RIS310282 bijlage 3 toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Maestro Ontwerp
Maestro
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Inhoudsopgave Toelichting
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan 1.2 Doel van het bestemmingsplan 1.3 Begrenzing van het plangebied 1.4 Geldende planologische regelingen 1.5 Leeswijzer
7 7 7 7 8 10
Hoofdstuk2 Beschrijving van de bestaande situatie 2.1 Inleiding 2.2 Ontstaansgeschiedenis 2.3 Ruimtelijke structuur
11 11 11 11
Hoofdstuk3 Planbeschrijving 3.1 Beschrijving van het plan
15 15
Hoofdstuk4 Beleidskaders 4.1 Inleiding 4.2 Ruimtelijk beleid 4.3 Groen 4.4 Water 4.5 Wonen 4.6 Verkeer en infrastructuur 4.7 Economie 4.8 Welzijn en Maatschappelijke Zorg 4.9 Duurzaamheidsbeleid
19 19 19 27 31 37 39 43 44 45
Hoofdstuk5 Omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Externe veiligheid 5.3 Geluid 5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.5 Luchtkwaliteit 5.6 Natuur 5.7 Bodem 5.8 Archeologie 5.9 Verkeer en parkeren 5.10 Water 5.11 Windhinder en bezonning
49 49 50 64 74 75 76 81 82 83 90 92
Hoofdstuk6 Toelichting op de regels 6.1 Toelichting op de regels
99 99
Hoofdstuk7
103
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk8 Overleg en inspraak 8.1 Artikel 3.1.1 Bro-overleg 8.2 Inspraak- en participatieverordening
105 105 108
Bijlagen bij toelichting
2
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Bijlage 1
PUK vastgesteld
Bijlage 2
Monumentale bomen (lijst)
Bijlage 3
Monumentale bomen (kaart)
Bijlage 4
m.e.r.- aanmeldnotitie 230321
Bijlage 5
mer-beoordelingsbesluit 080921
Bijlage 6
Peutz EV onderzoek V3
Bijlage 7
advies Veiligheidsregio Haaglanden
Bijlage 8
Akoestischonderzoek LBP 010721
Bijlage 9
Maestro: natuurinclusiviteit 15 december 2020
Bijlage 10
Quickscan F&F
Bijlage 11
Vleermuizenonderzoek
Bijlage 12
Stikstofdepositieonderzoek V7
Bijlage 13
Aanvullend bodemonderzoek 300720
Bijlage 14
rapportage archeologie
Bijlage 15
Parkeerbalans V7
Bijlage 16
Verkeersgeneratie Lozerhof V7
Bijlage 17
Watersleutel
Bijlage 18
Windhinder V2
Bijlage 19
Bezonningsonderzoek 151220
3
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
4
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Toelichting
5
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
6
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Eigenaar Stebru wil de locatie van het verzorgingshuis De Lozerhof gelegen aan Randveen 64 door middel van sloop-nieuwbouw transformeren. De Lozerhof is een groot verpleeghuis dat sterk verouderd en gedateerd is. Het wordt getransformeerd tot een stedelijk bouwblok met een woon- en zorgprogramma bestaande uit 136 zorgappartementen, 252 woningen, 137 m2 paramedische voorzieningen en 368 m2 kantoor. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden gelijktijdig, via de coördinatieregeling, in procedure gebracht.
1.2
Doel van het bestemmingsplan
Het doel van bestemmingsplan Maestro is: a. het vastleggen van de nieuwe ruimtelijke structuur op de projectlocatie in een juridisch-planologisch kader; b. het mogelijk maken van de ontwikkeling van het project Maestro.
1.3
Begrenzing van het plangebied
Het plangebied ligt in het zuidwesten van de gemeente in stadsdeel Escamp aan de rand van de wijk Bouwlust. Het plangebied wordt omsloten door: a. b. c. d.
Randveen Hengelolaan Hengelopark de achterzijde van de bebouwing aan het Laagveen.
De ligging van het perceel Randveen 64 in de stad is aangegeven op de onderstaande kaart.
7
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Ligging in de stad
1.4
Geldende planologische regelingen
1.4.1
Geldend bestemmingsplan
Het bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk de volgende bestemmingsplannen: bestemmingsplan Bouwlust
vastgesteld 1 oktober 2015
8
onherroepelijk 4 december 2015
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Uitsnede bestemmingsplan Bouwlust ter plaatse van het perceel Randveen 64. het plangebied is rood omkaderd.
9
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 Inleiding is de aanleiding voor het opstellen van een bestemmingsplan voor het plangebied toelichting Bestemmingsplan Standaard Den Haag 2017 aangegeven. Ook zijn de doelen die met het bestemmingsplan worden beoogd, omschreven. Om deze doelen in een bestemmingsplan gestalte te geven wordt enerzijds in hoofdstuk Beschrijving van de bestaande situatie de bestaande situatie beschreven, anderzijds is voor de verduidelijking van een deel van de doelen in de hoofdstukken 4 Beleidskaders en 5 Omgevingsaspecten een selectie gemaakt uit de relevante beleidsnota's en regelingen die op dit plangebied van toepassing zijn. Daaruit zijn vervolgens beleidsuitspraken voor het plangebied afgeleid. Hoofdstuk 4 Beleidskaders bevat de beleidsuitspraken ten aanzien van ruimtelijk en sectoraal beleid, hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten ten aanzien van de milieukwaliteitseisen. Bij de keuze van bestemmingen in hoofdstuk 6 Toelichting op de regels, is aangeven welke bestemmingen en bestemmingsregelingen uit deze beleidsuitspraken zijn afgeleid voor de te ontwikkelen) situatie. In dit hoofdstuk worden buiten de planbeschrijving, ook de gekozen bestemmingen en bestemmingsregelingen globaal beschreven. Op de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid ingegaan.
