CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS308731 Bijlage 1

Commissie Bestuur 15 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken40.436 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

10 alinea's met “beeldvorming”: 15 21 251 369 471 472 492 495 549 550

7.6 Onrust of rellen? Waar hebben we nu naar gekeken? Hadden we te maken met sociale onrust, gecombineerd met ongeregeldheden en relschoppen? Of ging het tussen 11 en 15 augustus in de Schilderswijk van kwaad tot erger en keken we naar grootschalige rellen? Dit laatste lijkt niet het geval. In de Schilderswijk bestaan spanningen tussen groepen, maar de onrust vloeide niet voort uit relationele tegenstellingen of vijandschap tussen groepen. Een concreet incident (dan wel de beleving dat er zoiets is geweest), dat verontwaardiging oproept, valt eigenlijk niet aan te wijzen. Er is niet een oproep gedaan, vanuit die gedeelde verontwaardiging, om tegen een situatie van (vermeende) onrechtvaardigheid in actie te komen. Er is alleen opgeroepen om te komen ‘feesten’. Hoewel de ongeregeldheden heftig waren, ook qua spreiding en omvang, lijkt er niet een situatie te zijn geweest waarin grote groepen partij hebben gekozen tegen overheid en gezag; die mobiliserende solidariteit ontbrak. Wel valt te constateren dat in de ogen van de relschoppers gelegenheid bestond om ongestraft geweld te plegen. Daar was hun kat en muis spel met politie en Mobiele Eenheid juist op gericht. Verder was er geen sprake van een meeslepend effect van de massa van een of meer groepen, noch van afspraken en organisatie vooraf.

We hebben weinig gegevens over de relschoppers in de Schilderswijk, maar de indruk bestaat dat het – in de typologie van Van Leiden et. al. (2009, pp. 87-91) – om ‘wijkverstoorders’ gaat. Kortom, er is veel over de onrust in de Schilderswijk te zeggen; er was nogal wat aan de hand. Maar we kenmerken de situatie die zich heeft voorgedaan niet als een dreiging van ‘grootschalige rellen’ (Adang et al., 2010). In Nederland is de laatste decennia gelukkig ook nauwelijks sprake geweest van grootschalig geweld in relatie tot maatschappelijke onrust en spanningen. Waarschijnlijk heeft dat te maken met een combinatie van structurele factoren. Verhoudingsgewijs zijn de concentraties van etnische en culturele groepen in woonwijken in Nederlandse steden beperkt. Gettovorming is niet aan de orde, behalve misschien in een geïnternaliseerde vorm (Lapeyronnie, 2006), er is ten principale een sociaal en financieel vangnet. De segregatie is een serieus probleem, temeer omdat die toeneemt, maar Nederland neemt in dat opzicht een relatief gunstige positie in (zie bijvoorbeeld: Sassen, 2014; Wacquant, 2012). Verder is de politie, net als veel ondersteuning van zorg en sociaal domein, diep doorgedrongen in

P 59

de wijken waar problemen zijn en zich opstapelen – en dat is verankerd in manieren van werken en opvattingen over professionaliteit, ondanks bezuinigingen op preventief buurtwerk (jongerenwerk, opbouwwerk, welzijnswerk). Daar staat tegenover dat in wijken als de Schilderswijk structurele risicofactoren de kans op ongeregeldheden vergroten, zoals we in de vorige paragraaf aangaven, ook al bestaat er geen direct verband tussen problemen in achterstandswijken en het ontstaan van rellen. Hierbij gaat het niet alleen om fysieke, infrastructurele en sociaaleconomische aspecten, maar ook en misschien wel juist om relationele, (sub)culturele, morele én mediale aspecten, terwijl iedereen ‘de wereld’ direct op zijn smartphone binnenkrijgt en (inter)nationale spanningen meteen ook lokale spanningen zijn. Of zoals de politie zegt: regent het ergens op de wereld, dan vallen er druppels in de Schilderswijk.

P 60

8. Het WIJ(k) – een slotsom

P 61

We hebben gezien dat de politie slaags raakte met jongeren. Het is niet mogelijk een exact getal te hangen aan het aantal jongeren dat in de Schilderswijk betrokken was bij de ongeregeldheden tussen 11 en 15 augustus. Er zijn enkele observaties gedaan. De politie nam ‘in het heetst van de strijd’ twee- tot driehonderd jongeren waar, met een ‘harde kern’ van ongeveer honderd. Bewoners hadden het veelal over honderd tot honderdvijftig jongeren die aan het rellen waren. Een bewoner die ‘eerste rang’ woont, sprak van ‘zeventig jongeren en dertig scooters’. Het waren er in elk geval genoeg om een ferme indruk achter te laten. Dat deze jongeren allemaal gelijktijdig aanwezig zijn geweest, is niet aannemelijk en ze zijn ook niet allemaal bij de ongeregeldheden betrokken of aanwezig geweest. Sommigen zijn gekomen voor ‘het feestje’, uit nieuwsgierigheid of sensatiezucht, of gewoon omdat je erbij moest zijn. Sociale media hebben daar een rol bij gespeeld. Er zijn aanwijzingen dat onruststokers afstemden en coördineerden via Snapchat en Whatsappgroepen. Sommige jongeren hebben bekende kanalen op Facebook of Youtube. Gedurende de ongeregeldheden gingen zij ‘live’ met posts, screenshots van allerlei platforms en filmpjes. Daar werd heel veel naar gekeken.

Sommige jongeren mochten niet naar buiten van hun ouders, anderen hadden geen zin, maar ‘iedereen’ heeft de ongeregeldheden op de voet gevolgd. Tijdens de confrontaties met de ME, geven politiemensen aan, waren ‘de linies’ aan de kant van de onruststokers niet groot. Ze werden belaagd door relatief kleine, heel mobiele groepen. Om hoeveel geweldplegers het ging, daar is geen duidelijk beeld van. Het is erg afhankelijk vanuit welke plek in de wijk geobserveerd is. Sommige politiemedewerkers spreken over aantallen relschoppers op specifieke locaties, terwijl anderen een totaalbeeld weergeven. Het algemene beeld dat politiemensen schetsen is dat voor de ME-linies groepjes van vijf of zes jongeren tot tientallen actief aan het rellen waren, terwijl de rest wat meedeed of toekeek, of alleen maar aanwezig was.

De politie heeft naar eigen zeggen tijdens de onrustige dagen 56 arrestaties verricht, bijna allemaal op 14 en 15 augustus. De arrestaties daarvoor en daarna zijn op één hand te tellen: het waren jongeren uit de Schilderswijk. In het heetst van de strijd zijn verhoudingsgewijs minder jongeren uit de wijk staande gehouden. Misschien omdat ze de wijk beter kennen en weten weg te komen, zoals respondenten suggereren. In totaal is precies de helft van alle arrestanten uit de wijk afkomstig. Andere kenmerken van de opgepakte jongeren zijn niet medegedeeld, behalve hun leeftijd. Van de 56 waren 20 jongeren minderjarig (geboren in 2002 of later) en 26 tussen 18 en 21 jaar (geboren in 1999 of later). De rest was ouder, op een na allemaal in de twintig (de oudste arrestant was geboren in 1986). Voor zover de arrestanten representatief zijn voor de relschoppers, hebben we met een verhoudingsgewijs jong publiek te maken. Dat is ook wat bewoners en professionals in de wijk zeggen. Afgezet tegen wat uit de wetenschappelijke literatuur bekend is over de leeftijd van ‘notoire ordeverstoorders’, zoals de ‘wijkverstoorders’ waarmee we hier waarschijnlijk te maken hadden, waren de jongeren die de Schilderswijk tussen 11 en 15 augustus op stelten zetten relatief jong (Van Leiden et al., 2009; Van Ham et al., 2019).

