CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310647 bijlage 5

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Welzijn (RIS310647)4.530 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan: Gemeente Den Haag College van B&W Postbus 12652 2500 DP Den Haag t.a.v. Martijn Balster, wethouder Wonen, Wijken en Welzijn

Den Haag, 10 september 2021

Advies 2: Op weg naar een duurzame relatie De Adviescommissie welzijn1 heeft nadat zij eerder dit jaar al enige keren oriënterende gesprekken heeft gevoerd met verantwoordelijke ambtenaren en wethouder Balster met veel interesse kennis genomen van het concept Beleidsplan Professioneel Welzijnswerk 2021 – 2024 “Versterken & Verbinden”, zoals dat op 16 juli is gepubliceerd en ter advisering aan ons en andere betrokkenen is voorgelegd. Zij heeft veel waardering voor het vele werk dat is verricht om met dit beleidsplan aan te sluiten bij actuele ontwikkelingen met betrekking tot het sociaal domein en daar een nieuw perspectief voor de Haagse context voor te schetsen. Daarmee probeert de gemeente – na een geschiedenis waarin de verhoudingen tussen het welzijnswerk en de gemeente op zijn zachtst gezegd moeizaam waren – het fundament te leggen voor een duurzame en positieve relatie met de welzijnsorganisaties in de residentie. Een relatie die gebaseerd is op waardering, vertrouwen en continuïteit en die daardoor kan ontsnappen aan de kortademigheid en onzekerheid die de financiering van het welzijnswerk in het nabije verleden al te zeer hebben gekenmerkt. Dat is een positief uitgangspunt dat de adviescommissie van harte onderschrijft.

Welzijnswerk is basisfunctie In feite impliceert het een erkenning van het welzijnswerk als een onmisbaar onderdeel van wat je de sociale infrastructuur/basis van Den Haag zou kunnen noemen. Het betreft een basisfunctie die nodig is om bewoners van Den Haag te ondersteunen om met elkaar op een betrokken en vreedzame wijze samen te leven, om in hun directe omgeving en in de stad hun weg te vinden en waar nodig hulp en begeleiding te krijgen als mensen tegen problemen aanlopen. Vergelijk het met de huisartszorg of met het onderwijs, ook voorzieningen waarvan het voortbestaan niet om de paar jaar ter discussie wordt gesteld of in de aanbieding wordt gedaan. Overigens is daarmee de kous niet af, want op de erkenning volgt de noodzaak om de rol van het welzijnswerk binnen de sociale infrastructuur preciezer te bepalen. De adviescommissie ziet het als een opgave voor de komende jaren om daar in de vervolgstappen meer helderheid in te scheppen en zal daar haar deskundigheid graag voor inzetten. Terecht wijst het concept-beleidsplan erop dat de gemeente Den Haag niet de enige gemeente is die op zoek is naar een andere houding met betrekking tot de financiering van het welzijnswerk.

Ook in andere grote gemeenten, zoals Utrecht bijvoorbeeld, is een bezinningsproces op gang gekomen, waarbij men zich probeert te ontdoen van al te strikte toepassing van aanbestedingsregels om zodoende ruimte te creëren voor meer duurzame relaties tussen de gemeente en professionele welzijnsorganisaties. Een verstandhouding die niet langer gekenmerkt 1

De Adviescommissie Welzijn bestaat uit: Jan Willem Duyvendak, Jaswina Elahi, Rutger Hageraats, Jos van der Lans, Judith Metz en Mariël van Pelt. De commissie wordt ambtelijk ondersteund door Nick van der Steen.

