CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310790 Bijlage 5

Commissie Leefomgeving 24 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Tweeminutendebat over Houd kansen voor de Erasmusvaart open7.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Watersysteemanalyse boezem

Watersysteemanalyse boezem

Delft, 3 oktober 2018

Inhoud 1

Inleiding ............................................................................................. 6

1.1 1.2 1.3 1.4

Systeembeschrijving .............................................................................. 6 Eerdere studies van het boezemsysteem, van ABC naar NBW ...................... 8 Proces .................................................................................................. 8 Stakeholders ......................................................................................... 9

2

Inventarisatiefase ............................................................................ 11

2.1 2.2

Inventarisatie praktijkknelpunten met stakeholders ..................................11 Modelbouw en calibratie ........................................................................11

3

Toetsing ............................................................................................ 13

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Uitgangspunten voor toetsing .................................................................13 Methode waterstandstatistiek (stochastenmethode) ..................................13 Invloed van wind ..................................................................................13 Mobiele pompen ...................................................................................14 Watergangprofielen ...............................................................................15 Maalstops poldergemalen en boezemgemalen ..........................................15 Autonome ontwikkelingen ......................................................................15 Analyse hydraulisch functioneren ............................................................16

4

Resultaten ........................................................................................ 17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Hydraulisch functioneren .......................................................................17 Functioneren bij extreme neerslag ..........................................................18 Haagland .............................................................................................20 Westland .............................................................................................21 Oostland ..............................................................................................27 Midden Delfland ....................................................................................29 Betrouwbaarheid van de resultaten .........................................................31

5

Samenvatting en conclusies .............................................................. 32

5.1 5.2 5.3

Hydraulisch functioneren .......................................................................32 Functioneren bij extremen - knelpunten wateroverlast ..............................32 Betekenis voor de boezemvisie ...............................................................33

6

Literatuur ......................................................................................... 36

5

1 Inleiding Delfland toetst de watersystemen in haar beheergebied (polders en boezem) periodiek aan de normering voor wateroverlast. In 2018 is het boezemsysteem getoetst. Bij de toetsing worden de (berekende) inundatiefrequenties van het boezemland vergeleken met de geldende inundatienormen voor verschillende typen grondgebruik. Gecombineerd met gebiedskennis (het beheerdersoordeel) worden daarna knelpunten benoemd. Om een indruk te krijgen van mogelijke oplossingen voor knelpunten wordt in de watersysteemanalyse ook een diagnose gemaakte van de oorzaken van inundatie, bijvoorbeeld een probleem met de afvoercapaciteit of lokaal laag maaiveld. Daartoe wordt ook inzichtelijk gemaakt hoe het boezemsysteem hydraulisch functioneert, dat wil zeggen waar verhangen en opstuwing optreden. De waterstandstatistiek die in de watersysteemanalyse voor het boezemsysteem is afgeleid is ook input voor de toetsing op stabiliteit en hoogte van de regionale waterkeringen die langs de boezem liggen. De hoogtetoets van de regionale boezemkeringen wordt ná de WSA uitgevoerd.

Figuur 1: Toetsgebied watersysteemanalyse (WSA) boezem (grijs gekleurde gebieden)

1.1

Systeembeschrijving Het boezemsysteem van Delfland voert het water af van ca. 93% van het beheergebied van Delfland (ca. 37.000 ha van in totaal 40.000 ha). De overige 7% van het beheergebied ligt buitendijks of voert het water direct af op het buitenwater. De volgende waterbeheersingseenheden met percentage van de gebiedsoppervlakten van het bemalingsbied van de boezem worden onderscheiden: 6

   

Boezemsysteem van primaire en secundaire watergangen (2% van het afwaterend areaal, 800 ha); Laaggelegen stedelijke en landelijke polders die via een gemaal afwateren op de boezem (68%); Opmalingspolders die onder vrij verval afwateren op de boezem (7%); Boezemland dat vrij afwatert op het boezemsysteem (23%).

De hoofdfuncties van het boezemsysteem zijn de ontwatering van het boezemland en de afvoer en aanvoer van water vanuit en naar het beheergebied. De laag gelegen poldergebieden voeren via het boezemsysteem overtollig water af en nemen in droge periodes water in vanuit het boezemsysteem. Waterhuishoudkundig kan het boezemsysteem in twee deelsystemen worden onderverdeeld. In het midden en oostelijke deel van Delfland is het boezemsysteem een afvoersysteem dat het water dat door de polders wordt uitgemalen afvoert naar de boezemgemalen. In het westelijk deel van Delfland ligt het zogenaamd boezemland dat vrij afwatert op het boezemsysteem. In het boezemland functioneert het boezemsysteem ook als een ontwateringsysteem met kleinere watergangen die het overtollige water afvoeren naar het hoofdafvoersysteem. Deze ‘haarvaten’ in het boezemland hebben bij neerslagpieken ook een bergende functie. Overtollig water wordt met 6 boezemgemalen uitgemalen op het buitenwater met een totale capaciteit van 110 m³/s. De totale capaciteit van poldergemalen die op het boezemsysteem afwateren bedraagt 72 m³/s, 66% van de bemalingscapaciteit van de boezem. Bij hoge boezemstanden kan vanuit de boezem tijdelijk water worden geborgen in 4 bergingsgebieden die in lager gelegen polders liggen. Bij watertekort wordt water ingelaten van het Brielse meer. Het streefpeil voor de boezem is NAP-0,43 m.

7

1.2

Eerdere studies van het boezemsysteem, van ABC naar NBW Na de wateroverlast van 1998 en 1999 is in 2001 het ABC-project van start gegaan (lit. [1]). In dit project zijn grote investeringen gepleegd in het boezemsysteem om het veiligheidsniveau op een hoger niveau te brengen. De bemalingscapaciteit van boezemgemalen is verdubbeld en er zijn bergingsgebieden aangelegd langs het Zwethkanaal en in de polder Berkel om tijdelijk water vanuit de boezem te bergen. De binnenstad Delft is afsluitbaar gemaakt. Het doel van het ABC-project was het vergroten van de veiligheid en beheersbaarheid van het watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De ‘NBW-normen’ voor wateroverlast bestonden destijds nog niet en er waren geen op risico gebaseerde normen voor de boezemkeringen. De maatregelen voor het ABC-project werden beoordeeld op effect op peilstijging in het boezemland en bij de regionale keringen. In 2004 zijn de toen nog niet uitgevoerde ABC-maatregelen nog eens tegen het licht gehouden (lit. [2]) en zijn de boezemwaterstanden opnieuw berekend. Het doel voor het ABC-project is specifieker gemaakt waarbij onder andere is gesteld dat de boezem 100 mm in 48 uur moet kunnen verwerken, een (destijds) geschatte herhalingstijd van 190 jaar. De toelaatbare peilstijging werd gesteld op 35 cm voor de glastuinbouw in het Westland en 40 cm in stedelijk gebied in de boezem.