Leeftijdsopbouw arrestanten 12 10 8

6 4 2 0 14/15 15/16 16/17 17/18 18/19 19/20 20/21 21/22 23/24 24/25 28/29 29/30 33/34 jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar Grafiek 2 - Leeftijdsopbouw arrestanten

P 62

In de opbouw naar 11 augustus, de eerste dag dat er wezenlijk spanning ervaren begint te worden, is geen informatie beschikbaar gekomen dat groepen jongeren georganiseerd naar de Schilderswijk zouden komen om de orde te verstoren. Berichten via sociale media bieden daar ook onvoldoende aanknopingspunten voor. Er zijn ‘hooligans’ van buiten de wijk gesignaleerd die dag. Die zouden brandkranen hebben opengezet en jongens op scooters hebben aangemoedigd om reuring te gaan maken. Na 11 augustus zijn geen ‘hooligans’ meer gesignaleerd. Behalve deze waarneming vanuit de politie en een enkele onduidelijke waarneming vanuit de buurt, zijn geen feitelijkheden voor deelname van ‘hooligans’ aan de ongeregeldheden terug gehoord. Dat er veel mensen van buiten kwamen, is wel een leidend motief in veel verhalen van bewoners en professionals. Jongeren hadden het over ‘fifty-fifty’. De toeloop van buiten plaatst de politie vooral vanaf 13 augustus (zie hoofdstuk 2). Er zijn geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat sociale media de ongeregeldheden zouden hebben doen ontstaan; in het verloop ervan hebben ze wel een rol van betekenis gespeeld. Verder bestaan op video, voor zover ons bekend, of in de gesprekken die we hebben gevoerd, geen beelden van gemaskerde personen; overigens wel van personen die capuchons dragen of anderszins onherkenbaar willen blijven.

Voor groepen die het vooropgezette plan hadden om los te gaan: van gepland en georganiseerd geweld dus, hebben we geen aanwijzingen gevonden.

8.1. Kop van Jut in de media De Schilderswijk is een icoon van ‘het multiculturele drama’, ‘de islamisering van Nederland’, ‘het tanende gezag van politie en overheid’ en ‘linksige goedpraterij van wat er mis is in dit land’. Onze analyse van sociale media toont dat de wijk voor mensen van buiten de Schilderswijk diezelfde Schilderwijk een gemedieerde weergave (een simulacrum) is van de werkelijkheid (McLuhan, [1964] 1994; Baudrillard, 1994). De werkelijkheid zelf bepaalt daarbij niet hun beeldvorming, ze hebben – voor zover we konden vaststellen – geen eigen ervaringen met de wijk, maar baseren hun opvattingen op wat ze via (sociale) media meekrijgen over de wijk. Aangezien de Schilderswijk zich mag verheugen op veel aandacht in de media (en vermoedelijk, gezien de verhoudingsgewijs jonge bevolking, ook veel informatie

vanuit de wijk produceert), krijgen mensen van buiten nogal wat mee over de wijk. Mensen die de Schilderswijk van binnenuit kennen, krijgen die gemedieerde werkelijkheid natuurlijk ook mee, maar kunnen er – bewust en onbewust – een ‘echt’ en ‘eigen’ beeldvorming naast zetten. Dat is wat verschillende respondenten ook feilloos wisten te onderscheiden. Met betrekking tot de ongeregeldheden tussen 11 en 15 augustus zien we dat mensen van buiten de Schilderswijk zich in de berichten die ze plaatsten heftig, eenzijdig, negatief en stereotypisch uitten. De ‘eerstelijns’ posts over de gebeurtenissen, geplaatst door mensen die in de wijk waren, bevatten een combinatie van feitelijke waarnemingen en duiding. De reacties hierop: de landelijke online discours, zijn omvangrijk, veel berichten maar met een beperkte variatie van negatieve stereotypering met betrekking tot de wijk. De politie durft er niet op te treden. De ongeregeldheden zijn een Marokkanen- en Turkenprobleem. De jongeren in de Schilderswijk zijn volkomen los geslagen. Berichten van mensen die een lokale of persoonlijke band hebben met de wijk, bijvoorbeeld omdat ze er werken, wonen, familie of kennissen hebben, zijn duidelijk gevarieerder, meer genuanceerd en vaak wat positiever getoonzet; kritiek bedoeld om te ondersteunen.

We wezen er al even op: de breidelloze media-aandacht voor de Schilderswijk als er iets aan de hand is, dat de negatieve reputatie van de wijk onderstreept. De Schilderswijk als icoon versterkt dat simulacrum-effect. Dat was tijdens de ongeregeldheden zeker het geval. De Schilderswijk was een groot deel van de week trending. Op zaterdag en zondag werd er uitgebreid over nagepraat in vrijwel alle landelijke en regionale media. Nederland speculeerde enkele dagen over hoe het daar ‘alweer’ zo uit de hand kon lopen. En daarna was het weer voorbij. De Witte Mars van 20 augustus kreeg vrijwel alleen aandacht van lokale media. Als nieuwsfeit werd het evenement nauwelijks opgepikt door sociale media. Integendeel, het werd overvleugeld door de demonstratie van ‘Viruswaanzin’ bij het Binnenhof. Interessant is de reframing van de strenge manier waarop de politie die demonstratie handhaafde. Op sociale media vroegen mensen zich onmiddellijk af waarom de politie de orde in de Schilderswijk niet zo gehandhaafd had. Tegen Marokkaanse en Turkse jochies durven ze niet, tegen witte Nederlanders wel. Mensen vinden over het algemeen dat de media een negatiever beeld geven van wat in hun buurten aan de hand is dan de werkelijkheid rechtvaardigt. Ook het politieke

P 63

debat in de Tweede Kamer en de gemeenteraad heeft een nogal eenzijdige fixatie op wat niet goed gaat. Daar zijn de media en daar is de politiek natuurlijk ook voor, om aandacht te geven aan wat er niet goed gaat. Vanuit de gemeente zou meer aansluiting kunnen worden gezocht bij het verlangen naar positiviteit dat er in de Schilderswijk ook is. Misschien stemmen ze daar wel op de partijen die niets van buitenlandse of andere culturele invloeden willen weten, maar in het dagelijks leven leven de bewoners van ‘Het Wijk’ samen met hun buren – als die hun best doen, net als zijzelf. Veel mensen die wij in eerder onderzoek spraken (Van Dijk & Moors, 2018), zijn positief over wat ten goede is gekeerd, over wat er allemaal nog beter kan: het potentieel dat hun buurt heeft. Juist het benoemen van het goede én het minder goede maakt positieve berichtgeving geloofwaardig. Problemen zijn ook een kantelpunt om te komen tot verbinding. ‘Met de straat gaat het beter dan met de politiek’, zei een Surinaamse vrouw uit Schilderswijk ons destijds in 2017. ‘Want in de straat wordt wel samengewerkt, in de politiek niet.’ Nu we daar, naar aanleiding van de ongeregeldheden tussen 11 en 15 augustus wat dieper zijn ingedoken, moeten we bij die uitspraak wel wat kanttekeningen plaatsen.

8.2. Een ingewikkeld sociaal weefsel We hebben gezien dat heel veel mensen professioneel, vanuit de grote en gevestigde welzijnspartijen, maar ook vanuit religieuze gemeenschappen, buurtinitiatieven, of kleinschalige projecten, in de hoedanigheid van ouders, buurtbewoners, of ‘Schilderswijkers’, activiteiten ondernemen in ‘Het Wijk’. Veel activiteiten zijn gericht op jongeren: groepsactiviteiten, vaak sport en spel, vanuit inloophuizen. Daarnaast wordt individuele begeleiding geboden. Respondenten constateren, dat het jongerenwerk zich vooralsnog overwegend richt op de doelgroep tot 16 à 18 jaar. Voor de oudere jongeren zou er bijna niets georganiseerd worden in de wijk, terwijl deze groep juist moeilijk bereikbaar is en er zich kwetsbare jongeren onder bevinden. Een ondernemer vatte het nogal stevig samen: ‘De huidige aanpak is bezigheidstherapie. Ook goed, maar is geen serieuze aanpak. Zonder werk of school kunnen we de jongeren niet helpen. Je moet die jongeren echt uit de koffiehuizen en sishalounges halen.’

Het jongerenwerk zou evenmin voldoende focus hebben op criminogene risicosituaties onder jongeren in het algemeen, de jongeren boven de 16 jaar in het bijzonder. Jongerenwerkers gaven zelf aan, dat ze dit lastig vinden, omdat ze een vertrouwensrelatie met jongeren willen opbouwen en niet als een ‘lange arm’ van de politie of de gemeente willen worden gezien. Welzijnsprofessionals wijzen er ook op, dat veel in de Schilderswijk is – en nog wordt – geïnvesteerd, maar dat sinds 2018 stevige bezuinigingen zijn doorgevoerd in het welzijns- en jongerenwerk in de wijk.