1

worden door een repeterende onzekerheid en die voor een langere termijn ruimte creëert om professioneel kapitaal op en uit te bouwen. Het lijkt de commissie raadzaam dat de gemeente Den Haag zich op de hoogte stelt van wat er in andere steden gebeurt en daar haar voordeel mee doet. Wellicht kan zij de VNG aansporen om hier een rol van betekenis in te spelen. Geen overspannen verwachtingen Met instemming leest de adviescommissie ook in het conceptbeleidsplan dat er voor gewaakt moet worden om het welzijnswerk niet te overvragen. De adviescommissie heeft daarvoor in een eerder advies gewaarschuwd en stelt vast dat die boodschap is over gekomen en in dit concept verwerkt. Zoals een huisarts in zijn praktijk geen ongezondheid uit de samenleving kan verdrijven, het onderwijs niet als op eigen houtje onwetendheid tegen kan gaan, zo kan het welzijnswerk de grote maatschappelijke problemen niet oplossen. In veel situaties is het al een hele prestatie als erger wordt voorkomen, als situaties niet verslechteren, en het welzijnswerk als, zoals wij dat in ons eerste advies omschreven, ‘vervalremmer’ of ‘pechdemper’ kan optreden. Daarom is het terecht dat in het concept-beleidsplan de betekenis van het welzijnswerk vooral ook benoemd wordt in de sfeer van preventie en signalering.

In veel opzichten vormen welzijnswerkers de ogen en oren voor positieve en negatieve ontwikkelingen in de samenleving en moeten zij in staat gesteld worden om dat op een goede wijze naar buiten te brengen en daar in samenwerking met bewoners en andere organisaties passende initiatieven op te nemen. Dit beleidsplan daagt het welzijnswerk daartoe ook terecht uit. Andere wijze van verantwoording en effectmeeting Positief is de adviescommissie ook over de aanzet die in het concept-beleidsplan wordt geleverd om op een andere wijze tot verantwoording en effectmeeting om te gaan en daarin andere kwalitatieve en meer narratieve instrumenten, zoals bijvoorbeeld storytelling, voor te gaan ontwikkelen. Dat sluit aan bij de groeiende kritiek van de laatste decennia op bureaucratische verantwoordingsprocedures die weliswaar een overvloed aan cijfers voortbrengen, maar vaak weinig zeggend zijn over wat er precies gebeurt en wat nu precies de inzet was van professionele welzijnswerkers. Daar nieuwe vormen voor vinden is een spannende uitdaging die de gemeente met dit Beleidsplan durft aan te gaan. Dat is een voornemen dat overigens bepaald niet eenvoudig zal zijn. Wie goed leest kan dit ook uit dit concept-beleidsplan op maken.

Op meerdere plaatsen valt te lezen dat er enerzijds een behoefte is om het effect van het welzijnswerk duidelijker en zichtbaarder te maken en anderzijds dat daarvoor andere verantwoordingssystemen nodig zijn. Het welzijnswerk moet kwantitatief meetbaarder worden, maar tegelijkertijd zich op een kwalitatieve wijze verantwoorden. Er is, met andere woorden, een onmiskenbare spanning tussen publieke en politieke behoefte om zichtbaar effect te bereiken en de professionele mogelijkheden om daar tastbaar bewijs voor te leveren. Dat past niet één-op-één en het zal nog een hele toer worden om daar de komende jaren samen met de welzijnsorganisaties bevredigende vormen voor te vinden. Grote begrippen preciezer gebruiken Dat wringt eens te meer omdat het concept-beleidsplan het welzijnswerk situeert in een context van grote maatschappelijke opgaven die ook uitgebreid besproken worden. De adviescommissie voelt zich wel geroepen om te melden dat het overzicht zoals op pagina 8 van de concept-beleidsnota geboden wordt een wat rommelig en op een-hoop-geveegd karakter draagt. Als het gemeentebeleid is dat er meer sociale woningen gebouwd moeten worden, dan oogt het toch wat vreemd dat het percentage sociale huurwoningen in Den Haag als een probleemindicator wordt opgevoerd.

