RIS309056 Bijlage 2
Tekst van het document
a.
het voedingsgebied of de voedingsgebieden;
b.
de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;
c.
de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied;
d.
de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;
e.
de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;
f.
de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school en
g.
het onderwijs dat wordt gegeven.
De prognose is niet meer dan twee jaar oud. De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van Mei 2021
Pagina 57
het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij de levering van de beschrijving van het voedingsgebied worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de -aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. Bevoegde gezagsorganen kunnen zich conformeren aan de gemeentelijke prognose, dan wel kiezen voor een andere prognose. De prognoses moeten voldoen aan de eisen als vermeld in de Regeling modelprognose primair onderwijs 2013 (Staatscourant nr. 34734 d.d. 13 december 2013). Bijlage III CRITERIA VOOR OPPERVLAKTE EN INDELING De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:
-
deel A: de bepaling van de capaciteit;
-
deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;
-
deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;
-
deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.
DEEL A De bepaling van de capaciteit 1. School voor basisonderwijs De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. 1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen met een permanente of tijdelijke bouwaard De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel D onder III-1 "De meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs". De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en de normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt op basis van de bvo vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, 2 en 3 voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke bouwaard.
Mei 2021
Pagina 58
Tabel 1 Nieuwbouw en gebouwen met een permanente bouwaard • Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30 leerlingen worden gehuisvest
Minimale bruto vloeroppervlakte (inclusief eerste speellokaal) (inclusief m² bvo voor onderwijskundige vernieuwingen)
Aantal groepen leerlingen
340
2
455
3
570
4
775
5
890
6
1005
7
1120
8
1235
9
1350
10
1465
11
1580
12
1695
13
1810
14
1925
15
2040
16
2245
17
en vervolgens telkens te verhogen met 115 m² ten behoeve van 1 groep leerlingen.
Mei 2021
Pagina 59
Vanaf de zeventiende groep leerlingen is de minimale bvo opgehoogd met 90 m² ten behoeve van een tweede speellokaal (zie deel D, onder 1).
• Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest
Minimale bvo (inclusief m² bvo voor onderwijskundige vernieuwingen)
Aantal groepen leerlingen
320
2
Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting
Minimale bruto vloeroppervlakte
Aantal groepen leerlingen
295
2
400
3
505
4
700
5
805
6
910
7
1015
8
en vervolgens telkens te verhogen met 105 m² ten behoeve van 1 groep leerlingen.
Mei 2021
Pagina 60
Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting
Minimale bruto vloeroppervlakten leerlingen
Aantal groepen leerlingen
90
1
170
2
250
3
330
4
410
5
en vervolgens telkens te verhogen met 80 m² ten behoeve van 1 groep leerlingen.
Het college kan besluiten tot vermindering van de met bovenstaande methodiek vastgestelde capaciteit met één of meer groepen, indien deze wordt/worden benut ten behoeve van een voorschoolpeuterspeelzaal, voor zover deze is opgenomen op het huisvestingsprogramma voorschoolpeuterspeelzalen, of ten behoeve van multifunctioneel gebruik, op basis van een daartoe van kracht zijnde subsidieregeling. Door middel van een akte ex artikel 110, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs wordt een ruimte blijvend aan de onderwijsbestemming onttrokken.
Speciale school voor basisonderwijs De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is.
Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo, vastgesteld met behulp van tabel 4 voor gebouwen met een permanente bouwaard. Voor huisvesting met een tijdelijke bouwaard wordt gebruikgemaakt van tabel 2 en 3.
Mei 2021
Pagina 61
Tabel 4 Gebouwen met een permanente bouwaard
Permanente gebouwen voor een speciale school voor basisonderwijs vaste voet m²
inclusief
m² per groep
toeslag extra ruimte
670
4
105
125
De vaste voet aan bvo is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit aantal is in de kolom "inclusief" aangegeven. Hierin is geen speellokaal begrepen.
De toeslag extra ruimte omvat een aantal extra m² voor het creëren van extra ruimte, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de 12e groep.
Basisschool en speciale school voor basisonderwijs 1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties geldt het gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en 3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van 115 m² bvo per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een permanente bouwaard. Indien sprake is van een gebouw met een tijdelijke bouwaard, wordt uitgegaan van 80 m² bvo per groep leerlingen.
1.3 Terrein Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. Mei 2021
Pagina 62
1.4 Inventaris Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is.
1.5 Gymnastiekruimten
1.5.1 Gymnastiekruimte De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren. Per gymnastiekruimte worden maximaal 26 klokuren (speciaal) basisonderwijs ingeroosterd.
1.5.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
1.5.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
2 (Voortgezet) speciaal onderwijs De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.
2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel D onder III-1 "De meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs.
Mei 2021
Pagina 63
De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Indien het een school betreft voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt de capaciteit van het gebouw berekend door het aantal mogelijk te huisvesten groepen voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs afzonderlijk te bepalen.
In het SOVSO-deel van tabel 4 Ruimtenormering (V)SO is hiermee al rekening gehouden.
Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
Voor de vaststelling van het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is voor gebouwen met een tijdelijke bouwaard worden de tabellen 2 "Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting" en tabel 3 "Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting" gehanteerd.