Een berekening van de waterstandstatistiek met de tijdreeksmethode (lit. [3]) liet zien dat de boezemstanden na uitvoering van het ABC-project voldoen aan de gestelde eisen en dat er zelfs sprake is van enige robuustheid. Wel is besloten gemaal Vlotwatering te vergroten en om bergingsgebied Poelpolder te realiseren om de robuustheid van het boezemsysteem verder te vergroten. In 2011 stonden nog enkele ABC-maatregelen op het programma (enkele doorverbindingen en verbredingen zoals verbreding Vlotwatering, bijdrage aan berging Nieuwe Driemanspolder in Rijnland, vergroten bergingsgebieden Woudse Polder en Berkel). Uit een analyse (lit. [4]) kwam naar voren dat de resterende ABC-maatregelen niet noodzakelijk waren om te voldoen aan de geldende normering voor wateroverlast. Voor de boezemkeringen die niet voldeden aan de normering (hoogtetoets) bleek dat ophogen van de keringen kosteneffectiever was. Besloten werd om alleen de berging Berkel te vergroten en af te zien van de overige ABC-maatregelen. Wel is vastgehouden aan de wens om de robuustheid in het Westland verder te vergroten door het realiseren van extra bergingscapaciteit. Van 2014 tot 2018 heeft Delfland samen met gemeente Westland een verkenning uitgevoerd naar mogelijke bergingslocaties voor de boezem in het Westland.

In 2014 is besloten om mee te liften bij de ontwikkeling van de Rotterdamse Baan en een bergingsgebied in het Molenvlietpark (Tedingerbroekpolder) te realiseren ten behoeve van de boezem.

1.3

Proces De processtappen van de watersysteemanalyse zijn weergegeven in figuur 2. De watersysteemanalyse bestaat uit technische analyses waarbij knelpunten worden berekend en een beoordeling (beheerdersoordeel) van de plausibiliteit van die knelpunten door gebiedskenners. Bij het beheerdersoordeel wordt gebruik gemaakt van de gebiedskennis van peilbeheerders van het waterschap en (riool)beheerders en waterexperts van gemeenten. Berekende knelpunten in het stedelijk gebied zullen immers vrijwel altijd in een samenwerking tussen waterschap en gemeente moeten worden opgepakt. Voor een effectief vervolgproces moeten stakeholders daarom een 8

goed begrip hebben van oorzaken van knelpunten en aannames die zijn gedaan bij in de analyse. In de watersysteemanalyse zijn de beheerders op 4 momenten betrokken: inventarisatie van praktijkknelpunten, beoordeling van het model, beoordeling van de waterstandstatistiek en beoordeling van de berekende knelpunten.

Figuur 2: Processtappen WSA boezem. Werksessies met stakeholders zijn groen gekleurd.

1.4

Stakeholders In overleg met de gebiedscoördinatoren van het team Ruimtelijk Planvormig (RPV) zijn de belangrijkste belanghebbenden voor de WSA geïnventariseerd. Daaruit kwam naar voren dat de belangrijkste stakeholders zijn: -

Gemeenten (bewoners) Land- en tuinbouw (LTO) Natuurmonumenten

De gemeenten in het vrij afwaterende boezemland (Westland, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, in mindere mate Delft, Schiedam, Maasland, Midden Delfland) hebben vanwege hun ligging in het boezemsysteem (vrij afwaterend, gerioleerd gebied) een belang bij het inzicht in de inundatieknelpunten. Wateroverlast kan een sterke relatie hebben met riolering doordat riooloverstorten bij hoge waterstanden het water minder goed kunnen afvoeren. De gemeenten in het boezemland zijn bij aanvang van de inventarisatiefase uitgenodigd om hun kennis en ervaringen in te brengen over systeemwerking en praktijkknelpunten. 9

Tijdens de analysefase hebben ze deelgenomen aan de werksessies om de berekende knelpunten te beoordelen. De overige gemeenten, natuurorganisaties en LTO zijn geïnformeerd via de reguliere ambtelijke overleggen.

10

2 Inventarisatiefase 2.1

Inventarisatie praktijkknelpunten met stakeholders Met gebiedskenners van Delfland en van gemeenten is besproken hoe het boezemsysteem functioneert en waar zich in de praktijk knelpunten voordoen. De inzichten die uit de werksessies naar voren zijn gekomen zijn gebruikt bij het opbouwen van het rekenmodel en in de vervolgfase bij het vaststellen van de uitgangspunten voor toetsing. Uit de werksessies komt het beeld naar voren dat in het boezemland ná (ongeveer) 2005 geen (grote) wateroverlast is opgetreden. Tijdens extreme events van bijvoorbeeld oktober 2013, juni 2016 en september 2017 zijn er geen inundatieknelpunten in het boezemland. De belangrijkste bevindingen uit de werksessies zijn: -

-

-

-

-

2.2

In het boezemland zijn er geen bekende knelpunten met wateroverlast door inundatie. Wel zijn er meldingen van water op straat (riolering) en zijn er grondwaterklachten op een aantal locaties zoals in de Vogelwijk (Den Haag), in de Tedingerbroekpolder (Leidschendam-Voorburg) en binnenstad Delft. Deze zijn echter niet specifiek gerelateerd aan extreme neerslag. De capaciteit van boezemgemalen loopt terug bij hoge buitenwaterstanden. Met dit gegeven moet rekening worden gehouden bij de toetsing; Tijdens de toetsingsfase is besloten om met dit faalmechanisme geen rekening te houden omdat de terugloop in capaciteit gebeurt bij zeer hoge waterstanden en duurt dan ook slechts enkele uren. De inschatting is dat dit faalmechanisme daardoor maar een zeer kleine bijdrage levert aan de kans op hoge boezemwaterstanden. Lage boezemstanden (lager dan NAP-0,60) moeten worden voorkomen bij keringen in verband met stabiliteit. Dit kan bij scheefstand door windopzet (c.q. afwaaiing) een issue zijn; Sturing van boezemstanden vindt in de praktijk plaats op de 6 ‘hoofdpunten’ in het systeem; Mobiele pompen bij polders zorgen bij extreme events voor een zwaardere belasting op de boezem. Hiermee moet rekening worden gehouden in de toetsing.

In de toetsing is gerekend met ca.15% aan extra bemalingscapaciteit vanuit de polders op de boezem; Gebied Lange Stukken in Westland is kwetsbaar vanwege krappe watergangen en duikers. Er zijn geen overlastknelpunten; Bergingsgebied Molenvlietpark moet worden meegenomen als autonome ontwikkeling; Begroeiing en onderhoudstoestand van kunstwerken en watergangen heeft een significant effect op de afvoercapaciteit van de boezemwatergangen, daarmee moet rekening worden gehouden in de toetsing. Door peilbeheerder wordt de onderhoudstoestand van duikers en watergangen als aandachtspunt benoemd.