Hetzelfde geldt voor de verhuismobiliteit, een kenmerk van een dynamische stad en in veel opzichten ook voor gebieden van vitaal belang – waarom is dit een indicatie van een maatschappelijk probleem? Daarbij worden grote termen niet geschuwd, zoals individualisering, segregatie en informatisering. Het probleem van die aanduidingen is dat ze als een soort bedreiging ten tonele verschijnen, terwijl dat vaak allerminst duidelijk is. Ondermijnt individualisering de sociale cohesie of 2

geeft er juist een andere manier vorm aan? Is de toename van eenpersoonshuishoudens wel een problematisch bewijs van individualisering of juist een vorm van emancipatie ten opzichte van de klassieke gezinssamenleving? En hoe erg is segregatie eigenlijk – zijn steden niet altijd een sorteringsmachine geweest van verschillende subculturen en bevolkingsgroepen? En hoe problematisch is informatisering en digitalisering eigenlijk? Veel van deze grote begrippen roepen dus eerder vragen en discussie op dan dat ze tot een heldere handelingsstrategie leiden. Bovendien gaat het vaak om trends die het lokale verre overstijgen en waarvan het moeilijk is om ze op een exacte wijze naar het lokale niveau te vertalen. Wellicht helpt het om on de toekomst tot een scherpere indeling van maatschappelijk opgaven te komen door een onderscheid te maken tussen opgaven die nationaal (wetgeving, regeringsbeleid), stedelijk (armoede, sociale zekerheid) of in gebieden/wijken om passende interventies vragen. Dat kan uiteindelijk ook helpen om een scherper vizier te krijgen op de bijdrage van professioneel welzijnswerk. Sowieso verdient een wat spaarzamer en zorgvuldiger gebruik van indicatoren en begrippen aanbeveling.

Wat kan wel van het welzijnswerk verwacht worden? Dat laat echter onverlet dat Den Haag zich in de weinig benijdenswaardige positie bevindt dat problemen met betrekking tot ongelijkheid, armoede, schulden en ongezondheid zich zeker in een aantal specifieke wijken en buurten meer ophopen dan dat in vergelijkbare grote gemeenten het geval is. Dat is zonder meer zorgelijk, de adviescommissie wil daar niets op afdingen. Maar de vraag is wat in dit opzicht van het professionele welzijnswerk verwacht kan worden. Het conceptbeleidsplan is daar nog weinig precies over. Enerzijds benadrukt het plan dat het welzijnswerk niet overschat mag worden, anderzijds krijgt zij een verantwoordelijkheid toebedeeld in het bestrijden van deze grote maatschappelijke opgaven. Die dubbelzinnigheid maakt het welzijnswerk ook in de toekomst kwetsbaar voor gemakkelijke kritiek, zoals de commissie ook in haar eerste advies heeft aangegeven. Er is echt nog een vertaalslag nodig om vanuit de grote vraagstukken die spelen in Den Haag tot een passend en realistisch handelingsrepertoire voor het welzijnswerk te komen. Ook hier zal het de kunst zijn om hier de komende jaren preciezer in te worden.

Open agenda: van algemeen naar concreet, van beleid naar praktijk Overigens heeft de adviescommissie het concept-beleidsplan niet gelezen als een afgerond document, maar vooral als een startnotitie waarin een proces op gang wordt gebracht waarin de inzet van het welzijnswerk op basis van ervaringen in de diverse wijken en samenspraak tussen gemeente en organisaties steeds verfijnder kan worden geformuleerd. De richting voor de komende jaren is: van algemene uitgangspunten en principes naar specifieke uitwerkingen en praktijken. In die zin biedt het beleidsplan een open agenda die uitnodigt om tot nadere invulling te komen. Zo moeten de nu nog vaak algemene formuleringen in het concept-beleidsplan in de toekomst steeds meer gaan leven in praktijk van professionele welzijnswerkers. Deze aanpak kent wel het risico dat lastige kwestie met betrekking tot de rol van het professioneel welzijnswerk, kwesties waarin er politieke keuzen gemaakt moeten worden, op de lange baan worden geschoven. Dat kan niet de bedoeling zijn. Daarom beveelt de adviescommissie aan om dit concept-beleidsplan de komende jaren niet alleen van een procedurele (wat hebben we gedaan), maar ook regelmatig van een update over de inhoud van het welzijnswerk te voorzien. Gebiedsgericht werken Een belangrijke rol in deze concretisering is weggelegd voor de zogenaamde gebiedsgerichte of wijkgerichte aanpak.