In hoofdstuk 8 Overleg en inspraak wordt verslag gedaan van het overleg en de inspraak.
10
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van de bestaande situatie
Inleiding
Om te beschrijven op welke wijze rekening wordt gehouden met de verschillende waarden in het gebied en de verhoudingen van het plangebied tot het aangrenzende gebied, worden achtereenvolgens de ontstaansgeschiedenis en de ruimtelijke structuren van het plangebied beschreven.
2.2
Ontstaansgeschiedenis
Den Haag Zuidwest De opbouw van Den Haag Zuidwest volgt de geomorfologische ondergrond van Den Haag met lange ontginningslijnen parallel aan de kust en dwars daarop verbindingen loodrecht op de kust, die samen de voor Zuidwest kenmerkende grid-structuur vormen. Binnen de herkenbare structuur van Zuidwest werd het stedenbouwkundige gedachtengoed van de 'wijkgedachte' in de praktijk gebracht: herkenbare woonwijken met een heldere hiërarchie in buurt-, wijk- en stadsdeelvoorzieningen. Naast een opzet volgens de wijkgedachte is Den Haag Zuidwest opgezet als een stadswijk met 'licht, lucht en ruimte' voor de middenklasse. De nieuwe wijken moesten voldoen aan de inzichten op het gebied van stedenbouw en volkshuisvesting. De opzet van de woonwijk werd ruimer, opener en groener in vergelijking met vooroorlogse stadsuitbreidingen. Ook de kwaliteit van de woningen ging met sprongen vooruit. Bouwlust Stadsplanner Willem Dudok ging in zijn structuurplan voor Groot 's-Gravenhage uit 1949/1959 uit van vier woonwijken: Morgenstond, Bouwlust, Berestein en Vrederust. Deze wijken kwamen ten westen van Moerwijk te liggen. Om voldoende ruimte tussen het Westland en Den Haag te houden is de wijk Berestein gehalveerd en later toegevoegd aan Bouwlust. De Beresteinlaan werd niet volgens Dudoks plan doorgetrokken tot Loosduinen maar tot de Meppelweg.
Hiermee verviel Dudoks opzet van vier gelijkwaardige buurten met de Hengelolaan-Beresteijnlaan als hart van dit deel van Den Haag Zuidwest. Het uitgewerkte ontwerp voor Bouwlust is van Frits van der Sluys uit 1952, dat is gebaseerd op een rechthoek waarbij verkeerswegen de wijk in negen buurten verdeelt. In 1953 startte de aanleg van de straten binnen Bouwlust-Vrederust. Vanwege de kritiek op het monotone Morgenstond besloot de gemeente de uitwerking van de buurten in handen te geven van een werkgroep van architecten. De wijk is door de verschillende individuele ontwerpen opgebouwd uit vele kleine ruimtelijke eenheden, die zich in opbouw en architectuur van elkaar onderscheiden. Bouwlust-Vrederust is daardoor gevarieerder dan Morgenstond. De eerste woningen in de wijk zijn omstreeks 1956 opgeleverd. Ruim 10 jaar later was de wijk voltooid. Ontwikkellocatie Rond het voormalige verpleeghuis Lozerhof is de stempelverkaveling minder prominent aanwezig. Het cluster kenmerkt zich door een menging van verschillende functies, stijlen en bouwperiodes, waarbij de gebouwen rond het Hengelolaanpark gelegen zijn.
2.3
Ruimtelijke structuur
2.3.1
Stedenbouwkundige structuur
Bouwlust kent hoofdzakelijk een strokenverkaveling waarbij veel groen langs de randen opgenomen is. De verkavelingsstructuur van Den Haag Zuidwest laat van Moerwijk tot en met Bouwlust geleidelijk aan een verschuiving zien. In Moerwijk zijn het bouwblokken die de kwaliteit van de openbare ruimte bepalen en definiëren. Dit is veel minder het geval in Bouwlust en Vrederust, waarbij de gebouwen meer als losse ensembles in de ruimte zijn geplaatst. Hier is de openbare ruimte bepaald door gebruik te maken van landschappelijke elementen, en door de ruime opzet van wegprofielen te voorzien van singels of bomenrijen, soms ondersteund door repetities van blokken, kopgevels of ensembles.
