RIS308731 Bijlage 1
Tekst van het document
5.3.6.
De verbinding met de politie
Er is (bij de politie) veel geïnvesteerd in de wijk sinds 2015, na de rellen naar aanleiding van het overlijden van Mitch Henriquez. Dat werpt zijn vruchten af. Daarvoor was de relatie met de jeugd slecht te noemen. Nu is de relatie verbeterd. Binnen de politie is sinds 2015 een programma ontwikkeld rond cultureel vakmanschap. Dat programma heeft effect. Zoals een jongere het zelf omschrijft: 'Nu kan je echt een gesprek aangaan. Vroeger was het uit een raampje hangen en roepen: ID!' De handhaving rond de coronamaatregelen is weer een stap 'achteruit'. Het uitdelen van boetes heeft geleid tot onvrede, irritaties en gevoel van onrechtvaardigheid: 'Nu zeggen jongens: als de politie komt voetballen, dan doen wij niet meer mee.'
5.3.7.
En wat vertelt dit over de tweede buurtvergadering?
Uit de gesprekken blijkt dat er onvoldoende regie zat op de aanpak van de situatie door gemeente en/of netwerkpartners. Terwijl de rellende jongeren wel regie hadden rond het mobiliseren van andere groepen jongeren. 'Wij liepen achter de feiten aan. De regie ontbrak bij wijkpartners. Maar bij de jongeren was dat er wel. Alles werd naar 1 kanaal gestuurd. Had een enorm bereik.'Wij liepen achter de feiten aan. De regie ontbrak bij wijkpartners. Maar bij de jongeren was dat er wel. Alles werd naar 1 kanaal gestuurd. Had een enorm bereik.'
Aan het overleg deden heel veel wijkpartijen mee. Ook partijen die normaal gesproken niet aan tafel zitten. Mede door die omvang leek het meer op een Poolse landdag dan op een constructief overleg over wat te doen: 'Normaal gesproken zitten we redelijk op één lijn. Nu niet. Dan riep de één: weet je wat je moet doen? Waterspelen! Riep de ander: doen we al. Iedereen vond dat er iets gedaan moest worden. Maar we deden al heel veel. Er was geen grip op hoe nu verder.'! Riep de ander: doen we al. Iedereen vond dat er iets gedaan moest worden. Maar we deden al heel veel. Er was geen grip op hoe nu verder.' Over de daadwerkelijke samenwerking in die periode zijn de meningen verdeeld. De welzijnspartijen en jongerenwerkers hebben outreachend gewerkt. Zij hebben zolang dat veilig was, op straat gelopen en jongeren aangesproken. Ook de buurthuizen zijn open geweest. Een deel van de respondenten vindt echter dat partijen zich weliswaar op straat begaven, maar dat dit gebeurde zonder echt samen te werken en samen één blok te vormen: 'We hadden in de middag al op straat moeten zijn. Met gele hesjes, herkenbaar en zichtbaar. Plekken claimen. In momenten van crisis dan moeten we er als een blok staan. We laten het aan de buurt over. Dat kan niet.' Anderen vinden juist wel dat de partijen goed met elkaar hebben samengewerkt. ‘Sleutelfiguren uit de wijk werden opgetrommeld.
Met een gelijke boodschap heeft iedereen de achterban gemobiliseerd en aangesproken. We wisten elkaar goed te vinden. Waren echt een team. Ik vind dat gemeente, politie, welzijn en jongerenwerk goed hebben ingespeeld op de situatie. Duurde ook maar een paar dagen.' ‘Partijen schakelden nu wel snel van hoe gaan we dit indammen. Er was een modus van actie ondernemen. We hebben een stevig blok neergezet. Waren op hotspots actief.’ Over het gebrek aan regie ten aanzien van de aanpak van de onrust, daarover is menigeen het eens: 'Iedereen ging tegen elkaar in. Veiligheid en gemeente hebben wel geprobeerd om de regie te pakken. Maar dat lukte niet.'
Er was geen eenduidige aanpak. De meningen verschilden over wat te doen. Het overleg op de donderdagavond is in die zin een exemplarisch voorbeeld van de fragiele samenwerking in de wijk. Of: daar kwam het in ieder geval geheel tot uiting.
P 42
5.3.8.
Kortom
Er is ontegenzeggelijk veel inzet geweest van partijen. Maar zowel regie als samenwerking had toch beter, dan wel strakker gekund. Waar dat aan lag? 'Het jammerlijke is, dat er in de vergadering […] meer discussie onderling was, dan dat er regie was. Ik was voorstander dat er met gele hesjes ingegrepen zou worden. Maar dat mocht niet. Was iets met de verzekering.' En: 'Er zat 45 man. [...] Maar: 'de ene zei: je moet praten! De ander zei: er moet geslagen worden.' Weer een ander riep: 'Ga het gesprek aan! Maar vanuit jongerenwerk werd gezegd dat heeft geen zin, die moet je aanpakken.'