Modelbouw en calibratie Ten behoeve van de watersysteemanalyse is een geheel nieuw Sobek-model van het boezemsysteem opgebouwd. Het bestaande model was verouderd en daarnaast was er de wens om vooral in het Westland het watersysteem met een hoger detailniveau op te nemen om de systeemwerking ook in het secundaire systeem te kunnen onderzoeken. Voor de opbouw van het Sobek-model zijn in de periode oktober 2016 – februari 2017 ca. 500 kunstwerken (duikers, stuwen en bruggen) in het veld ingemeten en in het 11

beheerregister verwerkt. Daarnaast zijn ruim 1.100 profielen van de primaire boezemwatergangen ingemeten en zijn profielen gemaakt van dieptemetingen van de Schie en Vliet die door de provincie Zuid-Holland zijn uitgevoerd. Om de werking van gemengde rioleringsstelsels goed te kunnen simuleren zijn de kenmerken van de stelsels in het boezemland opgevraagd bij gemeenten en in het model opgenomen. Het Sobek-model is gecalibreerd aan de hand van gemeten waterstand voor de extreme neerslag van 23 juni 2016. Voor deze bui waren veel metingen van boezemstanden en afvoeren van boezemgemalen beschikbaar. Het feit dat de bui in een zomerperiode viel is ook gunstig omdat de boezem toen relatief sterk begroeid was. Met de bui van 13 oktober 2013 is een verificatieberekening gemaakt. Het model is ook gecalibreerd voor windopzet-berekeningen aan de hand van enkele situaties met veel wind. Uiteindelijk bleek het model waterstanden door extreme neerslag en wind goed te kunnen simuleren. Op alle locaties waren de afwijkingen tussen berekende en gemeten waterstanden kleiner dan 5 cm en werd het verloop in de tijd goed gesimuleerd. Op de meeste locaties worden waterstanden overschat. De wijze waarop het model is gecalibreerd is beschreven in een afzonderlijke calibratienotitie.

De gekozen uitgangspunten en resultaten van de modelbouw en calibratie zijn besproken met gebiedskenners van Delfland en gemeenten. De gekozen modeluitgangspunten, bijvoorbeeld de wijze waarop de riolering is gemodelleerd werden onderschreven door gemeenten en de werking van het model werd aan de hand van de calibratieresultaten als realistisch beoordeeld.

12

3 Toetsing 3.1

Uitgangspunten voor toetsing Het algemene uitgangspunt is dat het functioneren van de boezem zo realistisch mogelijk wordt gesimuleerd. Specifiek voor de boezem zijn er enkele onderwerpen in de modellering en toetsing die afwijken van de standaard toetsing voor polders. In figuur 1 is het gebied weergegeven dat wordt getoetst aan de normering voor wateroverlast. Het gebied dat wordt getoetst is het gebied dat direct vanuit de boezem kan inunderen en is afgeleid aan de hand van een maaiveldanalyse. Lokaal kunnen delen van polders direct naar de boezem afwateren en andersom ook vanuit de boezem inunderen. In veel gevallen is dan sprake van een ‘verheelde’ boezemkade. Deze gebieden worden ook in de toetsing beschouw als gebieden die vanuit de boezem kunnen inunderen.

3.2

Methode waterstandstatistiek (stochastenmethode) In WSA’s wordt gewoonlijk de buienreeksmethode gebruikt om statistiek te berekenen. Omdat voor de boezem ten behoeve van de toets van de regionale keringen ook statistiek voor langere herhalingstijden wordt berekend (T300 en T1000) wordt de ‘stochastenmethode’ geschikter geacht. Deze methode wordt door veel waterschappen bij NBW-toetsingen voor boezemsystemen toegepast. In 2011 is de stochastenmethode gebruikt voor de Promotor-berekeningen voor de boezemkeringen (lit. [7]). Een uitgebreide toelichting op hoe de methode voor deze watersysteemanalyse is toegepast staat in een rapport van Hydrologic (lit. [8]).

3.3

Invloed van wind Door de omvang van de boezem kan ook windbelasting tot significante stijging van boezemstanden zorgen. In de WSA wordt windbelasting daarom ook meegenomen in de berekeningen, zowel voor de hoogtetoets voor keringen als voor de inundatietoets. Het nieuwe boezemmodel is ook gecalibreerd op windsituaties. In figuur 3 is ter illustratie de bijdrage van wind aan de T100 waterstand afgebeeld. De bijdrage bedraagt lokaal tot 20 cm, met name aan de zuidzijde van de boezem en de noordzijde van het Zwethkanaal. Dit is overigens niet de waterstand die 1/100 optreedt door windopzet maar geeft een beeld waar wind een grote invloed heeft op de maatgevende boezemstanden. De aansturing van gemaal Zaaijer is in het model bij noordelijke wind is iets aangepast. Gewoonlijk stuurt het gemaal op een punt nabij Schipluiden. Bij noordenwind treedt echter een grote peilstijging op in de omgeving van Maassluis, Maasland die eenvoudig door gemaal Zaaijer kan worden weggemalen en daarom in de praktijk niet zal optreden. Daarom is een tweede sturingsregel toegevoegd die de waterstand ook in de omgeving van gemaal Zaaijer controleert.

13

Figuur 3: Bijdrage scheefstand door wind aan de waterstand die eens per 100 jaar optreedt

3.4

Mobiele pompen Mobiele pompen worden ingezet om bij extreme neerslag lokale knelpunten in polders te bestrijden. De bemalingscapaciteit van de polders kan daardoor met 10 à 20% van de totale bemalingscapaciteit van de polders toenemen. Voor de boezem betekent dat een significante extra belasting. Daarom worden in de toetsing de (belangrijkste) mobiele pompen meegenomen (figuur 4) dit bedraagt ca. 15% van de bemalingscapaciteit van de poldergemalen.

Figuur 4: Locatie waar in de toetsing mobiele pompen zijn meegenomen

14

3.5

Watergangprofielen De dimensies van de primaire boezemwatergangen zijn als onderdeel van de inventarisatiefase ingemeten. Daarmee wordt de werkelijke actuele afvoercapaciteit zo realistisch mogelijk benaderd. Een nadeel is dat geen rekening wordt gehouden met slibaanwas en andersom het buitengewoon onderhoud (onderhoudscyclus) waardoor de afvoercapaciteit lokaal wordt overschat of juist onderschat. Het verschil tussen leggerdiepte en werkelijke diepte bedraagt op ca. 70% van de locaties tussen +/- 15%. Op 60% van de meetlocaties is het werkelijke profiel iets ondieper dan de legger. Het effect van de overschatting/onderschatting op de waterstanden is naar verwachting beperkt tot lokaal enkele centimeters.

3.6

Maalstops poldergemalen en boezemgemalen Er wordt in de toetsing geen rekening gehouden met maalstops van zowel poldergemalen als boezemgemalen. Een maalstop wordt gezien als calamiteitenmaatregel en daarom niet als uitgangspunten meegenomen voor het voldoen aan normering van regionale keringen langs de boezem. Voormalen Als er veel neerslag wordt verwacht wordt de boezemwaterstand afhankelijk van de neerslagverachting 5 tot 15 centimeter verlaagd (voormalen). Hiervoor is een neerslagprotocol opgesteld. Omdat de neerslagverwachting vaak nogal onzeker is wordt in de toetsing de (veilige) aanname gedaan dat de boezem niet is voormalen.

3.7

Autonome ontwikkelingen De volgende autonome ontwikkelingen zijn in de toetsing meegenomen (figuur 5): -

-

-

-

Capaciteit vergroot van enkele poldergemalen in het investeringsprogramma (Akkerdijkse polder, Klaas Engelbrechtspolder, Sluispolder, Schieveen-Delftweg, Oud-en Nieuw Wateringveldse polder). Bergingsgebied Molenvlietpark. In de Tedingerbroekpolder wordt een bergingsgebied gerealiseerd dat tijdelijk 60.000 m³ water vanuit de boezem kan bergen. De inlaatcapaciteit bedraagt 5 m³/s. Doorverbinding Zuidpunt Poelpolder. Als onderdeel van de ontwikkeling van de Poelpolder tot een woongebied wordt aan de zuidzijde van Poelpolder een boezemverbinding gerealiseerd. Hierdoor zal water gemakkelijker vanuit ’sGravezande richting gemaal Westland kunnen worden afgevoerd. Bochtafsnijding Schie. In de Oost-Abtspolder wordt een nieuwe boezemtak gegraven zodat een veiligere vaarweg ontstaat.