Tabel 4 Ruimtenormering (V)SO
schoolsoort
vaste voet m²
inclusief aantal groepen
m² per groep
SO doven
775
7
75
105
SO sh/esm
628
4
95
130
SO visg
727
4
96
116
SO lg
850
4
134
150
SO lz
638
4
100
105
Mei 2021
correctie m² VSO (per groep)
Toeslag m² extra ruimte
Pagina 64
SO zmlk
585
4
95
100
SO zmok
585
4
95
105
SO pi
575
4
95
92
SO mg
733
4
110
132
VSO doven
800
7
84
60
VSO sh/esm
563
4
84
65
VSO visg
660
4
88
45
VSO lg
725
4
110
70
VSO lz
575
4
80
90
VSO zmlk
600
4
93
80
VSO zmok
600
4
80
102
VSO pi
535
4
80
75
VSO mg
725
4
113
60
(SO
VSO)
sg doven
775
6
77
7
105
60
sg sh/esm
628
3
96
-12
115
60
sg visg
727
3
96
-10
116
45
sg lg
850
3
135
-27
135
70
Mei 2021
Pagina 65
sg lz
638
3
99
-14
120
65
sg zmlk
585
3
997
-2
100
80
sg zmok
585
3
105
-19
55
85
sg pi
575
3
95
-12
92
60
sg mg
733
3
108
5
132
50
De vaste voet aan bruto vloeroppervlakte is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit aantal groepen is in de kolom "inclusief" gegeven. De relatie tussen de vaste voet en de minimum opheffingsnorm voor de scholen is hiermee in stand gebleven.
In de bruto vloeroppervlakte voor SOVSO scholen is uitgegaan van dezelfde vaste voet als voor de SO component. Het aantal m² per groep, alsmede de extra toe te kennen ruimte kan anders zijn dan bij categoriale SO- of VSO scholen. Tevens wordt op het aantal vierkante meters per groep een correctie toegepast voor het aantal aanwezige VSO groepen.
De toeslag voor extra ruimte (ER) omvat een aantal extra m² voor het creëren van extra ruimte, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). In het speciaal onderwijs wordt de toeslag ER toegekend bij het vormen van de 13e groep, in het voortgezet speciaal onderwijs bij het vormen van de 14e groep.
2.2 Nevenvestigingen of dislocaties, gebouwen met een permanente of een tijdelijke bouwaard De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is.
2.3 Terrein Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Mei 2021
Pagina 66
Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
2.4 Inventaris De inventarisgegevens betreffen de gegevens ter vaststelling van het aantal groepen van de desbetreffende school waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. Het aantal groepen waarvoor inventaris aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 1996/1997. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.
2.5 Gymnastiekruimten
2.5.1 Gymnastiekruimte De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt 40 klokuren. Per gymnastiekruimte worden maximaal 26 klokuren (voortgezet) speciaal onderwijs ingeroosterd.
2.5.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
2.5.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
3 Voortgezet onderwijs De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in gegevens over:
-
Mei 2021
de bruto vloeroppervlakte van gebouwen;
Pagina 67
-
het aantal gymnastieklokalen.
3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en tijdelijke nevenvestigingen met een permanente of een tijdelijke bouwaard De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in bijlage III, deel D onder III-2 "De meetinstructie voor het vaststellen van de bvo van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs".
Naast de bruto vloeroppervlakte zal het gegeven "aantal gymnastieklokalen" worden vastgelegd. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
3.2 Terrein Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
3.3 Inventaris Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. Het aantal en soort lesruimten is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.
3.4 Gymnastiekruimten
3.4.1 Gymnastiekruimte De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 lesuren.
Mei 2021
Pagina 68
3.4.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
3.5.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte en inventaris
1. School voor basisonderwijs
1.1 Lesgebouwen Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b. Betreft een aanvraag voor opneming op het programma een te handhaven lesgebouw(deel) met een ondoelmatige verhouding tussen bruto en netto vloeroppervlak als onderdeel van een te realiseren voorziening met een permanente bouwaard, dan kan het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten een fictief aantal groepen te hanteren als grondslag voor bekostiging overeenkomstig bijlage IV, deel A. De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B) en kleine scholentoeslag (C).
Mei 2021
Pagina 69
a.
Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool: G=A+B+C waarbij: G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond. A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0503. Het verkregen getal A wordt niet afgerond. B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0345. Het verkregen getal B wordt niet afgerond. C = (280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06)) x 0,0056. Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal C wordt niet afgerond.
b.
Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool: G=A+B+C+D+E+F waarbij: G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond. A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0503. Het verkregen getal A wordt niet afgerond. B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0345. Het verkregen getal B wordt niet afgerond. C = (280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de laatst bekende teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06)) x 0,0056. Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal C wordt niet afgerond. D = de achterstandsscore met drempel van de school op de laatst bekende teldatum 1 oktober x 0,0179 x 0,0717 (= 7,17%). Het verkregen getal D wordt niet afgerond. E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op basis van artikel 120, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs. Het verkregen getal E wordt afgerond op de wijze als vermeld in de desbetreffende Rijksregeling.