P 43
6. Het einde
P 44
6.1. Scène 8: Vrijdagavond – Valt er nog wat te kloten?
6.1.1.
Datum: 14 augustus Tijd: zo rond 22.00 uur (of net iets later) We horen en zien: Leipe Dump Ouwe [live op YouTube]. Schokkerige beelden. Ontploffend vuurwerk. Scooters. Rondrijdende politiebusjes. Plaats van handeling: Utrecht Kanaleneiland
de zenuwen inmiddels strakgespannen. Zo komt op de vrijdagavond weer een aantal jongeren samen op een pleintje. Eigenlijk is er niet zo veel aan de hand: ‘Muziek erbij, scooter erbij, auto erbij.’ Maar: ‘Bewoners gaan klagen. En er wordt gelijk gereageerd door het plein schoon te vegen.’ Door politie en ME.
Datum: 15 augustus, wederom Leipe Dump Ouwe ‘Overal is het bezig. [...] ik denk niet dat het verstandig is om met je auto over straat te gaan, hiero. Veel scooters. [...] ik denk dat toch wel een mannetje of twee, driehonderd op pad zijn. [...] Oh. Vuurwerk. Ja, dan slaat je hart wel even over [er wordt vuurwerk tegen een langsrijdende auto gegooid]. [...] Ja, de stenen liggen al op straat. Een bushalte is al gesneuveld. [...] We zullen even kijken wat gaande is.’ Plaats van handeling: Utrecht Kanaleneiland Donderdag was een reldag in Schilderswijk. Vrijdag wordt het langzaam wat rustiger. Op andere plekken in Nederland, zoals ‘op Utrecht Kanaleneiland’ breken dan rellen uit. Op (sociale) media wordt een verband gesuggereerd: alsof ‘rellen’ een soort landelijk evenement is. Waarbij het circus zich verplaatst. ‘On tour’ naar een andere stad. ‘Valt er nog wat te kloten? Ja, vanavond in Utrecht.’
***
Perspectieven
Het brede politieoptreden van donderdag en vrijdag haalt echt de angel uit de rellen. In de wijk geldt een noodbevel, waardoor 'ieder gedoetje' snel de kop ingedrukt kon worden. Toch blijft het zo nu en dan ook in Schilderwijk nog onrustig. En staan ook
Voor diegenen, die echt op onrust en rellen uitwaren, is dan de lol ervan af. Iedereen wordt klein gehouden, er is een stringente scootercontrole, en bij het minste of geringste wordt een groepje ingesloten. Grip krijgen op de situatie: dat is het devies. En dat lijkt te lukken: op vrijdag blijkt dat het politionele optreden in ieder geval ervoor gezorgd heeft dat er overdag weer een 'normaal straatbeeld' in de Schilderswijk is. En ook 's avonds is het grotendeels rustig. Een van de meest in het oog springende incidenten, is dat er in de nacht van vrijdag op zaterdag nog een Haags Hopje ‘in de fik gestoken’ wordt. Door de bank genomen is het vanaf vrijdagavond en -nacht al een stuk rustiger. Zaterdag idem dito. En: 'Zondag geen incidenten gehad.' De gebiedsverboden en aanhoudingen hebben – blijkbaar – een behoorlijk effect gehad.
6.1.2.