11
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Het plangebied ligt aan Hengelolaan, nabij het kruispunt met de Lozerlaan. Deze twee belangrijke structurerende lijnen in Zuidwest zullen in de toekomst in uitstraling en betekenis veranderen. De ambitie is om de Hengelolaan te transformeren van een verkeersweg tot een groene laan met singels, bomenrijen en brede verbindingen voor langzaam verkeer. De Lozerlaan vormt nu de stadsrand van Den Haag, een parkweg met een zorgvuldig vormgegeven landschappelijke overgang van bebouwingsrand (de schuin geplaatste bebouwing van 4-5 lagen), waterpartijen en boomgroepen en een flauwe bocht in de weg, waardoor deze rand goed zichtbaar is. De huidige Lozerhof is gepositioneerd in de tweede linie, achter de schuin geplaatste bebouwing. Hoogbouw en typologieën in Zuidwest Omdat in het plangebied ook hoogbouw opgenomen is, is het van belang de bestaande vormen van hoogbouw in Zuidwest te analyseren. Vanuit de nota ’Haagse Hoogbouw Eyeline & Skyline’ zijn kaders gesteld voor locaties waar hoogbouw in Den Haag toegestaan is. Voor Zuidwest geldt op dit moment dat hoogbouw vooral als een solitair bebouwingsaccent wordt opgevat in het orthogonale raamwerk van lanen en singels. Gelet op de intensiveringsopgave van Den Haag Zuidwest zijn solitaire hoogbouw typologieën (torens) bruikbare stedelijke objecten in relatie tot bestaande structuren. 2.3.2
Verkeer en infrastructuur
2.3.2.1 Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is ontsloten via de Hengelolaan aan de Lozerlaan, waardoor het gebied een uitstekende aansluiting heeft op het landelijke wegennet. De Meppelweg ten noorden van het plangebied maakt deel uit van het Haagse hoofdwegennet. De Hengelolaan, direct gelegen aan het plantgebied, verzorgt de interne hoofdontsluiting binnen Escamp. 2.3.2.2 Openbaar vervoer De ontsluiting rond het plangebied voor het OV gaat via buslijn 25 met een halte langs de Hengelolaan tussen de Randveen en de Lozerlaan. Via deze buslijn is het centrum van Den Haag bereikbaar. Naast de buslijn ligt op circa 550 meter loopafstand de eindhalte van tramlijn 4. De halte is gelegen in het Uithofpark ter hoogte van de kruising Lozerlaan – Meppelweg. Verder is de eindhalte van tramlijn 9 op circa 700 meter loopafstand gelegen van het projectgebied. Deze halte ligt ter hoogte van de kruising Lozerlaan – Melis Stokelaan. 2.3.2.3 Langzaam verkeer In de omgeving van het plangebied zijn verschillende hoofdwegen aanwezig die onderdeel uitmaken van het hoofdroutenetwerk voor fietsers. Deze wegen zijn de Dedemsvaartweg, Vrederustlaan, Bouwlustlaan, Beresteinlaan, Melis Stokelaan, Erasmusweg, Hengelolaan en Meppelweg. Zij hebben over het algemeen vrij liggende fietspaden. Langs alle wegen zijn trottoirs aanwezig zodat voetgangers de voorzieningen en het openbaar vervoer kunnen bereiken.
2.3.2.4 Parkeren Het parkeren in de omgeving van het plangebied vindt grotendeels plaats op de openbare weg. 2.3.3
Groen
Groen en water bepalen in belangrijke mate het beeld van Zuidwest. Er zijn royaal gedimensioneerde straatprofielen met veel ruimte voor bomenrijen en singels met groene oevers. Het plangebied ligt aan één van de kenmerkende straatprofielen voor Zuidwest, namelijk de Hengelolaan.
12
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Eén van de uitgangspunten van de ruimtelijke verkenning Zuidwest (RIS 302569) is om de Hengelolaan verder te vergroenen. Het gaat hierbij om het verbeteren van water en groenstructuren, de situering en inrichting van het ruimteprofiel en de toegankelijkheid van de publieke ruimte. Daarnaast is de nabijheid van belangrijke groengebieden als recreatiegebied de Uithof bepalend voor het groene beeld in de omgeving van het plangebied, maar ook voor Zuidwest als geheel. De bomen zijn volgroeid en de groenstructuren hebben een robuust karakter. Ten noorden van het plangebied is het Hengelolaanpark gelegen. Het open groengebied functioneert momenteel als een huiskamer voor de buurt en biedt mogelijkheden voor sport en spel. Tegelijkertijd heeft de situering van het park in het hart van de stempelverkaveling, ervoor gezorgd dat het veld louter omgeven is door achterkanten van bestaande bebouwing. Dat heeft een minder aantrekkelijk verblijfklimaat opgeleverd. 2.3.4
Water
Het projectgebied ligt in de Eshofpolder. De Eshofpolder is één van de lager gelegen gebieden van Den Haag en is qua hoogteligging grofweg te verdelen in vier gebieden, waarvan één het bebouwde gebied van Bouwlust is. Bouwlust heeft op diverse plaatsen waterpartijen. Het meeste open water ligt langs de Lozerlaan en het winkelcentrum De Stede. Het plangebied ligt dichtbij de waterpartij langs de Lozerlaan en ligt direct aan de singel langs de Hengelolaan die bovengenoemde twee waterpartijen met elkaar verbindt. Haaks op de singel langs de Hengelolaan ligt tegen de noordoostelijke plangrens een watergang die een barrière vormt tussen het plangebied en het Hengelolaanpark.
13
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
14
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Beschrijving van het plan
Het college heeft op 14 oktober 2019 ingestemd met het PlanUitwerkingsKader (PUK) voor de ontwikkeling van Maestro (PUK Lozerhof, RIS303661). Daarna heeft het college de commissie per brief (RIS303662) geïnformeerd en is het PUK besproken in de commissie Ruimte van 19 november 2019. Het volledige PUK is opgenomen als Bijlage 1 bij de toelichting. Op basis van de randvoorwaarden uit het PUK is een stedenbouwkundig plan voor het plangebied uitgewerkt door de initiatiefnemer. De randvoorwaardenkaart uit het PUK is hieronder opgenomen, daarna volgt een toelichting.