F = formatie leidend tot aanvullende ruimtebehoefte op grond van de door het college voor vier jaren vastgestelde Haagse Educatieve Agenda (ten behoeve van neveninstroom, schakelklassen en leerkansenprofiel). Het verkregen getal F wordt niet afgerond.
Speciale school voor basisonderwijs Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen Mei 2021
Pagina 70
door de "N-factor". De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma 5 is of hoger. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
1.2 Gymnastiekruimten
School voor basisonderwijs Voor een basisschool is het aantal groepen leerlingen 3 t/m 8 bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep leerlingen 3 t/m 8 wordt maximaal 1,5 klokuur gymnastiek vergoed (conform artikel 13.1 en 13.2). Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule G=A+B+C+D De componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1. Voor het bepalen van het aantal groepen leerlingen 3 t/m 8 wordt aangesloten bij het normatieve overzicht "splitsing aantal groepen leerlingen" zoals weergegeven in tabel 5.
Tabel 5 "Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)"
Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen leerlingen (G) in groepen leerlingen 1 en 2 en groepen leerlingen 3 t/m 8 ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening.
Aantal groepen per school (G)
Aantal groepen leerlingen 1 en 2
Aantal groepen leerlingen 3 tot en met 8
2
1
1
3
1
2
4
1
3
Mei 2021
Pagina 71
5
2
3
6
2
4
7
2
5
8
2
6
9
3
6
10
3
7
11
3
8
12
3
9
13
4
9
14
4
10
15
5
10
16
5
11
17
6
11
18
6
12
19
6
13
20
6
14
21
6
15
22
7
15
23
7
16
24
7
17
Mei 2021
Pagina 72
25
7
18
26
8
18
27
8
19
28
8
20
29
8
21
30
9
21
31
9
22
32
9
23
33
10
23
34
10
24
35
10
25
36
11
25
37
11
26
38
11
27
39
11
28
40
12
28
41
12
29
42
12
30
43
13
30
44
13
31
Mei 2021
Pagina 73
45
13
32
46
13
33
47
14
33
48
14
34
49
14
35
50
14
36
Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een accommodatie voor een basisschool wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. In die gevallen waarin het college goedkeuring heeft verleend om ten behoeve van het speelonderwijs aan één of meer onderbouwgroepen (groepen 1 en 2) gebruik te maken van de gymnastiekruimte van de basisschool, worden voor de bepaling van het maximaal aantal klokuren dat voor vergoeding in aanmerking komt, de onderbouwgroepen beschouwd als bovenbouwgroepen.
Speciale school voor basisonderwijs Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt, indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N-factor". De "N-factor" is bepalend voor de groepsgrootte. De "N-factor" voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma 5 is of hoger. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een accommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.
Mei 2021
Pagina 74
1.3 Inventaris
School voor basisonderwijs De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:
a.
onderwijsleerpakket
b.
meubilair
a.
onderwijsleerpakket Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule: G=A+B+C+D+E De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.
b.
meubilair Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule: G=A+B+C De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.
Speciale school voor basisonderwijs Het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het aantal leerlingen
Mei 2021
Pagina 75
te delen door de "N-factor". De "N-factor" is bepalend voor de groepsgrootte. De "N-factor" voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma 5 is of hoger. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
2.1 Lesgebouwen Voor een school of nevenvestiging voor (voortgezet) speciaal onderwijs is het aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N-factor". De N-factor bepaalt de maximale groepsgrootte. Betreft een aanvraag voor opneming op het programma een te handhaven lesgebouw(deel) met een ondoelmatige verhouding tussen bruto en netto vloeroppervlak als onderdeel van een te realiseren voorziening met een permanente bouwaard, dan kan het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten een fictief aantal groepen te hanteren als grondslag voor bekostiging overeenkomstig bijlage IV, deel A. In onderstaande tabel 6, "N-factor", is de groepsgrootte per onderwijssoort en per schooltype weergegeven . Het getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma 5 is of hoger. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
Tabel 6 "N-factor"
Onderwijssoort
“N-factor” SO
“N-factor” VSO
Dove kinderen (DO)
6
6
Slechthorende kinderen (SH)
12
7
Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)
12
7
Visueel gehandicapte kinderen (VISG)
12
7
Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)
12
7
Langdurig zieke kinderen (LZ)
13
7
Mei 2021
Pagina 76
Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)
12
12
Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)
8
7
Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI)
10
7
Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)
7*
7*
* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap anders is vastgesteld.
De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO school of een SO school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden gesommeerd.
2.2 Gymnastiekruimten Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt, indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal leerlingen. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de "N-factor". De "N-factor" is bepalend voor de groepsgrootte. In tabel 6 is de "N-factor" weergegeven. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma 5 is of hoger. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een accommodatie wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO school of een SO school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.