Het perspectief van de wijk
Afreageren op de gemeente – politie is gemeente in de ogen van veel Schilderswijkers – voor het overdreven leegvegen van het hierboven beschreven pleintje, dat is een van de verklaringen voor het in de brand steken van het Haagse Hopje aan het Jacob van Campenplein. Want: die jongeren op het pleintje, die waren niet aan het rellen, ze ‘zorgen [alleen] voor overlast.’ Maar in de wijk zat natuurlijk sowieso veel spanning, korte lontjes. Het in de brand steken van het Haagse Hopje is in zekere zin exemplarisch voor de rellen, zo stelt een aantal bewoners. Sommigen stellen dat het simpelweg toeval is:' Dat Haagse Hopje, dat was geen gerichte actie.' Anderen denken exact het tegenovergestelde: 'Dat is geen toeval. Dit Haagse Hopje, daarvan - er is een aantal jaren geleden veel geld in gestoken – was het idee, dat de bewoners eigenaarschap over zouden krijgen. Maar uiteindelijk is het onder het beheer
P 45
gebracht van een grote, logge welzijnsorganisatie. Maar vanwege bezuinigingen hebben ze nauwelijks mensen om daadwerkelijk spullen uit te lenen.' Dat zorgt voor spanning en kwaad bloed in de buurt, zo stelt een respondent: 'En daarover waren de bewoners al boos. Waarschijnlijk hebben de jongeren dat ook opgepikt. Het is ook niet de eerste keer: vorig jaar tijdens Oud en Nieuw is er ook wat gebeurd. Onvrede is er dus al langer. De omgeving ziet er eigenlijk niets positiefs mee gebeuren.' Dat het Haags Hopje symbool kan staan voor de wat gespannen verhouding tussen systeem- en leefwereld, dat wordt ook in andere gesprekken aangegeven: ‘Wat je merkt is, dat ze de gemeente wantrouwen. Het is ook, denk ik, de reden, dat zo'n Haags Hopje in brand gestoken wordt. Dat wat ze met politie hadden – dat is nu weer wat beter – dat hebben ze nu ten opzichte van de gemeente.’ Uiteindelijk weten we dat de politie constateert dat het in brand steken van het Haagse Hopje weliswaar een gerichte actie was, maar een actie was die niets te maken had met de rellen. In zekere zin vertegenwoordigt het Hopje in de ogen van de bewoners – dus blijkbaar – een bepaalde manier van werken en denken.
Waarbij de een stelt: 'Ik geloof best dat de mensen in het stadhuis het beste met de mensen voor hebben.' Maar er aan de andere kant het gevoel blijft, dat de kloof tussen 'de straat' en 'de staat' groot is: 'ik vind dat op beleidsniveau, op gemeentelijk niveau dat de affiniteit met de buurt, met de wijk, die is minimaal. Het zijn, met alle respect, mensen die niet uit de wijk komen, nooit in de wijk hebben gewoond. Alleen als professional in de wijk actief zijn. En dan zijn ze ook in de wijk niet eens zichtbaar. Het is geen afspiegeling van de wijk. Dat is iets wat ik gezegd wil hebben. Af en toe lijkt het alsof, als er iets gezegd wordt, het het ene oor in gaat en het andere uit. Dan gaat het weer om statistieken. Waarmee ik niet wil zeggen, dat ze hun werk slecht doen, hè. Alleen: de affiniteit lijkt te ontbreken.'
6.1.3.
Beleving van en over sociale professionals
De professionals weten anderzijds ook dat de relatie met de wijk in de afgelopen jaren wat veranderd is: 'Het is ook wel zo dat [de] gemeente ook wel een beetje als onbetrouwbaar gezien wordt. Omdat [er] in het verleden ook allerlei woeste projecten [zijn] gedaan. Leuke projecten, die dan bij een volgende Collegeperiode... Nou, dan ligt er een ander plan van het College. Dan vallen projecten dood uit de lucht. Financiering stopt. Einde project. Nou, dat helpt niet.'
'Het geld', dat is gewoon lastiger geworden. Dat merken ook de professionals. Er is bezuinigd. En ook voor nieuwe initiatieven, hoe goed ook, is er niet automatisch budget beschikbaar: 'Voor een project in de wijk, daar had ik wel wat geld voor nodig. Ik had zo'n vijftigduizend euro nodig. Daar ben ik – ongelogen – een jaar en drie maanden mee bezig geweest om dat rond te krijgen. Dat gaat natuurlijk helemaal nergens over. Natuurlijk vijftigduizend euro is veel geld, maar een paar jaar geleden klotsten er miljoenen door de wijk heen.' Een tweede beleving, die in de wijk speelt, is er eentje van gevoelde 'professionele distantie': waarbij alle professionals hun werk feitelijk goed doen. Maar, als deze professionals niet uit de wijk zelf komen, dan is het gevoel: 'Ze komen op bezoek in de wijk. Op de koffie. En dan zijn ze er twee uur en als de koffie op is, en de vergadering klaar, dan gaan ze weer weg. Dat is niet 'in de wijk zijn.' Dat beseffen die professionals zelf overigens ook. Het is een 'fact of life': 'Ik zeg altijd: wij weten misschien maar 5 procent. Want ik ga 's avonds weer naar mijn Vinexwijkje met mijn mooie woninkje. Maar die buurtvaders, en die jongerenwerkers die altijd met die jongens optrekken, die weten wat er speelt in hun leven.' Dat type jongerenwerkers – diegenen die uit de wijk zelf komen – die worden gezien als rolmodellen.
