RIS310184 Beantwoording vragen gesteld tijdens rondvraag cie Leefomgeving 30 september 2021
Tekst van het document
Typ tekstTyp tekstTyp tekst
Liesbeth van Tongeren Wethouder van Duurzaamheid en Energietransitie
040
Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag
Ons kenmerk
Aan de voorzitter van de commissie Leefomgeving
DSB.10186085 RIS310184 Contactpersoon
Arno van Heerde Dienst
Dienst Stadsbeheer Afdeling
Opdrachtgeving / Programmateam Energietransitie Telefoonnummer Datum
14070
6 oktober 2021
E-mailadres
arno.vanheerde@denhaag.nl Onderwerp
Beantwoording rondvragen gesteld door raadslid de heer Wijsmuller in de vergadering van de commissie Leefomgeving op 30 september 2021.
Geachte voorzitter, Tijdens de vergadering van de commissie Leefomgeving op 30 september 2021 zijn tijdens de rondvraag (zie agendapunt D.1) twee vragen aan het college van B&W gesteld door raadslid de heer Wijsmuller van de Haagse Stadspartij. Het college beantwoordt deze vragen in deze brief. Ingediende vragen tijdens de rondvraag De Haagse Stadspartij heeft de volgende vragen gesteld inzake ‘Kapvergunning bomen Middachtenweg’: 1. 2.
Ik heb begrepen dat - voordat de Gasunie mag kappen - er volgens de APV ook nog een instemmingsverplichting is. Op welke gronden kan het college deze weigeren? Of kan het college instemming sowieso weigeren? In de APV staat in artikel 2:91 lid 2 sub c de mogelijkheid om als voorschrift op te nemen dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien vergunningen inzake bouw, aanleg of andere ruimtelijke herinrichting onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende gewaarborgd is. Waarom is dit in de ontwerpbeschikking niet gedaan? Is het college bereid om dit voorschrift alsnog in de kapvergunning op te nemen?
Beantwoording vraag 1 over instemmingsbesluiten APV Ik heb begrepen dat - voordat de Gasunie mag kappen - er volgens de APV ook nog een instemmingsverplichting is. Deelvraag 1.1: Op welke gronden kan het college deze weigeren? De APV kent twee benodigde instemmingsbesluiten voor de aanleg van leidingen in het kader van (het project) WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag, namelijk een instemming op basis van artikel 2:10A. van de APV en een instemming op basis van artikel 2:11 van de APV.
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
T 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB.10186085
In de praktijk kunnen deze twee instemmingen gecombineerd worden aangevraagd en wordt een dergelijke gecombineerde aanvraag ook met een besluit afgedaan. De weigeringsgronden voor een instemmingsbesluit op basis van artikel 2:11 van de APV (Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg) volgen uit het zevende lid van artikel 2:11. Op grond van deze bepaling kan een aanvraag worden geweigerd indien de aangevraagde activiteit schade toebrengt aan de weg, een belemmerende invloed heeft op de doorstroming van verkeer, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Verder kan de aanvraag worden geweigerd indien de handeling hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken. Een ‘groot werk’ als in het voorliggende geval van (het project) WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag heeft naar verwachting met name effect op de bereikbaarheid. Daarom moet een zogenaamde BVCprocedure worden doorlopen c.q. het werk moet vooraf aangemeld worden bij het netwerk bereikbaarheidsregie.
De letters BVC zijn afkortingen van de woorden: Bereikbaarheid, (Verkeers)Veiligheid en Communicatie. Meer informatie over het aanvragen van een instemmingsbesluit, voorwaarden en de BVC procedure kan gevonden worden op https://www.denhaag.nl/nl/vergunningen-en-ontheffingen/vergunningen-openbareweg/instemmingsbesluit-wegopbrekingen-aanvragen.htm
Dit betekent dat in het kader van de aanvraag voor het project WLQ Vlaardingen – Den Haag een zogenaamd BVC-plan opgesteld moet worden door de aanvrager. Het BVC-plan wordt gebruikt ter toetsing op de weigeringsgrond 2:11, zevende lid, onder a., van de APV. Als het BVC-plan niet is voorzien van de voor de besluitvorming benodigde informatie over bereikbaarheid, (verkeers-) veiligheid en communicatie en/of verkeerstechnische aspecten, dan kan de aanvraag met betrekking tot 2:11 (Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg) buiten behandeling worden gesteld. Overigens gelden in het kader van artikel 2:11 van de APV nog nadere regels (RIS 170844) waaraan voldaan moet worden. Er bestaat een mogelijkheid dat de aanvraag geweigerd kan worden omdat dat de geleverde documenten niet voldoen aan gestelde eisen van artikel 2:11, zevende lid en de nadere regels (RIS 170844). Voor artikel 2:10A. (leidingen) zijn er door het college geen specifieke weigeringsgronden vastgesteld, maar zijn wel nadere regels vastgesteld (RIS 170843). De aanleg van warmtetransportleidingen moet daaraan voldoen. Deelvraag 1.2: Of kan het college instemming sowieso weigeren? Nee, dit is niet mogelijk. Zie ons antwoord op deelvraag 1.
