RIS309264 Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Singel naast 21
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Kadastraal perceel BI 3135 (Singel naast nr. 21) te Den Haag
Versie: 2.1
1
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding ............................................................................................................................. 4 1.1
Aanleiding ............................................................................................................ 4
1.2
Doel van het project............................................................................................. 4
1.3
Ligging projectgebied .......................................................................................... 4
1.4
Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan ................................................ 5
Beleidskader ....................................................................................................................... 7 2.1
Rijksbeleid ........................................................................................................... 7
2.2
Provinciaal beleid ................................................................................................ 7
2.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................. 7
2.4
Ruimtelijke inpassing ........................................................................................... 7
Planbeschrijving ................................................................................................................. 9 3.1
Bestaande situatie ............................................................................................... 9
3.2
Toekomstige situatie............................................................................................ 9
Milieuaspecten ................................................................................................................. 10 4.1
M.e.r.-beoordeling ............................................................................................. 10
4.2
Bedrijven en milieuzonering .............................................................................. 10
4.3
Geluid ................................................................................................................ 11
4.4
Luchtkwaliteit ..................................................................................................... 11
4.5
Externe veiligheid .............................................................................................. 12
4.6
Bodemgeschiktheid ........................................................................................... 13
4.7
Flora en fauna ................................................................................................... 14
Water ............................................................................................................................... 15 5.1
Rijksbeleid/wetgeving ........................................................................................ 15
5.2
Regionaal beleid ................................................................................................ 16
5.3
Gemeentelijke beleid ......................................................................................... 16
5.4
Beleidskader Hoogheemraadschap van Delfland ............................................. 17
5.5
Watersleutel ....................................................................................................... 18
Mobiliteit ......................................................................................................................... 19 6.1
Verkeer .............................................................................................................. 19
6.2
Parkeren ............................................................................................................ 19
7.
Duurzaamheid .................................................................................................................. 21
8.
Uitvoerbaarheid ............................................................................................................... 22
2
8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 22
8.2
Financiële uitvoerbaarheid ................................................................................ 22
Bijlage 1: Watersleutel............................................................................................................. 24 Bijlage 2: Tekening bebouwing / verharding / onverhard ........................................................ 25
3
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding Het betreft de realisatie van een bedrijfspand voor verhuur van hoogwerkers, steigers, gereedschappen (bv. breekhamers), machines en aanverwant materieel en gereedschappen. Het gaat om de realisatie van een geheel nieuw pand. Kortgezegd is sprake van een ‘verhuurbedrijf’. Het perceel grenst direct aan het pand van Unicar Service (Singel 21, 2497 GS Den Haag).
1.2
Doel van het project De beoogde ontwikkeling is binnenplans is thans niet mogelijk, omdat het vigerende bestemmingplan Ypenburg hierin niet direct voorziet ( vastgesteld op 2013-10-17, identificatie NL.IMRO.0518.BP0183HYpenburg-51VA, gemeente Den Haag. Op grond van artikel 3.10 Wro heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om ter verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang, in afwijking van een geldend bestemmingsplan, een projectbesluit te nemen. Op de voorbereiding van een projectbesluit is afdeling 3:4 Awb van toepassing. In artikel 3.10 lid 2 is bepaald dat het projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project bevat. Om de gewenste herontwikkeling van het perceel in juridischplanologische zin mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het afwijken van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c juncto artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze omgevingsvergunning dient gepaard te gaan met een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin diverse (milieu)aspecten worden afgewogen. In het voorliggende document, de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning, wordt hieraan invulling gegeven.
1.3
Ligging projectgebied Het project is op het bedrijventerrein gesitueerd. De projectlocatie is thans onverhard en bestaat uit grasland. In afbeelding 1.1 is de ligging van de projectlocatie globaal met het pijltje weergegeven.
