CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310282 bijlage 3 toelichting

Commissie Ruimte 26 januari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Hoorzitting inzake het ontwerpbestemmingsplan Maestro32.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. 5.2.1

Onderzoek

Peutz heeft in opdracht van Stebru Ontwikkeling B.V. onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's. In deze paragraaf worden de uitkomsten van het onderzoek samengevat weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. 5.2.1.1 Plangebied De ontwikkellocatie is gelegen aan de Randveen 64 te Den Haag, ter hoogte van de kruising tussen de Hengelolaan en de Lozerlaan/N211. Het plangebied is gelegen in de wijk Bouwlust, waar woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn gelegen. Ten zuiden ligt het natuurgebied en recreatiepark De Uithof. Het centrum van Den Haag is op circa 6 km afstand gelegen in noordoostelijke richting.

52

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.3.1: ligging van het plangebied (bron: Peutz) 5.2.1.2 Risicobronnen De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen en aanwezigheid van explosieven, zijn geïnventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. Hieruit blijkt dat twee aanwezige risicobronnen nader beschouwd dienen te worden (zie ook afbeelding 5.3.2), te weten: Transport van gevaarlijke stoffen over de Lozerlaan/N211 (o.a. ten behoeve van bevoorrading LPG-tankstations); Transport van gevaarlijke stoffen via aardgasbuisleidingen (A-617 en W-509-02).

53

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.3.2: Ligging plangebied ten opzichte van relevante risicobronnen (bron: Peutz) 5.2.1.3 Transport van gevaarlijke stoffen over de Lozerlaan De Lozerlaan/N211, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, ligt op circa 80 meter afstand van het plangebied. De Lozerlaan maakt deel uit van de, door de gemeenteraad vastgestelde, route gevaarlijke stoffen (zoals opgenomen in raadsvoorstel RIS258608, besluitenlijst RIS260481 onder E.2 en het aanvullend routeringsbesluit d.d. 16 mei 2019). Echter, deze weg is niet opgenomen in het Basisnet, derhalve is geen plasbrandaandachtsgebied vastgesteld. De weg is zonder beperkingen open voor vervoer van gevaarlijke stoffen voor alle rijbanen (met uitzondering van busbanen) en beide rijrichtingen. Op de Lozerlaan geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. Over deze weg vindt transport plaats van LPG ter bevoorrading van diverse tankstations. Het is aannemelijk dat tankstations aan de Lozerlaan of in de nabijheid van de Lozerlaan worden bevoorraad via deze route. De meest nabijgelegen tankstations zijn (zie afbeelding 5.3.2): 1. LPG tankstation "Shell Lozerlaan" aan de Lozerlaan 1555; 2. LPG tankstation "De Uithof" aan de Lozerlaan 4; 3. LPG tankstation "Texaco Dekkershoekje" aan de Escamplaan 2000; 4. LPG tankstation "BP Nederland V.O.F" aan de Ockenburghstraat 35; 5.

LPG tankstation "Texaco Kijkduin" aan de Machiel Vrijenhoeklaan 100. Opgemerkt wordt dat een LPG-tankstation een inrichting is die ressorteert onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een LPG-tankstation kent echter een invloedsgebied van 150 meter (zowel vanaf het vulpunt als vanaf het reservoir). De beoogde ontwikkeling is op ruime afstand (>450 meter) van de voornoemde LPG-tankstations gelegen, waarmee dit niet om een nadere beschouwing vraagt in het kader van het Bevi. LPG tankstation "Shell Lozerlaan" Het LPG tankstation is gelegen aan de Lozerlaan 1555. Dit station heeft een vergunde doorzet van 500-1.000 m3 LPG/jaar.

54

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

LPG tankstation "De Uithof" Het LPG tankstation is gelegen aan de Lozerlaan 4. Dit station heeft een vergunde doorzet van 500-1000 m3 LPG/jaar. LPG tankstation "Texaco Dekkershoekje" Het LPG tankstation is gelegen aan de Escamplaan 2000. Dit station heeft een vergunde doorzet van 500 m3 LPG/jaar. LPG tankstation "BP Nederland V.O. F." Het LPG tankstation is gelegen aan de Ockenburghstraat 35. Dit station heeft een vergunde doorzet van 1.000 m3 LPG/jaar. LPG tankstation "Texaco Kijkduin" Het LPG tankstation is gelegen aan de Machiel Vrijenhoeklaan 100. Nadere raadpleging bij de Omgevingsdienst Haaglanden wijst uit dat dit station reeds is opgeheven, de omgevingsvergunning is ingetrokken. Resumerend gesteld dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (in de huidige en de toekomstig situatie) middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) inzichtelijk gemaakt te worden conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) omdat het plangebied binnen 200 meter van een route waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, is gelegen. De Lozerlaan is niet opgenomen in het Basisnet, derhalve is geen plasbrandaandachtsgebied vastgesteld.

5.2.1.4 Transport van gevaarlijke stoffen via aardgasbuisleidingen De aardgasbuisleidingen (W-509-02-deel 1 en A-617-deel1) liggen op een korte afstand van het plangebied, respectievelijk 66 meter en 118 meter gemeten vanaf het midden van de buisleiding tot de rand van het plangebied. Het plangebied bevindt zich binnen de inventarisatieafstand (170 meter) van aardgasbuisleiding (W-509-02-deel 1) en binnen de inventarisatieafstand (180 meter) van aardgasbuisleiding (A-617-deel1), derhalve dient er conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) inzicht te worden gegeven in het externe veiligheidsrisico. 5.2.1.5 Kwantitatieve risico analyse (QRA) Zowel het transport van gevaarlijke stoffen over de Lozerlaan en via de nabijgelegen aardgasbuisleidingen vragen om extra aandacht. Hiertoe dienen de externe veiligheidsrisico’s in de vorm van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) nader inzichtelijk gemaakt te worden. Er is geen sprake van overige risicobronnen in de omgeving van de beoogde ontwikkeling welke om een nadere beschouwing vragen. 5.2.1.6 Resultaten QRA wegtransport Plaatsgebonden risico Afbeelding 5.3 geeft het plaatsgebonden risico in de toekomstige situatie weer. De afbeelding laat de risicocontour PR 10-8 (groen) zien. De PR 10-6 en PR 10-7 zijn niet aanwezig.