15

Figuur 5: Autonome ontwikkelingen die in de WSA zijn meegenomen

3.8

Analyse hydraulisch functioneren Naast de toetsing op wateroverlast is in de watersysteemanalyse inzichtelijk gemaakt hoe het boezemsysteem hydraulisch functioneert. Daartoe is in het rekenmodel het systeem met een constante neerslagintensiteit belast en zijn verhangen, stroomsnelheden en opstuwing bij kunstwerken inzichtelijk gemaakt. De neerslagintensiteit die wordt opgelegd is gelijk aan de afvoernorm: 10 m³/min/100 ha voor onverhard gebied en 20 m³/min/100 ha voor verhard gebied en open water. De afvoer van hemelwater via rioolgemalen en het watergebruik door glastuinbouw worden uitgeschakeld zodat het systeem de grootst mogelijke stationaire afvoer bereikt. Bergingsgebieden worden niet ingezet. De waterstanden worden op de hoofdsturingspunten, dus op enige afstand van de boezemgemalen zoveel als mogelijk op het streefpeil gehouden. De inzichten in het hydraulisch functioneren worden gebruikt bij de analyse van oorzaken en oplossingen voor knelpunten. Daarnaast kan het inzicht worden gebruikt om te signaleren waar het systeem kan worden verbeterd om waterstanden met name in reguliere situaties beter te kunnen beheersen. Een groot verhang of stroomsnelheid is geen knelpunt op zich maar kan wel tot een knelpunt leiden als daardoor te hoge of te lage waterstanden optreden.

16

4 Resultaten 4.1

Hydraulisch functioneren De boezemgemalen worden bij de belasting met de “standaard” bemalingsnorm niet volledig ingezet. Een deel van de capaciteit van de boezemgemalen is alleen gedurende korte periodes inzetbaar bij afvoerpieken. In figuur 6 staat per boezemgemaal de ingezette capaciteit en de afvoer bij de stationaire belasting. Niet alle gemalen worden maximaal benut, vooral gemaal Westland en Van de Burg worden beperkt benut. Bij gemaal Schoute moet worden opgemerkt dat in de praktijk vrijwel nooit meer dan ca. 14 m³/s kan worden ingezet. In de berekening voert het gemaal 19 m³/s af doordat in de berekening alle neerslag op het gemengd gerioleerd oppervlak via de riooloverstorten naar de boezem wordt afgevoerd. In figuur 6 met de berekende verhangen en waterstanden valt op dat er veel primaire boezemwatergangen zijn met een groot verhang (> 4 cm/km), de meest opvallende zijn: -

Binnenstad Den Haag, inclusief diverse bruggen; De boezemtakken naar gemaal Zaaijer langs Schipluiden, Maasland en de Middelwatering; Pijnackerse Vaart; Voorboezems van polder van Nootdorp en Tedingerbroekpolder; Uitstroom Berkelse Zweth naar de Schie; Toestroom gemaal Van de Burg, Vlotwatering en Monstersche Vaart; In het Westland in de Lange Stukken, Het Zwethkanaal, Naaldwijkse Vaart en Groote Gantel en in duikers en bruggen in het secundaire water,

Bij een stationaire belasting stijgt de waterstand in het centrale deel van de boezem, in Delft en noordzijde van het Zwethkanaal tot boven ca. NAP-0,3 m, terwijl de waterstand nabij de gemalen wordt verlaagd tot ver beneden boezempeil. Vooral in Den Haag is over korte afstand een zeer groot verschil zichtbaar tussen de waterstand op de Vliet en nabij gemaal Schoute. In het Westland blijven de waterstanden over het algemeen rond streefpeil, alleen in het oostelijk deel, in de omgeving van Poeldijk en Kwintsheul lopen de waterstanden op boven tot streefpeil. De afvoercapaciteit van de Vliet en de Schie is groot, wat zichtbaar is aan het geringe verhang over de Schie en Vliet. De Pijnackerse Vaart is zwaar belast met polderbemaling waardoor peilen in het midden en het eind van de Pijnackerse Vaart flink stijgen. In het midden van de Pijnackerse Vaart treedt daardoor bij extreme situatie ook inundatie op (zie verder bij knelpunten). De waterstanden in Midden-Delfland zijn relatief laag door de grote bemalingscapaciteit van gemaal Zaaijer. De resultaten van de berekening komen overeen bij de ervaring in het peilbeheer dat met name centraal in het boezemstelsel (Delft en noodzijde Zwethkanaal) de waterstanden in reguliere situaties lastig zijn te beheersen binnen de marge van +/-3 cm.

De waterstanden in Delft zouden met een grotere boezembemaling op de Schie beter kunnen worden beheerst, waarbij wel zal moeten worden gekeken naar toelaatbare stroomsnelheden bij enkele bruggen. De waterstanden aan de noordzijde van de Zwethkanaal zullen bij extremen niet verder stijgen door de aanwezigheid van de bergingsgebieden langs het Zwethkanaal. Voor de reguliere omstandigheden is peilbeheersing hier lastig te verbeteren zonder grootschalige ingrepen in de afvoercapaciteit van boezemwatergangen. 17

4.2

Functioneren bij extreme neerslag Het boezemland dat direct op het boezemsysteem afvoert is sterk ‘verhard’ met glastuinbouw in het Westland en een omvangrijk en sterk verhard stedelijk gebied in Den Haag. Het oppervlak open water van het boezemsysteem is in verhouding tot het oppervlak dat erop afwatert vooral in Den Haag beperkt. De sterke verhardingsgraad, het geringe oppervlak open water en de grote bemalingscapaciteit maken het boezemsysteem tot een zeer snel reagerend watersysteem dat gevoelig is voor korte, hevige neerslagpieken. De waterstanden stijgen snel, tot 10 cm/uur en bereiken al enkele uren na het begin van de bui de hoogste waterstand. De berekende waterstanden met een herhalingstijd van 100 jaar staan in figuur 7. De waterstanden bij stationaire afvoer verschillen in het Oostland en Midden-Delfland veel minder van de T100-waterstand dan in het Westland. De waterstanden in het Oostland en Midden-Delfland worden sterk bepaald door de afvoer door poldergemalen en de afvoercapaciteit van het boezemstelsel. In het vrij afwaterend gebied (Westland en Den Haag) worden de piekwaterstanden met name bepaald door de snelheid waarmee neerslag tot afvoer komt en de bergingscapaciteit van het boezemstelsel. Uit de toetsing komt naar voren dat er geen grote inundatieknelpunten zijn in de boezem. In totaal zijn 87 berekende knelpunten met beheerders besproken.

Op veel locaties bleek het hoogtebestand en/of het landgebruiksbestand achterhaald of werd geconcludeerd dat er geen sprake was van inundatie vanuit de boezem. Daarbij werd geconstateerd dat door het maaiveldverloop lage plekken op enige afstand van de boezem niet vanuit het oppervlaktewater kunnen inunderen. Op 9 locaties is een nadere analyse uitgevoerd met een aanvullende berekening of is in het veld de lokale situatie beoordeeld. Er bleven 11 locaties over waar sprake van is een lokaal (praktijk)knelpunt. In de doorgerekende klimaatscenario’s (2050 en 2085) komt er één lokaal knelpunt bij.