4
Afbeelding 1.1: globale ligging van de projectlocatie (Google Earth)
1.4
Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan Ter plaatse van de projectlocatie geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Ypenburg’. In dit bestemmingsplan is voorzien van de enkelbestemming ‘bedrijventerrein, perifere detailhandel, waaronder wordt begrepen detailhandel in volumineuze goederen, opslag’. De aard (en de schaal van) de activiteiten passen daarmee in de binnen de toegestane functies. Het perceel is echter niet voorzien van een bouwvlak. Eerdere is door de gemeente informeel en in brief met het kenmerk 201815152/6961958 (ongedateerd, doch uit 2018) een beginselstandpunt ingenomen om de bouw/ingebruikname toe te staan. Het thans ingediende bouwplan en het gebruik wijken hier slechts in details vanaf. Door het ontbreken van een bouwvlak is er op grond van het bestemmingplan geen mogelijkheid om een pand te realiseren en in gebruik te nemen.
5
Verzocht wordt om voor wat betreft de benodigde bouwhoogte aansluiting te zoeken bij de in het vigerende bestemmingplan opgenomen ‘Artikel 34 Algemene afwijkingsregels’ alsmede het feit dat voor het pand van Unicar Service (Singel 21, 2497 GS Den Haag) recentelijk ook vergunning is verleend voor de realisatie en het gebruik. De omvang van het pand alsmede de intensiteit en aard van het gebruik passen immers onverminderd binnen de strekking van de reeds toegekende enkelbestemming. Archeologie e.d. Er is geen dubbelbestemming voor het betreffende perceel geformuleerd.
6
2.
Beleidskader
2.1
Rijksbeleid Het rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)) is uitputtend in het vigerende bestemmingsplan beschreven. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het Rijksbeleid worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende projectgebied. Ten aanzien van de (grootschalige, perifere en volumineuze) detailhandel schrijft het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AmvB Ruimte) regels in de verordening voor. Het betreft hier de toepassing van het bundelingsbeleid en de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking houdt in dat bij een vraag naar ruimte eerst wordt gekeken of de bestaande ruimte benut kan worden, daarna of er door intensivering van de bouw voldaan kan worden aan de ruimtevraag en als ook dat niet (geheel) lukt, dat er dan uitbreiding plaats kan vinden. Het rijksbeleid is vertaald naar lagere overheden. Specifieke beleid voor verhuurbedrijven is daarin niet opgenomen. Uitgaande van de strekking van het rijksbeleid vormt het project geen belemmering voor bestaand ruimtelijk beleid.
2.2
Provinciaal beleid Uitgaande van de provinciale Omgevingsvisie Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (structuurvisie, geconsolideerd (2019-0420) is de locatie conform kaart 34 aangemerkt als Bedrijventerrein. Uitgaande van de strekking van het provinciale beleid vormt het project geen belemmering voor bestaand ruimtelijk beleid.
2.3
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijke beleid is uitputtend in het vigerende bestemmingsplan beschreven.
2.4
Ruimtelijke inpassing Voor wat betreft de ruimtelijke stedebouwkundige inpassing geldt dat daarover overeenstemming is bereikt met de gemeente op 14 oktober 2020.
7
Eerder is door de gemeente gerefereerd aan de definitie m.b.t. dienstverlening onder ‘1.40 dienstverlening’ van het bestemmingplan. Hier is de term ‘verhuurbedrijf’ opgenomen. Deze wordt echter gebruikt in de context van niet echt vergelijkbare bedrijfstypen als: “fotostudio's, uitzendbureaus,
reisbureaus, kapsalons, snelfoto-ontwikkel- en kopieerservicebedrijven, videotheken.”
Het is sowieso lastig om de beoogde functie in een hokje te plaatsen. De gemeente heeft tevens aangegeven dat “aard van
de functie en zijn effecten vergelijkbaar met die van perifere detailhandel in volumineuze goederen”. Dit sluit aan op artikel 4.1 onder b van het Bestemmingplan.
Groen is weliswaar opgenomen op deze locatie als mogelijke invullingsscope, doch de functie zelf heeft geen groenbestemming. Kortgezegd wordt met de beoogde functie geen groenbestemming aangetast. De groenstrook ten noorden/noordoosten van de projectlocatie wordt niet in gebruik genomen c.q. aangetast.
Afbeelding 2.1: ligging van de groenstrook nabij de projectlocatie (Google Earth)
8
3.
Planbeschrijving
3.1
Bestaande situatie De projectlocatie is thans onverhard en bestaat uit grasland. Afbeelding 3.1 laat een vergelijking zien tussen de bestaande situatie – zoals deze thans aanwezig is – en de toekomstige situatie.