Op het niveau van de wijk moeten zich de maatschappelijke opgaven vertalen naar handelingsgericht welzijnswerk, gericht op de drie centrale thema’s: actief samenleven, opgroeien en ontwikkelen, en ondersteuning kwetsbare burgers. Het idee is dat op dit schaalniveau zowel opbouwwerkers als jongerenwerkers in staat zijn om in de haarvaten van de samenleving te bewegen en waarbij zij door hun primaire gerichtheid op het collectieve (groeps)niveau het meest effectief kunnen bijdragen aan betrokkenheid van (groepen) bewoners en de positieve ontwikkeling van jongeren of aan de leefbaarheid van de buurt. Per wijk/gebied worden alle relevante data 3

verzameld, op basis waarvan (onder meer met bewoners) een wijkagenda wordt samengesteld, die richtinggevend zal moeten zijn voor het professionele welzijnswerk in het betreffende gebied. Deze wijkscans kunnen reden zijn om de budgetten tussen de gebieden te herverdelen. Kortom, het gebiedsgericht werken is een belangrijke, zo niet de belangrijkste, pijler van het te ontwikkelen welzijnsbeleid. Precies om die reden wil de adviescommissie daar wat uitvoeriger bij stil staan. Gebied en leefwereld valt niet samen Om te beginnen is het verstandig om te benadrukken dat de indeling in gebieden/wijken misschien historische wortels heeft in de geschiedenis van een stad, maar in de moderne samenleving al lang niet meer de alleen bepaler is voor de identiteit van de in de wijk woonachtige bewoners. Kon men vroeger spreken van arbeiderswijken, volksbuurten of middenstandswijken, vandaag de dag zijn die uniformerende aanduidingen niet meer toereikend. De diversifiëring van de bevolking is zo ver voort geschreden dat homogeniteit in wijken ver te zoeken is. Dat betekent dat de gebiedsafbakening zoals die door gemeenten wordt gehanteerd vooral een administratieve, bestuurlijke operatie is.

De indeling dient het belang van de gemeente om middelen en diensten op een ordelijke wijze over de stad te verdelen en komt in nogal wat gevallen nauwelijks overeen met de beleving van bewoners en de wijze waarop zij zich in hun stad positioneren. Op zichzelf is daar helemaal niets mis mee, maar het zou een ernstig misverstand zijn om het ook in deze concept-beleidsnota frequent gebezigde begrip leefwereld samen te laten vallen met een wijk- of een door de gemeente afgebakend gebied. Voor zover mensen in hun fysieke omgeving betrokken zijn moet men die veel kleinere schaal situeren: dan gaat het eerder om een woonblok, een (deel van de) straat, dan om een hele wijk. Bovendien wordt een belangrijke component van de leefwereld gevormd door zaken als een gemeenschappelijk groepsgevoel van bijvoorbeeld leeftijdgenoten, geestverwanten, lotgenoten of mensen die in vergelijkbare sociale omstandigheden (schoolgaande kinderen bijvoorbeeld) vertoeven en dat is lang niet altijd territoriaal bepaald. Deze dynamiek van uiteenlopendheid compliceert het maken van uniformerende wijkagenda’s. Bedreigde wijkidentiteiten Voor de goede orde: dat wil niet zeggen dat er geen sprake is van wijkidentiteiten. Zeker in Den Haag, met zijn nog steeds tastbare onderscheid tussen zand- en veengronden, spelen die in een flink aantal wijken zeker een rol.