18

19 m³/s 100%

3,5 m³/s 58%

12 m³/s 50%

23 m³/s 76% 8,3 m³/s 100%

20 m³/s 100%

Figuur 6: Verhang, waterstanden en afvoer boezemgemalen in m³/s en als percentage van beschikbare capaciteit bij stationaire belasting.

Figuur 7: Berekende T100 waterstanden als gevolg van extreme neerslag en wind (scheefstand). De kleine zwarte cijfers geven de locatie van inundatieknelpunten

19

4.3

Haagland Hydraulisch functioneren De binnenstad van Den Haag kent een groot verhang (figuur 8). Veel bruggen in het afvoertraject door het centrum leveren een opstuwing op van meer dan 1 cm. De grootste opstuwing treedt op in het oude sluisje in het Verversingskanaal (6,9 cm in de berekening). Dit beeld komt overeen met de praktijkervaring en inzichten die zijn opgedaan bij de doorstroomstudie Den Haag (lit. [5]). De maximale afvoer van gemaal Schoute bedraagt in de berekening zo’n 19 m³/s. Dit is veel meer dan in de praktijk in reguliere situaties kan worden ingezet. In de praktijk kan vrijwel nooit meer dan ca. 14 m³/s worden ingezet. Dit verschil wordt verklaard doordat in de berekening rioolgemalen zijn uitgeschakeld zodat de riooloverstorten in Den Haag maximaal afvoeren op het boezemsysteem. De waterstanden in grote delen van Den Haag moeten desondanks sterk worden verlaagd om het water door Den Haag te kunnen afvoeren. Het bemalingsgebied van gemaal Schoute beperkt zich in grote lijnen tot het stedelijk gebied van Den Haag. Via de Trekvliet komt maar een klein debiet het systeem van Den Haag binnen (~1m³/s). Dit komt overeen met de ervaring van de peilbeheerder dat met gemaal Schoute de waterstanden op de Vliet maar beperkt zijn te beïnvloeden, ondanks een sterke verlaging van de waterstand nabij het gemaal.

De beschikbare capaciteit van gemaal Schoute boven de 14 m³/s (dus ca. 5 m³/s) is alleen inzetbaar voor het afvoeren van kortstondige afvoerpieken uit het de riooloverstorten in het stedelijk gebied van Den Haag en kan in ‘reguliere’ situaties niet worden ingezet.

Figuur 8: Verhangen en verval over bruggen (> 5 mm) bij stationaire afvoer in Haagland

Qua wateroverlast zijn er geen grote knelpunten in Den Haag, zowel bij het huidig klimaat als bij toekomstig klimaat (2050 en 2085). Lokaal bestaat er een knelpunt bij de Groot Hertoginnenlaan waar riooloverstorten op een watergang lozen vlak vóór een lange duiker. Geadviseerd wordt om dit knelpunt samen met gemeente Den Haag te onderzoeken en indien nodig in overleg met Den Haag een aanpak te formuleren. 20

Figuur 9: Knelpunt nabij Groot Hertoginnenlaan Den Haag door riooloverstorten voor een lange duiker

4.4

Westland Hydraulisch functioneren In het Westland zijn er verschillende primaire watergangen met een groot verhang (> 4 cm/km, figuur 10). Vooral de Vlotwatering en Monstersche Vaart die water afvoeren naar gemaal Van de Burg vallen op. Na uitbreiding van gemaal van de Burg (2 naar 6 m³/s) zijn deze watergangen niet verbreed. In het zuidelijke deel van het Zwetkanaal en in het Nieuwe Water nabij de Oranjesluis worden ook relatief grote verhangen berekend. Verder zijn er in het primaire systeem relatief grote verhangen in de Naaldwijkse Vaart en Groote Gantel. In het secundaire systeem zijn er watergangen met duikers en bruggen die veel opstuwing veroorzaken, bijvoorbeeld in de Lange Stukken. Dit gebied wordt door de peilbeheerder ook aangeduid als ‘kwetsbaar’ door kleine watergangen en duikers. In het Westland is voor het huidige klimaat op 7 locaties sprake van een (praktijk)knelpunt. Op 1 locatie gaat het om een knelpunt in de Heen- en Geestvaartpolder en op 2 locaties in de polder Zwartenhoek. Voor het toekomstige klimaatscenario (2050) komt er één knelpuntlocatie bij veroorzaakt door opstuwing door een krappe duiker.

21

Vlotwatering / Monstersche vaart

Lange Stukken

Groote Gantel

Naaldwijkse Vaart

Figuur 10: Verhangen en waterstanden bij stationaire afvoer en inundatieknelpunten in het Westland

Figuur 11: T100 waterstanden Westland

22

Bree-Lee (De Lier - Oude Lierpolder/Hoefpolder) (67, 72) In De Lier langs de Bree Lee bevinden zich enkele percelen met een geringe drooglegging. Volgens de gemeente Westland is hier ook in de praktijk wateroverlast opgetreden. In de WSA wordt op enkele percelen wateroverlast berekend. Het gebied is onderhevig aan bodemdaling. De berekende T100-peilstijging in de boezem bedraagt slechts ca. 13 cm. De peilstijging wordt beperkt door de bergingsgebieden langs het Zwetkanaal. Het effect van voormalen is daardoor op deze locatie beperkt. Gezien de geringe drooglegging zijn oplossingen in de boezem beperkt. De verwachte peilstijging in de toekomst is nog groter (tot 7 cm hoger in 2085) terwijl de bodem hier plaatselijk daalt met ca. 5 mm/jaar (afgeleid uit inteferometrie gegevens 2003-2010). Op termijn zal dit knelpunt dus nog groter worden. Advies is voorlopig accepteren en op termijn ophogen van percelen.

Bedrijventerrein langs Zwartendijk, Naaldwijk (51) Delen van een bedrijventerrein langs de Groote Gantel lopen vaker dan eens per 100 jaar onder bij peilstijging van 20 cm. Gezien de geringe drooglegging zijn oplossingen in de boezem beperkt. Advies is voorlopig accepteren en op termijn ophogen van de laagste terreindelen.

23

Kassen in opmalingspolder Zwartenhoek (13 en 56) In de opmalingspolder Zwartenhoek inunderen nabij de Boomaweg twee kassen vaker dan 1/50 jaar vanuit de polderwatergangen in de Zwartenhoek. Oorzaak is sterke peilstijging in smalle watergangen. Op korte termijn wordt dit gebied gereconstrueerd wat mogelijkheden biedt voor verbetering van de waterstructuur en waar nodig ophogen van maaiveld. Praktijkknelpunt sterke peilfluctuatie Boomawatering, Monster (99) In een smal deel van de Boomawatering treden kortdurende grote peilstijgingen op. De oorzaak is de geringe afvoercapaciteit in combinatie met een groot afvoerend oppervlak en weinig berging. Er lijkt door de peilstijgingen geen directe inundatie vanuit de boezem op te treden doordat het maaiveld relatief hoog ligt. Mogelijk wordt wel de afvoer uit de polder gestremd. Een verbetering van de waterstructuur, bijvoorbeeld vergroten van de afvoercapaciteit en berging kan zorgen voor een betere peilbeheersing.