55

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.3: Plaatsgebonden risico. De groene contour ( PR 10-8) is zichtbaar (PR 10-6 en 10-7 zijn niet aanwezig) (bron: Peutz) Groepsrisico Afbeelding 5.4 geeft de fN-curves voor de huidige en toekomstige situatie weer. Tabel 5.1 geeft de bijbehorende overschrijdingsfactor en het maximaal aantal slachtoffers weer.

Afbeelding 5.4: GR (wegtransport) voor het berekende groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie (bron: Peutz)

56

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Tabel 5.1: Overschrijdingsfactor GR (wegtransport) in huidige en toekomstige situatie 5.2.1.7 Resultaten QRA hoge druk aardgasbuisleidingen Plaatsgebonden risico Afbeelding 5.5 en 5.6 geven het plaatsgebonden risico aan voor respectievelijk de hogedruk aardgastransportleiding W-509-02 en A-617.

Afbeelding 5.5: Plaatsgebonden risicocontouren van 10-7 (blauw) en 10-8 (paars) per jaar voor de gasleiding W-509-02 (bron: Peutz)

57

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.6: Plaatsgebonden risicocontouren van 10-7 (blauw) en 10-8 (paars) per jaar voor de gasleiding A-617 (bron: Peutz) Voor de buisleidingen is een PR 10-6-contour aanwezig, maar deze ligt niet over het plangebied. Derhalve is geen sprake een belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Groepsrisico Tabel 5.2 geeft het berekende groepsrisico voor de huidige situatie en voor de toekomstige situatie weer.

Tabel 5.2: berekend groepsrisico (bron: Peutz) 5.2.1.8 Beoordeling QRA Uit de QRA volgt dat geen sprake is van een PR 10-6-contour voor de weg. Voor de buisleidingen is een PR 10-6-contour aanwezig, maar deze ligt niet over het plangebied. Derhalve is geen sprake een belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Het groepsrisico voor transport over de weg is kleiner dan de oriëntatiewaarde (OW) in de huidige en toekomstige situatie. Ten opzichte van de huidige maximaal planologische situatie neemt het GR niet toe. Het groepsrisico voor de beide hogedruk aardgasbuisleidingen is gelijk in de huidige en toekomstige situatie, derhalve is geen sprake van een toename. Het berekende GR blijft onder de oriëntatiewaarde (OW). Op basis van de berekende groepsrisico's volstaat conform het Bevt en Bevb een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Tevens wordt in het gemeentelijk beleid gesteld dat wanneer de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden een lichtere vorm van een verantwoording van het groepsrisico

58

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

afdoende is.

tabel 5.3: Resultaten groepsrisicoberekening (bron: Peutz) Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Aan deze grenswaarde wordt aldus voldaan. In de voorliggende situatie is geen sprake van een relevante toename van het groepsrisico (>10 %). Bovendien wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Een verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevt en Bevb aldus niet aan de orde. Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. Aangezien de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden kan er conform de Nota externe veiligheid van de gemeente Den Haag eveneens een lichtere vorm van verantwoording plaatsvinden, waarbij doorgaans organisatorische maatregelen in combinatie met goede mogelijkheden tot ontvluchting en bestrijdbaarheid getroffen dienen te worden.

5.2.1.9 Verantwoording groepsrisico Een beknopte van groepsrisico verantwoording besteedt (conform artikel 7 Bevt) aandacht aan: mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. De mogelijkheden tot risicoreductie Er zijn diverse maatregelen denkbaar met het doel het risico (kans en/of effect) te reduceren. De effectiviteit van deze maatregelen kan niet of beperkt inzichtelijk worden gemaakt middels de wettelijk voorgeschreven rekenmethodieken. Bij het beoordelen van nut en noodzaak van het treffen van maatregelen wordt ook rekening gehouden met locatiespecifieke omstandigheden en maatregelen die reeds in een breder kader zijn getroffen (aan de transportzijde). Naast aanvullende maatregelen als gevolg van de locatiespecifieke omstandigheden (drie risicobronnen) zullen alle te realiseren gebouwen op het plangebied uiteraard moeten voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit zijn eisen opgenomen passend bij de te realiseren gebouwen inclusief bijbehorende functies.

Bij het treffen van maatregelen voor het verminderen van het groepsrisico moet worden uitgegaan van een integrale benadering. Hierna wordt per risicobron (zonder daarbij de samenhang uit het oog te verliezen) ingegaan op te treffen maatregelen. Maatregelen transport over de weg Het treffen van maatregelen om het externe veiligheidsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg te optimaliseren ligt buiten het bereik van de initiatiefnemer. Op de Lozerlaan zijn reeds maatregelen getroffen om het risico te verkleinen, zoals een snelheidslimiet en een brede middenberm. Het risico op de weg wordt verminderd door met lagere snelheid te rijden. De lagere snelheid verminderd de impact van een eventueel aanrijding en de kans dat de tank lek raakt. Thans geldt een maximum

59

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

snelheid van 50 km/uur op de gehele Lozerlaan. De brede middenberm verkleint de kans op een kop-kop aanrijding met een tegenligger. Het berekende GR is worst case te noemen, aangezien een tankwagen slechts een tankstation aandoet. In wekelijkheid kan een tankwagen meerdere tankstations aandoen, waardoor het aantal transporten gereduceerd wordt. Maatregelen transport via buisleidingen Het treffen van maatregelen om het externe veiligheidsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen via hogedruk aardgasbuisleidingen te optimaliseren liggen buiten het bereik van de initiatiefnemer. Een belemmeringsstrook van 5 m aan weerszijde, gemeten vanuit het hart van de buis, vermindert de kans op beschadigingen aan de buisleiding. Beschadigingen kunnen optreden door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden. De mogelijkheden tot risicoreductie beoogde ontwikkeling Om het risico te reduceren kan gekeken worden naar de verschillende beoogde woonvormen binnen het plangebied en de beoogde locatie van deze woonvormen binnen het plangebied. Binnen het plangebied worden verschillende woonvormen gerealiseerd, zoals reguliere huurwoningen en zorgwoningen. Het risico kan gereduceerd worden door de zorgwoningen zo ver mogelijk van de risicobronnen te realiseren en/of door een object tussen een risicobron en de zorgwoningen te realiseren.