3. School voor voortgezet onderwijs
3.1 Lesgebouwen Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte per leerling per onderwijssoort bepaald. De in onderstaande tabel 7.1 "Berekening van de
Mei 2021
Pagina 77
ruimtebehoefte voortgezet onderwijs" vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting. Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met deze oppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto m² per leerling, de totale ruimtebehoefte van de instelling. Voor een volledige beschrijving van de systematiek van het ruimtebehoeftemodel (RBM) en voor de verdeling van de met behulp van tabel 7.1 berekende bruto vloeroppervlakte per leerling over de ruimtesoorten, wordt verwezen naar III-3 "De toepassing van het ruimtebehoeftemodel". Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, wordt op basis van deze systematiek de ruimtebehoefte voor lesruimten bepaald in aantallen lesruimten onderscheiden naar soort en wordt tevens de ruimtebehoefte voor directie- en nevenruimten bepaald in bruto vloeroppervlakte. Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs.
Betreft een aanvraag voor opneming op het programma een te handhaven lesgebouw(deel) met een ondoelmatige verhouding tussen bruto en netto vloeroppervlak als onderdeel van een te realiseren voorziening met een permanente bouwaard, dan kan het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten een fictief bruto vloeroppervlak te hanteren als grondslag voor bekostiging overeenkomstig bijlage IV, deel A. Tabel 7.1a Berekening van de ruimtebehoefte lesgebouwen voortgezet onderwijs Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt aanvullend een vaste voet van 550 m² bvo en indien van toepassing de vaste voeten behorende bij het voorbereidend beroepsonderwijs dat er wordt aangeboden.
Soort onderwijs:
bvo/leerlingen
onderbouw leerwegondersteunend onderwijs/neveninstromers
7.91
onderbouw
6.18
mavo
6.41
havo
5.82
atheneum
5.90
gymnasium
5.89
lyceum
5.88
beroepsgerichte leerweg bouwtechniek
16.25
Mei 2021
Pagina 78
beroepsgerichte leerweg consumptieve techniek
11.65
beroepsgerichte leerweg elektrotechniek
10.79
beroepsgerichte leerweg grafische techniek
12.73
beroepsgerichte leerweg installatietechniek
12.73
beroepsgerichte leerweg mechanische techniek
13.59
beroepsgerichte leerweg voertuigentechniek/transport en logistiek
14.01
beroepsgerichte leerweg verzorging
9.01
beroepsgerichte leerweg uiterlijke verzorging
8.50
beroepsgerichte leerweg mode en commercie
9.43
beroepsgerichte leerweg administratie
6.44
beroepsgerichte leerweg handel en verkoop
6.91
beroepsgerichte leerweg agrarisch
7.71
lwoo mavo/theoretische leerweg
7.07
lwoo bouwtechniek
19.68
lwoo mechanische techniek
16.96
lwoo consumptieve techniek
14.95
lwoo verzorging
10.47
lwoo uiterlijke verzorging
9.78
lwoo mode en commercie
10.90
lwoo verkoop
7.43
Mei 2021
Pagina 79
lwoo administratie
7.08
lwoo agrarisch
9.72
lwoo elektrotechniek
12.63
lwoo installatietechniek
15.47
lwoo voertuigentechniek/transport en logistiek
17.31
lwoo grafische techniek
15.47
praktijkonderwijs (inclusief onderbouw)
12.13
gemengde leerweg landbouw
6.72
gemengde leerweg afdeling administratie
6.36
gemengde leerweg afdeling verzorging
7.46
gemengde leerweg afdeling mode en commercie
7.44
gemengde leerweg afdeling uiterlijke verzorging
7.29
gemengde leerweg afdeling verkoop
6.68
gemengde leerweg afdeling bouwtechniek
13.23
gemengde leerweg afdeling metaal techniek
11.20
gemengde leerweg afdeling elektrotechniek
9.43
gemengde leerweg afdeling installatietechniek
10.00
gemengde leerweg afdeling voertuigentechniek/transport en logistiek
10.44
gemengde leerweg afdeling consumptief
8.08
gemengde leerweg afdeling grafische techniek
10.00
Mei 2021
Pagina 80
Tabel 7.1b Overzicht vaste voeten per instelling
Onderwijssoort
Ruimtetype
Vaste voet
Hoofdvestiging
Algemeen
980
Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak
0
Praktijkonderwijs
Algemeen
306
Erkende Kopklas
Specifiek (theorie)
115
VMBO-techniek BLW
Specifiek per sector
299
VMBO-economie BLW
Specifiek per sector
181
VMBO-zorg/welzijn BLW
Specifiek per sector
168
VMBO-landbouw BLW
Specifiek per sector
117
(BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-))
De algemene vaste voet voor een hoofdvestiging is niet van toepassing op een zelfstandige school voor praktijkonderwijs.
3.2 Gymnastiekruimten De in onderstaande tabel 7.2 "Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs" vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie Voortgezet Onderwijs
Onderwijssoort
Mei 2021
m² bvo per leerling
Pagina 81
onderbouw
1.66
onderbouw leerwegondersteunend onderwijs/neveninstromers
1.93
mavo
1.11
havo
0.74
atheneum
0.83
gymnasium
0.83
lyceum
0.83
beroepsgerichte leerwegen
1.38
leerwegondersteunend onderwijs
1.57
praktijkonderwijs (inclusief onderbouw)
1.99
gemengde leerwegen
1.38
De omvang van de ruimtebehoefte voor gymnastiekonderwijs wordt uitgedrukt in lesuren. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal:
aantal leerlingen x 32 x m² gym per leerling 455
Voor het lwoo en het praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd:
aantal leerlingen x 32 x m² gym per leerling 319
Mei 2021
Pagina 82
DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning
De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te stellen.