Waar ook de vrijwilligers vaak het 'vrijwillige profiel' tegenover 'het professionele profiel' gezet wordt: 'Bijvoorbeeld: de Buurtvaders zijn 24 uur per dag in de wijk te vinden. Ik wil niets negatiefs zeggen over de welzijnsorganisaties. Maar als je de wijk gewoon niet zo goed kent, dan is het moeilijk.' In de ogen van de professionals heeft 'het stadhuis' ook veel op hun bordje: 'Uiteindelijk hebben we het in Nederland bij de centrale overheid zo geregeld, dat er heel veel verantwoordelijkheid ligt bij de lokale gemeente. En dat vindt de gemeente verrekte moeilijk. Ik denk dat er te veel zorgtaken belegd zijn bij de gemeente. [...] met een enorme bezuinigingsslag. Dat is voor de beleidsmakers in het stadhuis, ik wil niet zeggen een 'mission impossible', maar het komt er wel dichtbij.'
6.1.4.
Het perspectief van en over de politie
De rellen an sich roepen herinneringen op aan de rellen die in 2015 de wijk teisterden. Een deel van de respondenten ondersteunt – op grond ook van die herinneringen – het stevige optreden. De verhouding met de politie is in de afgelopen jaren ten goede
P 46
veranderd: ‘Vijf jaar geleden was het drama. Het contact tussen jongeren en politie verliep toen niet goed. Een aantal jongeren waren niet goed, en aantal politieagenten waren niet goed. Sinds 2015 – na de dood van Mitch Henriquez in het Zuiderpark – is dit veranderd.' En in de kern is die verandering in één zin samen te vatten: 'Nu praten ze met je, komen ze op bezoek, gaan we samen naar Antwerpen. Dat is een heel ander verhaal dan tien jaar geleden. Toen moest je 10 keer per dag je legitimatie laten zien.' Ook een andere respondent ervaart een groot verschil: 'Als nu een politieagent met je in gesprek gaat, dan doet hij zijn zonnebril af. Eerst kwam de agent zijn autootje niet uit, en zat hij uit het raam te hangen. Van dit-dit-dit. Nu kan je gewoon het gesprek aangaan.' Het 'gewoon met elkaar in gesprek gaan', alleen dat al kan op veel waardering rekenen: 'Dat de politie de moeite neemt om überhaupt in gesprek te gaan, dat is natuurlijk al heel wat!’ Tegelijkertijd is het evenwicht precair: De relatie wordt wel beter, maar dat betekent niet dat de relatie perfect is. Vergelijkbare situaties zoals vroeger zijn er nog steeds. Maar ze zijn er wel mee aan de slag.' Een andere respondent ervaart dit ook: 'De politie intimideert ook. De politie, dat zijn niet allemaal lieverdjes. Net als die jongeren, dat zijn ook niet allemaal lieverdjes.
Er moet een tussenweg gevonden worden.' Ook de politie zelf ervaart dat het evenwicht tussen 'verbinding met de wijk' en 'handhaving ten behoeve van de wijk' lastig is. De politie is immers vrijwel de enige partij die ook ten tijde van de lockdown en in de zomer aanwezig en zichtbaar is gebleven in de wijk. Maar: 'het is buitengewoon lastig om én verbaliserend op te treden rond de Coronamaatregelen, en tegelijkertijd te blijven werken aan verbinding in de wijk. Wij hebben de nadruk gelegd op het laatste.' Langs die lijnen is ook de inzet van de ME bekeken: 'De inzet van de ME lijkt vooralsnog geen schade te hebben gedaan aan de relatie tussen de politie en de wijk.'
6.1.5.
Kortom
Het perspectief, waarbij uiteindelijk ‘geweld’ gebruikt is, is wellicht het best in een zin samengevat door een respondent: 'Stevig optreden zorgde ervoor dat wijk blij was en de jeugd klaar was met de strijd.'
6.2. Scène 9: De Witte Mars Acte 1: Lays of huismerk? Schilderswijk geniet landelijke bekendheid. ‘De wijk is een A-merk. Als je Lays-chips hebt of een huismerk bij de Albert Heijn, dan is de Schilderswijk de Lays-chips. Alles wat in de Schilderswijk gebeurd is interessant.’ De wijk ligt onder het vergrootglas. ‘Dus is de Schilderswijk ook aantrekkelijk voor allerhande politieke [...] partijen, omdat je nu eenmaal weet, dat als je een bepaald probleem onder de aandacht wil brengen, dat je dan altijd gebruik kan maken van de Schilderswijk. [...] Dan heeft ook gelijk heel Nederland er een beeld bij.’