Budgetten welzijns- en jeugdwerk In de periode 2018 -2020 heeft de gemeente € 5 miljoen (RIS299794) bezuinigd op welzijn. De ureninzet van het jeugdwerk in de Schilderswijk is hierdoor echter niet verminderd. Behalve uit het reguliere welzijnsbudget, investeerde de gemeente in het verleden ook vanuit andere bronnen in het sociaal domein. Al vanaf de jaren 1980 is in de Schilderswijk gewerkt aan stadsvernieuwing en de fysieke, economische en sociale ontwikkeling van wijken in grote steden. Dat was geld van de rijksoverheid, deels in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV 2000 - 2015), deels afkomstig uit de pot van het Grote Steden Beleid (GSB 1995-2009): de zogenoemde ‘Prachtwijkenaanpak’. Het betrof stevige maatregelen, gericht op het verbeteren van zowel de leefomgeving (‘stenen’) als het sociaal domein (‘mensen’). Deze programma’s stopten goeddeels rond 2010 omdat het rijksbeleid veranderde. De gemeente Den Haag is in 2013 gestart met de Deal Schilderswijk, opgevolgd door de Wijkaanpak Nieuwe Stijl. Het huidige college van B&W besloot in 2018 om niet meer op wijkniveau te werken, maar met een viertal prioritaire gebieden waar een integrale aanpak wordt ontwikkeld. De Schilderswijk heeft op dit moment geen prioritaire gebieden. Bron: gemeente Den Haag

P 64

Er bestaat een sociaal weefsel in de wijk, in de betekenis van een sociale infrastructuur van organisaties en initiatiefnemers die met elkaar delen dat ze de Schilderswijk vooruit willen helpen. De kern ervan, als je de gesprekken met alle respondenten naast elkaar legt, vormen de politie, de buurtvaders, de ambtenaren van Openbare Orde en Veiligheid (OOV) en het stadsdeel, welzijn, jongerenwerk en vrijwilligersorganisaties. Het Stagehuis kwam vaak in de gesprekken naar voren, omdat het zou voorzien in rolmodellen voor jongeren in de wijk. Nogal wat respondenten noemden daarnaast de religieuze organisaties, met name gemeenschappen rond sommige moskeeën en de mandirs. Het valt op dat bijna geen respondenten de onderwijsinstellingen noemen als onderdeel van het sociaal weefsel, terwijl de positie ervan in wijken als de Schilderswijk, met name met het oog op het welbevinden van jongeren, cruciaal is, zoals we in hoofdstuk 7 lieten zien. Weliswaar valt onderwijs niet onder het stadsdeel, maar het is een ervaren gemis onder professionals en bewoners, dat ze weinig zicht hebben op wat ze vanuit onderwijs kunnen verwachten met betrekking tot het welzijn en welbevinden in de wijk. Dat er zoveel verschillende partijen zijn, is overigens goed nieuws, maar overzicht ontbreekt.

Desgevraagd geven respondenten aan dat ze niet goed weten wat er allemaal is en wie wat doet in de Schilderswijk. ‘Het is en, en, en’, zei iemand die we interviewden, ‘er wordt echt van alles gedaan.’ De ‘Haagse tafel’ heeft wat dat betreft sinds 2019 veel goeds gebracht. ‘Dit heeft partijen dichter bij elkaar gebracht’, zei een respondent. Maar het blijft een ingewikkeld verhaal. Sommige ‘kleinschalige clubjes’ hebben direct contact met de gemeente, andere weer niet en werken vooral vanuit en voor een eigen achterban. Sowieso vangen we dat signaal geregeld op: veel partijen zijn ‘verzuild’ georganiseerd. Ze werken voor de eigen groep. En sommige groepen zijn groot, zoals de Marokkaanse en Turkse gemeenschappen, terwijl andere veel kleiner zijn. Er zijn moskeeën met een grote achterban en met een kleine, net als bij de mandirs, terwijl de christelijke kerken hoe dan ook klein zijn en een beperkte groep gelovigen bedienen. Of het nu over religieuze groepen gaat, of over culturele: in beide gevallen speelt, dat de welzijnsinitiatieven die ervan uitgaan veelal de eigen achterban bedienen. ‘Sommige groepen in de Schilderswijk zijn zo groot, dat ze elkaar niet nodig hebben’, vertelde een goed ingevoerde respondent. Dat directe bereik van een

achterban kan een voordeel zijn. Het nadeel is, aldus een andere respondent, ‘dat het ook een wildgroei is.’ Toen Nederland nog echt ‘verzuild’ was, in de jaren vijftig en zestig, werkte het ook zo, hoewel het een wezenlijk kenmerk was, dat de verzuilde elites en hun leiders, zowel landelijk, regionaal of lokaal, veel contact met elkaar onderhielden en samen een ‘verzuilde politiek’ bedreven (Lijphart, 1990 [1968]; Lijphart, 1977). Dat naar consensus zoekende en verbindende netwerk in een gesegmenteerd sociaal weefsel van grote en kleine groepen, organisaties en initiatieven lijkt in de Schilderswijk te ontbreken. Er wordt (om het met wat aplomb te zeggen) meer naar elkaar gewezen, dan met elkaar naar afstemming gezocht. Een ander nadeel waar respondenten op wijzen, is dat sommige grote (culturele en/of religieuze) moslimgemeenschappen weliswaar een sterk organiserend vermogen tonen, goede initiatieven ontplooien, veel doen en teweegbrengen, maar zodoende tevens – al dan niet bewust – ‘de wijk claimen’. Dat hun kracht en inzet al jaren waarde toevoegt aan het sociale weefsel van de Schilderswijk staat buiten kijf. ‘In 2015 waren zij de eersten die met gele hesjes de wijk in gingen,’ onderstreepte een respondent.

Maar dat betekent tegelijkertijd, dat andere groepen zich buitenspel wanen, of zich ten minste buitenstaander voelen, want ze hebben geen toegang en vermoedelijk zijn ze ook niet nodig. Door deze situatie ontstaan scheve gezichten, temeer omdat er tussen de verschillende actieve gemeenschappen niet heel veel dialoog bestaat.

8.3. Regie en een ‘normatieve horizon’ Meer specifiek met betrekking tot de onrust en ongeregeldheden in de Schilderswijk tussen 11 en 15 augustus raken we hier aan twee belangrijke kwesties. De ene betreft de roep om meer regie op de samenwerking tussen alle verschillende partijen die de schillen van de ui vormen in het sociale weefsel van de Schilderswijk. Tijdens de ongeregeldheden heeft het, volgens respondenten, bij herhaling aan regie ontbroken. Niet toen de politie en de ME gingen ingrijpen, maar preventief en de-escalerend. De andere kwestie gaat over de spanning die er staat – in het Stadhuis, maar dientengevolge ook in de beleidspraktijk van de Schilderswijk – op het samenwerken tussen de gemeente, seculiere en religieuze organisaties.

P 65

Op een praktisch en uitvoerend niveau gaat het goed, zeggen respondenten. Professionals weten elkaar best te vinden, kunnen goed samenwerken. Tegelijkertijd omschrijven ze, los van elkaar, het sociaal weefsel in de wijk als een ‘wespennest’, ‘los zand’, ‘eilandjes’ of ‘versnipperd’; er zit ontegenzeggelijk kinnesinne en zuur. Nogal eens hoorden we van respondenten dat collega’s bij jongerenwerk, sociaal werk, of politie de Schilderswijk als een interessante springplank voor hun carrière zien – en niet heel veel meer dan dat. Het netwerk dat er is, steekt los in elkaar, geven respondenten aan. Zo los, dat het uit elkaar valt als de gemeente het niet actief in stand houdt. ‘Op belangrijke momenten kunnen we de handen in elkaar slaan, maar daarna is het weer ieder voor zich. Als het moet trekken we samen op. Verder doet iedereen zijn ding.’ Respondenten achten het noodzakelijk dat de gemeente krachtig en zichtbaar regie neemt. Tijdens de onrustige dagen tussen 11 en 15 augustus hadden de gemeente c.q. het stadsdeel en zijn netwerkpartners in de Schilderswijk, zoals we in de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 hebben laten zien, volgens bewoners en professionals, merkbaar weinig regie