Afbeelding 3.1: links de bestaande situatie (Google Earth), rechts de toekomstige situatie (met reeds bestaande bebouwing).
3.2
Toekomstige situatie Het plan omvat de volgende ontwikkelingen: 1. De realisatie van een bedrijfspand verhuurbedrijf voor bouwmachines en -gereedschappen (met bijbehorend kantoor); 2. Het realiseren van een in- en uitrit; 3. Het realiseren van een verhard buitenterrein met voldoende parkeervoorzieningen.
9
4.
Milieuaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in eerste kolom van de C- en D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.‐beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.
4.2
Bedrijven en milieuzonering Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. Doorgaans wordt daarvoor de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) gehanteerd. Dit zijn echter richtafstanden en geen wetgeving. De projectlocatie kan op basis van de VNG‐brochure gezien worden als ‘bedrijventerrein’. De projectlocatie is gelegen in een gebied met alleen een bedrijfsbestemming. De projectlocatie is op korte afstand gelegen van de A13. De bedrijfsactiviteiten vallen in milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Daarbij is het aspect ‘geluid’ maatgevend. Hier is voor de activiteiten uitgegaan van SBI-code 52109 ‘Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ volgende uit de gerefereerde VNG-publicatie alsmede de Staat van bedrijfsactiviteiten in het bestemmingsplan zelf. Er zijn echter geen geluidgevoelige objecten (woningen) in de omgeving op een afstand van minder dan de richtafstand.
10
Gelet op bovenstaand leidt het aspect geluid niet tot belemmeringen. 4.3
Geluid De projectlocatie valt niet onder een geluidszonering(sverplichting). De inrichting valt voorts niet onder een situatie waarvoor op grond van milieuwetgeving (Activiteitenbesluit) in beginsel akoestisch onderzoek noodzakelijk is.
4.4
Luchtkwaliteit Op grond van de Wet milieubeheer dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan de ‘Wet luchtkwaliteit’. Een ruimtelijke ontwikkeling mag volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsbeleid Luchtkwaliteit (NSL); - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Het project leidt tot extra verkeersbewegingen, doch niet tot een betekenende mate van bijdrage. Het aantal bezoekers per dag is naar verwachting niet meer dan 20 voertuigen waarvan 10% bestaat uit vrachtwagens. Uitgaande van de uitgevoerde berekening op basis van de NIBM-tool kan worden gesteld dat sprake is van een situatie die voldoet aan het eerder genoemde criterium. Het resultaat van de berekening is in afbeelding 4.1 weergegeven.
11
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
20
Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m
3
0,03
PM10 in μg/m
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 4.1: resultaat NIBM-tool.
4.5
Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, waaronder productie, vervoer en opslag van gevaarlijke stoffen. De inrichting zelf behoort niet tot een specifieke type van inrichtingen waarvoor regels geleden vanuit het Brzo, Bevi e.d. Uitgaande van de laatste inzichten kan worden gesteld dat slechts sprake is van een type A inrichting. Dit zijn type bedrijven / activiteiten waarvoor geldt dat deze vanuit milieu en veiligheid minimale c.q. beheersbare veiligheids- en milieurisico’s met zich meebrengen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is op basis van de risicokaart vervolgens onderzocht of er daarnaast relevante risicobronnen in de directe nabijheid van de projectlocatie aanwezig zijn. Uit de risicokaart (Risicokaart.nl) blijkt dat ten noordwesten van het plangebied (rode stippellijn, centraal in afbeelding 4.2) een ‘Aardgasleiding NEN 3650-leiding’ is gelegen.