Acte 2: we zijn het beu Op 20 augustus zien we dan een voorlopig slotakkoord: welzijnsorganisaties en andere maatschappelijke organisaties, verenigd in de Alliantie voor de Schilderswijk lopen ‘de Witte Mars’. Met voorop sleutelfiguren uit de wijk die verandering willen in de wijk. Boodschap: dit willen we niet (meer). Op spandoeken valt te lezen: ‘100 nationaliteiten 1 stem, zeg nee tegen relschoppers’ en ‘relschoppers, blijf af van mijn Schilderswijk!’ en ‘samen bouwen aan de wijk, doet u mee?’.
***
6.2.1.
Perspectieven: a new hope
Na het noodbevel, en het harde optreden van politie is het rustig in de wijk. Het optreden heeft het beoogde effect gehad. Het beeld onder de respondenten is, dat de harde kern van raddraaiers echt aangepakt moest worden. Maar het beeld dat in de media en in de politiek beklijft, van de Schilderswijk als een hotspot voor allerhande problemen, dat zijn de bewoners zat. Mensen zijn het beu dat de wijk weer negatief in het nieuws is. En dat leidt tot beschouwingen én tot een Witte Mars.
P 47
6.2.2.
Het aandeel van politiek en media: beeldvorming
Als er iets in de Schilderswijk gebeurt, dan is de lokale én landelijke politiek er als de kippen bij om er iets van te vinden: 'Politieke partijen kapen dit soort onderwerpen ook gelijk. Dat zagen we ook gelijk na de rellen,' zo stelt een aantal respondenten vast. En dat kan op weinig goodwill rekenen: 'De Schilderswijk wordt natuurlijk altijd als een podium voor van alles gebruikt. Voor hun eigen agenda. Dat vinden wij als bewoners heel erg vervelend. Of liever, daar zijn we klaar mee, eigenlijk!' En ook de media doen aan deze typecasting en framing mee: ‘Mensen hebben al een bepaalde mening over deze wijk [...] Als er dan in deze wijk iets gebeurt [dan gaat het] altijd gelijk over ‘rellen’. Over Duindorp wordt gezegd: ‘de brandkranen zijn opengedraaid.’ Dat is wat de media graag berichten, want dat ‘verkoopt’. En dat is iets, wat de politiek graag adopteert. En dat is dan ook weer iets waarnaar mensen zich gaan gedragen. Dat is beeldvorming.’ Dat er ook altijd wel ‘iets’ te vinden is, dat is niet gek: ‘Kijk, als je blijft vragen, is er dit of is er dat? Dan is er altijd iets. Weetjewel? Kijk, jij hebt een mooie broek aan hè [wijst op een onderzoeker], maar als ik goed zoek, vind ik echt wel een vlekje.’
in de krant. Of bij RTL, of bij SBS. Maar tegelijkertijd hoor je in die nieuwsberichten: die mensen, die houden nergens rekening mee, die doen maar. [...] en vervolgens veroordelen we het.' En dus, zo stellen respondenten vast: 'Het is ook echt goed om te kijken naar die krachten. Want het is een heel eenzijdige manier om naar de Schilderswijk te kijken.' Zoals iemand anders het kernachtig omschrijft: 'Dat is precies wat ik vind, en anderen ook: in de media wordt de Schilderswijk veel te negatief belicht. Wij moeten op eieren lopen. De mediaframing is veel te fel. En … rellen, dat vind ik echt heel erg, wat er gebeurd is. Dat keuren we af. Maar laten we het ook in perspectief plaatsen: degenen die rellen om te rellen, die moet je echt hard aanpakken. Maar daaromheen zit een heel grote groep die je gewoon perspectief moet geven.'
Dergelijke 'vlekjes' achtervolgen de wijk. Zelfs als het pertinent niet waar, dan wel onjuist is: 'Je kent het verhaal wellicht uit het dagblad Trouw waarin werd gesuggereerd dat er [in de Schilderswijk] een Shariadriehoek zou zijn. Waarin de Hollandse vrouwen die in minirok liepen, belaagd werden. Door Turkse, Marokkaanse mensen. En noem maar op. Daarvan hebben wij gezegd: 'nou, dat hebben wij nog nooit meegemaakt.' Mijn vrouw, onze vrouwen kunnen hier om drie uur 's nachts over straat lopen. Die worden echt niet aangevallen of aangesproken. Echt niet. Dus dat hebben we altijd tegengesproken. En heel veel later blijkt, dat die journalist dat uit zijn duim gezogen heeft. [...] Maar het wordt nog steeds geloofd! Het achtervolgt je.' Dat dominante mediabeeld is er overigens, in de ogen van een aantal betrokkenen, vrijwel 'altijd'. Zo wijst een van de respondenten op de berichtgeving over de Haagse Markt tijdens Corona: 'Het begon hier een beetje met de Haagse Markt. Daar was het [in lockdown-tijd] druk. Ze hielden niet overal rekening mee. Ook dat stond iedere dag weer
P 48
6.2.3.