1. School voor basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de overeenkomstig deel A van deze bijlage berekende capaciteit en de overeenkomstig deel B van deze bijlage berekende behoefte.
Een toeslag voor een tweede afzonderlijk speellokaal wordt toegekend, indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende bouw de zeventiende groep omvat.
De capaciteit voor een tweede afzonderlijk speellokaal wordt toegekend, indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende bouw de zeventiende groep omvat.
DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen
1. School voor basisonderwijs
-
minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m² /ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto;
-
één speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84 m² (exclusief 6 m² toestellenberging) en vanaf de zeventiende groep een tweede speellokaal met een minimum netto oppervlakte van 84 m² (exclusief 6 m² toestellenberging).
Mei 2021
Pagina 83
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
-
minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m² /ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto;
-
een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m² (exclusief 6 m² toestellenberging).
3. Gymnastiekruimten
-
de oefenruimte is minimaal 252 m² netto.
-
de hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.
-
het gymnastiekgebouw bevat tenminste 2 kleedruimten met een was-/douchegelegenheid. Deze zijn tezamen minimaal 90 m².
III-1 Overzicht "Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs"
De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw: De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle vloerniveaus. De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op vloerhoogte. De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto vloeroppervlakte te worden gerekend.
Mei 2021
Pagina 84
De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw. Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.
Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m².
Uitzonderingen: In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,1.
Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte 2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,1. Voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto vloeroppervlakte.
III-2 Overzicht "Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs"
Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende "beloopbare" binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.
Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:
Mei 2021
Pagina 85
-
de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau;
-
de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m².
Uitzonderingen:
-
de oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.
-
open brand of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.
-
niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.
III-3 De toepassing van het Ruimtebehoeftemodel In het ruimtebehoeftemodel worden onderwijssoorten, c.q. afdelingen onderscheiden. In de daartoe opgenomen tabellen is per onderwijssoort, c.q. afdeling, de ruimtebehoefte af te lezen. Tevens is er een tabel opgenomen waarmee de ruimtebehoefte voor directie- en nevenruimten wordt bepaald. In de tabellen is een berekening gemaakt van:
-
de ruimtebehoefte per leerling;
-
de vaste ruimtebehoefte per school en per nevenvestiging met spreidingsnoodzaak;
-
de vaste ruimtebehoefte per afdeling.
Onderstaand wordt de berekeningssystematiek beschreven voor het bepalen van de omvang van de ruimtebehoefte en de toekenning van de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding.
Mei 2021
Pagina 86
1. Toepassing bij nieuwbouw Bij nieuwbouw wordt de totale ruimtebehoefte bepaald op basis van tabel 7.1a en 7.1b in bijlage III, deel B. De totale ruimtebehoefte moet vervolgens uitgesplitst worden naar ruimtesoort. Deze uitsplitsing vindt plaats aan de hand van de tabellen voor de ruimtebehoefte per onderwijssoort, c.q. afdeling, en de tabel voor de directie- en nevenruimten. De ruimtebehoefte per in de kolommen 1 en 2 onderscheiden ruimtesoort wordt berekend door vermenigvuldiging van het betreffende aantal leerlingen met de norm bruto vloeroppervlakte (Bvo) per leerling in kolom 7 en, indien van toepassing, verhoging met de vaste voet in kolom 8. De op deze wijze verkregen bruto vloeroppervlakte worden per ruimtesoort gesommeerd en vormen de grondslag voor de berekening van de investeringskosten op basis van de financiële normering in bijlage IV.
2. Toepassing uitbreiding en eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair Bij uitbreiding wordt bezien in hoeverre er sprake is van een normatief tekort aan bruto vierkante meters. Dit tekort wordt bepaald door de bvo van het reeds aanwezige ruimtebestand in vierkante meters te vergelijken met de normatieve ruimtebehoefte in bruto vierkante meters volgens tabel 7.1 in bijlage III, deel B. Het aanwezige ruimtebestand wordt vastgesteld aan de hand van de in bijlage III opgenomen meetinstructie voor het vaststellen van de bvo. Indien er een tekort is aan bruto vierkante meters, dan zal met behulp van de tabellen voor de ruimtebehoefte per onderwijssoort, c.q. afdeling, en de tabel voor de directie en nevenruimten ten behoeve van eerste inrichting leeren hulpmiddelen en meubilair moeten worden vastgesteld voor welke ruimten uitbreiding noodzakelijk is.
Bijlage IV FINANCIËLE NORMERING De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn herleid naar het prijspeil van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, waarbij de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar is verwerkt. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt. De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze bijlage. Dit hoofdstuk valt uiteen in drie delen:
-
deel A: vergoeding op basis van normbedragen;
-
deel B: aanbestedingsregels;
-
deel C: bepaling medegebruikstarief.
Voor de prijsbijstelling van de in deze bijlage genoemde bedragen wordt verwezen naar artikel 14.2 van de verordening en naar hoofdstuk 4. Indexering.