Figuur 4.1.1: Randvoorwaardenkaart uit het PUK 3.1.1
Functionele hoofdopzet
De stedenbouwkundige randvoorwaarden van het PUK maakt een gesloten bouwblok mogelijk dat voorzien is van twee hoogteaccenten en een groene binnentuin. Het programma omvat 252 woningen en 136 zorgappartementen. De ontwikkeling wordt gecombineerd met een aantal voorzieningen in de plint, zoals kleinschalige dienstverlening en/of maatschappelijk gerelateerde functies. Uitgangspunt voor deze functies is dat deze voor het gebouw en de directe omgeving een toegevoegde waarde moeten hebben. Tot slot wordt er onder het gesloten bouwblok een parkeergarage gerealiseerd. 3.1.2
Stedenbouwkundige opzet
Met dit bestemmingsplan wordt een gesloten bouwblok met een alzijdige oriëntatie mogelijk gemaakt dat in hoofdopzet aansluit op de omliggende bebouwing langs de Randveen en Hengelolaan. Er wordt een hoogte van 6-8 bouwlagen mogelijk gemaakt die als stedelijke laag dient. Het gesloten bouwblok versterkt met een openbare binnentuin de relatie met de groenpartij tussen de Lozerlaan, het Uithofpark en het Hengelolaanpark. Het gesloten bouwblok kent twee hoogteaccenten dat sterk in hoogte varieert. Als een 'landmark' wordt
15
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
op de zuidhoek van het bouwblok een hoogteaccent tot 75 meter mogelijk gemaakt. Het 'landmark' vormt een herkenningspunt langs één van de lange lijnen in Den Haag Zuidwest. Om het 'landmark' extra te accentueren springt het hoogteaccent uit de rooilijn van het bouwblok. Bij de verspringing wordt met een arcade het groene karakter van de Hengelolaan en de voetgangerstoegankelijkheid gerespecteerd en behouden. In de randvoorwaardenkaart is ter hoogte van het hoogteaccent aan het Hengelolaanpark (zie onderstaande afbeelding: rode lijn aan de noordzijde) een extra overkraging toegevoegd. In de onderstaande randvoorwaardenkaart loopt de rooilijn van het bouwblok ter plaatse van de begane grond door, maar vanaf de derde bouwlaag verspringt het gebouw door de rooilijn heen met een overkraging. Deze overkraging versterkt het hoogteaccent en geeft het gebouw een verbijzondering richting het Hengelolaanpark. Een soortgelijke verbijzondering is al opgenomen aan de Hengelolaan (zuidzijde), waardoor de toevoeging van het volume past bij het stedenbouwkundige principe van het gehele bouwblok: hoogteaccenten met overkragingen om de hoeken te verbijzonderen op plaatsen waar dat stedenbouwkundig op zijn plaats is.
Figuur 4.1.2 Weergave aangepaste invulling van het PUK in de noordoosthoek De Hengelolaan als groene as Den Haag Zuidwest kenmerkt zich door lange, doorgaande lijnen die het raamwerk vormen waarbinnen 'woonstempels' zijn ontwikkeld. Binnen het raamwerk wordt meer onderscheid aangebracht tussen de verschillende lange lijnen als de Meppelweg, Hengelolaan, Melis Stokelaan en Erasmusweg. De Hengelolaan wordt gedefinieerd als groene as. Het Hengelolaanpark als omsloten stadspark De ontwikkeling in dit bestemmingsplan introduceert een meer uitgesproken relatie met het
16
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Hengelolaanpark. Door de positionering en alzijdigheid ontstaat er een levendige plint rondom het bouwblok. Dit geeft extra levendigheid aan de Hengelolaan en het Hengelolaanpark. 3.1.3
Ontsluiting en parkeren
Voor het ontsluiten van het plangebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluitingen aan het Randveen. Gevolg hiervan is dat het eerste deel van het Randveen, komend vanaf de Hengelolaan, als een tweerichtingsstraat ingericht gaat worden. De tweerichtingsstraat dient tot de ingang van de parkeergarage ingericht te worden, waarna de weg met éénrichtingsverkeer behouden blijft. Het parkeren voor het complex is voorzien in een parkeergarage onder het bouwblok. Binnenin het bouwblok is een parkeergarage gelegen met daarboven een groene binnentuin. Daarnaast zijn parkeerplaatsen gesitueerd langs het Randveen. 3.1.4
Groen
De Hengelolaan maakt onderdeel uit van de ruimtelijke verkenning voor Zuidwest (RIS 302569) en de Haagse Icoonprojecten (RIS302827), waarin wordt voorgesteld om de Hengelolaan verder te vergroenen. Het plangebied draagt bij aan de ambities om de Hengelolaan door de situering en inrichting van het water en groen te verbeteren, en de positionering van het hoogteaccent. Door de gekozen opzet van het bouwblok is het ook mogelijk om een openbaar toegankelijk gebied richting de Hengelolaan te realiseren. Voor bewoners is de kwaliteit van de buitenruimte belangrijk. Binnen het ontwerp is nauwkeurig gezocht naar goede toegangsplekken naar de tuin, zodat er een informele groene route ontstaat vanuit de Uithof, via de Hengelolaan en collectieve binnentuin richting het Hengelolaanpark en omgekeerd. Hiermee neemt de toegankelijkheid toe en daarmee ook de sociale controle in het Hengelolaanpark. 3.1.5
Water
Het projectgebied ligt in de Eshofpolder. De Eshofpolder is één van de lager gelegen gebieden van Den Haag en is qua hoogteligging grofweg te verdelen in vier gebieden, waarvan één het bebouwde gebied van Bouwlust is. De watergang wordt niet aangepast met het ontwerp voor het plangebied. Wel wordt de toegankelijkheid en de beleefbaarheid van het water vergroot door het openbare karakter rondom het bouwblok. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op het aspect water met onder andere de watertoets.
17
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
18
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskaders
Inleiding
Het bestemmingsplan Maestro vindt zijn basis in ruimtelijk beleid zoals dat in nota's en plannen van het Rijk, provincie, stadsgewest en gemeente is vastgelegd. Dit hoofdstuk bevat het beleidskader dat op dit bestemmingsplan van toepassing is. De eerste paragraaf gaat in op beleid op Rijks-, provinciaal-, regionaal-, gemeentelijk niveau. Daarna wordt het specifieke beleid voor een aantal relevante thema's uiteengezet.