De Witte Mars als fenomeen
Het fenomeen van de Witte Marsen kennen we sinds 1996. De eerste mars wordt georganiseerd als reactie op de arrestatie van Marc Dutroux. Na de arrestatie is er een breed gevoeld onbehagen, dat zich in eerste aanleg op Dutroux zelf richt. Maar als er meer details boven water komen over hoe het opsporingsapparaat, justitie en politie gefunctioneerd heeft, richt de onvrede zich ook breder: en richt het zich op het functioneren van de politie, van het gerecht en op de politiek. Het wantrouwen in de politie, het gerecht en de politiek is het uitgangspunt om de Witte Mars te organiseren. De kleur wit is dan ook symbolisch gekozen: 'We willen dat deze mars zonder spandoeken en politieke slogans plaatsvindt. Wit zal ons symbool zijn [...].' Ook in Schilderswijk lopen welzijnsorganisaties en maatschappelijke organisaties, verenigd in de Alliantie Schilderswijk ‘de Witte Mars’. Met voorop sleutelfiguren uit de wijk die verandering willen in de wijk. Om nu deze mars op donderdag 20 augustus door de wijk nu in één rechte lijn met deze eerste Witte Mars te plaatsen, dat voert te ver. Tegelijkertijd staat ook deze Witte Mars voor het bredere verhaal. Uiteraard: de bewoners zijn de rellen en het gedoe meer dan zat. Maar het gaat om meer dan de rellen alleen: die rellen komen ergens vandaan. Die onderliggende problematiek, die moet opgelost worden.
En dus dragen de spandoeken precies die tweeledige boodschap uit. Boodschap één is: dit willen we niet (meer). Getuige de spandoeken: ‘100 nationaliteiten 1 stem, zeg nee tegen relschoppers’ en ‘relschoppers, blijf af van mijn Schilderswijk!’ Maar dat de wijk ook echt in brede zin samen verder opgebouwd moet worden, dat is de tweede boodschap, en dat kan alleen samen: ‘samen bouwen aan de wijk, doet u mee?’.
Hoe het speelt op sociale media De Schilderswijk wordt vaak geframed als ‘anders’. Bijna alsof het een apart eiland is, vrijwel altijd met een negatieve ondertoon. In de Schilderswijk gaan dingen anders dan in de rest van de stad, of de rest van het land (behalve misschien Kanaleneiland), zo is de suggestie. Als hier misdaden worden gepleegd, treedt de politie niet op (elders wel). Met ‘dat volk’ is niet te praten. ‘Plaats er een muur omheen en gooi er een bom op’. Tegenover dit frame staan juist mensen die de verbondenheid van de Schilderswijk benadrukken met de rest van de stad, en de interne monotonie van de wijk ontkennen. Zij stellen dat het niet alleen (of zelfs juist niet) Schilderswijkers waren die relden, dat relschoppers van alle vormen en achtergronden waren en uit allerlei wijken kwamen. En ook dat er een onderscheid te maken is tussen ‘goede en slechte’ Schilderswijkers. En dat ‘echte’ Schilderswijkers de relschoppers ook veroordelen.
6.2.4.
Wat moet er dan anders?
Wat nu? Voor sommige respondenten is het antwoord eigenlijk zo moeilijk nog niet. Sterker nog, een aantal respondenten is van mening dat het antwoord eigenlijk ook al vaker gegeven is: 'Het beleid wat ze nu maken, hoe ze het nu doen, dat is gewoon verkeerd! […] Ik heb nu al de zoveelste keer gezegd: 'ga nu je les leren!' Nogmaals, dit kun je niet zien aankomen. Maar, als er dagenlang gereld wordt, dan is er iets in de wijk wat niet klopt. Dan is er iets in de wijk wat niet werkt. Want als het werkt, wat de gemeente wil, dan zou het bij die ene keer gebleven zijn. Dan duurt het niet vijf, zes dagen. Daar hoef je niet eens voor naar school te zijn geweest.' Dus, zo legt deze respondent het uit: 'Je moet het zo zien: de wijk is gewoon een gezin. Welk gezin heeft niet wel eens een probleem in huis? Maar in een gezin kom je er altijd uit: als ik vandaag ruzie heb met mijn vrouw, en ik blijf drie dagen somber of boos, dan komt het niet goed.' Of dan ligt er iets anders onder: 'De wijk is eigenlijk precies hetzelfde. [...] Als je boos blijft, dan wordt het steeds slechter. [...] Die jongeren, die kunnen het niet alleen doen.'