op wat er gaande was. ‘Wij liepen achter de feiten aan. De regie ontbrak bij wijkpartners. Maar bij de jongeren was dat er wel. Alles werd naar één kanaal gestuurd. Had een enorm bereik.’ Er was geen aanpak afgestemd, of om op terug te vallen. De meningen over wat te doen verschilden en – wat meer is – men kwam niet tot overeenstemming. Exemplarisch was het brede overleg op de donderdagavond. Daar zaten naast de gevestigde netwerkpartners veel buurtpartijen en bewonersgroepen of -initiatieven aan tafel. ‘Ook partijen die normaal niet bij bijeenkomsten aanschuiven, sommige mensen kenden we helemaal niet,’ zeiden respondenten. Ook bij de gemeente bleken enkele deelnemers niet bekend te zijn. Terugkijkend heeft deze bijeenkomst, volgens respondenten, geleid tot frustratie, misschien zelfs tot inertie. Het overleg was niet constructief, meningen over wat te doen liepen sterk uiteen, maar werden niet geleid. ‘Niemand gaf aan wat wel kon en hoe we er samen de schouders onder konden zetten.’ ‘Er zat 45 man. [...] Maar de ene zei: je moet praten! De ander zei: er moet geslagen worden. Iedereen ging tegen elkaar in. Veiligheid en gemeente hebben wel geprobeerd om de regie te pakken. Maar dat lukte niet.’ Voor hun gevoel gingen mensen onverrichter zake terug de straat op, naar huis. ‘Ik was voorstander dat er met gele hesjes ingegrepen zou worden. Maar dat mocht niet.

Was iets met de verzekering,’ vertelde een respondent, overigens zonder aan die verklaring geloof te hechten. Hij had in 2015 gezien hoe dat wel kon, vervolgde hij. Net als vrijwel alle respondenten onderstreepte hij dat de welzijnspartijen en het jongerenwerk outreachend werkten. Zolang dat veilig was, liepen ze op straat en probeerden ze jongeren aan te spreken. De politie gaf daarentegen aan dat het jongerenwerk wat lastiger te mobiliseren was geweest om na de eerste schermutselingen de wijk weer in te gaan. Een respondent zei, dat hij in die onrustige dagen meer jongerenwerkers in de media had zien opduiken dan er bij de gemeente op de loonlijst staan. Respondenten verschillen opmerkelijk genoeg diametraal van mening over de vraag of er echt is samengewerkt tijdens die onrustige dagen. De een had er met ‘gele hesjes’ willen staan, als één blok, ‘herkenbaar en zichtbaar. Plekken claimen.’ De ander heeft ervaren dat juist dat wel goed liep: ‘Met een gelijke boodschap heeft iedereen de achterban gemobiliseerd en aangesproken. We wisten elkaar goed te vinden. Waren echt een team.’ Hoe het ook zij geweest, het gegeven dat zulke contrasterende belevingen

P 66

leven, wijst op een ‘gemis’, alsof de waarnemingen die dagen zijn gecentrifugeerd, weg van een leegte in het midden. In zijn studie naar zes Prachtwijken wees Gabriël van den Brink op de noodzaak van normatief leiderschap (Van den Brink, 2007, pp. 337). Hij refereerde hiermee aan een ingewikkelde kwestie die per definitie aan de orde is in wijken als de Schilderswijk. Er staat altijd spanning op de lijn: strak handhaven versus in gesprek zijn. Er staat altijd spanning op de lijn: interveniëren op de cumulatie en concentratie van problematisch gedrag versus het ondersteunen van individuele en/of gezinscasuïstiek. Er staat altijd spanning op de lijn hoe je als overheid omgaat met organiserend vermogen vanuit de wijk: hoe zeker wil je vooraf weten welk vlees je in de kuip hebt? Werk je samen met levensbeschouwelijk c.q. religieus gemotiveerde partijen? Hoe erken je teleurstelling of boosheid als je kiest en onderscheid maakt? In een wijk waar je als overheid niet geen onderscheid kunt maken en altijd een groep voortrekt of achterstelt. Dat vergt leiderschap met een ‘normatieve horizon’, aldus Van den Brink (2007). De Schilderswijk kan feitelijk niet zonder. En dat geldt voor leiderschap bij uitvoerende professionals net zo goed als voor bestuurlijk leiderschap vanuit B&W.

Nogal wat respondenten verwezen meer of minder expliciet naar hoe de rellen vanwege de dood van Mitch Henriquez uiteindelijk zouden leiden tot een gevoel van samen in de wijk. Het persoonlijke en directe optreden van burgemeester Jozias van Aartsen om een ‘sociale ruggengraat’ te vormen van mensen die welbeschouwd echt iets te verliezen hadden in de wijk, zoals de burgemeester dat destijds had benoemd, is daarin leidend gebleken. Journalist en (tegenwoordig) beleidsambtenaar Nikki Sterkenburg heeft dat vermoedelijk ietwat geromantiseerde verhaal kort na de onrust in de Schilderswijk voor Vrij Nederland (19 augustus 2020) weer eens op een rijtje gezet. Veel respondenten verwijzen spontaan naar de zomer van 2015 als we ze bevragen op de onrustige dagen tussen 11 en 15 augustus jongstleden. De nare gebeurtenissen van toen in 2015 zitten in het collectieve geheugen, net als de uiteindelijk positieve uitkomst. Respondenten zeggen nog te weten hoeveel vertrouwen het optreden van de burgemeester bracht in de wijk en hoeveel richting het vervolgens meegaf om in de dagelijkse praktijk religieuze en professionele opvattingen te overbruggen. Sommige mensen werden er ook boos van, vertelden respondenten, omdat ze hun stem als witte minderheid of kleine religieuze gemeenschappen in de wijk onvoldoende vonden doorklinken, vergeleken met de grote moslimgemeenschappen rond de actieve moskeeën.

Maar er stond wel een koers, daar zijn vriend en vijand het over eens, een koers waarvan alle partijen beseften welke vergaande keuzes eraan voorafgingen. Volgens respondenten heeft dat de Schilderswijk goed gedaan: dat er, de burgemeester voorop, soms in heel kleinschalige contexten, heldere afwegingen werden gemaakt, dat die werden uitgelegd zodat iedereen begreep waarom er onderscheid werd aanbracht. Hierin lag de basis van ‘Het groter WIJ(k)’.

8.4. Hoe heeft het opnieuw tot ongeregeldheden kunnen komen in de Schilderswijk? De hamvraag waarop dit rapport antwoord moet geven, is waarom het deze zomer opnieuw is gebeurd. Zijn er momenten of ontwikkelingen aan te wijzen die katalyserend hebben gewerkt? Niet in het handelen van de gemeente, de politie en andere partijen in de wijk, maar in hoe de Schilderswijk in elkaar steekt en functioneert. In de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 hebben we daar de bewoners van en professionals in de wijk vooral aan het woord gelaten. In hoofdstuk 7 hebben we veel ontwikkelingen en risicosituaties beschreven vanuit wat bekend is uit de wetenschap. In dit laatste hoofdstuk hebben we dat alles nog eens samengevat. Onze slotsom is klip en klaar, maar wijst allerminst in de richting van een quick fix. De ongeregeldheden haken op talloos veel manieren in op wat er omgaat in de Schilderswijk. Putnams beeld van de ‘well-tossed spaghetti’ is ook hier van toepassing (2000, p. 137). Er is een aantal structurele kwesties en patronen van handelen aan te wijzen, die kunnen verklaren waarom het misging en waarom niet valt uit te sluiten dat dit ooit weer gaat gebeuren. Dat betreft, ten eerste, een ‘jongerenkwestie’. Met veel jongeren in de wijk gaat het goed, al is er een groep die achterblijft. Althans bij wat de weldenkende meerderheid verstandig vindt. Daar heeft die groep overigens weinig boodschap aan.