4.2
Ruimtelijk beleid
4.2.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Ministerie van Infrastructuur en Ruimte van kracht geworden. De structuurvisie vervangt verschillende nota's, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. De visie schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies (decentraal, tenzij), minder nationale belangen te benoemen, en eenvoudigere regelgeving toe te passen. De nationale belangen die worden benoemd betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Ladder voor duurzame verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
Verantwoord dient te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, werken, detailhandel en voorzieningen. Deze behoefte moet blijken uit een regionaal afgestemd programma en de afspraken gemaakt in Haaglandse gemeenten in een Regionaal Structuurplan 2020. Het Bro bepaalt dat voor bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. De structuurvisie bevat geen belangen die voor dit bestemmingsplan van toepassing zijn. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te geven waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Het gaat daarbij niet alleen om procedureregels maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden (Stb. 2011, 391). Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) moeten gemeenten rekening houden met het Barro. Een aantal projecten dat de regering van Rijksbelang vindt, wordt met het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of in andere ruimtelijke plannen van lagere overheden. De projecten worden benoemd en middels digitale kaarten ingekaderd.
Per project worden regels gegeven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Voor Den Haag zijn de binnen de gemeente gelegen militaire terreinen met de daarbij behorende zenden ontvangstinstallaties, en het Kustfundament van belang. In 2016 is een Besluit tot wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in verband met de herziening van de Beleidslijn kust en enige andere wijzigingen van kracht geworden. Volgens het Barro zijn er in dit bestemmingsplan geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee
19
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
rekening moet worden gehouden. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 1 juli 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. Hierbij hoort een rijksbrede visie op de leefomgeving; de Nationale Omgevingvisie (NOVI), die de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zal vervangen. De ontwerp-NOVI heeft ter inzage gelegen van 20 augustus tot en met 30 september 2019. In de ontwerp-NOVI zijn 21 nationale belangen en opgaven benoemd, waarbij de volgende vier prioriteiten worden onderscheiden: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor Klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Bij het kiezen tussen strijdige ruimtelijke belangen worden drie afwegingsprincipes gehanteerd: combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. Bij vaststelling zal de NOVI ook een uitvoeringsagenda bevatten. Samen met de regio's wil het rijk samenwerkingsafspraken opnemen in Gebiedsagenda's. Het abstractieniveau van de ontwerp-NOVI is van een andere orde dan de thema's die in het plangebied spelen. Toch kan gesteld worden dat dit bestemmingsplan aansluit bij de uitgangspunten uit de ontwerp-NOVI. 4.2.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland Met het oog op de invoering van de Omgevingswet heeft de provincie Zuid-Holland al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld in een Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en bijbehorende programma's. De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 in werking getreden en geldt als structuurvisie. Naast de beleidskeuzes bevat de visie een beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland en de omgevingskwaliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie wil met haar omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving.
Deze zijn: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Omgevingsverordening Zuid-Holland De provinciale Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening is per 1 april 2019 in werking getreden en vertaalt het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. Deze regels zijn bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. De verordening bevat onder andere regels omtrent de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking voor stedelijke ontwikkelingen, de aanwijzing van kantorenlocaties, het opnemen van bedrijfsbestemmingen
20
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
en de bescherming van natuurgebieden. Toetsing van het bestemmingsplan aan de Omgevingsverordening De regels uit de Omgevingsverordening zijn bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor voorliggend bestemmingsplan zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit, 6.10 Stedelijke ontwikkelingen en artikel 6.11 Kantoren belangrijke artikelen. In deze paragraaf wordt nader op deze artikelen ingegaan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1°. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2°. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1°. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2°. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. 2.Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn: a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; b.
een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden. 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1° duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2° wegnemen van verharding; 3° toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4° andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b. de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied
21
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken; c. in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. 4. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. 5.Voor zover in deze afdeling specifieke regels zijn opgenomen ten behoeve van bepaalde typen ruimtelijke ontwikkelingen gaan die specifieke regels voor, tenzij dit artikel zich daartegen niet verzet. 6.
Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. 7. Een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads- en dorpsgebied laat bij een niet-agrarisch bedrijf of een agrarisch aanverwant bedrijf buiten bestaand stads- en dorpsgebied ten hoogste één bedrijfswoning toe, voor zover dat noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering. Het bestemmingsplan Maestro voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waardoor artikel 6.9 van toepassing is. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en wordt ruimtelijk ingepast. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2.Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3.Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.
Volgens de verordening wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening; In artikel 1.1.1 onder i Besluit ruimtelijke ordening staat het volgende over een stedelijke ontwikkeling: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Artikel 6.11 Kantoren
22
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d.bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e.functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Het bestemmingsplan Maestro voorziet in kleinschalige kantoren en dienstverlening van minder dan 1.000 m2, waardoor de bepalingen uit artikel 6.11 niet van toepassing zijn.
Toepassen ladder duurzame verstedelijking De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. De behoefte aan de ontwikkeling moet inzichtelijk worden gemaakt. Den Haag kampt met een enorme woningnood. Daarnaast groeit Den Haag de komende jaren met 4.000 tot 5.000 inwoners per jaar. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in 250 vrije sector appartementen en 132 volwaardige zorgappartementen die als sociale woningbouw worden aangemerkt. Het bestemmingsplan voorziet hiermee voor een deel in de woningbehoefte. Ontwerp Zuid-Hollands Omgevingsbeleid De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat de provinciale regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Het betreft grotendeels de regels die nu nog zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland, die in werking is getreden op 1 april 2019. Met ingang van 11 mei tot en met 22 juni 2020 heeft het ontwerp Zuid-Hollandse Omgevingsverordening ter inzage gelegen. Momenteel worden de ingediende zienswijzen verwerkt.