In voorliggend plan is beoogd de zorgwoningen zo ver mogelijk van de risicobronnen te realiseren met een huurwoninggebouw tussen de risicobronnen en de zorgwoningen. Zelfredzaamheid en ontvluchting Naar verwachting zullen gezinnen en personen met een lichamelijke of geestelijke beperking aanwezig zijn binnen het plangebied. In de huurwoningen zullen voornamelijk volwassen personen aanwezig zijn die in geval van een calamiteit zelfredzaam zijn. De zorgwoningen betreffen een hoge concentratie van "verminderd zelfredzame" personen. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn niet zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van de beoogde ontwikkeling. In het algemeen dient men in geval van een calamiteit van de risicobron af te vluchten. Een risicoscenario bij LPG is een BLEVE, deze kan ontstaan bij het falen van een tankwagen. Bij het transport van aardgas kan een fakkelbrand ontstaan, hierbij stroomt het aardgas continu uit het lek waarna het gas vlam vat. Het is raadzaam, om miscommunicatie en onrust te voorkomen, te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijden van een mogelijke ramp. Gezien het voorgaande hoeven de zelfredzaamheid en ontvluchtingsmogelijkheden geen belemmering op te leveren voor de beoogde ontwikkeling.

60

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.7: Vluchtrichtingen (roze) indien zich een calamiteit voordoet op de Lozerlaan (bron: Peutz) Beschikbaarheid en hulpverlening De bereikbaarheid van de Lozerlaan en de buisleidingen en de aanwezigheid van voldoende bluswater zijn maatregelen die de effecten kunnen verkleinen. Aan zowel de noord- als de zuidzijde van de bebouwing is sprake van goede bereikbaarheid van de Lozerlaan en de buisleidingen. Hulpverleningsdiensten kunnen middels meerdere wegen het plangebied bereiken. Afbeelding 5.8 geeft de mogelijke routes voor hulpdiensten in geval van calamiteit weer. In de huidige situatie zijn reeds grote hoeveelheden personen in het gebouw aanwezig zijn, echter is het raadzaam overleg te plegen met de brandweer/ veiligheidsregio ten aanzien van de aanwezige capaciteit en faciliteiten (brandkranen en vaste opstelplaatsen).

61

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.8: beschikbaarheid van het plangebied voor de hulpdiensten (bron: Peutz) Cumulatie Er is sprake van drie risicobronnen. In voorliggende situatie spelen bij het uitvoeren van de groepsrisicoverantwoording en het beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening de aspecten cumulatie en eventuele domino-effecten een belangrijke rol. Er is geen adequate rekenmethode om deze effecten kwantitatief te bepalen. Reden hiervoor is dat de rekenmethodieken afhankelijk zijn van de aard van de risicobron en dus per risicobron verschillen. Dit maakt optellen van verschillende groepsrisico's onmogelijk binnen de mogelijkheden van de wettelijk voorgeschreven berekeningsmethodieken. Toetsing vindt ook per risicobron plaats, dit geldt zowel voor het plaatsgebonden risico als voor het groepsrisico. Dit neemt niet weg dat het gewenst is om de cumulatie op kwalitatieve wijze te beschouwen. De basis voor het beschouwen van cumulatie is gelegd in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Zoals hiervoor is toegelicht, is cumulatie van groepsrisico's niet mogelijk binnen de wettelijk voorschreven rekenmethodieken. Kwalitatief gezien kunnen wel uitspraken over cumulatie worden gedaan, namelijk dat een gecumuleerd groepsrisico per definitie hoger zal liggen dan de afzonderlijke groepsrisico's.

In het kader van de realisatie van het voornemen is het groepsrisico van de risicobronnen afzonderlijk berekend. Hierbij is gebleken dat het groepsrisico van de verschillende risicobronnen niet significant toe of afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Gezien de relatief lage afzonderlijke groepsrisico's van de risicobronnen zal daardoor ook de cumulatie tot relatief lage groepsrisico's leiden (lager dan de oriëntatiewaarde). Dit gegeven kan worden meegenomen in de totaalafweging van de groepsrisicoverantwoording. Onafhankelijk van de exacte hoogte van dit gecumuleerde groepsrisico is het van belang om in ogenschouw te nemen dat sprake is van drie risicobronnen waarvan de kans op gelijktijdig optreden van rampscenario's verwaarloosbaar klein is. Immers, deze gelijktijdigheidskans is het product van de kansen op het optreden van een rampscenario ter plaatse van alle risicobronnen. De risicobronnen vragen om een separate beschouwing van risico's, effecten en maatregelen.

62

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Domino-effecten Ten aanzien van domino-effecten kan gesteld worden dat de kans dat bijvoorbeeld een fakkelbrand ten gevolge van het falen van de hogedruk aardgasbuisleiding plaatsvindt precies op het moment dat er een tankwagen met gevaarlijke stoffen voorbij rijdt, verwaarloosbaar is. Bovendien zijn dergelijke "externe factoren" verwerkt in de faalkans waarmee het groepsrisico van de afzonderlijke risicobronnen is berekend. 5.2.1.10 Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Haaglanden heeft op 24 juni 2021 advies uitgebracht. De Veiligheidsregio Haaglanden merkt op dat het plangebied in de nabijheid ligt van de volgende risicobronnen: 1. Transport van gevaarlijke stoffen over N211/ Lozerlaan; 2. Hogedruk aardgastransportleiding A-617; 3. Hogedruk aardgastransportleiding W-509-02. Door de aanwezigheid van deze risicobronnen kunnen binnen het plangebied hitte- en/of druk effecten optreden. De kans dat deze scenario's plaatsvinden is zeer klein. De realisatie van de ontwikkeling, zal gezien de beperkte toename van het aantal personen ten opzichte de huidige locatie, niet zorgen voor een significante verandering van het groepsrisico. Bovendien wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico, conform het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) volstaat.

Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden de volgende maatregelen geadviseerd: A. B. C. D. E.

Vluchtweg van de risicobron af; Voorbereiden interne organisatie; Risicocommunicatie; Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen; Brandveilige parkeergarage.

Een parkeergarage onder een bouwblok met zorgfuncties brengt risico's met zich mee. Parkeerplaatsen voor elektrisch aangedreven voertuigen kennen andere veiligheidsrisico's dan conventioneel aangedreven voertuigen. De veiligheidsregio adviseert bij het ontwerp van de parkeergarage gebruik te maken van de publicatie van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied van fakkelbranden van de hogedruk aardgasleidingen W-509-02 en A-617. Het te bouwen stedelijk bouwblok valt onder de categorie 'zeer kwetsbaar gebouw' uit het Bkl. Onder de Omgevingswet moet de gemeente bij nieuwbouw van een zeer kwetsbaar gebouw in het Omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen. De Veiligheidsregio gaat graag met de gemeente in gesprek over wat de komst van de Omgevingswet betekent voor het plangebied en de te nemen maatregelen. Het volledige advies is als Bijlage 7 opgenomen bij de toelichting. 5.2.1.11 Conclusie In opdracht van Stebru Ontwikkeling B.V. is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's die een rol kunnen spelen bij de beoogde nieuwbouw ter plaatse van de huidige zorginstelling "de Lozerhof" aan het Randveen te Den Haag.

Het plangebied is gelegen op relatief korte afstand van enkele vanuit externe veiligheid relevante risicobronnen, te weten het vervoer van gevaarlijke stoffen over Lozerlaan en de hogedruk aardgasbuisleidingen (A-617 en W-509-02). Conform het vigerende bestemmingsplan "Bouwlust" is ter plaatse van het plangebied thans sprake van een Maatschappelijke bestemming. Tot op heden is het gebouw in gebruik geweest als zorginstelling. Beoogd wordt om in de ontwikkeling woningen, zorgwoningen en commerciële ruimtes te realiseren. Aangezien de beoogde ontwikkeling conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid als kwetsbaar object wordt beschouwd en het vigerende bestemmingsplan niet in deze functie voorziet, is

63

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

voor deze drie risicobronnen het externe veiligheidsrisico uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, op kwantitatieve wijze inzichtelijk gemaakt. Uit de berekening blijkt dat voor de Lozerlaan geen PR contour (10-6) is bepaald en het plangebied buiten de PR 10-6-contour van de buisleidingen ligt. Tevens is het berekende groepsrisico voor deze risicobronnen ruim onder de oriëntatiewaarde gelegen en is evenmin sprake van een toename. Uit onderzoek blijkt dat ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmering bestaat voor vaststelling van het bestemmingsplan en realisatie van de nieuwbouw.

5.3

Geluid

5.3.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn aangewezen: woningen onderwijsgebouwen m.u.v. gymnastieklokalen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; medisch centra; poliklinieken; medische kleuterdagverblijven; terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg; woonwagenstandplaatsen. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer: Wegverkeers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.

Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai maximaal 63 dB. Een uitzondering wordt gemaakt als het gaat om vervangende nieuwbouw langs wegen. De gevelbelasting mag dan maximaal 68 dB bedragen. De wet bepaalt hierbij dat de vervanging niet zal leiden tot: een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur of functie; een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen. In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen spoorwegen aanwezig. Met lawaai van railverkeer hoeft geen rekening te worden gehouden. Reconstructie van wegen Binnen het plangebied zullen de komende jaren naar verwachting geen straten ingrijpend gereconstrueerd worde Industrielawaai

64

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

In en rond het plangebied zijn geen industrieterreinen aanwezig waarop aangewezen inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd. 5.3.2

Resultaten onderzoek wegverkeerlawaai

In opdracht van Stebru Ontwikkeling BV heeft LBP|SIGHT een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting door het wegverkeer op de gevels van de geplande nieuwbouw met als doel om te bepalen hoe de nieuwbouw met inachtneming van de Wet geluidhinder en het beleid van de gemeente Den Haag gerealiseerd kan worden. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage 8 bij de toelichting opgenomen. Het plan wordt gerealiseerd op een geluidbelaste locatie. De gebouwen worden belast door het geluid vanwege het wegverkeer op de Hengelolaan, de Lozerlaan (N211), de Randveen en Laagveen. De maximale snelheid op de Lozerlaan en de Hengelolaan bedraagt 50 km/u. De nieuwbouw ligt binnen de van toepassing zijnde geluidzones. Daarom moet de geluidbelasting onderzocht worden. Volgens de Wet geluidhinder worden 30 km/u-wegen niet getoetst, omdat deze wegen geen geluidzone hebben. De gemeente Den Haag heeft in haar geluidbeleid aangegeven dat de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle wegen moet worden berekend. Dit zijn ook de wegen die zijn uitgevoerd met een maximale snelheid van 30 km/u. Het betreft hier de wegen Randveen en Laagveen. Deze 30 km/u-wegen liggen ten noordwesten van de ontwikkeling. Wegverkeersgegevens De verkeersgegevens van de wegen zijn aangeleverd door gemeente Den Haag voor het jaartal 2028.