12
Afbeelding 4.2 risicokaart
Overige relevante risicovolle activiteiten zijn niet in de Risicokaart opgenomen c.q. aanwezig. Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6
Bodemgeschiktheid Met betrekking tot de locatie is geen historische informatie m.b.t de bodemkwaliteit getraceerd. Echter van de projectlocatie is recent – in aanloop naar de gewenste ontwikkeling – een bodemonderzoek verricht (Verkennend bodemonderzoek, Singel (ong.) te Den Haag, Documentkenmerk 20200421_a1RAP, Geofoxx, 10 juli 2020). Het onderzoek geeft aan dat de locatie aangemerkt is als ’ vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik/functie’. In het kader van de exploitatie van de inrichting geen nulsituatiebodemonderzoek noodzakelijk, omdat met betrekking tot het beoogde gebruik, geen sprake is van bodembedreigende
13
activiteiten (Activiteitenbesluit artikel 2.11). 4.7
Flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is geen onderzoek naar de aanwezige flora en fauna uitgevoerd, omdat de betreffende uitgangslocatie reeds behoort tot een bedrijventerrein. Op basis van het vigerende bestemmingplan zal geen bijzondere flora of fauna binnen het plangebied kunnen worden verwacht. Het plangebied speelt – uitgaande van bijvoorbeeld Waarnemingen.nl – geen rol speelt als essentieel verblijfsgebied voor zeldzame dan wel algemenere soorten. Stikstofdepositie In relatie tot de stikstof depositie is een Aerius-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie vanuit de inrichting gering is en er geen sprake is van een situatie waarvoor een vergunning noodzakelijk is vanuit de Wet natuurbescherming. De berekening is onderdeel van deze Ruimtelijke onderbouwing c.q. omgevingsvergunningaanvraag.
Afbeelding 4.3 Aerius-berekening (stikstofdepositie)
14
5.
Water
5.1
Rijksbeleid/wetgeving Met de Wro, de Waterwet, de Wabo en de Crisis- en herstelwet is er sinds het NBW-actueel veel veranderd in de regelgeving. Voor ‘water en RO’ is van belang dat:
De belangrijkste ruimtelijke keuzes gemaakt worden in het kader van structuurvisies, waarvoor een watertoets niet verplicht is; Substantiële ruimtelijke ontwikkelingen niet meer alleen tot stand komen via het bestemmingsplan, maar ook met omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing; De bijzondere voorzieningen uit de Crisis- en herstelwet gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishouding; Vanwege deze veranderingen is een goede afstemming in een vroeg stadium tussen RO en water nog belangrijker dan voorheen geworden.
De watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003; NBW-actueel, 2008). De toets berust op twee uitgangspunten: 1. Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. De watertoets wordt ingezet bij de volgende formele ruimtelijke plannen en besluiten: • • •
structuurvisie; bestemmingsplan; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing.
Het rijksbeleid is vervolgens vertaald naar het regionaal beleid.
15
5.2
Regionaal beleid Het (provinciaal) waterbeleid is opgenomen in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten:
Het waterbeleid met een ruimtelijke component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit;
Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 20162021. Voor een klein aantal onderdelen blijft het provinciale waterplan 2010-2015 ongewijzigd van kracht.
De provincie herziet het regionaal waterplan eens in de 6 jaar. Het hoogheemraadschap van Delfland is de overheid die formeel verantwoordelijk is voor het regionale waterbeheer binnen zijn beheergebied. De eventuele effecten van ruimtelijke plannen bepalen mede of ‘Delfland’ deze functionele waterbeheerstaak goed kan (blijven) uitoefenen. ‘Delfland’ adviseert over de locatiekeuze, waterkansen, waterdoelen en randvoorwaarden waar het watersysteem aan moet voldoen en denkt mee. De specifieke beoordeling van het initiatief door Delfland is nader besproken onder 5.4. Het regionaal beleid is vertaald naar gemeentelijke structuurvisies en vastgelegd bestemmingplannen. 5.3
Gemeentelijke beleid Beleidskader bestemmingplan (Gemeentelijk beleid)
Het initiatief bevindt zich in het geheel in ‘paars’ gebied met een bedrijfsbestemming. In het vigerende bestemming is onder 3.4 ‘Groen en water’ van de Toelichting aangegeven: ‘Binnen het plangebied is voldoende