Mei 2021
Pagina 87
DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen (permanente bouwaard) Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn inclusief BTW. In onderstaande normbedragen voor nieuwbouw en vervangende bouw (paragrafen 1.1, 2.1, 3.1 en 3.1a) is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto vloeroppervlakte van 2500 m²) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor nieuwbouw en vervangende bouw wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. 1. School voor basisonderwijs In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:
-
nieuwbouw en vervangende bouw
(paragraaf 1.1)
-
uitbreiding
(paragraaf 1.2)
-
eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
(paragraaf 1.3)
-
gymnastiek
(paragraaf 1.4)
1.1 Nieuwbouw en vervangende bouw De financiële normering voor (vervangende) nieuwbouw valt uiteen in bouwkosten, aangevuld met een of meer toe te kennen toeslagen. In het geval van vervangende bouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding. Deze financiële normering is tevens van toepassing op niet-monumentale lesgebouwen welke overeenkomstig het bepaalde in bijlage I in aanmerking komen voor vervangende bouw op dezelfde locatie en waarvoor geldt dat (gedeeltelijke) handhaving om stedenbouwkundige, architectuur- en/of cultuurhistorische redenen naar het oordeel van het college prevaleert boven het slopen daarvan. In dat geval worden zoveel mogelijk gebouwelementen vervangen.
Kosten voor terreinen Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.
Mei 2021
Pagina 88
Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.
Bouwkosten De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De bouwkosten van het gebouw bestaan uit de kosten van bouwkundige werken, installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en vaste inrichtingen. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet (inclusief twee groepen)
€ 1.130.737,00
-
elke volgende groep
€ 222.925,00
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet (inclusief vier groepen)
€ 1.835.888,00
-
elke volgende groep
€ 213.908,00
-
bedrag toeslag extra ruimte
€ 253.559,00
Toeslag voor paalfundering Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee groepen) en een bedrag per groep.
Mei 2021
Pagina 89
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
1 < 15 m
15 < 20 m
≥ 20 m
-
vaste voet (inclusief twee groepen)
€ 15.925,00
€ 23.232,00
€ 37.178,00
-
elke volgende groep
€ 3.249,00
€ 5.498,00
€ 9.837,00
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
1 < 15 m
15 < 20 m
≥ 20m
-
vaste voet (inclusief vier groepen)
€ 24.934,00
€ 38.460,00
€ 64.413,00
-
elke volgende groep
€ 2.970,00
€ 5.024,00
€ 8.988,00
-
bedrag toeslag extra ruimte
€ 2.542,00
€ 5.956,00
€ 10.655,00
Toeslag voor een speellokaal In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee inclusief toestellenberging 90 m² ruimte gerealiseerd kan worden. De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
geen paalfundering nodig
€ 173.707,00
lengte paalfundering
1 < 15m
€ 176.234,00
lengte paalfundering
15 < 20m
€ 177.989,00
lengte paalfundering
≥ 20m
€ 181.369,00
Mei 2021
Pagina 90
Toeslag voor sloopkosten Alleen in die situaties waarbij het economisch eigendom van het gebouw bij de gemeente berust, kan, indien goedkeuring wordt verleend voor vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie waarbij het oude gebouw dient te worden gesloopt, op verzoek van het bevoegd gezag een toeslag op de bouwkosten worden verstrekt voor sloopkosten c.q. bouwrijp maken van de desbetreffende grond. Indien in het kader van deze voorziening het lesgebouw overeenkomstig het gestelde in paragraaf 1.1 niet (geheel) wordt gesloopt, kan op verzoek van het bevoegd gezag een toeslag worden verstrekt voor het verwijderen van asbest in de te handhaven bouw. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offertetraject).
Toeslag voor bijna-energieneutraal gebouw (BENG) Indien goedkeuring wordt verleend voor nieuwbouw dan wel vervangende bouw in permanente bouwaard, kan op verzoek van het bevoegd gezag van de school een toeslag voor maatregelen ter verbetering van de energieprestaties van het nieuw te bouwen lesgebouw worden verstrekt. Met deze toeslag dienen zodanige maatregelen in de nieuwbouw te worden getroffen dat voor wat betreft de energieprestaties wordt voldaan aan de BENG-indicatoren volgens onderstaande tabel. Dit dient te worden gestaafd met een rapportage van een onafhankelijk ter zake deskundig adviesbureau. De maatregelen ter verbetering van de energieprestaties volgens het principe van BENG dienen in de bouwplannen en de begroting als bedoeld in artikel 5.2 opgenomen te zijn. De vergoeding van de toeslag voor het aanbrengen van de betreffende voorzieningen bedraagt 10% van het toe te kennen taakstellende normbedrag voor nieuwbouw in permanente bouwaard exclusief kosten voor terreinen en toeslag voor paalfundering. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.3 dient bij de afrekening van de desbetreffende voorziening een rapportage van een onafhankelijk ter zake deskundig adviesbureau gevoegd te zijn, waaruit blijkt dat de bouw voor wat betreft energieprestaties daadwerkelijk voldoet aan de BENG-indicatoren volgens onderstaande tabel. Tabel
BENG
energiebehoefte primair fossiel aandeel [kWh per energiegebruik hernieuwbare m2/jaar] [kWh per energie m2/jaar] [%]
schoolgebouw maximaal 50
Mei 2021
maximaal 60
minimaal 50
Pagina 91
Toeslag voor verhuiskosten
a.