In overleg met de gemeente Den Haag hebben we de verkeersgegevens van de Hengelolaan en de Lozerlaan opgehoogd met een autonome groei van 0,5% per jaar. Als basis voor de berekening van de geluidbelasting zijn de prognoses voor het wegverkeer in het jaar 2030 beschouwd. Dit jaar wordt representatief geacht voor de bepaling van de toekomstige geluidbelasting. Hengelolaan De totale intensiteit van het wegverkeer van de Hengelolaan 8.480 mvt/etm. Lozerlaan De totale intensiteit van het wegverkeer van de Lozerlaan is 40.076 mvt/etm. 30 km/u-wegen De totale intensiteit van het wegverkeer van Randveen en Laagveen zijn per weg 900 mvt/etm. Berekeningen en rekenresultaten Het project bestaat uit de nieuwbouw van 388 appartementen in vier blokken (blok A t/m D).

65

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.4.1: overzicht blokken Maestro (bron: LBPISIGHT) Blok A betreft een toren met een hoogte van 75 meter (hoogste vloer op 70 meter). De overige blokken hebben een hoogte tussen circa 19 en 31 meter. De appartementen in blok D betreffen 136 zorgclusterwoningen met 24-uurszorg. In blok D zijn ook enkele algemene ruimten ten dienste van de zorgclusterwoningen voorzien, zoals ontmoetingsruimten, een restaurant, zorgpraktijk-ruimten en spreekruimten. Vanwege zowel de Hengelolaan als de Lozerlaan wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van gebouw A, B en D overschreden. De maximaal te ontheffen grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Hengelolaan De hoogst, berekende geluidbelasting is bepaald op de zuidoostgevels van gebouw A en B en is 54 dB na toepassing van 5 dB aftrek volgens artikel 110g uit de Wet geluidhinder. Afbeelding 5.4.2 geeft de berekende geluidbelasting weer op de zuidoostgevel van gebouw B. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met ten hoogste 6 dB overschreden.

66

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.4.2: Hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Hengelolaan, gebouw B (bron: LBPISIGHT) De voorkeursgrenswaarde vanwege de Hengelolaan wordt op de gevels van blok C en D niet overschreden. Volgens de Wet geluidhinder zijn er vanuit deze weg geen belemmeringen voor de nieuwbouw van deze woonblokken. Lozerlaan De hoogst, berekende geluidbelasting vanwege de Lozerlaan is 52 dB na toepassing van 5 dB aftrek volgens artikel 110g uit de Wet geluidhinder. Afbeelding 5.4.3 geeft de berekende geluidbelasting weer op de zuidwestgevel van gebouw A. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met ten hoogste 4 dB overschreden.

67

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.4.3: Hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Lozerlaan, gebouw A (bron: LBPISIGHT) Daarnaast is de berekende geluidbelasting op een klein deel van gebouw D hoger dan 48 dB na toepassing 5 dB aftrek volgens artikel 110g uit de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met ten hoogste 1 dB overschreden. Voor gebouw B en C geldt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. 30 km/u-wegen Randveen en Laagveen zijn wegen met een maximale snelheid van 30 km/u. Volgens de Wet geluidhinder worden 30 km/u-wegen niet getoetst, omdat deze wegen geen geluidzone hebben. De gemeente Den Haag heeft in haar geluidbeleid aangegeven dat de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle wegen moet worden berekend. Dit zijn ook de wegen die zijn uitgevoerd met een maximale snelheid van 30 km/u. De hoogst, berekende geluidbelasting vanwege de Randveen en Laagveen zonder toepassing van de aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder is 52 dB op de zuidwestgevel van gebouw D en A. Afbeelding 5.4.4 geeft de hoogst, berekende geluidbelasting weer op de gevel van gebouw D.

68

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.4.4: Hoogst berekende geluidbelasting vanwege 30 km/u-wegen, gebouw D (bron: LBPISIGHT) Geluidbeperkende maatregelen Om de geluidbelasting vanwege het wegverkeer terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde per weg moeten geluidbeperkende maatregelen getroffen worden. Om de geluidbelasting vanwege de Hengelolaan en de Lozerlaan te reduceren zou een geluidreducerend wegdek kunnen worden aangebracht of een geluidscherm kunnen worden gerealiseerd. De gemeente Den Haag kan een hogere waarde voor de geluidbelasting op de gevels vaststellen, als – verdergaande – geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of financiële aard ontmoeten. Er is al een geluidbeperkende maatregel toegepast voor de Lozerlaan. De Lozerlaan bestaat uit een geluidreducerend wegdek. Hierdoor is de geluidbelasting gereduceerd met enkele dB`s. Echter, deze afname is onvoldoende om voor een groot deel van de bebouwing de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Er zijn extra maatregelen nodig. Geluidreducerend wegdek Het aanbrengen van bijvoorbeeld dunne deklagen A of B geeft bij de Hengelolaan een reductie van de geluidbelasting van 3 à 4 dB. Voor zware voertuigen is de geluidreductie 1 à 2 dB.

Deze afname is onvoldoende om voor een groot deel van de bebouwing de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Er zijn dan nog altijd extra maatregelen nodig. Geluidscherm Voor een voldoende geluidafschermende werking moeten geluidschermen een hoogte hebben die een

69

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

relatie heeft met de hoogte van de achterliggende bebouwing. Om in de onderhavige situatie de hogere bouwlagen te beschermen zou een scherm met een hoogte van meer dan 5 meter langs zowel de Hengelolaan als de Lozerlaan geplaatst moeten worden. Een dergelijk hoog scherm vormt in de onderhavige situatie een stedenbouwkundig en architectonisch ongewenste barrière. Ook kunnen zich verkeersgevaarlijke situaties voordoen nabij de kruisingen (belemmering zicht). Overige maatregelen Door het verlagen van de maximumsnelheid van 50 naar 30 km/u zijn de wegen niet gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder. Geluidgevoelige objecten die langs een niet gezoneerde weg liggen, hoeven niet in een akoestisch onderzoek betrokken te worden. Beide wegen betreffen (doorgaande) ontsluitingswegen waar een goede doorstroming van het verkeer gewenst is. Om deze in te richten als 30 km/u wegen, zouden snelheidsbeperkende voorzieningen gerealiseerd moeten worden die de doorstroming van het verkeer juist zouden belemmeren. Het verlagen van de intensiteit is niet mogelijk vanwege praktische bezwaren. Conclusie geluidbeperkende maatregelen Het toepassen van bronmaatrelen en/of overdrachtsmaatregelen tussen de bron en het plan voor dit plan zijn niet voldoende doeltreffend en kennen technische, financiële en stedenbouwkundige bezwaren.