open water en groen aanwezig waardoor voldaan wordt aan de waterbergingsnormen.’ In 4.7 van de Toelichting is aangegeven: “Op basis van de
Waterbergingsvisie is een bestuursovereenkomst gesloten tussen de Gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland, die de waterberging regelt. Er geldt, gezien de
16
afspraken uit de Waterbergingsvisie, nu geen waterbergingsopgave voor het plangebied. Uitgangspunt bij toekomstige ontwikkelingen is, dat nieuwe en te herstructureren gebieden moeten voldoen aan de waterbergingsnormen. De gemeente Den Haag houdt in toekomstige plannen rekening met alle wateraspecten: waterkwantiteit, -kwaliteit, -keringen en riolering. Bij herinrichting, stedelijke vernieuwing of nieuwbouw zullen alle mogelijk kansen voor bergen van extra water -op basis van nieuwe inzichten in het waterbeheer- worden meegenomen in de plan vorming, zodat een bijdrage kan worden geleverd aan een robuust watersysteem. Als bij nieuwe ontwikkelingen het verharde oppervlak toeneemt, dan moet extra waterberging worden gerealiseerd.” Uitgaande van de Toelichting van het bestemmingsplan (planologisch) en de specifieke kenmerken van de voorschriften in het bestemmingplan kan worden opgemaakt dat verharding van al het ‘paars’ – ‘binnenplans’ – reeds mogelijk is. Het initiatief gaat er vanuit dat er bebouwing plaatsvindt in een zone waar ook al volledige verharding zou zijn toegestaan. Voor dubbelbestemmingen in de vorm van bijvoorbeeld een waterkering, wordt verwezen naar de volgende paragraaf. 5.4
Beleidskader Hoogheemraadschap van Delfland Het Hoogheemraadschap van Delfland (HHvD) hanteert thans de Handreiking watertoets voor gemeenten in relatie tot de ruimte voor water in ruimtelijke plannen. Waterkering
Een waterkering is ter plaatse van het plangebied (Bestemmingplan) niet aanwezig. Huidige verhardingssituatie
Op dit moment is het gehele plangebied onverhard. Verwezen wordt naar hetgeen is beschreven m.b.t. het Bestemmingsplan. Toekomstige verhardingssituatie
Op basis van het bestemmingplan heeft het perceel een grootte van 1389 m2 (die in theorie gehele verhard kan worden). Ter plaatse zal sprake zijn van een bebouwing van 795 m2 en een verharding van 501 m2. Onverhard is 93 m2. Voor de
17
beeldvorming en concrete uitwerking wordt verwezen naar de volgende paragraaf en de bijlagen. 5.5
Watersleutel Vanwege het feit dat ‘binnenplans’ reeds volledige verharding is toegestaan, is daarmee is ook rekening gehouden in de watersleutel. Dit is besproken in een telefonisch onderhoud (vooroverleg) met HHvD. De klimaateffecten worden gecompenseerd door het onverhard laten van 93 m2 van het terrein. De watersleutel is bijgevoegd als bijlage 1. Een bijbehorende tekening met in het groen weergegeven de onverharde terreindelen is als bijlage 2 opgenomen. Uit de watersleutel volgt 8 m2 aan extra oppervlaktewater met een benodigde waterberging van 4,1 m3. Echter dit blijkt op basis van het geldende beleid te resulteren in de conclusie dat sprake is van een ‘kruimelgeval’. Compensatie of andersoortige aanvullende maatregelen (onverhard 93 m2) – anders dan de reeds onverharde terreindelen – zijn niet noodzakelijk. Peilhoogte en drooglegging
Voor wat betreft de drooglegging en de peilhoogte geldt dat wordt aangesloten op de peilhoogte van de omliggende gebouwen. In de watersleutel zijn de van toepassing zijnde waarden aangehouden. Grondwater
De fundatie van het pand is traditioneel. De betonnen fundering wordt aangebracht op betonpalen. Voorts worden er geen voorzieningen (ontstekingssystemen, kelders etc.) aangebracht die belemmerend kunnen zijn voor grondwaterstromen, peilen dan wel de grondwaterkwaliteit. Er zijn derhalve geen betekenisvolle gevolgen voor het grondwatersysteem. Beleid Riolering (afvalwater, watersysteemkwaliteit)
De inrichting wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Ter plaatse is reeds sprake van een gescheiden rioolstelsel. Er worden geen grote hoeveelheden afvalwater geloosd. Er wordt een kleine hoeveelheid schoon hemelwater geloosd op het hemelwatertriool daarnaast wordt slechts regulier (sanitair en huishoudelijk) afvalwater geloosd via het vuilwaterriool.
