant van het beleidsproces worden georganiseerd. Daarnaast adviseren wij regio-dagen te organiseren waarop strategische vraagstukken worden besproken. Ambtelijke ondersteuning 7.
Om uitvoering te kunnen geven aan de MRDH-strategie zou de MRDH meer gebruik moeten maken van de ambtelijke capaciteit van de gemeenten. Gemeenten moeten zich ruimhartig opstellen in het beschikbaar stellen van ambtelijke capaciteit aan de samenwerking en duidelijk kiezen aan welke specifieke onderwerpen binnen MRDHverband zij prioriteit geven. 8. Voor het inzetten van ambtelijke capaciteit zijn de gemeentesecretarissen in eerste instantie verantwoordelijk. Het MRDH-gemeentesecretarissenoverleg moet geactiveerd worden, zodat onderling goede afspraken gemaakt kunnen worden over het organiseren van de benodigde capaciteit binnen de gemeenten. 9. Ook griffiers moeten elkaar in MRDH-verband gaan vinden. Een eerste belangrijk resultaat van deze samenwerking is de voorbereiding van een MRDH-inwerkpakket voor nieuwe raadsleden na de gemeenteraadsverkiezingen. Ook kunnen in dit verband best practices over de gemeentelijke klankbordgroepen worden gedeeld. Informatievoorziening en communicatie 10. De MRDH-organisatie moet er zorg voor dragen dat de stukkenstroom richting de gemeenten beter behapbaar wordt. Dat betekent minder stukken, kortere stukken en helderdere stukken. De MRDHorganisatie moet ieder stuk dat richting de gemeenten gaat voorzien van een heldere samenvatting, waarin het betreffende stuk ook in de context en langere ontwikkellijn geplaatst wordt.
De annotatie van de stukken, die voor elke gemeente anders zal zijn, wordt door het ambtelijk apparaat in de gemeenten gemaakt. 11. De MRDH-organisatie moet een digitaal informatiesysteem inrichten om de stukken-stroom beter inzichtelijk te maken en informatie gelijktijdig beschikbaar te stellen. Dit moet aansluiten op de systemen waar de gemeenten intern al mee werken, zodat gemeenten in hun eigen digitale informatiesysteem kunnen blijven werken en ook zelf gemeentelijke documenten over de MRDH kunnen toevoegen. 12. Dit informatiesysteem zou onderdeel moeten zijn van een bredere online werkomgeving voor de MRDH, waarin raadsleden (maar ook bedrijfsleven en kennisinstellingen uit de regio) online kunnen bijdragen aan ideevorming. Daarnaast kan op een besloten deel van deze portal de online samenwerking tussen ambtenaren worden vormgegeven: zo kunnen ambtenaren van de MRDH- organisatie en de MRDH-
2/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
RAAD/2017.95
gemeenten elkaar gemakkelijker vinden, wordt communicatie versterkt, kan locatie-onafhankelijk worden samengewerkt en kunnen best practices worden gedeeld. 13. De MRDH geniet een zeer geringe naamsbekendheid bij burgers, maar dit hoeft niet geproblematiseerd te worden. De MRDH-organisatie zou niet extra belast moeten worden met communicatie naar burgers. De MRDH-organisatie moet zich met name richten op de interne informatievoorziening en het ondersteunen van de gemeenten bij het boeken van resultaat, waarover de gemeenten vervolgens moeten communiceren met hun inwoners. 14. Zowel raadsleden als bestuurders hebben de taak om over de MRDH te communiceren. Met name burgemeesters moeten hun bestuurlijke kracht meer inzetten om het MRDH-netwerk voor het voetlicht te brengen in de lokale media, maar ook in de Haagse en Brusselse arena.