5.3.2.1 Procedure hogere waarden Gemeentelijk geluidbeleid Volgens het beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder van de gemeente Den Haag moet voor de toekenning van een hogere waarde (hoger dan 53 dB) worden voldaan aan de volgende voorwaarden: De reductie van de geluidbelasting is niet effectief of uitvoerbaar. Het wordt aanbevolen om bij de indeling van de woningen rekening te houden met de situering van de verblijfsruimten aan de geluidluwe gevel. Bij hoekwoningen of eenzijdig georiënteerde woningen zijn geen mogelijkheden om een geluidluwe gevel te creëren. In die gevallen kan een oplossing worden gevonden door aan minstens één zijde van het gebouw afschermende (buiten)ruimten aan te brengen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat de geluidbelasting op de delen van de gevel achter deze buitenruimte voldoet aan de eisen van een geluidluwe gevel. Voor eenzijdig georiënteerde woningen wordt, wanneer de bestemming bejaarden- of studentenwoningen betreft, de regel aangehouden dat 50% van de woningen aan de geluid-luwe zijde moet worden gesitueerd. Een hogere waarde kan alleen worden verleend als de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. In het beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder van de gemeente Den Haag wordt hierbij in principe uitgegaan van maximaal 68 dB (de zogenaamde plandrempel).

Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid Plandrempel Een hogere waarde kan alleen worden verleend als de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. In het beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder van de gemeente Den Haag wordt hierbij in principe uitgegaan van maximaal 68 dB (de zogenaamde plandrempel). De gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante, omliggende wegen is ten hoogste 60 dB op de zuidoostgevel van gebouw A. Bijlage III van het bijgesloten Akoestisch onderzoek LBP 010721 geeft een overzicht per rekenpunt van de gecumuleerde (gezamenlijke) geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Geluidluwe gevels In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat er sprake is van een geluidluwe gevel wanneer de gecumuleerde geluidbelasting 53 dB is na toepassing van de wettelijk aftrek. Elke woning moet voorzien worden van een geluidluwe gevel. In onderstaande afbeelding is in groen aangegeven bij welke gevels er

70

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

sprake is van een geluidluwe gevel zonder maatregelen. In oranje is aangegeven dat er niet zonder meer sprake is van een geluidluwe gevel. Door de gekozen bouwvormen is in het ontwerp tussen de gebouwen een gemeenschappelijke geluidsluwe buitenruimte gecreëerd.

Afbeelding 5.4.5: geluidluwe gevels (bron LBPISight) Meer specifiek gaat het om de woningtypen A6A en A8A gelegen op de 2e tot de 7e verdieping. In figuur 5.4.6 is de plattegrond van bouwdeel A gegeven en zijn de woningen aangegeven die nog geen geluidsluwe gevel hebben (rood). Alle overige woningen in het plan hebben een gevel waar de geluidbelasting 53 dB of lager is.

71

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Figuur 5.4.6: woningplattegronden. woningen zonder geluidluwe gevel zijn rood aangegeven (bron LPB/Sight) Bij de woningtypen A6A en A8A gelegen op de 2e tot en met de 7e verdieping dient een absorberend plafond te worden aangebracht met een absorptiecoëfficiënt van ten minste 0,6. Er ontstaat dan een reductie van 2 dB. Bij een geluidbelasting van 54 dB wordt met een reductie van 2 dB voldaan aan de eis van een geluidluwe zijde (geluidsbelasting 53 dB of lager). Daarnast krijgen de buitenruimten van alle woningen een gesloten borstwering van 1,2 meter. Het Akoestisch onderzoek LBP 010721 geeft een nadere toelichting op het bovenstaande. Om te borgen dat de maatregelen daadwerkelijk gerealiseerd worden is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Toetsing 'hogere waarden' Omdat de beschreven bron- en overdrachtsmaatregelen uit hoofdstuk 3 onvoldoende doeltreffend zijn en deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, wordt bij de gemeente Den Haag een zogenoemde 'hogere waarde' voor de geluidbelasting op een gevel aangevraagd. In onderstaand overzicht is per geveloriëntatie en per gebouwdeel de hoogste geluidbelasting per bron (Hengelolaan en Lozerlaan) weergegeven in tabel 4.1.

Bijlage V van het rapport Akoestisch onderzoek LBP 010721 geeft een compleet overzicht van de aan te vragen hogere waarden per woning.

72

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

Afbeelding 5.4.6: Aan te vragen hogere waarde per gebouw, per gevel oriëntatie (bron: LBPISight) Cumulatie Vanuit de Wet geluidhinder is het verplicht bij verlening van een hogere waarde de cumulatie van verschillende geluidbronnen in beeld te brengen zonder toepassing van artikel 110g uit de Wet geluidhinder. De hoogste geluidbelasting is 60 dB zonder wettelijke aftrek is op de zuidoostgevel van gebouw A en B. De geluidbelasting is vooral afkomstig vanwege het wegverkeer op de Lozerlaan en de Hengelolaan.

73

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

5.3.2.2 Besluit hogere waarden Wet geluidhinder Parallel aan de bestemmingsplanprocedure wordt de procedure ontheffing hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder doorlopen.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

5.4.1

Algemeen

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes, waarbij specifiek naar de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar gekeken wordt. Om te beoordelen of woningen en bedrijven op een verantwoorde wijze gesitueerd worden is de handreiking Bedrijven en Milieuzonering opgesteld. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen, die gelden vanaf de grens van een inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Wanneer er sprake is van een omgevingstype gemengd gebied, kan een richtafstand met een stap worden verlaagd, zie ook tabel 5.5.1.