18
Het initiatief voorziet niet in een bijzondere (verontreinigende) stroom of grote hoeveelheid onvoorzien afvalwater. Klimaatadaptatie
Op basis van de uitkomsten van de berekening middels de watersleutel (onverhard 93 m2) kan worden geconcludeerd dat geen aanvullingen noodzakelijke zijn op grond van bijvoorbeeld de richtsnoeren uit het aangereikte beleid (https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-enregelgeving/copy_of_documenten-beleid). Standstill-beginsel
Uitgaande van de beschrijving van de huidige en de toekomstige situatie en de reeds te treffen maatregelen c.q. voorzieningen gaat initiatiefnemer er vanuit dat wordt voldaan aan het Standstill-beginsel. Watervergunning
De Waterwet (2009) integreert de vergunningstelsels uit de oude afzonderlijke waterbeheerwetten in één vergunning: de watervergunning. Zo’n watervergunning is nodig voor activiteiten en maatregelen die van invloed kunnen zijn op het waterstaatkundige systeem (inclusief kades, duikers e.d.). De watervergunning kan worden aangevraagd met één aanvraagformulier. Toetsingskader voor de aanvraag zijn onder andere de Keur Delfland en de leggers met beleidsregels. Er zijn geen watervergunningsplichtige activiteiten als gevolg van het initiatief.
6.
Mobiliteit
6.1
Verkeer Het aantal bezoekers per dag is naar verwachting niet meer dan 20 voertuigen waarvan 10% bestaat uit vrachtwagens. Aangezien het een zeer beperkte toename betreft en de relevante wegen voldoende capaciteit hebben om deze toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename.
6.2
Parkeren Uitgaande van de Nota Parkeernormen Den Haag van
19
10 november 2011 zullen op het terrein maximaal 14 parkeervoorzieningen voor personenvoertuigen worden gerealiseerd. De gemeentelijke norm is 12. Gelet op de aard van het bedrijf en het creëren van extra voorzieningen in relatie tot de norm zal het initiatief vanwege de aard een omvang ook geen gevolgen hebben voor het reeds aanwezige aanbod aan parkeervoorzieningen.
20
7.
Duurzaamheid De toekomstige inrichting (projectlocatie) wordt gerealiseerd volgens de laatste normen en inzichten, doch minimaal aan de wettelijke eisen op basis van bijvoorbeeld het Bouwbesluit. Voor wat betreft vaste installaties zal sprake zijn van apparatuur die voorzien is van CE-markering.
21
8.
Uitvoerbaarheid
8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Zoals ook eerder is aangehaald en is verklaard door de gemeente is de beoogde sterke qua functie en effecten vergelijkbaar met die van perifere detailhandel in volumineuze goederen. De vestiging speelt in op de ontwikkelingen rond de sterke groei (gegevens op basis van CBS / CPB) van het aantal kleine aannemersbedrijven, zzp’ers en doe-het-zelvers die voor bepaalde werkzaamheden afhankelijk zijn van de inhuur van apparatuur waarover zij zelf niet kunnen beschikken. Dit vanwege het feit dat de verhuur van dergelijke middelen – gezien het beperkte gebruik uitgezet tegen de relatief hoge aanschafwaarde – aantrekkelijk is (i.p.v. de koop en onderhoudskosten daarvan). De voorliggende ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een ‘verhuurbedrijf’ op het bedrijventerrein. De voorgenomen projectlocatie bevindt zich op een vanuit economische oogpunt ‘strategische’ locatie op het bedrijventerrein en bevindt zich niet op een korte afstand van gevoelige objecten in brede zin. Ook in esthetische zin bevindt de locatie zich op een locatie die vanuit planologisch oogpunt goed inpasbaar is. Zo is reeds eerder het bedrijfspand en de activiteit op locatie Singel 21 vergund en in gebruik. Aangenomen wordt dat er geen bezwaren bestaan tegen deze ontwikkeling.
8.2
Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar.
22
Benadrukt wordt dat initiatiefnemer diverse vergelijkbare verhuurbedrijven exploiteert binnen en buiten de regio. Het betreft hier een kapitaalkrachtige onderneming. Binnen de onderneming is in ruime mate bekendheid met de exploitatie en financiële consequenties, de ruimtelijke consequenties en verantwoordelijkheden in brede zin die gepaard gaan met de ontwikkeling en exploitatie bij nieuwe vestiging en exploitatie van een verhuurbedrijf. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.