Groepen wijkbewoners afficheren zich bijvoorbeeld als Schilderswijker, Duindorper of Transvaler en zij doen dat nadrukkelijker als zij het gevoel hebben dat deze identiteit op het spel staat. Nogal eens oogt het als een defensieve manifestatie, een reactie op processen, overheidsbeslissingen en gebeurtenissen die de geproclameerde wijkidentiteit bedreigen. Geen enkele gebiedsgerichte werkwijze kan om dit fenomeen heen. Daarom is voor werkers in wijken historische (ervarings)kennis van die wijken van groot belang, juist ook omdat in de geschiedenis van die wijken niet alleen negatieve energie ligt verborgen, maar juist ook verhalen over onderlinge verbondenheid en solidariteit. Dat zijn historische fundamenten waar ook nieuw verbindingen tussen autochtone en allochtone, tussen nieuwkomers en oudgedienden, tussen jong en oud op gebouwd kunnen worden. Als storytelling een interessant instrument is om welzijnswerk te verantwoorden, dan moet zich dat niet tot het heden beperken, maar ook over het verleden. Elke wijk is in dit opzicht een schatkamer van verhalen. Het zou heel goed zijn als die schatkamers ook geëxploiteerd gaan worden. Bovenwijks stedelijk welzijnsbeleid? Den Haag staat bekend als een van de meest gesegregeerde steden van Nederland. Er zijn bewoners die zelden of nooit de grenzen van hun eigen wijk overschrijden.

Er zijn bovendien groepen, bijvoorbeeld migranten, die zich juist vaak ook over de grenzen van de wijk organiseren. Deze constateringen maken dat welzijnsbeleid zich niet kan beperken tot een gebiedsgerichte aanpak. Het gaat immers ook over verbindingen tussen wijken, bovenwijkse organisatievormen van mensen en verbindingen van bewoners met de stad of stedelijke (culturele) voorzieningen. Een moderne stad is – gelukkig maar – meer dan de som der wijken. De adviescommissie betreurt het dat daar in het 4

concept-beleidsplan weinig aandacht voor is. Aanbeveling is om aan de verhouding gebiedsgerichte aanpak en stedelijke beleid toch een paragraaf te wijden. Maatschappelijke problemen laten zich niet in een wijk oplossen Bovendien vinden veel maatschappelijke problemen die in het concept-beleidsplan worden omgevormd tot ‘opgaven’ waarin het professionele welzijnswerk haar rol dient vervullen niet een oorzaak in het gebied waar mensen wonen. Dat er veel Hagenaars zijn die van een minimuminkomen moeten leven komt niet omdat ze in een bepaalde wijk wonen, maar omdat – om maar wat te noemen - het minimumloon te laag is, ze niet over een adequate arbeidskwalifcatie beschikken, ze werkloos zijn, verslaafd of arbeidsongeschikt. Zeker, de woningmarkt zorgt er voor dat bepaalde wijken een hogere concentratie kennen van mensen met een minimuminkomen omdat het aanbod van goedkopere woningen daar groter is, maar dat wil niet zeggen dat het verbeteren van hun inkomenspositie een opgave is die op de schaal van een wijk/gebied kan worden aangepakt. Laat staan dat het professionele welzijnswerk daar een vooraanstaande rol in zou kunnen spelen.

Zeker, het professionele welzijnswerk kan mensen organiseren, kan vrijwilligerswerk mogelijk maken, kan onbenut arbeidspotentieel in beweging brengen, maar juist omdat de echte oplossingen buiten haar bereik liggen is het zaak om zo precies mogelijk te bepalen wat dan wel een realistische inzet zou zijn. In dat opzicht biedt het concept-beleidsplan weinig aanknopingspunten en hier ligt, zo meent de adviescommissie, een belangrijke opgave om daar snel een begin mee te maken. Wie neemt het voortouw bij het vaststellen van data gestuurde wijkagenda’s? Ten slotte heeft het de commissie verbaasd dat de gebiedsgerichte organisatie van het professionele welzijnswerk een cruciale pijler is van het toekomstig welzijnswerk in Den Haag, maar dat het concept-beleidsplan eigenlijk geen duidelijkheid biedt over de wijze waarop deze gedurende de komende drie jaar tot stand gaat komen. Wie gaat bijvoorbeeld de wijkagenda’s maken, met wie, op basis van welke input? Wie neemt hier het voortouw? Is dat de gemeente? Verschilt het per wijk/gebied? Wanneer gaat het gebeuren? Wanneer moet het af zijn? Al die vragen blijven voor de adviescommissie onbeantwoord. In de fasering van de implementatie zoals deze op de laatste pagina van het concept-beleidsplan staat weer gegeven, ontbreekt deze concretisering in het geheel.