24

Bedrijventerrein langs de Heen- en Geestvaart (2) Langs de boezemwatergang Heen- en Geestvaart nabij de Woutersweg ligt een bedrijventerrein dat vaker dan 1/100 jaar vanuit de boezem inundeert. De oorzaak is de relatief grote peilstijging in de Heen- en Geestvaart (T100 ca. 55 cm). De peilstijging in de Heen- en Geestvaart is daarmee groot in vergelijking met de rest van het boezemsysteem in het Westland en vooral een gevolg van de beperkte bergingscapaciteit. Daarnaast treedt inundatie op vanuit de polderwatergang in de Heen en Geestvaartpolder (T100 peilstijging 60 cm). Een oplossing kan zijn enerzijds het verbeteren van de afvoer via duikers vanuit de noordwesthoek van peilgebied I van de Heen- en Geestvaartpolder en anderzijds het vergroten van de bergingscapaciteit van de boezem rond de Heen- en Geestvaart.

25

Kas langs de Zwartendijk, Naaldwijk (12, klimaatscenario 2050) In het klimaatscenario 2050 loopt een kas langs de Zwartendijk vaker dan 1/50 jaar onder. Oorzaak is lokale opstuwing achter een relatief lange krappe duiker en een relatief laag liggend perceel. Mogelijk op termijn mogelijkheden om bij herstructurering kas op te hogen en duiker te vergroten.

Opstuwing duiker

26

4.5

Oostland Hydraulisch functioneren In het Oostland valt vooral de Pijnackerse Vaart op door het grote verhang (figuur 12). Aan het eind van de Pijnackerse Vaart bij de uitstroom van het gemaal van de polder van Pijnacker treedt bij stationaire belasting peilstijging op van 35 cm. Deze peilstijging treedt in de praktijk ook meerdere malen per jaar op. In de monding van de Berkelse Zwet in de Schie treedt lokaal een sterk verhang op door een lokale versmalling. De binnenstad Delft is voor het reguliere peilbeheer een kritische locatie door de lage maaiveldligging. Bij extremen (neerslagprotocol B; >40 mm verwachte neerslag) wordt de binnenstad afgesloten. In de stationaire afvoersituatie stijgt het peil in de binnenstad tot NAP-0,27 m en daarmee tot boven de als kritisch beschouwde waterstand van NAP0,35 m. De bovenkant van de sturingsmarge in de boezem (+/- 3 cm) ligt op NAP-0,40 m dus slechts 5 cm beneden de kritische waterstand. De marges zijn in de binnenstad Delft dus bijzonder klein, terwijl deze locatie juist ver van de boezemgemalen ligt. Dit vereist daarom een zeer adequate aansturing van de boezemgemalen waarbij zoveel mogelijk wordt geanticipeerd op verwachte peilstijgingen. De afvoer vanuit het Oostland vindt vooral plaats via de Schie richting gemaal Parksluizen.

De afvoer richting gemaal Zaaijer en Westland is gering door de beperkte afvoercapaciteit van de Kerstanjewetering en Buitenwatersloot. Het waterstandsverval is ook groot tussen Delft en Schipluiden. Ook naar gemaal Schoute is de afvoer vanaf de Vliet beperkt. De afvoercapaciteit van de Vliet en de Schie is door de grote breedte en diepte veel groter dan de hoeveelheid die door Parksluizen en Schiegemaal wordt afgevoerd (respectievelijk 20 en 8,3 m³/s).

Pijnackerse vaart

Berkelse zwet

Figuur 12: Verhangen en waterstanden bij stationaire afvoer en knelpuntlocaties wateroverlast in het Oostland

27

In het Oostland zijn twee locaties met knelpunten. Pijnackerse Vaart, Delftsestraatweg (78) In het midden van de Pijnackerse Vaart liggen enkele woningen waar tuinen vaker dan eens per 100 jaar inunderen. De peilstijging van de boezem bedraagt ca. 40 cm. De oorzaak is grote opstuwing in de Pijnackerse Vaart. Tussen de woningen ligt een kleine watergang. Advies in overleg met bewoners te onderzoeken wat mogelijke en wenselijke oplossingen zijn en in hoeverre inundatie wordt geaccepteerd.

Praktijkknelpunt Wallertuin, meldingen overlast (102) Aan de noordpunt van de binnenstad ligt een onderbemaling in de boezem, De Wallertuin. De woningen die grenzen aan de Wallertuin klagen over natte tuinen (bron: Gemeente Delft). In overleg met gemeente Delft moet worden bepaald hoe de waterhuishouding in dit gebied kan worden verbeterd.

28

In Rotterdam is een inundatieknelpunt in het beheergebied van Schieland (84). In overleg met Schieland moet worden bepaald hoe hiermee moet worden omgaan. In Rotterdam zijn verder geen inundatieknelpunten vanuit de boezem geconstateerd. Peilstijgingen zijn beperkt door de grote afvoercapaciteit en grote drooglegging.

4.6

Midden Delfland Hydraulisch functioneren Alle watergangen die vanuit het centrale deel van Delfland afvoeren naar gemaal Zaaijer laten relatief grote verhangen zien (figuur 13). Er is niet sprake van één ‘bottleneck’. De grootste verhangen zijn te zien in het centrum van Schipluiden, het centrum van Maasland, de Middelwatering en de Bree- of Lichtvoetswatering tussen de Duifpolder en de Holierhoekse en Zouteveense polder. De Zuidbuurt nabij gemaal Zaaijer die water van de Aalkeetpolders afvoert naar gemaal Zaaijer laat ook een groot verhang zien. Het waterstandsverval op deze trajecten bedraagt 10 tot 20 cm. De gemiddelde waterstand nabij de Vlietlanden is door de invloed van gemaal Zaaijer lager dan het streefpeil van de boezem. Bij extreme neerslag stijgen de waterstanden in het grootste deel van de boezem in de regio Midden Delfland beperkt door de grote afvoercapaciteit van gemaal Zaaijer. De grootste peilstijgingen zien we op de Gaag/Oostgaag. De polderbemaling is hier groot, en wordt vaak bij extreme neerslag nog vergroot door mobiele pompen. Zoals hierboven beschreven hangen de peilstijgingen samen met de beperkingen in afvoercapaciteit van de noord-zuid verbindingen naar gemaal Zaaijer (Middelwatering, Zuidgaag door Maasland).

In de nabije omgeving van Zaaijer en in de Vlaardingenvaart worden de maatgevende peilstijgingen bepaald door scheefstand bij harde wind uit noordelijke richtingen. In dit deel van de boezem peilstijgingen leiden niet tot inundatieknelpunten. Wel zijn ze bepalend voor de vereiste hoogte van de boezemkeringen.

29

In Midden-Delfland zijn geen inundatieknelpunten geconstateerd.

Figuur 13: Verhangen en waterstanden bij stationaire afvoer in het Midden-Delfland

30

4.7

Betrouwbaarheid van de resultaten De berekende waterstandstatistiek moet met een bepaalde betrouwbaarheidsmarge worden geïnterpreteerd. De grootste bronnen van onzekerheid in de analyse zijn: -

Functioneren van het model. Vooral het neerslagafvoerproces is onzeker bij extreme situaties, door vereenvoudiging van het fysische proces (modelconcept) en beperkingen in de nauwkeurigheid van neerslagmetingen en waterstandsmetingen. Door het model te calibreren en verifiëren voor enkele goed bemeten historische situaties is de onzekerheid geminimaliseerd. Desondanks zijn verschillen tussen berekende en gemeten waterstanden van ca. 5 cm mogelijk.