Naar verwachting zal eind 2021 de definitieve vaststelling van de omgevingsverordening door Provinciale Staten plaatsvinden. Als Provinciale Staten een besluit heeft genomen over de nieuwe ZHOV, zal de huidige omgevingsverordening worden ingetrokken. Met de ontwerp Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn geen grote inhoudelijke veranderingen beoogd ten opzichte van de huidige situatie. Wel is zo veel mogelijk aangesloten bij de terminologie en structuur van de Omgevingswet. Daarnaast veranderen de juridische instrumenten in sommige gevallen. Dat dwingt dan tot aanpassing van de regels. Ook heeft het Rijk op een aantal onderwerpen veranderingen doorgevoerd, waardoor de noodzaak of mogelijkheid voor de provincie om regels te stellen veranderd is. Daardoor zijn ook aanpassingen doorgevoerd. Beoogd is zaken zo gelijkwaardig mogelijk om te zetten.
23
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
4.2.3
Regionaal beleid
De metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) heeft de taken overgenomen van het in 2015 opgeheven Stadsgewest Haaglanden De MRDH is een samenwerkingsverband van 23 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken. De MRDH werkt vanuit twee agenda's: de Strategische Agenda MRDH, Samen aan het werk (verder Agenda) en de Strategische Bereikbaarheidsagenda Vervoersautoriteit. Voorts is het Investeringsprogramma voor een Economisch sterke regio richtinggevend. MRDH heeft het Investeringsprogramma samen met de Provincie Zuid-Holland, de Economische Programmaraad Zuidvleugel en de regio's Holland-Rijnland en Drechtsteden opgesteld. Vanuit de focus op het vernieuwen van de economie en het verbeteren van de bereikbaarheid werkt MRDH aan de ruimtelijk-economische versterking van de regio en het verhogen van het welzijn en de welvaart van haar inwoners. In 2016 is de Roadmap next economy samengesteld. Dit is een langetermijnvisie op een duurzame en concurrerende economie in de metropoolregio. Hierin zijn ambities geformuleerd, zoals het stoppen van CO2-uitstoot, hergebruiken van afval, permanent leren en een maatschappij waar iedereen aan deel kan nemen. Deze ambities zijn inmiddels in de Agenda verwerkt. Volgens de Agenda zet de metropoolregio zich in voor: 1. 2. 3. 4.
verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio; economische vernieuwing; transitie naar toonaangevende duurzaamheid; attractiviteit van de regio.
Binnen de pijler economie zijn diverse doelen bepaald die het vestigingsklimaat verbeteren voor high tech bedrijvigheid en innovatie (campussen netwerk), maar ook voldoende ruimte biedt voor maakindustrie (terugdringen van werkloosheid). Door investeren in recreatie en groen wordt de regio niet alleen gezonder, maar ook aantrekkelijker voor talent. Het mobiliteitsbeleid richt zich niet alleen op het hoge schaalniveau, zoals het versterken en verduurzamen van (macro)regionale en intraregionale verbindingen. Er wordt geïnvesteerd in veiligheid, in een betere bereikbaarheid van woon- en werklocaties en in snel, efficiënt en flexibele deur tot deur oplossingen. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met het regionaal beleid zoals verwoord in de Agenda. 4.2.4
Gemeentelijk beleid
4.2.4.1 Wéreldstad aan Zee, Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020 (Rv 197 - 2005; RIS 129201). De ambitie is om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners (nu ca 500.000) en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er ca 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan Zee vorm gegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11-zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4-zone en de Lozerlaanzone). Dit bestemmingsplan ligt langs de kansenzone Lozerlaan. In de kansenzone liggen ontwikkelingsgebieden waarin de ambities van de structuurvisie het sterkst tot haar recht komen. Het plangebied valt buiten deze zones.
24
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
4.2.4.2 Agenda Ruimte voor de stad De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Dat vraagt om ruimte voor innovatieve milieus, met ontmoetings- en experimenteerruimte, en aantrekkelijke vestigingsmilieus voor starters, studenten, creatievelingen, kenniswerkers en (stedelijke) gezinnen en ondernemende mensen Stedelijke ontwikkeling is geen zaak van de gemeente alleen; allerlei partijen spelen daarin een rol. Bij de uitwerking van de Agenda zal inhoud worden gegeven aan het “samen stad maken” langs vier "sporen': ruimte bieden aan initiatieven, co-creatie van ruimtelijke plannen, stadsdebat over de toekomst van de stad en de samenwerking met stakeholders. Er is daarmee ook geen “blauwdrukplanning” aan de orde. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt:.
Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid. Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zullen op basis van deze agenda nieuwe locaties in ontwikkeling worden gebracht. Het betreft zowel het in ontwikkeling brengen van de zachte planvoorraad als nieuwe locaties op basis van deze agenda. Het tot ontwikkeling brengen van deze locaties zal meer dan voorheen in coproductie gebeuren met de stad. Daarnaast zijn er een aantal grotere strategische ontwikkelingen geagendeerd in deze agenda.