Op basis van de gevoerde gesprekken komen de onderzoekers tot hun aanbevelingen. Een belangrijke conclusie die zij trekken is dat er geen draagvlak is om de gemeenschappelijke regeling aan te passen. Een wijziging van de gemeenschappelijke regeling vereist unanimiteit van alle gemeenten en die lijkt niet aanwezig. Zo blijkt een grote meerderheid van de gemeenten een aanvulling op het takenpakket te willen, maar enkele andere niet. Verbeteringen worden daarom gezocht binnen de hoofdstructuur van de gemeenschappelijke regeling. In de beschouwing die de onderzoekers aan het rapport hebben toegevoegd (H7), concluderen zij wel dat op de lange termijn de formele structuur aangepast moet worden aan de organisch gegroeide praktijk van netwerken. Onze tussenevaluatie laat zien dat veel factoren wijzen in de richting van het bovengemeentelijke, maar nog steeds sub-provinciale niveau, althans voor de regio Rotterdam Den Haag. De push factoren zijn voornamelijk inhoudelijk van aard: de economische ontwikkeling, de woningbouwopgave, energietransitie, groen en recreatie vragen om een aanpak tussen het gemeentelijke en het provinciale schaalniveau. Tegelijkertijd zijn er belangrijke belemmerende factoren, die vooral te maken met (a) gevestigde belangen die de status quo graag in stand houden en (b) het ontbreken van een effectieve democratische legitimatie van het tussenbestuur.
Gebaseerd op deze tussenevaluatie van de MRDH komen wij tot de conclusie dat los van deze structuurdiscussie de MRDH in de praktijk probeert het regionale netwerken en besturen zo goed mogelijk te beoefenen ter versterking van het MRDH-gebied. Het regionale bestuur heeft de potentie om formele structuren en informele netwerken naast elkaar te laten bestaan en verbindingen tussen deze structuren en netwerken tot stand te brengen. Ook zien wij dat het regionaal bestuur instrumenteel is bij het vinden van nieuwe vormen van het gebruik maken van de bevoegdheden van meerdere partijen, en het op één lijn brengen van bestuurlijke en maatschappelijke organisaties (“alignment”) rond strategische vraagstukken. Met meer aandacht voor de democratische verankering kan de meerwaarde van het regionale niveau voor het openbaar bestuur in Nederland verder toenemen.
De reactie van Den Haag en voorstellen voor verbetering MRDH moet zich beperken tot enkele kerntaken die voor alle gemeenten van belang zijn. In de bijna drie jaar dat de MRDH bestaat is veel in gang gezet. Rotterdam, Den Haag en de provincie vinden elkaar meer dan vroeger toen vooral de verschillen en de onderlinge concurrentie domineerden. De oprichting van de EPZ, thans EBZ1 geheten, markeert deze sterke samenwerking. Er liggen kansen om de economische basis te vernieuwen en om nieuwe werkgelegenheid te scheppen, om de economie te laten omschakelen naar een circulaire economie, en een forse reductie te bewerkstelligen van de uitstoot van CO2. Innovatieve oplossingen zijn nodig om de groeiende mobiliteit, o.a. vanwege de bevolkingsgroei, op te vangen. Belangwekkende analyses van o.a. Tordoir, OESO en Rifkin en de Strategische Bereikbaarheidsagenda schetsen de opgaven waar de regio voor staat, en geven ook oplossingsrichtingen aan. Terwijl de kantoreneconomie zich steeds meer in de binnensteden en rondom stationslocaties vestigt, neemt de afstand tussen wonen en werken voor lager opgeleiden toe. De OESO wijst o.m. op de noodzaak om ruimte en wonen op schaal van de metropoolregio te organiseren. 1
Economic Board Zuid-Holland
3/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
RAAD/2017.95
Als onderdeel van het gezamenlijke MIRT-onderzoek Bereikbaarheid Rotterdam-Den Haag (2015 – 2017) zijn al deze beleidsvelden betrokken in de discussies over de betekenis van bereikbaarheid voor de bredere ambities. In dit MIRT-onderzoek worden vier doelen centraal gesteld en aan elkaar verbonden: 1) versterken ruimtelijk-economische structuur, 2) vergroten aantrekkelijk leefmilieu, 3) vergroten kansen voor mensen en 4) vergroten aantrekkelijkheid van het vervoerssysteem. De strategische agenda die MRDH zal opstellen voor de periode 2018-2021 zal een integrerend verhaal moeten zijn waarin deze opgaven inhoudelijk met elkaar worden verbonden en op grond waarvan enkele kernopgaven worden gedefinieerd. Daarbij moet MRDH focus aanbrengen in het grote aantal onderwerpen en projecten en zich alleen richten op zaken die voor de gehele regio het verschil maken en waarvoor regionale samenwerking nodig is. De Uitvoeringsagenda Bereikbaarheid, het MIRT-onderzoek Bereikbaarheid Rotterdam Den Haag, het Regionale Investeringsprogramma en de Roadmap Next Economy zijn goede initiatieven. Het is nu zaak om deze goede initiatieven beter uit te lijnen en in onderling verband te gaan zien, waarna we er als regio mee aan de slag moeten.