Indien goedkeuring wordt verleend voor vervangende bouw of revitalisering op dezelfde locatie, kan een tegemoetkoming voor verhuiskosten worden verstrekt voor de noodzakelijke verhuizing naar de tijdelijke huisvesting én de verhuizing terug naar de gerealiseerde vervangende of gerevitaliseerde bouw.
b.
Indien goedkeuring wordt verleend voor nieuwbouw, vervangende bouw, revitalisering dan wel ingebruikneming van een bestaand gebouw als permanente huisvesting op een andere locatie dan de huidige locatie en er dientengevolge sprake is van een noodzakelijke verhuizing van een (deel van de) school, kan een tegemoetkoming worden verstrekt voor verhuiskosten voor de noodzakelijke verhuizing naar de gerealiseerde bouw. Onder verhuiskosten worden uitsluitend kosten verstaan die direct te maken hebben met het daadwerkelijk verplaatsen van onderwijsleerpakket en meubilair door een erkend verhuisbedrijf. De vergoeding voor een dergelijke verhuizing wordt bepaald op basis van een bedrag van € 499,00 (inclusief BTW) per te verhuizen groep leerlingen.
Toeslag voor aansluiting op glasvezelnet Indien goedkeuring wordt verleend voor nieuwbouw, vervangende bouw of revitalisering op een andere locatie dan de huidige, dan wel ingebruikneming van een bestaand gebouw, kan op verzoek van het bevoegd gezag een tegemoetkoming worden verstrekt voor een nieuwe aansluiting op een glasvezelnet vanaf het verdeelpunt buiten tot de meterkast in het gebouw. Onder nieuwe aansluiting wordt tevens verstaan het vervangen van de bestaande glasvezelkabel vanaf het verdeelpunt buiten tot de meterkast in het gebouw, indien hergebruik van de bestaande glasvezelkabel vanwege lengtetekort niet mogelijk blijkt. In dat geval kan op verzoek van het bevoegd gezag tevens een tegemoetkoming worden verstrekt indien goedkeuring wordt verleend voor vervangende bouw op de huidige locatie. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offertetraject). Voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen en tijdelijke huisvesting in afwachting van het gereedkomen van (vervangende) nieuwbouw, komen niet voor bekostiging van een aansluiting op een glasvezelnet in aanmerking.
Toeslag voor buskosten Uitsluitend indien ofwel goedkeuring wordt verleend voor vervangende bouw of revitalisering op dezelfde locatie als de huidige locatie, dan wel indien ten gevolge van noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit goedkeuring wordt verleend voor de volledige ingebruikname van een naastgelegen schoolgebouw van een andere school, en er ofwel gedurende de sloop en de vervangende nieuwbouw, dan wel gedurende de periode dat het naastgelegen schoolgebouw van de andere school nog niet voor de uitbreiding beschikbaar is, noodzakelijkerwijs gebruik moet worden gemaakt van tijdelijke huisvesting op een afstand van meer dan 1500 meter via de kortste route over de openbare weg, kan op verzoek van het bevoegd gezag van de school een toeslag worden verstrekt voor noodzakelijk te maken buskosten. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten.
Mei 2021
Pagina 92
1.1a Revitalisering van monumentale schoolgebouwen basisonderwijs De vergoeding voor de voorziening revitalisering monumentale gebouwen basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten met een maximum ter grootte van 62½ % van de bouwkosten voor nieuwbouw en vervangende bouw volgens paragraaf 1.1, exclusief kosten voor terreinen en toeslag voor paalfundering.
Toeslag voor sloopkosten Alleen in die situaties waarbij het economisch eigendom van het gebouw bij de gemeente berust, kan, indien goedkeuring wordt verleend voor revitalisering op verzoek van het bevoegd gezag een toeslag op de bouwkosten worden verstrekt voor het verwijderen van asbest in het monumentale schoolgebouw. De vergoeding hiervoor wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten (offertetraject). 1.2 Uitbreiding Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1.120 m² bruto vloeroppervlakte (maximaal 8 groepen) is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dan met 8 groepen dient voor de bepaling van het normbedrag van elke daarop volgende groep verder te worden uitgegaan van het normbedrag voor nieuwbouw van ‘elke volgende groep’ onder het kopje ‘Bouwkosten’ (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).
Kosten voor terrein Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).
Bouwkosten De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet
€ 163.811,00
-
bedrag per groep
€ 257.898,00
Mei 2021
Pagina 93
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet
€ 167.244,00
-
bedrag per groep
€ 240.395,00
-
bedrag toeslag extra ruimte
€ 284.964,00
Toeslag voor paalfundering Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van de uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag en een bedrag per groep.