De fasering gaat vooral over monitoring, verantwoording, kwaliteitsborging en financiering en oogt als een onderonsje tussen professionele welzijnsorganisaties en gemeente. De ontwikkeling van een uitvoeringspraktijk op het gewenste gebiedsniveau heeft in deze planning geen plaats gekregen. Maar hoe kan je nieuwe vormen van verantwoording en effectmeting samen bespreken als die niet gebaseerd zijn op een zich ontwikkelende uitvoeringspraktijk? De adviescommissie beveelt daarom nadrukkelijk aan om een uitvoeringsplanning met betrekking tot het gebiedsgericht werken aan het beleidsplan toe te voegen. Wie organiseert het veranderingstraject en hoe? Achter deze aanbeveling schuilt voor wat betreft de adviescommissie nog een groter vraagstuk. Het beleidsplan wil een dynamisch interactief proces op gang brengen, waar veel partijen bij zijn betrokken. Dat is een intentie die ongetwijfeld op brede steun kan rekenen.

Maar wie gaat dit eigenlijk organiseren? En hoe? Gaat de afdeling welzijn van de gemeente deze kar trekken of wordt het gedelegeerd aan de stadsdeelorganisaties? En wat is dan de verhouding tussen de centrale gemeente en de stadsdelen? Waar kunnen deze laatste organisaties over beslissen? Als het de bedoeling is dat er nieuwe vormen van verantwoording worden ontwikkeld, aan wie wordt deze verantwoording dan afgelegd? Waar worden er de gesprekken over gevoerd? Uiteraard is er sprake van politiek management, uitgevoerd door de verantwoordelijke wethouder en het college, en gecontroleerd door de gemeenteraad. Maar hoe dit politieke management zich laat voeden, waar beslissingen worden genomen, waar gerapporteerd wordt is hoogst onduidelijk. De beleidsnota zou aan kracht en helderheid winnen als daar een paragraaf over zou worden opgenomen.

5

Obligaat beroep op samenwerking Op meerdere plaatsen in de concept-beleidsnota wordt de nadruk gelegd op het verbeteren van de samenwerking tussen verschillende instanties en professionals die in Den Haag met maatschappelijke opgaven in de weer zijn. Een samenwerking die zeker ook op gebiedsniveau vorm zal moeten krijgen en geïntensiveerd moet worden. De concept-beleidsnota bevat een opsomming van maar liefst zestien andere beleidsnota die betrekking hebben op het sociaal domein, waarbij het geen vreemde veronderstelling dat voor elke beleidsnota instanties en professionals in de weer zijn, ieder met een eigen doel en eigen taak. Zo vormt zich een warwinkel van initiatieven en goede bedoelingen waarvan de samenhang vaak moeilijk te ontdekken valt. Tegen deze achtergrond is de roep om meer en betere samenwerking begrijpelijk, maar het is de vraag of alleen een appel daarop wel voldoende remedie is voor de onderliggende kwaal. Een gemeente die zoveel verschillend beleid loslaat op zijn stad vraagt in zekere zin zelf om afstemmingsproblemen, zeker als de verschillende interventies gebaseerd zijn op afzonderlijke financieringsstromen en eigen prestatieindicaties.

Bovendien kan samenwerking, zeker als managers er vorm aan moeten geven, zo maar verworden tot een bureaucratische overlegvorm waarin eerder gewaakt wordt over de eigen financiering en personele inzet dan over de gewenste panklare integrale oplossing van een probleem. Wat de adviescommissie hiermee wil zeggen is dat de herhaalde oproep tot meer en betere samenwerking wat haar betreft te obligaat is als er niet een heldere analyse aan ten grondslag ligt waar het vastloopt en welke rol de gemeente en de aard van de financiering daarin speelt. Waar gaat het mis, waar lopen professionals tegen elkaar op en werken ze elkaar tegen? Gaat het om doorverwijzen naar specialistische vormen van zorg? Gaat het om toegang tot gemeentelijke voorzieningen? Gaat het om privacy-obstakels? Gaat het om onbekendheid met elkaar? En vooral ook: waar gaat het eigenlijk goed en hoe komt dat? Natuurlijk, we zijn het er allemaal over eens dat zeven of meer professionals die zich over een gezin buigen niet effectief is. Maar in het concept-beleidsplan lijkt het soms wel eens dat samenwerking de oplossing is voor zo ongeveer alle kwalen in het sociale domein. Dat is natuurlijk onzin. Sterker, in heel veel gevallen is het juist heel goed dat de schoenmaker zich bij de leest houdt en gewoon in staat gesteld wordt om een probleem op te lossen.