Rollen van de MRDH Dit alles vraagt om een MRDH die schakelt en verbindt tussen gemeentelijke initiatieven, en ook een breder integrerend verhaal vertelt waarbinnen lokale initiatieven een plaats kunnen krijgen. Allereerst kunnen concrete lokale initiatieven worden verbonden in vrijwillige samenwerking tussen gemeenten. Dat vergroot de herkenbaarheid van en het draagvlak voor de samenwerking bij de gemeenten en bij de burgers en bedrijven. Dat hoeven niet altijd de 23 gemeenten gezamenlijk te zijn en besluiten worden dan in de eigen gemeenteraden genomen en de democratische legitimatie is dan verzekerd. Het opt-in model is daarom een goed advies en kan voor meer onderwerpen gelden dan alleen de genoemde terreinen van ruimte en woningbouw, zoals voor onderwijs en arbeidsmarkt, grootschalig groen en duurzaamheid. Ook onderwerpen die nu op de agenda’s van de bestuurscommissies staan en (dus) collectieve besluitvorming vragen, kunnen met dit opt-in model direct door samenwerkende gemeenten worden opgepakt. Wel is het wenselijk dat er op strategisch niveau een relatie tussen de bestuurlijke tafels en het AB wordt gelegd. Een tweede rol die wij voor de MRDH weggelegd zien is die van initiator en agendazetter. Eerder genoemde brede onderzoeken zijn hiervan goede voorbeelden die een vertaling krijgen in de regionale investeringsprogramma’s.
Dit zijn onderwerpen die voor de hele regio relevant zijn en een grote urgentie hebben. De investeringsstrategie en de vliegwielfaciliteiten die hiervoor worden ontwikkeld, zijn uit hun aard juist wel voor alle deelnemende gemeenten, (en andere deelnemers zoals de provincie) van belang en strategische besluitvorming wordt dan gezamenlijk gedaan door het AB. De investeringsprojecten blijven eigendom van de gemeenten. In de evaluatie blijft de rol van de uitvoeringskant van de MRDH helaas onderbelicht. De Vervoersautoriteit verdeelt jaarlijks honderden miljoenen euro’s uit de Brede Doel Uitkering (BDU) en is daarmee ook opdrachtgever voor het Openbaar Vervoer. Het zijn activiteiten die de burger direct raken en dan ook van grote invloed zijn op het draagvlak voor de MRDH. Het is van groot belang dat de Metropoolregio, via de betrokken gemeenten, in haar besluiten aandacht blijft houden voor de, soms gedetailleerde, lokale belangen. Democratische legitimatie Democratische legitimiteit is een kernpunt in intergemeentelijke samenwerking. Dat de onderzoekers concluderen dat er voor een wijziging van de gemeenschappelijke regeling thans geen draagvlak is en
4/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
RAAD/2017.95
daarom hun verbetervoorstellen doen binnen de gekozen hoofdstructuur, is te begrijpen. Niettemin acht Den Haag het wenselijk om te blijven zoeken naar het versterken van de democratische legitimatie. Om deze zelfde reden is in het regeerakkoord Vertrouwen in de Toekomst afgesproken om de Wgr aan te passen met als doel het versterken van de politieke verantwoording.
De Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wordt aangepast om de politieke verantwoording over gemeentelijke samenwerking te verbeteren. Besluitvorming in een gemeenschappelijke regeling moet transparant zijn en betrokken gemeenteraden moeten hun controlerende rol beter kunnen uitvoeren en zo nodig kunnen ingrijpen. Een duidelijkere en overzichtelijkere bestuurlijke structuur en een beter geordende procesgang van besluiten zijn dringend nodig. Gemeenteraden moeten hun kader stellende en controlerende rol beter kunnen vervullen. Bestuurders kunnen dan ook beter verantwoording afleggen. Het bestuurlijke construct zoals dat na ampele discussie vorm kreeg, is gebaseerd op de gedachte dat de besluitvorming dicht bij huis wordt georganiseerd. Tegelijkertijd moeten de samenwerkende gemeenten ook slagvaardig kunnen handelen. Tussen deze twee uitgangspunten bestaat een natuurlijke spanning maar wel met als gevolg dat, anders dan bedoeld, besluitvorming dicht bij huis niet goed mogelijk is. De agenda’s van het AB en van de bestuurscommissies kunnen door te late verzending niet vooraf met de raad worden besproken. De zienswijzeprocedure is omslachtig en arbeidsintensief voor 23 gemeenteraden en uiteindelijk weinig effectief. Dat zet de gemeenteraden op achterstand. Besluitvorming op regionale schaal vraagt om verduidelijking van rollen en procedures.
De adviescommissies zijn thans geen onderdeel van de besluitvorming. Daardoor is er ook geen goed functionerend regionaal platform voor politieke afweging. Het netwerk rondom de investeringen is voor gemeenteraden ondoorzichtig. Dit alles roept de vraag op wie nou eigenlijk de MRDH controleert en aan wie MRDH verantwoording aflegt. Als het gaat om besluiten van de Bestuurscommissies, mag het niet langer voorkomen dat er sprake is van een grote tijdsdruk vanwege fatale termijnen voor belangrijke besluiten zoals concessies of jaarlijkse dienstregelingen. Het hele besluitvormingsproces, vanaf de ambtelijke voorbereiding tot en met de besluitvorming in het AB, vraagt om verbetering. De adviescommissies zijn bij uitstek de plek waar het regionale perspectief aan de orde moet komen en waar het onderlinge debat gevoerd kan worden. De adviescommissies moeten daarom in de positie worden gebracht dat hun adviezen van invloed kunnen zijn op de uiteindelijke besluitvorming door het algemeen bestuur en door de bestuurscommissies. De hele procesgang en de democratische legitimatie zijn gediend met twee wijzigingen. Wijzigingen die niet om aanpassing van de regelgeving vragen. De eerste wijziging is dat alle voorstellen, zowel in de bestuurscommissies als in het AB, en in de adviescommissies, ingebracht worden door een portefeuillehouder als bestuurlijk eigenaar.
De tweede wijziging betreft de positionering van de adviescommissies in het besluitvormingsproces. Daarbij zijn twee uitersten denkbaar: aan de ene kant het advies van de onderzoekers om de adviescommissies een lichte rol te geven en het accent te verleggen naar lokale klankborden. Het regionale debat wordt dan tussen college en gemeenteraad gevoerd en de collegeleden treden op als ambassadeur van de eigen gemeente. Dat past goed in het uitgangspunt dat de leden van de bestuurscommissies en van het AB verantwoording schuldig zijn aan de gemeenteraad. De instelling van een aparte raadscommissie voor regionale zaken geeft de gemeenteraad meer instrumenten om zijn kaderstellende en controlerende rol in te vullen. Dit betreft een bevoegdheid van de gemeenteraad zelf.
5/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
RAAD/2017.95
Aan de andere kant van het spectrum worden de adviescommissies in de positie gebracht dat zij vóóraf advies kunnen uitbrengen over alle agendapunten van de bestuurscommissies en het AB. Dat kan met klassieke, fysieke vergaderingen waarbij het debat gevoerd wordt met de portefeuillehouder. Zo ontstaat ook een platform om debat te voeren over door de gemeenteraden ingediende zienswijzen. Raadsleden zijn dan in de gelegenheid om met elkaar het regionale debat te voeren en kunnen gezamenlijke adviezen uitbrengen aan het AB en de bestuurscommissies. De leden zorgen zelf voor inbedding in de eigen raad. Maar ook meer eigentijdse vormen zijn daarbij denkbaar. Zo zou een experiment kunnen starten om gebruik te maken van digitale platforms waarbij met behulp van een moderator argumenten worden gewisseld en een uiteindelijk advies wordt vastgesteld. Den Haag meent dat voor de economische opgaven en de verbetering van de bereikbaarheid regionale samenwerking vereist is en dat het van belang is dat niet alleen bestuurders het regionale debat voeren, maar ook de adviescommissies. Om die reden wordt juist voor een versterking van de adviescommissies gekozen. MRDH opereert in een netwerk met andere overheden, bedrijven en kennisinstellingen. Zo is de bestuurlijke Investmentboard een informeel netwerk zonder bevoegdheden of middelen tussen MRDH, de 2 grote steden, provincie en EBZ.