Ze voelen zich buitenstaander en buitenstaander gemaakt, maar spelen die rol ook met verve. Ze kunnen moeilijk meekomen op verschillende leefgebieden, er zijn gezins- en contextfactoren die hun ongewenste gedrag versterken en soms worden ze daadwerkelijk gediscrimineerd. Dat sublimeren ze al dan niet bewust in termen van onrechtvaardigheid en disrespect (perceived procedural

P 67

injustice). En dat uiten ze op straat en via sociale media (Moors, Rovers & Bouman, 2019), in een vorm die veel mensen als lamlendige rottigheid ervaren, maar waarvan Kaulingfreks (2017) laat zien dat het ook een vorm van zelf-representatie en gehoor afdwingen is (‘straatpolitiek’). In de praktijk wordt er niet heel veel outreachend werk gedaan om deze leeftijdsgroep ‘van straat’ te halen. Evenmin ligt er nadruk op het corrigeren van overlastgevend en crimineel gedrag. Strak handhaven vinden professionals ingewikkeld, terwijl dat wel zou moeten gebeuren, zodat daarna gewerkt kan worden aan het verbeteren van inzicht in de symbolische betekenis van uitingsvormen van overlast en relschoppen, aan het vermijden van groepsetikettering, en aan het serieus nemen van die verontwaardiging, op een manier die bijdraagt aan het zelfbeeld van de individuele jongeren. Klinkt soft, duurt lang, maar scheelt veel geld en doorbreekt persistente negatieve patronen. Beleidskader leeftijd Jeugdwerk Het Haags Jeugdbeleid en de preventieve activiteiten richten zich op jongeren tot 23 jaar. Er is geen formele beleidsfocus op jongeren tot 16 jaar. Elk jaar maken welzijnsorganisaties en de gemeente afspraken over wat de gewenste inzet is per doelgroep, per gebied. Het jeugd- en jongerenwerk houdt zich vanuit zijn taakstelling niet bezig met ernstig overlastgevende en criminele jongeren.

Bron: gemeente Den Haag De ware problemen van mensen in de Schilderswijk bevinden zich – net als elders in stadswijken – niet zozeer buiten op straat, al zijn ze daar wellicht het meest zichtbaar, maar ‘achter de voordeur’ en ‘tussen de oren’. Dat maakt verbetering van de wijk in beginsel een normatieve taak, omdat het in de kern gaat om het beïnvloeden van waarde-, houdings- en gedragspatronen in de richting van wat ‘de meeste mensen’ fatsoenlijk en normaal vinden. Dat betekent: normen opleggen als grenzen dreigen te worden overschreven, maar ook aanwijzen waar kansen liggen en ruimte is voor groei. Respondenten in het jongeren- en buurtwerk, die zelf in de Schilderswijk zijn opgegroeid, onderstrepen het belang van voorbeelden geven, rolmodellen aanwijzen,

kleine stappen tegelijk, hard waar nodig, zacht waar het kan. Dat is ingewikkeld, maar mogelijk: dat is wat ze over zichzelf aan jongeren kunnen vertellen. Ten tweede heeft de Schilderswijk te maken met een complexe match van bebouwing en bewoners. Hiermee doelen we, kort door de bocht samengevat, op twee mechanismen. Sociale stijgers verhuizen doorgaans uit de Schilderswijk, ofwel omdat ze niet in de wijk willen blijven, ofwel omdat ze er niet kunnen blijven (kleine huurwoningen; scheefhuren; geen koopwoningen beschikbaar). De mensen die niet weg kunnen, of binnen de wijk niet naar een betere plek verhuizen, blijven achter, met gentrificatieprocessen op zichtafstand. Kortom, de problemen verhuizen niet met de mensen mee. Het andere mechanisme is dat er in de Schilderswijk vanaf de jaren zeventig grootschalige herstructurering heeft plaatsgevonden. Zoals in veel ‘probleemwijken’ is er nogal gemakkelijk vanuit gegaan, dat (ver)nieuwbouw linea recta tot wensgedrag zou leiden. Maar dat is nog nooit ergens gebeurd, blijkt uit evaluatiestudies (Wittebrood & Van Dijk, 2007; Van Bergeijk et al., 2008; Permentier, Kullberg & Van Noije, 2013). Stenen alleen veranderen geen gedrag. Verbetering van de wijk gaat per definitie samen met verbetering van het sociaal weefsel.

Daar moeten we over ’t algemeen beter op letten, om balans te houden in de ontwikkeling van de wijk en de ontwikkeling van zijn bewoners. Wat de wijk zijn bewoners kan bieden aan voorzieningen voor wonen, werken, leren, ontmoeten, kortom aan mogelijkheden tot sociale identificatie, maakt de wijk beter. Maar zorgt er niet noodzakelijkerwijs voor dat mensen zichzelf meer gaan identificeren met de wijk of ‘communities’ vormen (Blokland, 2017). In de derde plaats heeft de Schilderswijk een segregatieprobleem. Niet in de klassieke sociaaleconomische definitie, maar de sociale samenhang in de wijk is langs door en door gewortelde sociaal-culturele en religieuze scheidslijnen georganiseerd en genormeerd. Eerder in dit hoofdstuk trokken we een vergelijking met de verzuiling. Dat is een groot goed, omdat het veel ‘bonding’ geeft in eigen kring. We wezen op het organiserende vermogen van veel religieuze gemeenschappen in de Schilderswijk. Lastig werken is het eveneens, voor een moderne seculiere overheid en haar dienstverleners. Enerzijds omdat veel energie gaat zitten in het met elkaar laten werken van groepen die dat normaliter of niet uit zichzelf doen (‘bridging’), anderzijds omdat overheden tegen het principiële punt aanlopen van de scheiding van kerk en staat.

P 68

Als bestuur van de gemeente moet je daar zowel een standpunt over innemen, als mee durven omgaan. En vanuit de uitvoering moet je die keuze heel helder uitdragen. In de kern is de scheiding van kerk en staat, vanuit historisch perspectief, nooit bedoeld geweest om de samenwerking tussen partijen met een uiteenlopende levensbeschouwelijke of religieuze achtergrond in de weg te staan. Bovendien betekent de scheiding tussen kerk en staat niet een scheiding tussen geloof en politiek. Er is dus speelruimte: om te werken met de breuklijnen in en het potentieel van de wijk. Met een groot woord gaat het dan over moreel leiderschap. Er is geen ‘groter WIJ’ in de Schilderswijk. Waarschijnlijk is dat op de keper beschouwd de belangrijkste conclusie van dit onderzoek. Respondenten noemden zich ‘echte Schilderswijkers’ en beschreven hun wijk als een liefdevol honk. Wat ons vervolgens opviel als we in gesprek gingen over de wijk, is die wirwar van scheidslijnen, zijn die voor buitenstaanders onnavolgbare patronen van waar iemand wel of niet bij hoort en waarom dat zo is. Het sociaal en relationeel kapitaal in de wijk ligt besloten in een myriade van mondige kleine ‘wij’s’. Om het maar hard te zeggen: ‘Het ontbreekt aan het groter WIJ(k)’.

letterlijk, soms in termen van ‘overredingskracht’; ze kunnen handelen – en dat een tijd volhouden. Om op die basis te kunnen samenwerken, moeten drie voorwaarden zijn vervuld. Dergelijke partijen moeten er zijn in de wijk. Als gemeente moet je ermee kunnen samenwerken, niet door ze te faciliteren, maar met het soort leiderschap dat ze de ruimte geeft om hun opgave naar eer en geweten te vervullen. Ten slotte moet je als bestuur van de gemeente ook helder zijn over met welke partijen je wel wilt samenwerken, met welke niet en waarom dat is. Dat vergt keuzes maken vanuit die ‘normatieve horizon’ waar we het in § 8.3 over hadden. Weten waar je met de mensen en de wijk naartoe wilt: niet in de vorm van allerlei projectplannen of van een programma/masterplan, maar een lange termijn handelingsperspectief, dat de kaders stelt voor hoe gemeente en partners in de Schilderswijk kunnen komen tot ‘het groter WIJ(k)’.