Kortom, ook op het punt van samenwerking zou de adviescommissie precisering en prioritering op prijs stellen. Omgevingsgericht jongerenwerk Zo’n uitwerking zou bijvoorbeeld de paragraven over het jongerenwerk al direct verrijken. Voor dit werk geldt immers dat jongerenwerkers vooral ook omgevingsgericht werken omdat kwetsbaarheid van jongeren vaak voortkomt uit de context waarin zij opgroeien. Natuurlijk zijn jongeren de primaire doelgroep van het jongerenwerk, maar omgevingsgericht werken houdt in dat het jongerenwerk in samenwerking met de lokale sociale infrastructuur een voor jongeren in kwetsbare situaties meer gastvrije omgeving, warme steun en reële kansen creëert. Dat kan het jongerenwerk nooit alleen, daarvoor heeft ze voortdurend relevante anderen nodig, bekenden in de directe omgeving, leerkrachten op school, vrienden, noem maar op. Het huidige beleidsplan tendeert er naar om zich voor de opgaven waar ze voor staan vooral te richten op jongeren en hun ouders, terwijl hun verantwoordelijkheid ook gericht moet zijn om al die mensen en instanties die kunnen bijdragen jongeren die gastvrije omgeving, warme steun en reële kansen te bieden die ze voor hun ontwikkeling nodig hebben. Hiervoor een gerichte samenwerkingsagenda ontwikkelen zal het jongerenwerk zeker een boost geven.

Twee soorten opbouwwerkers Enigszins in het verlengde hiervan meent de commissie nog een paar kanttekeningen te moeten plaatsen bij het instituut community builders dat sinds 2018 door de gemeente aan het sociaal domein in Den Haag is toegevoegd. Het betreft acht outreachende ambtenaren die als frontlijnwerker opereren tussen de leefwereld van burgers en de systeemwereld van de overheid. Ze 6

pakken problemen op, zwengelen initiatieven aan en hebben tegelijkertijd toegang tot het ambtelijk apparaat om zaken snel te regelen. Ze lopen als het ware zonder te kloppen bij hun ambtelijke collega’s binnen. De commissie heeft een aantal van deze communitybuilders gesproken en is zeker onder de indruk van hun werk, hun probleemanalyses, organisatievermogen en doortastendheid. Ze functioneren eigenlijk als klassieke opbouwwerkers, met dien verstande dat ze ten opzichte van de opbouwwerkers die bij welzijnsorganisaties in dienst zijn in het voordeel zijn. Ze hebben een grotere bestaanszekerheid (want ambtenaar en dus geen financieringsonzekerheid), hebben een collegiale en snelle toegang tot het ambtelijk apparaat (waar reguliere opbouwwerkers nogal eens op ambtelijke barrières stuiten) en verdienen vermoedelijk ook beter (de ambtenaren CAO betaalt meer dan de welzijn-CAO). Ongetwijfeld is in 2018 het initiatief genomen om de aanstelling van community builders over te gaan uit een zekere onvrede over het bestaande opbouwwerk (waar eerder overigens stevig op bezuinigd was) en vanuit de gemeentelijke behoefte om sneller te kunnen interveniëren bij concrete sociale en maatschappelijke kwesties.