23
Bijlage 1: Watersleutel
24
11-2-2021
Watersleutel
Watersleutel
Versie 07-2020
Beweeg cursor over begrippen voor toelichting. Blauwe vakjes invullen. Druk vervolgens op update. Projectnaam & omschrijving 11-2-2021
ong. nabij Singel 21 Den Haag
15 114 0 0 44
Nieuwbouw bedrijfshal
Watersysteem Lage Broekpolder
polder/boezem gemaalcapaciteit peilgebied
22.8
mm/etmaal
GPG2014YLB III
kaart
Oppervlakteverdeling plangebied
HUIDIG
TOEKOMSTIG
Stedelijk verhard infrastr./bebouwing
m²
1389
1296
onverhard stedelijk
m²
0
93
verhard glasgebied
m²
0
0
onverhard glasgebied
m²
0
0
Huidig, actueel klimaat, T100
Agrarisch glastuinbouw
Agrarisch gras, akkerbouw, natuur verhard landelijk
m²
0
0
onverhard landelijk
m²
0
0
huidig aanwezig water
m²
0
0
oppervlakte plangebied
m²
1389
Water
Totaal
Gebiedskenmerken
HUIDIG
1389 1
TOEKOMSTIG
gemiddeld maaiveld
NAP m
-3.00
-3.00
maatgevend peil
NAP m
-4.61
-4.61
m
1.61
1.61
gemiddelde drooglegging
Ontwikkeling, klimaat 2050, T100
Oppervlaktewater in m² Totaal extra te realiseren
kruimelgeval
huidig aanwezig totaal te realiseren aandeel plangebied
Ontwikkeling
Klimaat 2050
8
-16
0
0
24
8
-16
24
0.6%
-1.2%
1.7%
Waterberging in m³ Totaal
https://watertoetsportaal.hhdelfland.nl/watersleutel/index.htm
Ontwikkeling
Klimaat 2050
1/2
11-2-2021 extra te realiseren
Watersleutel kruimelgeval
4.1
-8.3
12.5
Grafieken dienen alleen ter verduidelijking van de principes
https://watertoetsportaal.hhdelfland.nl/watersleutel/index.htm
2/2
Bijlage 2: Tekening bebouwing / verharding / onverhard
25
<< SINGEL >>
44340
5000
6500
1650
2500
2500
2500
2500
2500
m.k.
5000
3 PARKEERPLAATSEN
2500 19758
10924 2641
2500 5000
<< SINGEL >>
Perceel
47 - 101
SING EL >
SING EL >
>
Perceel: BI 3135
<<
<<
47 - 101
4500
[ INRIT >
13769
m.k.
<< SINGEL >>
>
<< SINGEL >>
m.k.
6000
< UITRIT ]
1650
2510
6000
[ INRIT >
500
< UITRIT ]
788 2255
2500
4472
4472 2500
1650 5000
2500
4 PARKEERPLAATSEN
6600
BI 1335
2500
2500
21
6600
2500
7 PARKEERPLAATSEN
2500
1750
2500
6750
m.k.
BI 1332
Oppervlakte: 1.389 m²
Verhard oppervlakte 1296 m²
Onverhard oppervlakte: 93 m2
SITUATIETEKENING Kadastraal bekend: Gemeente:
Sectie
Nummer(s):
's-Gravenhage 's-Gravenhage
BI BI
3132 3135
Schaal 1:100 Tekstuele wijzigingen en aanpassen legenda
16-02-2021
Wijzigingen
Project
Nieuwbouw bedrijfshal, Singel ong. te Den Haag
Onderdeel
Nieuwe toestand | Verhard vs Onverhard
Opdrachtgever
Stanflor B.V.
Datum
1 Wijz.
Werknr.
www.xtensief.nl info@xtensief.nl
20200895
Datum
11-02-2021
Schaal
1:100
Tekening
0895 W-01
Formaat
A0
Fase
xtensief Postbus 113 2400 AC Alphen aan den Rijn
Watertoets Blad
W-01