Tabel 5.5.1: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering (bron: Mees Ruimte en Milieu) Bij het hanteren van de richtafstanden uit voorgaande tabel wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding. Binnen functiemengingsgebieden, waar milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zijn de richtafstanden uit de tabel niet toepasbaar. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan stadscentra, dorpskernen en winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen, (delen van) woongebieden met functiemenging en gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd. Er wordt in gebieden met functiemenging gewerkt met drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Het plangebied is aan te merken als functiemengingsgebied, waardoor er getoetst wordt aan de hand van milieucategorieën in plaats van richtafstanden. 5.4.2

Beoordeling

De omgeving van het plangebied is aan te merken als gemengd gebied. In de nabijheid van de projectlocatie komen zowel bedrijf-, detailhandel, maatschappelijke en woonfuncties voor. Daarnaast grenst het plangebied aan hoofdinfrastructuur.

74

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

5.4.2.1 beoordeling functies in de omgeving van het plangebied In directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven en functies aanwezig die relevant zijn in het kader van bedrijven en milieuzonering: Afgaanse moskee (Ahlus Sunna wal Jama'ah) Hengelolaan 1069; Openbare basisschool Anne Frank, Laagveen 22; Ontmoetingscentrum Randveen, Randveen 58; Hoogspanningstation, Laagveen 24. Kerkgebouwen en dergelijke (SBI-2008 9491) vallen onder categorie B. Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs (SBI-2008 code 852, 8531) vallen onder categorie B. Verpleeghuizen (SBI-2008 871) vallen onder categorie B. Elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen <10MVA (SBI-2008 code 35) vallen onder categorie B. Categorie B bedrijven, bevatten activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, met een zodanige belasting dat ze bouwkundig gescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De afstand tot zowel de moskee als de basisschool bedraagt meer dan 10 meter. De afstand tot Ontmoetingscentrum Randveen, Randveen 58 bedraagt ongeveer 8,5 meter. De afstand tot het hoogspanningstation Laagveen 24 bedraagt ongeveer 8,5 meter. De afstand tot Ontmoetingscentrum Randveen bedraagt ongeveer 9,5 meter. Er is sprake van bouwkundige scheiding, waardoor aanvullend onderzoek niet aan de orde is.

5.4.2.2 beoordeling functies binnen het plangebied De ontwikkeling voorziet in functiemenging binnen de gebouwen. In de plint worden commerciële- en maatschappelijke voorzieningen beoogd (kantoor, arts en zorgappartementen). Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven (SBI-code 2008 8621, 8622, en 8623) en kantoren (zakelijke dienstverlening) vallen onder categorie A. Deze activiteiten zijn weinig milieubelastend en kunnen aanpandig aan woningen worden uitgevoerd. Aanvullend onderzoek is niet aan de orde.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Niet In Betekende Mate (NIBM)

Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd. De

75

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het bestemmingsplan toelichting Bestemmingsplan Maestro maakt de volgende ontwikkelingen mogelijk: de bouw van 252 woningen, 136 zorgappartementen, circa 368 m2 aan kantoor/ commerciële ruimte en circa 137 m2 aan maatschappelijke ruimte (arts). Het aantal woningen en het aantal vierkante meters kantoor/ maatschappelijke voorzieningen ligt ruim onder de NIBM-grens, zodat geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De extra verkeersaantrekkende werking is minimaal en het gebouw wordt gasloos opgeleverd. Een toetsing aan de grenswaarde kan daarom achterwege blijven. De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer vormen geen beletsel voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. 5.5.2

berekening NIBM tool

Voor de volledigheid is op basis van een verkeersgeneratie van 902 extra voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag een berekening met de NIBM rekentool gemaakt. Uit de berekening blijkt dat de grens voor Niet in Betekende Mate (1,2 ug/m3) niet wordt overschreden. De maximale bijdrage van extra verkeer bedraagt 0,53 ug/m3 voor NO2 (Stikstof) en 0,14 ug/m3 voor PM10 (fijnstof).

5.6

Natuur

5.6.1

Algemeen

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogel- en Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2

76

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

(Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten). De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Zuid-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Onderzoek De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om verkennend onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde planten- en diersoorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. Het onderzoek is bijgesloten als Bijlage 10. Op vrijdag 6 maart 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied Lozerhof te Den Haag en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. In een elektriciteitshuisje zijn open stootvoegen geconstateerd. Deze zeer smalle open stootvoegen zijn uitwendig onderzocht op sporen met ladder. Daarnaast is een endoscoop gebruikt om de potentiele verblijfplaatsen aan de binnenzijde te onderzoeken op de aanwezigheid van (sporen van) vleermuizen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied en het gebied.

Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen. Flora Het plangebied van Lozerhof te Den Haag en directe omgeving is volledig in cultuur gebracht. Het grootste deel van het plangebied is bebouwd of verhard. De niet verharde delen zijn volledig in cultuur gebracht. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 6 maart 2020 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. Vleermuizen (verblijfplaatsen)

77

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

In 2015 is vastgesteld dat het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen niet kan worden uitgesloten (Adviesbureau Mertens, 2015). De reden hiervan is dat achter de gevelplaten en in openstootvoegen van een elektriciteitshuisje vleermuizen zouden kunnen verblijven. Vleermuizen (vliegroutes) Vleermuizen kunnen zich blijven oriënteren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve oriëntatiemogelijkheden gedurende de aanlegfase. Vleermuizen in de stedelijke omgeving zijn vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis die minder verstoringsgevoelig zijn. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Vleermuizen (migratieroutes) De aanwezigheid van migratieroutes van vleermuizen wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Negatieve effecten op migratieroutes van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Vleermuizen (foerageermogelijkheden) Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis en laatvlieger als gevolg van de aanwezige ecotopen (pionierecotopen, tuin).