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
1 < 15 m
15 < 20 m
≥ 20 m
-
vaste voet
€ 7.335,00
€ 9.564,00
€ 14.525,00
-
per groep
€ 1.140,00
€ 2.955,00
€ 5.969,00
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
vaste voet
Mei 2021
1 < 15 m
15 < 20 m
≥ 20 m
€ 7.343,00
€ 9.572,00
€ 15.356,00
Pagina 94
-
per groep
€ 1.038,00
€ 2.703,00
€ 5.459,00
-
toeslag extra ruimte
€ 1.232,00
€ 3.203,00
€ 6.466,00
Toeslag voor een speellokaal In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee inclusief toestellenberging 90 m² ruimte gerealiseerd kan worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een afzonderlijk speellokaal steeds in combinatie met een uitbreiding van tenminste één groep (lokaal) plaatsvindt. De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
geen paalfundering nodig
€ 200.955,00
-
lengte paalfundering
1 < 15 meter
€ 201.842,00
-
lengte paalfundering
15 < 20 meter
€ 203.260,00
-
lengte paalfundering
≥ 20 meter
€ 205.613,00
Toeslag voor sloopkosten Hiervoor geldt hetzelfde als bij 1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) - Toeslag voor sloopkosten.
Toeslag voor bijna-energieneutraal gebouw (BENG) Indien goedkeuring wordt verleend voor een naar het oordeel van het college significante uitbreiding van een lesgebouw in permanente bouwaard dat aangepast is volgens het principe van BENG is bijlage IV, deel A, onder 1, Toeslag voor bijna-energieneutraal gebouw (BENG) van overeenkomstige toepassing.
Mei 2021
Pagina 95
1.3 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair School voor basisonderwijs De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal groepen.
Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding. Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt toegepast van 10%.
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Aantal groepen
OLP
Meubilair
Totaal
2
€ 51.412,00
€ 30.686,00
€ 82.097,00 inclusief speellokaal
3
€ 58.511,00
€ 41.238,00
€ 99.749,00 inclusief speellokaal
4
€ 72.811,00
€ 52.119,00
€ 124.931,00 inclusief speellokaal
5
€ 80.168,00
€ 62.667,00
€ 142.834,00 inclusief speellokaal
Elke volgende groep
€ 7.788,00
€ 7.364,00
€ 15.150,00 exclusief speellokaal
Toeslag tweede speellokaal
€ 1.015,00
€ 7.041,00
€ 8.058,00
Mei 2021
Pagina 96
Speciale school voor basisonderwijs Voor een speciale school voor basisonderwijs zijn de bedragen voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair niet opgenomen in deze verordening. Vergoeding van deze kosten vindt plaats op basis van de bedragen voor so mlk, zoals door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gepubliceerd in het bekostigingsstelsel (voortgezet) speciaal onderwijs 1996. In deel B van het programma van eisen 1996 zijn per schoolsoort bedragen voor eerste inrichting gegeven. Deze bedragen gelden als prijspeil per 1 juli 1996 en dienen ten behoeve van het vergoedingsjaar te worden aangepast met behulp van de indexeringssystematiek, zoals beschreven in hoofdstuk 4.
1.4 Gymnastiek
Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding
Nieuwbouw De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekgebouw voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een bruto vloeroppervlakte van 455 m² bedraagt € 1.053.749,00 (op het schoolterrein) respectievelijk € 1.074.798,00 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
-
paallengte
1 < 15 meter
€ 21.196,00
-
paallengte
15 < 20 meter
€ 29.215,00
-
paallengte
≥ 20 meter
€ 41.036,00
Deze financiële normering is tevens van toepassing op niet-monumentale gymnastiekgebouwen welke overeenkomstig het bepaalde in bijlage I in aanmerking komen voor vervangende bouw op dezelfde locatie en waarvoor geldt dat (gedeeltelijke) handhaving om stedenbouwkundige, architectuur- en/of cultuurhistorische redenen naar het oordeel van het college prevaleert boven het slopen daarvan. In dat geval worden zoveel mogelijk gebouwelementen vervangen.
Mei 2021
Pagina 97
Toeslag voor bijna-energieneutraal gebouw (BENG) Indien goedkeuring wordt verleend voor nieuwbouw dan wel vervangende bouw in permanente bouwaard, kan op verzoek van het bevoegd gezag van de school een toeslag voor maatregelen ter verbetering van de energieprestaties van het nieuw te bouwen gymnastieklokaal worden verstrekt. Met deze toeslag dienen zodanige maatregelen in de nieuwbouw te worden getroffen dat voor wat betreft de energieprestaties wordt voldaan aan de BENG-indicatoren volgens onderstaande tabel. Dit dient te worden gestaafd met een rapportage van een onafhankelijk ter zake deskundig adviesbureau. De maatregelen ter verbetering van de energieprestaties volgens het principe van BENG dienen in de bouwplannen en de begroting als bedoeld in artikel 5.2 opgenomen te zijn. De vergoeding van de toeslag voor het aanbrengen van de betreffende voorzieningen bedraagt 10% van het toe te kennen taakstellende normbedrag voor nieuwbouw in permanente bouwaard exclusief kosten voor terreinen en toeslag voor paalfundering. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.3 dient bij de afrekening van de desbetreffende voorziening een rapportage van een onafhankelijk ter zake deskundig adviesbureau gevoegd te zijn, waaruit blijkt dat de bouw voor wat betreft energieprestaties daadwerkelijk voldoet aan de BENG-indicatoren volgens onderstaande tabel. Tabel