Voor een aantal ontwikkelingen zal gestart worden met verkenningen om zicht te krijgen op mogelijke programma's, en alliantievorming. Dergelijke verkenningen zullen onder andere voor delen van het Central Innovation District, de Binckhorst en Scheveningen, mede in het licht van de gewenste schaalsprong die in het openbaar vervoer gemaakt moet worden. Voor het plangebied is het hoofdstuk "Zuidwestflank - fietspad" van belang. Op de onderstaande kaart is af te leiden dat het plangebied ligt in een gebied waar: de vernieuwing van stadswijken in gang gezet wordt kansen voor verdichting liggen de relatie tussen de stad en het landschap verbeterd kan worden. 4.2.4.3 Haagse hoogbouw, Eyeline en Skyline De nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' is in de raadsvergadering van 25 januari 2018 vastgesteld (RIS 298448) en vervangt de Agenda voor de Haagse Verdichting uit 2009 (RIS159469), voor zover het hoogbouw betreft. Op 1 juli 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de tussentijdse evaluatie van deze nota (RIS 306342). De doorgevoerde wijzigingen hebben geen betrekking op het plangebied. Aanleiding voor de nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' zijn de ruimtelijke opgaven uit de Agenda Ruimte voor de Stad. In de Agenda heeft Den Haag gekozen om die groei binnenstedelijk op te vangen en de verdichting te concentreren bij OV-knooppunten en concentraties van voorzieningen.
Daarnaast vragen actuele ontwikkelingen en initiatieven om nieuwe regels en kaders voor hoogbouwontwikkelingen in Den Haag.
25
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
De inzet is om de 'skyline' van Den Haag te verbinden met de belevingskwaliteit van de stad op ooghoogte en de buitenruimte ter plekke: de 'eyeline'. Hoogbouw is geen doel op zich, maar een middel om strategisch om te gaan met de beperkte ruimte die de stad nog heeft. Doel is de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van de stad op de lange termijn te waarborgen en het vestigingsklimaat te versterken. Door te intensiveren en door hogere bebouwing mogelijk te maken kan de stad de groei van het aantal inwoners faciliteren en voldoende en geschikte woon- en werkruimte bieden, met bijbehorende voorzieningen, nu en in de toekomst. Er is sprake van hoogbouw bij 50 meter of hoger. De nota geeft stadsbrede ambities en regels aan voor hoogbouwontwikkelingen; onder andere voor wonen, microklimaat en mobiliteit. In de nota worden tevens intensiveringsgebieden aangegeven waar mogelijk hoogbouw kan worden gerealiseerd. Binnen deze gebieden zijn gebiedspecifieke regels voor typologie, architectuur en buitenruimte opgenomen waaraan hoogbouwinitiatieven getoetst worden. De Haagse hoogbouw kent een typologie waarvan de samenstelling de volgende opbouw kent: Een stedelijke laag van 9-25 meter; Een plint als onderdeel van de stedelijke laag; De toren; De kroon als beëindiging van de toren.
Figuur 4.2.4.1: typologie en samenstelling Haagse hoogbouw (bron: gemeente Den Haag) De bouwhoogte van de stedelijke laag kan variëren van 9 tot 25 meter. Deze laag vormt de belangrijkste wanden van de straat en sluit aan bij de verhoudingen van de historische stad of de directe omgeving. Het is dat deel van het gebouw dat door de voorbijganger wordt ervaren op ooghoogte, de ('eyeline').Tot ongeveer 25 meter is er direct contact mogelijk tussen binnen en buiten. De vormgeving van de stedelijke laag is cruciaal voor de beleving van de passant en ondersteunt een prettig of veilig gevoel. De 'plint' wordt gevormd door de onderste of de eerste twee lagen van de stedelijke laag. Het deel dat vanaf de straat direct zichtbaar is en waar vrijwel alle interactie tussen straat en gebouw plaats vindt. Daar presenteren zich diverse vormen van bedrijvigheid, voorzieningen of woningen en komt de meeste dynamiek en levendigheid tot uiting. De plint is wellicht maar 10% van een gebouw maar bepaalt voor 90% de beleving ervan.
De regels uit de beleidsnota die van toepassing zijn voor de naoorlogse wijken waaronder het plangebied zijn: de stedelijke laag en de plint vormen in de naoorlogse gebieden functioneel gezien een geheel; de plint is straatgericht en representatief met bedrijven en/of voorzieningen (woningen zijn ook een optie); de verdiepingshoogte van de eerste twee bouwlagen is minimaal 3,5 meter, dit is een uitzondering
26
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
op de generieke regels uit de beleidsnota; de stedelijke laag sluit in vormgeving en architectuur aan op de omliggende bebouwing. Het voorliggende bestemmingsplan "Maestro" houdt rekening met de regels en ambities uit de nota Haagse Hoogbouw. De verdiepingshoogten van de eerste twee bouwlagen zijn resp. 4 en 3 meter in plaats van twee keer 3,5 meter. Door de eerste verdieping in het bouwplan 4 meter hoog te maken wordt met een halve meter extra ruimte gegeven om meerdere functies (waaronder ook op het gebied van zorg) te kunnen faciliteren.
4.3
Groen
4.3.1
Agenda Groen voor de stad
In de Agenda Groen voor de Stad.2016 (vastgesteld 15 december 2016, RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komt te staan. Daarnaast zijn er onzekerheden en ontwikkelingen die de stad in de toekomst sterk zullen kleuren zoals de klimaatopgave, veranderingen in mobiliteit en de toenemende impact van informatietechnologie. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven. Kortom: Groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. In de reflectie op het vigerende beleid is geconstateerd dat vooral de nadruk is gelegd op het vastleggen van de zogenaamde Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH), het groen in de stad dat op basis van de aanwezige waarden en de betekenis daarvan extra bescherming verdient. Om de kwaliteit van het Haagse groen verder te verankeren, is de SGH herijkt.