Het plangebied is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. De tuin blijft in namelijk in de huidige vorm behouden. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Vleermuizen (veldonderzoek) In 2018 is een gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen door middel van zes onderzoeksronden (Adviesbureau Mertens, 2019 Bijlage 11). Drie onderzoeksronden zijn uitgevoerd in het voorjaar / zomer en waren gericht op het in beeld brengen van kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen van vleermuizen. Twee onderzoeksronden zijn uitgevoerd in de voorherfst en waren gericht op het in beeld brengen van balts-, paar- en foerageerplaatsen van vleermuizen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld waardoor negatieve effecten werden uitgesloten. De resultaten van dit veldonderzoek sluiten aan bij de lage verwachtingswaarde voor vleermuizen. Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging wordt het de aanwezigheid van overige zoogdieren uitgesloten.

Voor steenmarter is het plangebied geen leefgebied omdat er geen openingen in de bebouwing aanwezig zijn waarin de steenmarter zich kan ophouden. Het plangebied en omgeving wordt ook intensief gebruikt waardoor het voorkomen van de steenmarter kan worden uitgesloten. Mogelijk komt bosmuis en huisspitsmuis voor in de tuin. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 6 maart 2020 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. De opstallen van Lozerhof te Den Haag bezitten geen mogelijkheden voor vogels om in te verblijven. Voor gierzwaluw en huismus ontbreken geschikte openingen in muren en dak. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 6 maart 2020 zijn ook geen sporen van mussen vastgesteld of huismussen waargenomen. Bestaande gegevens over het voorkomen van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen in het plangebied van Lozerhof te Den Haag zijn op Waarneming of via de NDFF of bijvoorbeeld in de literatuur niet gevonden. Negatieve effecten op nesten en eieren van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. In het beperkt aanwezige opgaand groen kunnen algemene broedvogels broeden zoals roodborst, merel en houtduif.

Gedurende het veldonderzoek op woensdag 5 februari 2020 is merel vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen

78

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

(vogelverschrikkers gebruiken). Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Mogelijk komen in de tuin wel gewone pad en bruine kikker voor. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling. Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied van Lozerhof te Den Haag, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Conclusie In verband met de aanwezigheid van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgesloten.

In het plangebied ontbreken daartoe geschikte mogelijkheden. De conclusie dat verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten wordt bevestigd met veldonderzoek uit 2019. Gedurende dit veldonderzoek zijn ook geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen. In het gebied vliegen en foerageren wel vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieven aanwezig. Negatieve effecten vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid-Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de ruimtelijke ontwikkeling van Lozerhof aan de Randveen 64 te Den Haag is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. 5.6.3

Gebiedsbescherming

5.6.3.1 Algemeen In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op

79

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. De volgende Natura 2000-gebieden liggen in de omgeving van het plangebied: Solleveld & Kapittelduinen Gelegen op circa 2,2 km afstand Westduinpark & Wapendal Gelegen op circa 3,3 km afstand Meijendell & Berkheide Gelegen op circa 8,7 km afstand

Afbeelding 4.7.1: Plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Mees Ruimte&Milieu) 5.6.3.2 Onderzoek Elke toename in stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een overbelast stikstofgevoelig instandhoudingsdoel (habitattype of leefgebied) is in potentie een significant negatief effect. Een dergelijke toename in stikstofdepositie betekent daardoor dat het project niet zonder meer vergunbaar is onder de Wet natuurbescherming. Als uit de berekening van de aanleg- en gebruiksfase voor de beoogde situatie blijkt dat sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan een verschilberekening gemaakt worden. Een verschilberekening bestaat uit een berekening van de referentiesituatie en de nieuwe situatie. Als uit deze verschilberekening volgt dat sprake is van een afname van stikstofdepositie in de nieuwe situatie t.o.v. de referentiesituatie, kan geoordeeld worden dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dit wordt intern salderen genoemd. In geval gebruik gemaakt wordt van intern salderen, dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. In het onderzoek zijn de NOx en NH3 emissies gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase via een Aeriusberekening in kaart gebracht. Het volledige onderzoek is bijgesloten als Bijlage 12.

Uitkomsten onderzoek De AERIUS-calculator 2020 geeft als uitkomst van de berekening dat in het zwaarste jaar van de aanlegfase een overschrijding van de drempelwaarde plaatsvindt. Het eerste jaar van de aanlegfase zal een overschrijding van 0,02 mol/ha/jr aan stikstofdepositie met zich meebrengen op de omliggende Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase van het nieuw te ontwikkelen Lozerhof wordt de drempelwaarde niet overschreden. Voor de overschrijding in de aanlegfase zal intern gesaldeerd worden met het gebruik van de huidige situatie (referentie) van het Lozerhof. Het gasgestookte gebouw zorgt samen met de verkeersaantrekkende werking jaarlijks voor een depositie van 0,02 mol/ha/jr. Uit de verschilberekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van intern salderen de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/j. niet overschrijdt.

80

bestemmingsplan Maestro (ontwerp)

In het zwaarstwegende jaar in de aanlegfase is een stikstofdepositie berekend die lager is dan de jaarlijkse depositie als gevolg van het huidige gebruik. In de overige periode van de aanlegfase en de gebruiksjaren daarna is de stikstofdepositie lager. Zodoende is zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie. De AERIUS-analysebestanden van de uitgevoerde berekeningen met rekenresultaten hebben het kenmerk: AERIUS_gml_Verschilberekening aanlegfase 2021 Lozerhof V7; AERIUS_gml_Berekening gebruiksfase 2024 Lozerhof V7; AERIUS_gml_Berekening gebruiksfase 2030 Lozerhof V7. Middels intern salderen is de ontwikkeling mogelijk. Een vergunning in het kader van de Wnb is niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10687224/1