Maar het gevolg is wel dat er twee soorten opbouwwerkers zijn ontstaan; een groep snelle professionals die er prat op gaan dat ze potten kunnen breken en een groep en een groep opbouwwerkers in dienst van welzijnsorganisaties die niet over de zelfde mogelijkheden en middelen beschikt. In een beleidsplan dat feitelijk ook een revitalisering van het Haagse opbouwwerk voor ogen heeft is het de vraag of dat op termijn een wenselijke situatie is. De adviescommissie raadt de gemeente aan om zich daar tijdens de komende implementatie nog eens nadrukkelijk op te bezinnen. Hier ligt echt een uitdaging om het beste van de twee werelden te combineren. Tot slot De adviescommissie welzijn ziet het voorliggende concept-beleidsplan als een zinvolle eerste stap om tot nieuwe duurzame verhoudingen te komen tussen de gemeentelijke overheid en professionele welzijnsorganisaties. In feite beoogt het beleidsplan een revitalisering van het opbouwwerk en een herwaardering van het jongerenwerk, twee welzijnsambachten die de afgelopen decennia sterk te lijden hebben gehad onder de bezuinigingen en reorganisaties die op het Haagse welzijnswerk zijn losgelaten. Maar het beleidsplan wil nadrukkelijk meer zijn dan een historische correctie.

Het roept het welzijnswerk ook op haar ambachtelijkheid ook tot uiting te laten komen in de nieuwe digitale werkelijkheid die immers een steeds centralere plaats inneemt in het bestaan van burgers en al zeker in de wereld van jongeren. Ongetwijfeld is dat de grootste verandering die de afgelopen decennia heeft plaats gevonden en die nieuwe vormen van communicatie, kennisdeling, ontmoeting, insluiting/uitsluiting genereert waarvan het welzijnswerk zich moeilijk afzijdig kan houden. Het beleidsplan nodigt met name het jongerenwerk nadrukkelijk uit om op dit terrein haar ambachtelijkheid te herijken en innovatieve werkvormen te ontwikkelen. Daar moeten, zo meent de adviescommissie, op termijn ook de nodige financiële middelen voor vrijgemaakt worden. Wel is de adviescommissie enigszins verbaasd dat corona in het beleidsplan eigenlijk geen rol van betekenis speelt. Als we niet beter zouden weten dan zou je kunnen concluderen dat de nota voor de coronamaatregelen is geschreven. Vermoedelijk is het te vroeg om afgewogen conclusies te verbinden aan de periode die nog steeds niet helemaal achter ons ligt, maar de commissie acht het wel wenselijk dat in de komende updates en tussenrapportages wel iets met die ervaringen wordt gedaan. In eerdere adviezen heeft zij daar al een aantal opmerkingen over gemaakt.

In het verlengde daarvan zou het ook heel goed zijn als de probleemschetsen en professionele interventies in vervolgnotities wat meer couleur locale zouden krijgen. Weliswaar kent de beleidsnota nu een aantal cijfermatige paragrafen maar die zijn behoorlijk algemeen. De commissie hoopt dat het opstellen van wijkagenda op basis van relevante gegevens het welzijnsbeleid meer echte Haagse handen en voeten zal gaan geven en minder algemeenheden bevat. 7

Een openhartig gesprek Zoals de adviescommissie in het bovenstaande heeft geconstateerd kan de beleidsnota zeker nog aan concretisering en nauwkeurigheid winnen. Niet alles is even duidelijk en niet alle beleidsvoornemens zijn snel om te zetten in een professioneel handelingsrepertoire van welzijnswerkers. Wie, wat en waar moet doen is niet in alle gevallen even duidelijk, op dat punt kan de eindversie zeker bijgeslepen worden. Maar de Adviescommissie begrijpt ook heel goed dat de vaak wat algemene strekking past bij een document dat als startnotitie moet dienen voor een proces waarin de betrokken organisaties elkaar moeten vinden en wellicht ook weer een taal en omgangsvormen moeten zien te vinden op basis waarvan ze kunnen investeren in onderling vertrouwen. Juist om die reden is het goed dat niet alles in dit beleidsplan even hecht dicht getimmerd is, dat creeert de ruimte voor alle partijen om daar met elkaar openhartig in gesprek te gaan. En dat is precies wat het professionele welzijnswerk in Den Haag vooruit kan helpen.

Namens de Adviescommissie Welzijn,

Jan Willm Duyvendak – voorzitter Jos van der Lans - secretaris

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10858995/1