P 49
Een andere respondent scherpt deze boodschap nog verder aan: 'Als ik hier over praat… ik word er bijna een beetje emotioneel van: het hoeft niet zo te gaan! Het hoeft echt niet zo te gaan! Want we zijn Schilderswijkers! Of je nu uit Marokko of Turkije komt. We zijn nu Schilderswijkers. En zo voelen die jongeren zich ook. Maar door ze niet als Schilderswijkers te ... door ze als Turk of Marokkaan aan te blijven spreken, dan ... weg met dat 'Marokkaan!' Weg met dat 'Turk'! Het zijn jongeren, die nog nooit in Marokko zijn geweest. [...] we hebben het nu over de vierde, of vijfde generatie. [...] praat niet over Turken. Of over Marokkanen. Praat gewoon over jongeren. [...] Zo lang je ze zo blijft noemen, dan blijven ze zich zo gedragen. Dan komen ze er niet uit, zelfs. [...] Dat we ze gewoon als jongeren van Nederlandse bodem aanspreken. Dat is geen discriminatie. Dat zit er gewoon in, in onze mentaliteit. Ik ben van de tweede generatie. Mijn kinderen zijn derde generatie. [...] wanneer worden die nou eens gewoon behandeld? [...] Dat zou mooi zijn!’
6.2.5.
Kortom
En het belangrijkste, dat wat eigenlijk bijna iedereen die we gesproken hebben, ons meegeeft: dat is het steekwoord ‘samen’. Organiseer een dialoog. Ga in gesprek. Want: ‘we moeten samen bouwen aan de wijk. Vooral met bewoners zelf. Met ondernemers, met de gemeente. Met organisaties. En dan zouden we een Marshallplan moeten maken: waarin een toekomstperspectief voor werk voor jongeren geschetst wordt.’
P 50
7. Onrustige dagen
P 51
In dit hoofdstuk formuleren we zes verklarende perspectieven op de onrustige dagen tussen 11 en 15 augustus. Het zijn manieren of gezichtspunten om duiding te geven aan hoe bewoners en professionals in de Schilderswijk hebben ervaren wat er is gebeurd. En ook niet meer dan dat. Wel belangrijk, want deze verklarende perspectieven helpen om afwegingen te maken op basis van cijfers, observaties en onderbuikgevoel. Afwegingen bij wat zich toont, wat signalen betekenen. Maar ook afwegingen over het moment en de aard van ingrijpen, of juist niet. Risico’s zijn altijd situaties waarin veel tegelijk samenkomt. Ongetwijfeld zijn er veel meer dan zes verhelderende perspectieven. Wij benadrukken deze gezichtspunten, omdat naar ons idee soms wat weinig aandacht krijgen in beleid. Een aanmoediging dus om ook deze vista’s te verkennen. Het historische perspectief, bijvoorbeeld, de lange termijn. De geschiedenis van de Schilderswijk speelt een rol, niet alleen in het echt, maar ook in de verhalen en de nogal specifieke beeldvorming over de wijk in de media, die tot de dag van vandaag bepaalt wat heel veel mensen aan (negatieve) beelden in hun hoofd hebben als ze aan ‘Het Wijk’ denken (§ 7.1). Een klassieker is het stadssociologische perspectief, toegespitst op buurteffecten en de samenhang daartussen.
