CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310430 Beantwoording SV Vervolgvragen Toekomst Clingendael

Commissie Ruimte 12 januari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken1.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Datum

BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE

21 december 2021

VRAGEN

Onderwerp

Ons kenmerk

Antwoord van het college op de vragen van de raadsleden mevrouw Vavier en de heren Barker en Bos, luidend: ‘Vervolgvragen toekomst Clingendael’

BSD/10214413 RIS310430

De raadsleden mevrouw Vavier en de heren Barker en Bos hebben op 28 oktober 2021 een brief met daarin tweeëntwintig vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. Op 13 juli 2021 maakte het college de “Gedeeltelijke openbaarmaking beantwoording schriftelijke vragen Clingendael (n.a.v. amendement bekrachtiging geheimhouding RIS309033)” bekend. 1.

In antwoord op vraag 7 stelt het college: “Alle gemeentelijke panden in Clingendael vallen onder de portefeuille van de dienst IDC.” Echter volgens het Overzicht Panden Clingendael d.d. 9 januari 2007 (Bijlage bij RIS142765) vallen sommige panden onder de diensten DSO en DSB. Is dit juist? Zo nee, waarom niet?

Dat is juist. In Clingendael vallen het merendeel van de objecten onder de portefeuille van IDC. Er zijn echter eveneens objecten in Clingendael die vallen onder de portefeuille van DSB (bijvoorbeeld het Theehuis en monumentale Slangenmuur) als DSO (boerderij en weiland). 2.

In antwoord op vraag 7 stelt het college: “Aangezien deze panden formeel geen maatschappelijke beleidsdoelen dienen van OCW behoren deze bedrijfsruimtes in de portefeuille van de dienst IDC.” Wat bedoelt het college in dit verband met “formeel” en wat betekent dit voor de waardering van de ateliers door het college?

Met ‘formeel’ wordt bedoeld dat de panden de functie van bedrijfsruimte hebben en niet die van atelier, ook in de gevallen dat ze wel als zodanig worden gebruikt. De bedrijfsruimten vallen onder de portefeuille van de dienst IDC en dienen daar geen beleidsdoel. Het huidige (tijdelijk) gebruik past binnen de bestemming van de panden als bedrijfsruimten (zie antwoord op vraag 5). 3.

Het Intern Dienstencentrum (IDC) heeft volgens Artikel 3.13 van de Organisatieregeling Gemeente Den Haag de volgende taken: Het Intern Dienstencentrum is verantwoordelijk voor de interne dienstverlening ten aanzien van uitvoerende taken op het gebied van: - financiële administratie, personele administratie, risicomanagement en verzekeringen; - facilitaire voorzieningen en huisvesting; - automatisering. Kan het college aangeven in hoeverre de ateliers in Clingendael bijdragen aan de interne dienstverlening van de gemeente Den Haag?

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

BSD/10214413

De bedrijfsruimten dragen niet bij aan de interne dienstverlening van de gemeente Den Haag. Vandaar dat geconstateerd is dat ze geen beleidsdoel dienen voor de dienst. 4.

Kan het college aangeven in hoeverre alle overige panden in Clingendael bijdragen aan de interne dienstverlening van de gemeente Den Haag?

De overige panden dragen ook niet bij aan de interne dienstverlening van de gemeente Den Haag. 5.

Waarom worden de ateliers door het college “bedrijfsruimtes” genoemd?

Atelier is een nadere specificering van het gebruik van een bedrijfsruimte. In dit geval zijn het bedrijfsruimtes en worden ze op dit moment tijdelijk gebruikt als ateliers. 6.

In antwoord op vraag 13 stelt het college: “Dit betreft bedrijfsruimte met een tijdelijke verhuur.” Om welke adressen die niet zijn overgedragen gaat het hier?

Clingendael 8a, 10A, 13 A en B Oosterbeek 2 A t/m C en 3 A t/m D 7.

Waarom is sprake van tijdelijke verhuur en wat houdt dat in?

Het betreffen huurovereenkomsten die telkens voor korte termijnen stilzwijgend worden verlengd. 8.

In hoeverre wijken de verhuurcontracten voor deze ateliers af van de gebruikelijke contracten voor ateliers?

Deze wijken niet af. Het betreffen huurovereenkomsten voor bedrijfsruimten die we ook voor overige ateliers gebruiken. 9.