In dit overleg bespreken de leden de voortgang van het gezamenlijke Regionaal Investeringsprogramma en van de Roadmap Next Economy, en welke ondersteunende acties er ondernomen moeten worden om deze programma’s in daden omgezet te krijgen. De Board beslist niet over de inhoud van de programma’s maar vooral over hoe de projecten tot resultaat kunnen worden komen. Het is nuttig dat deze partijen onderling afstemmen en zich inzetten om de investeringen op gang te krijgen, maar de inbedding van dit overleg in de bestuurlijke organen van de MRDH vraagt wel om verbetering. Zo zouden beide voorzitters van de bestuurscommissies q.q. lid moeten zijn en sturing moeten kunnen geven aan de afspraken. Terugkoppeling van het besprokene zou vanzelfsprekend moeten zijn. De bestuurscommissies en het AB kunnen dan beter hun verantwoordelijkheid nemen. Dat vergroot tevens de transparantie voor de gemeenteraden. Deze verbeteringen kunnen op korte termijn worden doorgevoerd. De democratische legitimiteit wordt hierdoor versterkt, zodat gemeenteraden hun bevoegdheden beter kunnen uitoefenen binnen het samenwerkingsverband. Zoals in het eindrapport over de tussenevaluatie door de onderzoekers zelf wordt opgemerkt, schuren de verticale sturing middels een gemeenschappelijke regeling immers met de horizontale netwerksturing.
De in het regeerakkoord aangekondigde wijziging van de Wgr kan mogelijk worden aangegrepen om de positie van de raden verder te versterken. Gezien het vorenstaande stelt het college de raad voor het volgende besluit te nemen: De raad van de gemeente Den Haag, Gezien het voorstel van het college van 31 oktober 2017, Besluit: I. De gemeenteraad stelt als zijn zienswijze vast: a. De gemeenteraad kan zich vinden in de aanbevelingen uit het evaluatierapport met uitzondering van aanbeveling nr 6;
6/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
RAAD/2017.95
b.
c. d. e.
f.
g. h. i. j.
II.
MRDH moet zich richten op enkele kerntaken en kan meer dan nu lokale initiatieven verbinden in het opt-in model en dit model ook toepassen op de bestaande projecten van EV en VA; MRDH moet zich blijkens zijn besluiten, rekenschap geven van lokale belangen; Het bestuurlijk eigenaarschap moet versterkt worden door consequent te werken met portefeuillehouders die zich eigenaar weten van een voorstel; De adviescommissies zijn de plek voor het regionale debat en moeten kunnen adviseren over de agenda’s van de bestuurscommissies en van het AB vóórdat deze een besluit nemen. De portefeuillehouder brengt het voorstel in de adviescommissies en vervolgens in de bestuurscommissies of het AB; De raad pleit voor het houden van experimenten met eigentijdse vormen van communicatie en meningsvorming dmv internet, bijvoorbeeld door toepassing van de bestaande Beleidsregel internetconsultatie MRDH 2015; In de reglementen van orde moet de mogelijkheid van inspraak door burgers opgenomen worden; De in het regeerakkoord aangekondigde wijziging van de Wgr moet worden aangegrepen om de positie van de raden verder te versterken;* De raad pleit voor een evaluatie over twee jaar i.p.v. vijf jaar;* Het algemeen bestuur dient, conform artikel 6:2 van de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Den Haag 2014, algemene regels op te stellen omtrent de procedure van uittreding.*
De gemeenteraad ziet de uitwerking van de aanbevelingen door het AB graag tegemoet en wenst daarover tijdig in de raad te kunnen spreken.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 23 november 2017. De griffier,
De voorzitter,
* geamendeerd in de raadsvergadering van 23 november 2017.
7/7