8.5. Slotpleidooi voor empathisch fijnmazig werken Als spanningen en onrust de kop opsteken – en dat gebeurt in de Schilderswijk natuurlijk geregeld, net als in elke grootstedelijke wijk met een stapeling van risicosituaties – dan gaan als vanzelf, want dat is hun werk, professionals zich met de kwestie bezighouden. Dat geldt eveneens voor wijkbewoners, vanuit minder of meer geformaliseerde groepen en samenwerkingsverbanden. Meer mensen die iets voor de wijk en tegen de spanningen of onrust willen gaan doen. Dat is een enorm potentieel in en van de wijk. Tegelijkertijd wordt de roep om afstemming dan ook luider – wat het organiseren van die afstemming en zorgen dat die ook echt plaatsvindt, weer niet makkelijker maakt. Waar het in zo’n situatie om gaat, is dat je als bestuur en ambtenaren van de gemeente kunt terugvallen op partijen die de kern vormen van het sociaal weefsel van de wijk, omdat ze het zijn en als zodanig gezien worden. Want ze kunnen scheidslijnen overbruggen, ze beschikken over ‘machtsmiddelen’: soms

P 69

Een functieprofiel? Het leiderschap dat hierbij hoort, is verdiend in het dagelijkse werk en getuigt van nabijheid, van weten wat de ander doormaakt. Het straalt betrokkenheid uit en durft mensen in vertrouwen te nemen en te blijven nemen; die rol van hitteschild is belangrijk. Het moet goed uit te leggen zijn, dat leiderschap: bijna als een verhaal van ‘helden met een randje’ (morally ambiguous characters). Het zou goed zijn om werkende weg interactieve en participatieve vormen van democratische vertegenwoordiging te verkennen: kiezen verruilen voor loten, bijvoorbeeld, reflectiebijeenkomsten die waardigheid en podium bieden aan mensen zonder stem in de meritocratische maatschappij. Een bestuurder in de Schilderswijk. Het doel hiervan is om op de lange termijn en voor komende generaties realistisch, geloofwaardig en toegankelijk te blijven. Per slot van rekening slaat namelijk het ‘wijkleven’ de maat, niet de beleidsrealiteit die er ook is – en uiteraard niet voor niets. Hele mooie woorden, natuurlijk: ‘exponentieel denken’ is fashionable, zien dat je in kleine stapjes en met langdurig gemorrel toch ineens iets heel groots kunt bereiken. En dat dan durven doen, misschien zelfs en passant een imagoprobleempje tackelen, als wijk, omdat je hoger accent kunt geven aan iets nieuws en positiefs. Misschien komt dit allemaal wat idealistisch over. Toch is het dat niet, integendeel.

Het hyperrealisme ligt besloten in het pertinent ontbreken van de quick fix. Als dit rapport iets laat zien, dan is het de gelaagdheid van wat er omgaat in de Schilderswijk en hoe de ongeregeldheden daar in eindeloos detail mee samenhangen. ‘Het gebeurt gewoon’, zei een jongere tijdens een focusgroep over de ongeregeldheden; ‘je kunt het er eindeloos over hebben, verklaringen uitpluizen, maar het gebeurt.’ De ‘10 oorzaken van de Schilderswijkrellen’ zijn niet aan te wijzen; tenminste niet als je goed kijkt. Dan blijven het namelijk clusters van problemen, risicosituaties, of hoe je het maar duiden wilt: gedoe met jongeren, in een grootstedelijke stadswijk waar al 100 jaar ervaring zit met concentratie en cumulatie van problemen op allerlei leefgebieden, waar bovendien de kikkers moeilijk in de kruiwagens blijven als het gaat over samenwerken in de wijk, en waar het ‘groter WIJ’ voor ‘het WIJ(k)’ wegebt. En dan begint het bij het begin. In haar column in de Volkskrant (26 oktober 2020) bracht Sheila Sitalsing dat mooi onder woorden, naar aanleiding van de hoorzittingen door de commissie van de Tweede Kamer die het functioneren van uitvoeringsorganisaties onderzoekt: ‘Toen de Volkskrant onlangs ging kijken in

Moerwijk, een van de armste wijken van het land, waar de mensen zes jaar eerder doodgaan dan degenen die aan de goede kant van de streep zijn beland, tekende de verslaggever de volgende wijsheid op uit de mond van Neo, een man die van helpen zijn levensvervulling heeft gemaakt: ‘De enige manier om met de overheid te communiceren is ertegen te ageren. Onder elke brief van de gemeente staat dat je bezwaar kunt maken, maar een gewoon gesprek is niet mogelijk.’ Weer in contact over en weer met burgers voor wie dat niet vanzelfsprekend is. Meer toegespitst op het gebied van ongeregeldheden en rellen liet Otto Adang in zijn oratie eind 2017 met kracht van actuele voorbeelden zien, hoezeer (ervaren) veiligheid afhankelijk is van hoe burgers en (lokale) overheden zich verhouden. Zijn pleidooi? Organiseer verzoeningsprocessen nadat conflicten tussen overheden en burgers zijn geëscaleerd. Enkele Nederlandse gemeenten hebben er ervaring mee opgedaan: het helpt helen en herstel, op de lange termijn (Adang, 2017; Van de Klomp et al., 2014). Of neem de opgave om te blijven volgen wat kwetsbare maar nogal vervelende jongeren in de Schilderswijk bezighoudt. Hoe ze zichzelf positie geven tegenover anderen: leeftijdsgenoten waar ze tegen opkijken, of die ze dissen.

Achter rellen zit altijd een proces van sociale identificatie, maar rellen gaan voorbij, terwijl de vraag wie je bent voor hen nog wel een poosje aanhoudt. Naar deze jongeren luisteren en horen wat ze zeggen, op hun manieren en plekken van uitdrukken, zonder ze al bij voorbaat te veroordelen en daarmee te bevestigen in hun positie van buitenstaander (die ze, zoals eerder aangestipt, best lekker vinden), dat is niet makkelijk, maar wel de enige manier om ook als gemeente met hen in sync te blijven. Niemands identiteit ligt immers meer vast vandaag de dag. Ideeën over wat goed leven is dus ook niet meer. Ondersteunen dat daar gezamenlijk over kan worden nagedacht, dat is het kleine begin van een wezenlijk gesprek. We haalden in dit rapport vaker het nieuwste boek van Michael Sandel (2020) aan, over hoe rücksichtlos onze maatschappij van verdienste in een enkele beweging de winnaars feliciteert én de verliezers kleineert. Ongeacht opleidingsniveau en maatschappelijk succes, betoogde Sandel in de Volkskrant (18 september 2020), verdienen ‘alle burgers een gevoel van zelfrespect’, ‘omdat ze zien dat de samenleving hen respecteert.’ Een jongere zei het over zijn voormalige gymleraar: dat die de enige was die hem het gevoel gaf dat hij een persoon was die wat kon.

P 70

Kortom, we zijn beslist niet de eerste om te wijzen op het belang van kleine en empathische bewegingen in de interacties tussen overheid en burgers. Deze analyse is geen rocket science. Wat erachter vandaan komt, is de uitdaging om in heel veel dagelijkse situaties die fijnmazige manier van werken toe te passen. Om te ontdekken hoe, en te zien dat ‘het gebeurt’. Hoe dat in zijn werk gaat, kunnen we alleen met elkaar ontdekken.

P 71

9. Geraadpleegde literatuur Adang, O., Quint, H. & Van der Wal, R. (2010). Zijn wij anders? Waarom Nederland geen grootschalige etnische rellen heeft. Apeldoorn: Politieacademie. Adang, O.M.J. (2017). Over verontwaardiging en verzoening: Een relationeel perspectief op veiligheid. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen. Andriessen, I., Hoegen Dijkhof, J., Van der Torre, A., Van den Berg, E., Pulles, I., Iedema, J. en De Voogd-Hamelink, M. (2020). Ervaren discriminatie in Nederland II. Den Haag: SCP. Baetens, A. G. M. (2011). Van wijken weten: In het ondiepe springen: Over de oude buurten in de netwerksamenleving. Tilburg: Universiteit van Tilburg. Baudrillard, J. (1994). Simulacra and simulation. University of Michigan Press. Blokland, T. (2017). Community as urban practice. Cambridge: Polity Press. Bekkers, V. J. J. M., Beunders, H., Edwards, A. R., & Moody, R. (2009). De Virtuele Lont in het Kruitvat: Welke rol spelen de oude en nieuwe media in de micromobilisatie van burgers en hun strijd om politieke aandacht. Lemma, The Hague. Bekkers, V., Beunders, H., Edwards, A., & Moody, R. (2011). New media, micromobilization, and political agenda setting: Crossover effects in political mobilization and media usage. The information society, 27(4), 209-219. Bovens, M. & Wille, A. (2012). Diplomademocratie. Amsterdam: Prometheus. Brooks, S.K. et al. (2020).