In antwoord op vraag 15 stelt het college dat behalve de ateliers in Clingendael er geen andere ateliers en/of cultuurpanden zijn die zijn ondergebracht bij het IDC of bij andere diensten dan OCW. Waar zijn de ateliers/bedrijfsruimtes in Park Oosterbeek ondergebracht?

Bij het IDC. Deze bedrijfsruimten scharen wij onder het gemeentelijk bezit in de parken, landgoederen Clingendael en Oosterbeek op Wassenaars grondgebied. 10. Op 1 januari 2013 heeft de overdracht van de IDC panden aan de Centrale Vastgoedorganisatie Den Haag (CVDH) plaatsgevonden. Zo is het bloot eigendom van de strategische kernvoorraadpanden alsmede het volledige eigenaarschap van alle overige IDC panden overgedragen. Dat betekent dat het IDC in de nieuwe situatie verantwoordelijk blijft voor het beheer en onderhoud van de strategische kernvoorraadpanden (stadhuis/bibliotheekcomplex, stadsdeelkantoor Leyweg en stadsdeelkantoren). Van alle overige panden is het volledige beheer en onderhoud overgedragen aan de CVDH. Is het juist dat de ateliers in Clingendael geen onderdeel vormen van de strategische kernvoorraadpanden? Zo nee, waarom niet? Dat is juist.

2/5

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

BSD/10214413

11.

Is het juist dat het beheer en onderhoud van de ateliers in Clingendael overgedragen zijn aan de Centrale Vastgoedorganisatie? Zo nee, waarom niet?

Dat is juist. 12. In de Nota Vastgoed van de gemeente Den Haag worden verschillende categorieën vastgoed genoemd. Onder welke categorie vallen de ateliers in Clingendael? Vastgoed zonder maatschappelijk beleidsdoel. 13. Volgens de Nota Vastgoed worden de financiële transacties mbt het vastgoed geboekt in de geëigende begrotingsprogramma’s/-producten (labels) en worden de financiële resultaten van het vastgoed verantwoord in de gemeentelijke jaarrekening. Uitgangspunt is dat de lasten en baten opgenomen in de begroting gekoppeld blijven aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de gebruiksfunctie. In welk begrotingsprogramma worden de lasten en baten mbt de ateliers in Clingendael verantwoord en wie is bestuurlijk verantwoordelijk? De lasten en baten worden verantwoord op begrotingsprogramma 16 – Overzicht Overhead door de verantwoordelijk wethouder voor dit programma. 14. Is dit conform de regels van de Nota Vastgoed? Zo nee, waarom niet? Ja 15.

Het Landgoed Clingendael is in 1954 met al het aanwezige onroerend goed in bezit gekomen van de gemeente Den Haag. Al tientallen jaren zijn de genoemde ateliers in gebruik als atelier. Volgens de Nota Landgoederen Clingendael en Oosterbeek, onderdeel van de “Ontwikkelingsvisies - Beheerplannen Clingendael / Oosterbeek 2000-2009” (RIS023216) waren in 2000 de volgende panden in gebruik als atelier in Clingendael: Perceel Clingendael 13 Een pand dat vele bestemmingen heeft gekend. Oorspronkelijk gebouwd als schuur, later in gebruik als broedhuis, bollenschuur en woning. Sinds 1980 in gebruik als atelierruimte. Koetshuis De vroegere woonfunctie van een deel van het koetshuis is nog steeds actueel. De ruimte voor de stalling van de koetsen is nu ingericht als atelierruimte voor enkele kunstenaars. Kan het college aangeven sinds wanneer de ateliers door kunstenaars in gebruik zijn en door de gemeente als zodanig worden verhuurd?

De ateliers worden sinds de jaren ’80 door de gemeente verhuurd. In die 40 jaar hebben diverse mutaties van huurders plaatsgevonden.