Hiervoor zijn de beschrijvingen van de Haagse groengebieden getoetst, aangepast en aangevuld en verbanden gelegd met nieuwe thema's zoals duurzaamheid, gezondheid en recreatie. Het uitgangspunt was het goede te behouden en van waarde te laten zijn voor de toekomst. Bij anticipatie is gekeken naar de wenselijke ontwikkeling van het Haagse groen in een realistische context. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. Daarom zijn in de nota per thema de kernkwaliteiten die moeten behouden, de uitdagingen die de komende jaren zijn voorzien, de ambities en het ontwikkelpad geschetst. De stedelijke leefkwaliteit - en daarmee de waarde van het groen - is niet voor onze hele stad gelijk. Het is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Voor het Haagse Groen kunnen de drie zones worden onderscheiden: de dichte stad, de halfopen stad en om de stad. Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling.
De nota is nader uitgewerkt in een actualisatie van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur, waarin ook de nieuwe groene gebieden zoals het Molenvlietpark zijn opgenomen. Ook het Haagse Bos en Sorghvliet maken nu deel uit van deze structuur. 4.3.2
Nota Stadsnatuur
In Den Haag zien we de natuur als belangrijk onderdeel van onze stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur (vastgesteld 16 december 2020, RIS305824) zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. De Nota stadsnatuur is de opvolger van de Nota Ecologische Verbindingszones 2008-2018 (RIS 159450) en vormt een uitwerking van de Agenda Groen voor de Stad (RIS 294705).
27
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones.
Is extra ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlastgevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur. Het plangebied maakt geen deel uit van het netwerk aan ecologische verbindingszones. Wel ligt een ecologische verbindingszone aan de overzijde van de weg Randveen en loopt de hoofdboomstructuur over de Lozerlaan en Hengelolaan (zie onderstaande afbeelding). Beide aspecten zijn betrokken bij het vergroenen van het plangebied.
Afbeelding 4.3.3.1: Kaartuitsnede Nota Stadsnatuur met aanduiding van het plangebied (oranje) 4.3.3
Bomen
Op 15 april 2021 is de Nota Stadsbomen “Leefkwaliteit voor de stad” (RIS 307827) vastgesteld. In deze nota is het beleid met betrekking tot bomen in Den Haag verwoord. Het verbeteren van de leefkwaliteit in de stad is een hoofdambitie, die genoemd is in de "Agenda Groen voor de Stad" (RIS 294705). Met het nieuwe beleid voor de stadsbomen wordt deze ambitie concreet ingevuld door twee doelen te stellen: we werken aan de toekomstbestendigheid van ons stadsbomennetwerk; we willen meer kroonoppervlak in onze stad.
28
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Op 22 september 2011 is het gewijzigde initiatiefvoorstel behoudens waardige Bomen aangenomen (RIS 166340). De uitwerking van het voorstel heet: “Planbeoordeling Haagse Bomen”. Doel is om gemeentelijke bomen beter te beschermen bij gebiedsontwikkeling door tijdig de waarden van de bestaande bomen op het betreffende object in te schatten en te betrekken bij de bestuurlijke besluitvorming van (beginsel- en) bouwplannen. Op 1 oktober 2013 is de lijst met behoudens waardige Bomen uitgebreid door het Vaststellen totaallijst vijfde tranche Monumentale Bomen in Den Haag (RIS 265314). In de Algemene Plaatselijke Verordening is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de Algemene plaatselijke verordening (APV) van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden. In het plangebied zijn geen monumentale bomen aanwezig. 4.3.4
Natuurinclusief bouwen
4.3.4.1 Algemeen De gemeente Den Haag wil natuurinclusief bouwen in de stad bevorderen (2019, RIS 301953). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen nestelgelegenheden meer hebben. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer natuurlijk groen in de directe woonomgeving toe te passen. Door de verdere stedelijke verdichting die door de verwachte bevolkingsgroei zal plaatsvinden is deze opgave extra actueel. Daarom wil de gemeente Den Haag aandacht voor het toevoegen van groen (met natuurwaarden) op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte. Bij de evaluatie van juni 2021 (RIS 309253) wordt dit belang nogmaals bevestigd. Welke natuurinclusieve maatregelen bij een bouwproject moeten worden toegepast, staat beschreven in het instrument 'Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen Den Haag' (2019, RIS 301953). In het ontwerp-bestemmingsplan is de systematiek van 2019 toegepast, omdat de evaluatie van 2021 nog niet is verwerkt in een bijgewerkte versie. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan zal de systematiek van de bijgewerkte versie worden toegepast. De teksten in deze paragraaf worden dan ook aangepast.
4.3.4.2 Toepassing Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen Als ambitie voor de ontwikkeling van de locatie geldt de in de in onderstaande tabel van maatregelen aangegeven ambitie/ het te behalen aantal punten uit het puntensysteem Groen- en natuurinclusief bouwen. Door middel van de zwarte pijlen is aangegeven op welke wijze de ambitie binnen het project Maestro gerealiseerd wordt.
29
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
Tabel 5.3.4: Toepassing Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen (bron: Stebru) In bijgesloten document 'Maestro: natuurinclusiviteit', bijlage 9 bij deze toelichting wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling gegeven is aan het aspect natuurinclusiviteit.
30
bestemmingsplan Maestro (ontwerp)
4.4
Water
Diverse beleidsstukken zijn van belang voor het thema water. De belangrijkste worden in de onderstaande subparagrafen behandeld. 4.4.1
Europees en Rijksbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). 4.4.2
Nationaal
Het nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2). Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Tegelijk met het NWP2 is het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021(Bprw) vastgesteld met daarin de operationele uitwerking van het NWP2 voor de rijkswateren: de rollen en taken van Rijkswaterstaat en de hoofdlijnen van het beheer en onderhoud. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het landelijke watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.