-

Methodiek voor het berekenen van waterstandstatistiek. In de watersysteemanalyse is de stochastenmethode gebruikt. In deze methode worden kansen toegekend aan combinaties van situaties, zoals een buivolume, buivorm, initiele grondwaterstand. De ervaring is dat stochastenmethode en tijdreeksmethode vergelijkbare resultaten opleveren. Om meer zekerheid te hebben over de juiste toepassing van de methode is de aanpak van Hydrologic gereviewd door experts van Deltares. De neerslagstatistiek is puntstatistiek op basis van regenmeters en niet zonder meer toepasbaar voor een groot systeem zoals het boezemsysteem. Om hiervoor te corrigeren wordt gebruik gemaakt van een gebiedsreductiefactor waarmee het neerslagvolume dat op het model wordt toegepast wordt gereduceerd. De GRF wordt op basis van gebiedskennis ingeschat voor een het afvoerend gebied dat bijdraagt aan de waterstand op een bepaalde locatie. De reductie bedraagt in de orde van 10 a 15 % afhankelijk van de intensiteit en herhalingstijd van een bui.

-

De neerslagstatistiek is onzeker omdat deze is afgeleid van historische gegevens en ook met statistische modellen is gefit. Vooral de extremere volumes kennen een grote onzekerheidsmarge.

Er is in de toetsing gewerkt met veilige aannames. Zo is bijvoorbeeld in de toetsing bewust geen rekening gehouden met het feit dat bij extreme neerslag de boezem vaak wordt voorgemalen. Daarnaast is voor de berging in gietwaterbassins een minimale waarde aangenomen. De plausibiliteit van de waterstandstatistiek is getoetst door deze te bespreken met gebiedskenners (peilbeheerders). Een plausibel resultaat vereist dat waterstanden die relatief frequent voorkomen (1/10 jaar) al eens zullen/kunnen zijn opgetreden, met een herkenbare verdeling over de boezemtakken. Extreme waterstanden (1/100 jaar) moeten hoger zijn dan waargenomen in het huidige systeem, c.q. na 2005. Uiteindelijk werd de statistiek door de peilbeheerders als plausibel beoordeeld. De berekende waterstandstatistiek is vergelijkbaar met de resultaten van eerdere studies, bijvoorbeeld de Promotor-toetsing uit 2011. De uiteindelijke uitwerking van de genoemde onzekerheden op het resultaat is niet exact gekwantificeerd. Ingeschat wordt dat bij de interpretatie van de waterstandstatistiek rekening moet worden gehouden met een betrouwbaarheidsmarge in de orde grootte van +/- 5 cm.

31

5 Samenvatting en conclusies In 2018 is een watersysteemanalyse voor het boezemsysteem uitgevoerd. De hoofdfunctie van het boezemsysteem is de ontwatering van het boezemland en de afvoer en aanvoer van water vanuit en naar het beheergebied. De laag gelegen poldergebieden voeren via het boezemsysteem overtollig water af en laten in droge periodes water vanuit het boezemsysteem in. Waterhuishoudkundig kan het boezemsysteem in twee deelsystemen worden onderverdeeld. In het midden en oostelijke deel van Delfland is het boezemsysteem een afvoersysteem dat het water dat door de polders wordt uitgemalen afvoert naar de boezemgemalen. In het westelijk deel van Delfland ligt het zogenaamd boezemland dat vrij afwatert op het boezemsysteem. In het boezemland functioneert het boezemsysteem ook als een ontwateringsysteem met kleinere watergangen die het overtollige water afvoeren naar het hoofdafvoersysteem. Deze ‘haarvaten’ in het boezemland hebben bij neerslagpieken ook een bergende functie. De waterhuishouding van het boezemsysteem van Delfland is sinds 2001 door uitvoering van het ABC-Delfland project sterk verbeterd. De capaciteit van de boezemgemalen is meer dan verdubbeld van 50 naar 110 m³/s en er is 2 Mm3 bergingscapaciteit gerealiseerd in de vorm van bergingsgebieden. De laagste delen van de binnenstad Delft zijn afsluitbaar gemaakt.

5.1

Hydraulisch functioneren In een afvoersituatie treden op enkele locaties grote verhangen en hoge waterstanden op. Tussen het centrale deel van het boezemsysteem (omgeving Delft) en de boezemgemalen bedraagt het waterstandsverval 40 tot 50 cm. Nabij de boezemgemalen daalt de waterstand enkele dm’s beneden streefpeil wanneer de boezemgemalen uitmalen, terwijl in de omgeving van Delft de waterstand oploopt tot 15 cm boven streefpeil. Het beheersen van waterstanden in de boezem binnen de beheermarge van +/- 3 cm is daardoor vooral op afstand van de boezemgemalen zoals Delft, noordzijde Zwethkanaal en Poeldijk uitdagend en vereist een pro-actieve sturing waarbij zoveel mogelijk wordt geanticipeerd op verwachte neerslag. De capaciteit van de boezemgemalen is groot ten opzichte van de afvoercapaciteit van het boezemstelsel. De meeste gemalen voeren bij een stationaire belasting daardoor ook niet maximaal af. Desondanks lopen de peilen centraal in het boezemsysteem ver op. De afvoercapaciteit van het boezemsysteem is dus vrijwel overal maximaal benut. Alleen het gemaal Parksluizen zou stationair meer water kunnen afvoeren vanwege de grote afvoercapaciteit van de Schie. Daarmee zouden boezemstanden in Delft beter kunnen worden beheersd.

Het vergroten van de afvoercapaciteit van boezemkanalen om peilen beter te kunnen beheersen zal naar verwachting complex en kostbaar zijn in verhouding tot het effect op de waterstanden.

5.2

Functioneren bij extremen - knelpunten wateroverlast Het boezemsysteem is door de hoge verhardingsgraad en grote bemalingscapaciteit gevoelig voor korte piekbuien. In het boezemland leidt dit echter niet tot grote inundatieknelpunten. Op 11 locaties zijn er lokale (praktijk)knelpunten als gevolg van lokaal laag maaiveld of lokale opstuwing. In de doorgerekende klimaatscenario’s 2050 en 2085 komt er op 1 locatie een knelpunt bij.

32

Uit onderzoek van KNMI over extreme neerslag bij korte duren blijkt dat de neerslagstatistiek voor het huidige klimaat voor extreme gebeurtenissen (extremer dan ~1/10 jaar) alweer is achterhaald. Dat betekent dat we voor de hele extreme gebeurtenissen naar het niveau van de klimaatscenario’s 2050 of zelfs 2085 zouden moeten kijken. Aangezien ook voor het middenscenario 2085 geen grote toename in knelpunten is berekend is de verwachting dat het effect op de knelpunten voor het huidige klimaat beperkt zal zijn. De klimaatscenario’s zullen echter ook worden aangepast aan de nieuwe inzichten. In 2019 worden de resultaten van de resultaten van vervolgonderzoek van het KNMI verwacht en kan meer duidelijkheid worden gegeven over de betekenis voor het boezemsysteem. Door bodemdaling zullen in delen van het boezemland inundatierisico’s toenemen. Lokaal treedt bodemdaling op van meer dan 5 mm/jaar, met name in het zuidoosten van het Westland in de omgeving van Naaldwijk, Honselersdijk en De Lier en Westerlee (figuur 13). Uit de toetsing komen nu knelpunten naar voren langs de boezemwatergang Bree-Lee nabij De Lier. Als het maaiveld niet wordt opgehoogd zal het aantal (lokale) knelpunten in de toekomst groter worden door enerzijds grotere peilstijging en anderzijds bodemdaling.