Beantwoording vraag 2 over artikel 2:91 lid 2 sub c APV In de APV staat in artikel 2:91 lid 2 sub c de mogelijkheid om als voorschrift op te nemen dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien vergunningen inzake bouw, aanleg of andere ruimtelijke herinrichting onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende gewaarborgd is.
2/4
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB.10186085
Deelvraag 2.1: Waarom is dit in de ontwerpbeschikking niet gedaan? Het college heeft aan het ontwerpbesluit verschillende voorschriften verbonden ter bescherming van de houtopstanden. Zo mogen de bomen niet gekapt worden alvorens een instemmingsbesluit is verleend ten aanzien van artikelen 2.10a en 2.11 APV en mogen de bomen niet gekapt worden alvorens het PIP is vastgesteld. Toepassing van artikel 2:91 lid 2 sub c APV werd niet nodig geacht als extra eis. Gewezen wordt op het volgende: Artikel 2:91 lid 2 sub c APV beoogt houtopstanden te beschermen bij ruimtelijke ontwikkelingen (projecten) die wat betreft de uitvoering ervan, onzeker zijn. Vaste gedragslijn is dat het college dit voorschrift slechts toepast als het van mening is dat houtopstanden in een bepaald geval, extra beschermd dienen te worden totdat er voldoende waarborgen zijn dat de ruimtelijke ontwikkeling ook daadwerkelijk tot uitvoering kan worden gebracht. Een dergelijke extra bescherming is bijvoorbeeld aangewezen, indien ter realisering van een project enkel een kapvergunning wordt aangevraagd. In een dergelijke situatie, waar de overige voor het project benodigde vergunningen nog niet zijn aangevraagd, kan verlening van de kapvergunning er toe leiden dat de bomen op basis daarvan worden geveld.
Op dat moment is echter nog niet duidelijk dat het project daadwerkelijk uitgevoerd kan worden, aangezien de overige daarvoor benodigde vergunningen nog niet zijn aangevraagd. In het project WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag, is deze vaste gedragslijn gevolgd en heeft het college het betreffend voorschrift niet opgenomen in de ontwerp-vergunning. Op het moment van afgeven was de verwachting dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering kan worden gebracht. De investeringsbeslissing zou spoedig worden genomen en in paragraaf 7.1 van de toelichting op het Provinciaal inpassingsplan (PIP) wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van dit project. De provincie heeft verder op de besluitvorming de provinciale coördinatieregeling uit de Wro toegepast. Dit betekent dat het ontwerp-PIP tegelijkertijd met de ontwerpen van de voor het project benodigde uitvoeringsbesluiten ter inzage zijn gelegd. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Vervolgens worden het PIP en de uitvoeringsbesluiten tegelijkertijd vastgesteld en bekendgemaakt. De hiervoor beschreven situatie – waarbij niet alle voor een project benodigde besluiten, maar enkel de kapvergunning wordt aangevraagd en verleend – doet zich aldus niet voor.
Tegen het vastgestelde PIP en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Om te voorkomen dat een of meerdere besluiten in werking treden, kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak gevraagd worden om het treffen van een voorlopige voorziening. Toewijzing van een dergelijk verzoek heeft tot gevolg dat geen gebruik gemaakt mag worden van de betrokken besluiten. Deelvraag 2.2: Is het college bereid om dit voorschrift alsnog in de kapvergunning op te nemen? Het college is niet voornemens dit voorschrift alsnog in de kapvergunning op te nemen. Theoretisch is het mogelijk om voornoemd voorschrift aan de vergunning te verbinden. Het opnemen van een dergelijk voorschrift wijkt echter af van de vaste gedragslijn die gehanteerd wordt bij toepassing van artikel 2:91 lid 2 sub c APV en is daarmee juridisch kwetsbaar. Gedeputeerde Staten kunnen verder toepassing geven aan het bepaalde in artikel 3.34 Wro en zelf een kapvergunning afgeven zonder een dergelijk voorschrift.
3/4
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB.10186085
Wel is het college voornemens de eis van een positieve investeringsbeslissing op te nemen alvorens gebruik gemaakt mag worden van de kapvergunning, mocht blijken dat deze investeringsbeslissing tegen de tijd van afgeven nog niet is genomen. Het college vertrouwt erop uw leden hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, de wethouder van Duurzaamheid en Energietransitie Liesbeth van Tongeren
4/4