The psychological impact of quarantine and how to reduce it: rapid review of the evidence. The Lancet, 395, 912-920. 10.1016/S01406736(20)30460-8

De Roest, F.A. (2020). Niet naar school, maar wel in de boeken: status questionis van hiphopstudies wereldwijd en in Nederland. Vooys, Tijdschrift voor letteren, 38:1, 35-46. Della Porta, D. & Reiter, H. Eds. (1998). Policing Protest: The Control of Mass Demonstrations in Western Democracies. Minneapolis/London: University of Minnesota Press. Della Porta, D., Peterson, A. & Reiter, H. Eds. (2006). The policing of transnational protest. Aldershot, Burlington: Ashgate. De Swaan, A. (1996). De mensenmaatschappij. Een inleiding. Amsterdam: Bert Bakker. Han, Q., et al., (2020). Trust in government and its associations with health behaviour and prosocial behaviour during the COVID-19-pandemic. PsyArXiv Preprints. https://doi.org/10.31234/osf.io/p5gns Inspectie Justitie en Veiligheid (IJ&V) (2020). Lokale handhaving door de politie. Den Haag: IJ&V. Kaulingfreks, F. (2015). Uncivil Engagement and Unruly Politics. Basingstoke: Palgrave Macmillen. Kaulingfreks, F. (2016). Senseless violence or unruly politics? The uncivil revolt of young rioters. Krisis. Journal for contemporary philosophy, nr. 1. Kaulingfreks, F. (2017). Straatpolitiek. Op zoek naar nieuw engagement. Amsterdam: Boom Filosofie. Klein Kranenburg, D. (2013). ‘Samen voor ons eigen’. De geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt: de Haagse Schilderswijk, 1920-1985. Hilversum: Uitgeverij Verloren. Kokoreff, M. (2008).

Sociologie des émeutes. Paris: Payot. Kuppens, T., Spears, R., Manstead, A.S.R., Spruyt, B., Easterbrook, M.J. (2018). Educationism and the irony of meritocracy: Negative attitudes of higher educated people towards the less educated. Journal of experimental social psychology, 76, 429447.

CBS (2020). https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83780NED/table?fromstatweb.

P 72

Kuppens, T., Gootjes, F., Boendermaker, M., Gordijn, E. & Postmes, T. (2019). Ongenoegen, migratie, gastvrijheid en maatschappelijke onrust. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen. Lapeyronnie, D. (2008). Ghetto urbain: Ségrégation, violence, pauvreté en France aujourd’hui. Paris: Robert Laffont. Leander, N.P., Agostini, M., Stroebe, W., Kreienkamp, J., Spears, R., Kuppens, T., Van Zomeren, M., Otten, S., & Kruglanski, A.W. (2020). Frustration-affirmation? Thwarted goals motivate compliance with social norms for violence and nonviolence. Journal of Personality and Social Psychology, 119(2), 249–271. https://doi.org/10.1037/pspa0000190. Lijphart, A. (1990 [1968]). Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. Haarlem: Becht. Lijphart, A. (1977). Democracy in Plural Societies: A Comparative Exploration. New Haven: Yale University Press. Marangos, A.M. et al. (2020). Maatschappelijke gevolgen van corona. Verwachte gevolgen van corona voor de psychische gezondheid. Den Haag: SCP. McLuhan, M. (1994). Understanding media: The extensions of man. MIT Press. McPhail, C., Schweingruber, D. & McCarthy, J.D. (1998). Policing Protest in the United States: 1960-1995’, pp. 49-69 In: Della Porta, D. & Reiter, H., Policing Protest: The Control of Mass Demonstrations in Western Democracies. Minneapolis/London: University of Minnesota Press. Moors, H. & Dückers, M. (2016).

Islamitische radicalisering en dreiging van terrorisme. De noodzaak tot verbinding tussen een veiligheids-, zorg- en welzijnsperspectief. In: Cahiers Politiestudies, 40:3, pp. 217-234. Moors, H., Rovers, B. & Bouman, N. (2019). Sociale media, delictgedrag & communicatie. Op zoek naar de ‘Buzz’ bij plegers van high impact crimes. Den Haag: BoomCriminologie. Muns, S. et al. (2020). Maatschappelijke gevolgen van corona. Kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Den Haag: SCP.

Nisa, C., Belanger, J. J., Faller, D., Mierau, J., Austin, M., Buttrick, N., Leander, P. (Accepted/In press). Appealing to economic (vs. health) risk may be more effective to fight COVID-19: A multilevel analysis in 24 countries. PsyArXiv Preprints. https://doi.org/10.31234/osf.io/tkq5r Noakes, P.F. & Gillham, J.A. (2006). ‘More than a march in a circle’: transgressive protests and the limits of negotiated management. Mobilization: An International Quarterly, 12:4, 341-357. Permentier, M., Kullberg, J. & Van Noije, L. (2013). Werk aan de wijk. Een quasiexperimentele evaluatie van het krachtwijkenbeleid. Den Haag: SCP. Putnam, R.D. (2000). Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community. New York: Simon & Schuster. Rancière, J. (1995). La mésentente: politique et philosophie. Paris: Galilée Rosanvallon, P. (2020). Le siècle du populisme: histoire, théorie, critique. Paris, Seuil. RVS (2020). Gezondheidsverschillen voorbij. https://adviezen.raadrvs.nl/gezondheidsverschillen-voorbij/. Sandel, M.J. (2012). What money can’t buy. The moral limits of markets. New York: Farrar, Straus & Giroux Inc. Sandel, M.J. (2020). The tyranny of merit. What’s become of the common good? New York: Allan Lane. Sassen, S. (2014). Expulsions; Brutality and Complexity in the Global Economy. Boston: Harvard University Press. Schaap, D. (2018).

The police, the public, and the pursuit of trust. A cross-national, dynamic study of trust in the police and police trust-building strategies. Den Haag: Eleven International Publishing. Schmeets, H. & Exel, J. (2020). Vertrouwen, maatschappelijk onbehagen en pessimisme: CBS Statistische trends. https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistischetrends/2020/vertrouwen-maatschappelijk-onbehagen-en-pessimisme?onepage=true. Van Bergeijk, E., Kokx, A., Bolt, G. & Van Kempen, R. (2008). Helpt herstructurering? Effecten van stedelijke herstructurering op wijken en bewoners. Delft: Eburon.

P 73

Van de Klomp, M., Stronks, S., Adang, O.M.J. & Van den Brink, G.J.M. (2014). Police and citizens in conflict: Exploring post-confrontation interaction from a relational perspective. Policing & Society, 24(4), 459-478. Van den Brink, G. Ed. (2007). Prachtwijken?! De mogelijkheden en beperkingen van Nederlandse probleemwijken. Amsterdam: Bert Bakker. Van Dijk, T. & Moors, H. (2018). Onderstromen. Over politieke meningsvorming en veerkracht in acht Haagse buurten. Rotterdam/Den Haag: Fact based Consultancy/EMMA. Van Doorn, J.A. (1954). De proletarische achterhoede. Assen: Van Gorcum. Van Ham, T., Blokland, A., Ferwerda, H., Doreleijers, Th. & Adang, O. (2019). Determinants of Persistence in Collective Violence Offending. Deviant Behavior, DOI: 10.1080/01639625.2019.1649954. Van Leiden, I., Arts, N. & Ferwerda, H. (2009). Rellen om te rellen. Een studie naar grootschalige openbare ordeverstoringen en notoire ordeverstoorders. Amsterdam: Reed Business. Visser, K., Bolt, G. & Kempen, van R. (2015). Buurteffecten op kinderen en jongeren. Een literatuurstudie. Utrecht: Universiteit Utrecht. Wahlström, M. (2011). The Making of Protest and Protest Policing: Negotiation, Knowledge, Space, and Narrative. Gothenburg: University of Gothenburg. Wacquant, L. (2012 [2008]). Paria’s van de stad. Nieuwe marginaliteit in tijden van neoliberalisme. Berchem: EPO Uitgeverij. Wikström, P.-O.

& Treiber, K. (2017). Beyond Risk Factors: An Analytical Approach to Crime Prevention. In: Teasdale B. & Bradley M.S. Eds., Preventing Crime and Violence, Advances in Prevention Science. Volume 2. New York: Springer. Wikström, P.-O., Mann, R. & Hardie, B. (2018). Young people’s differential vulnerability to criminogenic exposure: Bridging the gap between people- and placeoriented approaches in the study of crime causation. European Journal of Criminology, 15, pp. 10-31. Wittebrood, K. & Van Dijk, T. (2007). Aandacht voor de wijk: effecten van herstructurering op de leefbaarheid en veiligheid. Den Haag: SCP.