Figuur 13: Dalingsnelheid van het maaiveld in het Westland uit radar-interferometrie metingen (bron: EU-Subcoast onderzoek Deltares/Hansje Brinker, 2012)

5.3

Betekenis voor de boezemvisie In de “Visie toekomstbestendig beheer boezemsysteem” (lit. [9], ook wel “boezemvisie”) is een aantal uitgangspunten geformuleerd voor het behouden van een goed functionerend, dat wil zeggen beheersbaar en robuust boezemsysteem. Deze watersysteemanalyse geeft geen aanleiding voor bijstelling van die uitgangspunten en de adviezen die in de boezemvisie zijn geformuleerd. De watersysteemanalyse maakt duidelijk dat het boezemsysteem grotendeels voldoet aan de normen voor wateroverlast

33

en dat ook sprake is van enige robuustheid voor wateroverlast omdat het aantal knelpunten niet sterk toeneemt bij de beschouwde klimaatscenario’s. Eenvoudig beheersbaar in reguliere omstandigheden en robuust bij extremen Uit de watersysteemanalyse volgen geen overlastknelpunten die grote verbeteringen vereisen. Het systeem voldoet vrijwel overal aan de normering, ook als naar klimaatscenario 2085 wordt gekeken. Lokaal zijn er enkele knelpunten door laag maaiveld of hydraulische knelpunten waarvoor een lokale oplossing het meest doelmatig is. De beheersbaarheid van waterstanden in reguliere omstandigheden binnen de beheermarge van +/- 3 cm is vooral in het centrale deel van de boezem (Delft, noordzijde Zwethkanaal) en in delen van het Westland lastig. De snelle reactie van waterstanden en beperkingen in de afvoercapaciteit zorgen voor snelle en relatief grote peilstijgingen die ook een zeer pro-actief peilbeheer vereisen. Delfland zorgt met de omgeving dat beheersbaarheid en robuustheid in stand blijven Uit onderzoek van KNMI over extreme neerslag bij korte duren blijkt dat de neerslagstatistiek voor het huidige klimaat voor extreme gebeurtenissen (extremer dan ~1/10 jaar) alweer is achterhaald. Dat betekent dat we voor de hele extreme gebeurtenissen naar het niveau van de klimaatscenario’s 2050 of zelfs 2085 zouden moeten kijken.

Aangezien ook voor het middenscenario 2085 geen grote toename in knelpunten is geconstateerd, is de verwachting dat het effect van de nieuwe inzichten op de knelpunten actuele in het boezemsysteem beperkt is. De klimaatscenario’s zullen echter ook worden aangepast aan de nieuwe inzichten. In 2019 worden de resultaten van de resultaten van vervolgonderzoek van het KNMI verwacht en het advies is om de inzichten uit dat onderzoek te vertalen naar consequenties voor het boezemsysteem. In deze studie is het effect van middenscenario’s voor 2050 en 2085 onderzocht, maar klimaatverandering is onzeker en de bandbreedte van de klimaatscenario’s die in 2014 door het KNMI zijn afgeleid is groot. Daarnaast zal door bodemdaling de kans op wateroverlast toenemen, vooral het zuidoosten van het Westland verloopt de bodemdaling relatief snel. Gezien de toenemende kans op extreme piekbuien lijkt het in het boezemland (Westland, Den Haag) vooral verstandig om het vasthoudend en bergend vermogen van de boezem te vergroten om een robuust systeem te behouden. Het advies is om het vasthouden van water te stimuleren (afvlakken van afvoerpieken) en de kwetsbaarheid van het gebied te verkleinen door hoogwaardige functies te bouwen in gebieden met lage inundatiefrequenties. Daarnaast moet worden aangestuurd op het behoud van de afvoercapaciteit van het boezemstelsel.

Het anticiperende peilbeheer waarbij wordt gestuurd op verwachte neerslag (voormalen) blijft een effectief en noodzakelijk middel om waterstanden te beheersen en grote peilstijgingen zoveel mogelijk te beperken. Waar kan worden meegelift met ontwikkelingen om de afvoercapaciteit te vergroten en bottlenecks weg te nemen moet altijd de afweging worden gemaakt tussen kosten en effectiviteit. Grote effecten moeten hier in de meeste gevallen niet worden verwacht. 34

Gezien de omvang van het boezemsysteem zijn voor een significante verbetering van de afvoercapaciteit omvangrijke en daardoor complexe en kostbare maatregelen vereist. Het meest effectief voor verbetering van beheersing van waterstanden in de omgeving van Delft zou het vergroten van afvoer over de Schie zijn. Anderzijds kan het (kosten)effectiever zijn om de gevoeligheid van gebieden voor peilstijgingen in reguliere situaties te verkleinen, waardoor ruimte ontstaat voor een ruimere sturings- en beheermarge. Vooral de binnenstad van Delft is nu sterk bepalend voor de sturings- en beheermarge in reguliere omstandigheden. Om de beheersbaarheid te behouden is het raadzaam om, zoals ook in de boezemvisie is gesteld niet zonder meer een grotere belasting van polderbemaling op het boezemsysteem toe te staan. Als relevante ontwikkeling in de boezem moet hier worden genoemd dat Delfland onderzoek doet naar mogelijkheden om de ecologische waarde van de boezem te vergroten (“Groene Watergangen”). Er zal gericht worden gezocht naar maatregelen die de ecologische waarde vergroten zonder een ongewenste negatieve invloed op de robuustheid en beheersbaarheid van het boezemsysteem.

35

6 Literatuur

[1] Hoogheemraad van Delfland, Water binnen veilige kaders, Delft, juli 2000. [2] Waterloopkundig Laboratorium, Herijking ABC-boezem, Delft, september 2004. [3] HKV lijn in water, Maatgevende boezempeilen Delfland, Vergelijking Boezemwaterstand, maart 2005. [4] Hoogheemraad van Delfland, Stand van zaken ABC-boezem, Delft, april, 2010. [5] Hoogheemraad van Delfland en Gemeente Den Haag, Doorstroomstudie Den Haag, Studie naar verbetering van het Haagsche boezemwatersysteem, Delft, 16 november 2012. [6] Hoogheemraadschap van Delfland, Kalibratie model boezemsysteem Delfland (memo, DMS 1309268), Delft, 9 juni 2017. [7] HKV lijn in water, Hydraulische belasting regionale keringen Delfland, november 2011. [8] Hydrologic BV, Watersysteemanalyse Boezem en hydraulische randvoorwaarden regionale keringen Hoogheemraadschap van Delfland, juni 2018. [9] Hoogheemraadschap van Delfland, Visie toekomstbestendig beheer boezemsysteem, Delft, 22 februari 2016.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11038193/1