3/5

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

BSD/10214413

16. In de Managementrapportage Facilitaire Dienst d.d. 31 maart 2001 (Bijlage bij RIS8607) staat: “Op 3 april 1997 heeft de gemeenteraad de nota "Den Haag op weg naar herstel" vastgesteld en het bijbehorende budgettaire kader aanvaard. Als gevolg van planvoorstellen en beleidsuitgangspunten voor de parken Clingendael en Oosterbeek zal het beheer van panden in deze parken door de FAD worden gecontinueerd en niet worden verkocht. Het betreft panden met een beleggingswaarde van € 3.845 mln. (ƒ 8.495 mln.) en een jaarlijks voordelig exploitatiesaldo van € 248.672 (ƒ 548.000).” Wat is de huidige beleggingswaarde en het huidige exploitatiesaldo van deze panden? Van de huidige panden op de parken Clingendael en Oosterbeek die onderdeel van de IDC (voormalig FAD) portefeuille zijn is geen actuele beleggingswaarde (taxatie) bekend. Het voordelige exploitatiesaldo over boekjaar 2020 was € 74.350,-. 17.

Gelden de genoemde beleidsuitgangspunten voor de parken Clingendael en Oosterbeek momenteel nog steeds? Zo nee, wanneer en hoe zijn deze gewijzigd?

Ja, zie antwoord vraag 12. 18. In antwoord op vraag 11 stelt het college: “In bijlage 1 van deze notitie staat vermeld dat (ook) het voortbestaan van deze ateliers ter discussie staat met het oog op de uitbreidingsplannen van het Instituut Clingendael”. Deze bijlage stamt uit november 2005. Welke uitbreidingsplannen waren er toen voor Instituut Clingendael en wat is er terecht gekomen van deze plannen? Circa 15 jaar geleden had Instituut Clingendael plannen om uit te breiden en hadden daarvoor het bij het instituut naastgelegen Koetshuis op het oog. Dat heeft toen verder geen vervolg gekregen omdat het Koetshuis een Rijksmonument is en het object daardoor niet geschikt gemaakt kon worden voor aanvullende huisvesting van het Instituut Clingendael. 19. Vraag 21 luidde: “Is het college met mij van mening dat het aanhouden van ateliers voor kunstenaars nog steeds een belangrijk beleidsdoel steunt en verkoop niet aan de orde kan zijn?” Het antwoord van het college luidde: “Ja”. Kan het college bevestigen dat de ateliers in Clingendael in gebruik zijn door kunstenaars? De ateliers zijn deels in gebruik door erkend kunstenaars (ingeschreven bij Stroom) en deels kunstenaars, huurders die niet bij Stroom staan ingeschreven. 20.

Zo ja, kan het college bevestigen dat verkoop van deze ateliers niet meer aan de orde is? Zo nee, waarom niet? Het college kan niet publiekelijk ingaan op mogelijke verkopen, volgens de eerder aan u benoemde redenen. Voor een overzicht van de door de gemeente vastgestelde lijst te verkopen panden verwijst het college u naar de bijlage bij RIS307529, die vertrouwelijk aan de raad ter inzage is gelegd.

4/5

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

BSD/10214413

21. In antwoord op vraag 19 stelt het college: “In 2015 zijn 10 atelierruimtes aan de Duinstraat 55 gerealiseerd ter compensatie van het verlies van de ateliers aan de Scheldestraat.” Wat waren de kosten van het realiseren van deze atelierruimtes en op welke begrotingsprogramma’s zijn deze kosten verantwoord? Kosten (€ 132.806) voor het geschikt maken van 10 ateliers aan de Duinstraat 55 zijn ten laste gekomen van de DSO grondexploitatie Maasstraat. 22. In het Projectdocument Maasstraat en omgeving (RIS181993) d.d. 6 december 2011 staat: “De gemeente verzorgt de uitplaatsing van de huurders en de gebruikers van de gronden en opstallen, die de gemeente aan Haag Wonen ten behoeve van het bouwplan zal leveren en draagt de kosten ervan. Beide partijen spannen zich in om voor de huurders/gebruikers (kunstenaars en groothandel) tijdig geschikte vervangende huisvesting te vinden, onverminderd de verplichting van de gemeente om voor die uitplaatsing zorg te dragen.” Dit gaat o.a. over de huurders en gebruikers van het gesloopte atelierpand in de Scheldestraat 166. Zijn de kosten voor het realiseren van vervangende atelierruimte voor kunstenaars in de Duinstraat 55 ten laste gebracht van de grondexploitatie Maasstraat en e.o.? Zo nee, waarom niet? Zie antwoord vraag 21. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx

Jan van Zanen

5/5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10963536/1