P 74

Bijlagen Bijlage 1 – Opzet, uitvoering en dataverzameling Dit onderzoek kenmerkt zich door een kwalitatief mixed methods design. Op basis van de onderzoeksvraag, de doorlooptijd en het budget hebben we een weloverwogen keuze gemaakt voor de in te zetten onderzoeksmethodes. Te weten, een mix van interviews, focusgroepen, straatinterviews, een online analyse, deskresearch en een literatuursynthese. Deze verschillende manieren vnn dataverzameling hebben we traceerbaar en navolgbaar ingezet. De data zijn consequent en gestandaardiseerd verzameld en opgeslagen. We maakten gebruik van verschillende methoden van dataverzameling en -analyse (methodische triangulatie), van verschillende onderzoekers (teamtriangulatie) en van verschillende soorten informatie (datatriangulatie). Deze drie vormen van triangulatie beogen de interne validiteit, namelijk de mate waarin geldige conclusies kunnen worden getrokken en de betrouwbaarheid, namelijk de mate waarin de verzamelde informatie is gevrijwaard van systematische en toevallige fouten, te verhogen. De empirische basis van dit onderzoek wordt gevormd door 2 focusgroepen, 31 individuele interviews, en 3 duo-interviews (in totaal 37 respondenten), 24 straatgesprekken en een analyse van online activiteiten. Volledige verslagen van focusgroepen, interviews en straatgesprekken zijn opvraagbaar bij EMMA.

Focusgroepen De focusgroepen hebben plaatsgevonden met 16 respondenten die wonen en/of werken in de Schilderswijk. Respondenten Aan de focusgroepen namen 4 vrouwen en 12 mannen deel. Van de 16 respondenten uit de Schilderswijk hebben er 14 een niet-Nederlandse achtergrond via hun ouders. 2

van de 16 respondenten zitten nu in het VMBO/Mulo/Mavo, 5 respondenten volgen een Mbo-opleiding of hebben dit gedaan en 3 volgen een HBO-opleiding of hebben dit gedaan. De overige 6 respondenten hebben deze vraag niet beantwoord. De respondenten zijn door ons geworven via professionals die zijn geïnterviewd en via inwoners uit de wijk die we hebben gesproken tijdens de straatgesprekken. We hebben niet actief in de wijk geworven, bijvoorbeeld door uitnodigingen in brievenbussen te stoppen. Van een uitbundige toestroom van potentiële respondenten was geen sprake, maar verbazingwekkend is dat niet. Professionele wervingsbureaus van respondenten voor kwalitatief onderzoek hebben nauwelijks mensen in hun bestanden die wonen en/of werken in wijken als de Schilderswijk. Ook bij kwantitatief onlineonderzoek – waarbij respondenten niet hoeven te reizen naar een fysieke bijeenkomst, aangezien ze de enquête(s) op een zelfgekozen moment zelf thuis kunnen invullen – zijn burgers uit deze wijken overigens vaak ondervertegenwoordigd. De respondenten die wel meedoen aan focusgroepen zijn dikwijls bekend bij de gemeente en op de hoogte van hoe politiek-bestuurlijke en ambtelijke systemen werkt. Voor de kwaliteit van de dataverzameling heeft dat geen negatief effect.

Wel laat het zien hoe ingewikkeld het is – voor onderzoekers, maar zeker ook voor de gemeente zelf – om in gesprek te raken met respondenten ‘van buiten het systeem’. De methode van focusgroepen Het lijkt contra-intuïtief: hoe kan het zijn dat enkele groepsgesprekken met een ‘handjevol’ respondenten toch leiden tot betekenisvolle en empirisch relevante interpretaties en conclusies? Onder onderzoekers is de methode van focusgroepen evenwel onomstreden; een vast onderdeel in de gereedschapskist van het sociaalwetenschappelijk (beleids)onderzoek. Open vragen De kracht van kwalitatief onderzoek met focusgroepen is dat er ‘open’ vragen kunnen worden gesteld (zie bijlage 2: script focusgroepen). Zodoende kunnen we kennisnemen van de opvattingen van de ondervraagden, zonder dat de vraagstelling een sturende invloed heeft. In enquête-onderzoek moeten de vragen helder en eenduidig worden geformuleerd. In focusgroepen hoeft dat niet. Sterker nog:

P 75

dubbelzinnige en polyinterpretabele vragen zijn zelfs wenselijk, omdat de respondenten de vragen dan moeten ‘lezen’. En hoe ze dat doen, voegt waarde toe aan de resultaten uit een focusgroep. In focusgroepen worden bovendien geen antwoordcategorieën meegeleverd en het dialogische karakter van het groepsgesprek maakt het mogelijk om véél vragen open te stellen én door te vragen. In grootschalig kwantitatief onderzoek is dat onmogelijk. In focusgroepen is het zelfs mogelijk vragen te stellen zonder woorden. Als een gesprekleider zwijgt en geïnteresseerd blijft kijken, dan praten respondenten vaak door. In focusgroepen gaat het om verschillende talen: het gesproken woord én de lichaamstaal. Van de respondenten, maar ook van de moderator. Gaan de respondenten ‘kletsen’, bijvoorbeeld, dan gaat de moderator achterover zitten; zeggen de respondenten ‘rake’ dingen, dan buigt de moderator naar voren en kijkt de sprekers aandachtig aan. Pendelen tussen abstract en concreet Een focusgroep biedt ook de mogelijkheid om voortdurend te pendelen tussen abstractie en concreetheid, om zo door te dringen tot de onderlagen in de opinies en gevoelens van respondenten. Formuleren respondenten een antwoord abstract, dan vragen we door naar wat dat concreet betekent. Formuleren ze een antwoord concreet, dan wordt gevraagd naar de rode draad in de antwoorden.

Groepsgesprek en individueel genoteerde antwoorden De groepsdynamiek is een krachtig mechanisme in focusgroepen. De respondenten stimuleren en inspireren elkaar. Hierdoor worden er ‘lagen’ aangeboord, die er echt zijn, maar waarvan men zich niet altijd bewust is. Toch laten we de respondenten ook individueel en schriftelijk antwoorden noteren op sommige vragen. Dat heeft een tweetal voordelen. Eén: de antwoorden worden dan in de eigen formuleringen van respondenten gegeven; ze nemen niet de bewoordingen over die andere gespreksdeelnemers gebruiken. Dat is belangrijk, want de woorden die men gebruikt zijn belangrijke richtingwijzers naar wat met echt vindt. Twee: de respondenten zijn ‘gedwongen’ om zelf na te blijven denken en niet te vertrouwen op andere gespreksdeelnemers.

Associatieve vragen Een effectieve methode om latente opvattingen van respondenten te ontsluiten, is het stellen van associatieve vragen. Bijvoorbeeld door een actor als een dier te laten benoemen. Het maakt nogal uit of mensen het dan hebben over een ‘leeuw’ of over een ‘schoothondje’. Parool Het parool in de groep – de sfeer, zeg maar – is van wezenlijk belang. Er moet een open klimaat heersen: letterlijk alles mag gezegd worden. Dat kunnen zeker ook pijnlijke dingen zijn. De moderator moet ervoor zorgen dat dit toegestaan is. Als gespreksdeelnemers heftig op elkaar reageren, mag dat ook. De respondenten moeten ervan overtuigd zijn dat de gespreksleider hen beschermt.

Interviews In totaal zijn er 37 respondenten geïnterviewd, waarvan 31 individueel en 6 in duo’s. Dat gebeurde goeddeels online. Een enkel interview is op locatie bij de respondent afgenomen. Respondenten Van de respondenten was 23 mannelijk, de overige 8 was vrouw. Ook 8 van deze respondenten heeft een WO-opleiding gedaan, 3 een Hbo-opleiding en van de overige 20 respondenten is dit onbekend. De respondenten zijn door ons geworven op basis van een lijst van mensen die actief zijn in de Schilderswijk en die door de gemeente aan ons is verstrekt. Op deze lijst stonden professionals en mensen die op een meer informele manier sleutelposities innemen in de wijk. Daarnaast hebben we respondenten gevraagd wie we nog meer zouden moeten interviewen om een goed beeld te krijgen van het ‘sociale weefsel’ van de Schilderswijk (sneeuwbalmethode). We hebben niet actief in de wijk geworven. Er is tevens een aantal interviews gehouden met respondenten die vroeger als professional in de wijk hebben gewerkt, maar nu niet meer. De geïnterviewden zijn dikwijls bekend bij de gemeente. Logisch, want het zijn professionals die in de wijk werken en daarom in contact staan met de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10244661/1