Dan gaat het al snel over de kwaliteit, de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van voorzieningen, hoe kansenontwikkeling werkt en stereotypering doorweegt (§ 7.2). Onrust en ongeregeldheden bekijken als een vorm van ‘straatpolitiek’ is niet zozeer een nieuwe, maar wel een gedurfd en vooral lonend perspectief. Het ziet de manier waarop jongeren zich uiten – relschoppen incluis – als een manier van politiek bedrijven, statements maken, laten merken dat je er bent. Ook al is de goegemeente niet zo gewend om die signalen als ‘politiek’ te beschouwen (§ 7.3). Als vierde perspectief wijzen we op de handhavingsopgave die altijd in wijken en buurten aan de orde is. Als er heibel is, maar eigenlijk nog veel meer van dag tot dag. Vanuit gemeentelijke gezichtspunt, maar ook volgens mensen die in de wijk werken en wonen. Handhaving als een vorm van onderhoud, zou je kunnen zeggen (§ 7.4). Als laatste perspectief onderstrepen we het belang om – in het verlengde van de
buurteffecten – vanuit wat wij ‘risicosituaties’ noemen, te kijken naar wat er in de Schilderswijk speelt. Niet, zoals meestal gebeurt, vanuit een risicofactorenperspectief, maar vanuit een situationeel interactieperspectief, zodat inzicht ontstaat in welke stapelingen van harde en vooral zachte factoren een voedingsbodem voor onrust vormen (§ 7.5). Tot slot stellen we de vraag of we nu naar onrust of rellen hebben zitten kijken (§ 7.6)
7.1 Een kleine sociale geschiedenis (vol onrust) De Schilderwijk is vermoedelijk de best gedocumenteerde wijk in Den Haag. Dat geldt voor cijfers die de gemeente zelf verzamelt, maar ook voor studies die over (delen van) de wijk zijn gemaakt. Veel kennis komt samen in het boek van Diederick Klein Kranenburg (2013). Op basis van tientallen interviews met oud-bewoners dook hij in de lange geschiedenis van ‘Het Wijk’. Bovendien berichten de media met grote regelmaat over wat er in de wijk gebeurt; of liever, over wat er misgaat. De Schilderswijk is, zoals Klein Kranenburg (2013) concludeert, nooit een paradijs op aarde geweest. Het gangbare beeld is dat van een ‘volksbuurt’: een arbeiderswijk met een stelsel van normen en waarden dat onmiskenbaar afweek van wat in de wereld buiten en in de burgermaatschappij bon ton was, zoals Van Doorn (1954) het fenomeen definieerde. Die eigen wereld zou in de jaren zeventig afgebroken zijn vanwege de komst van veel migranten in de wijk: de gastarbeiders en (later) hun gezinnen. Dat zou een proces van sociale neergang en culturele vervreemding hebben ingeluid, dat tot op de dag van vandaag doorklinkt in de herinneringen van (oud) bewoners van ‘Het Wijk’. Juist is die beeldvorming niet. Anders dan veel (oud-)bewoners aannemen, is de Schilderswijk nooit een homogene, hechte gemeenschap geweest waar mensen voor elkaar opkwamen en klaar stonden.
Klein Kranenburg toont juist aan, dat de inkomens- en andere verschillen enorm waren. Al sinds de vroege 20ste eeuw is de wijk gekenmerkt door een dynamiek van constante verhuismobiliteit. De mensen die het zich konden veroorloven, vertrokken zodra het kon. In de jaren dertig bijvoorbeeld naar de nieuwbouw rond het Zuiderpark. De anderen bleven achter – en ze waren er zich terdege van bewust dat ze in Den Haag woonden, maar niet van Den Haag waren.
P 52
De Schilderswijk was een doorgangsbuurt. En dat is het altijd gebleven. Net zoals volksbuurten in andere grote steden in de jaren twintig en dertig. Er woonden mensen die met hard werken de kost verdienden. Maar binnen die groep bestonden grote verschillen, niet alleen in wat men ‘had’, maar ook in wat men ervoor over had om het beter te krijgen: voor zichzelf en vooral voor de kinderen. Instituties als de kerken, de padvinderij en de sociaal-democratische SDAP waren groot en invloedrijk. Maar de armste inwoners vielen buiten die structuren: zij waren op zichzelf aangewezen. Zo gaat het met vrijwel alle vormen van hulp en nabuurschap: om geholpen te worden, moet je ooit iets terug kunnen doen. Die verwachting van wederkerigheid zit er eigenlijk altijd achter (en daarom biedt de Participatiesamenleving ook vandaag de dag geen soelaas voor de mensen die op diverse leefgebieden diep in de penarie zitten). De armste bewoners van ‘Het Wijk’ profiteerden niet of nauwelijks van de onderlinge steun en mogelijkheden voor opwaartse sociale mobiliteit. In de Schilderswijk was sprake van een heel fijnmazig stelsel van rangen, standen en verstandhoudingen, die van straat tot straat verschilden. Die scheidslijnen waren eerder nog immaterieel dan materieel. Alles draaide om normaliteit en fatsoen ten aanzien van gezinsleven en seksualiteit.
Om hoezeer je wilde lijken op de burgers buiten de wijk. Deels was ‘Het Wijk’ daarom een ‘moderne arbeiderswijk’, van mensen die hun best deden om de sociale ladder te beklimmen. Deels ook was het een ‘subculturele volksbuurt’ waar mensen zich afzetten tegen de burgerlijke buitenwereld. De verschillen – en daarmee de conflicten – tussen mensen zijn er altijd groter geweest en gebleven dan de overeenkomsten – juist in hun eigen beleving destijds. Verzet tegen de autoriteiten zat ingebakken in ‘Het Wijk’. Klein Kranenburg (2013) beschrijft in detail het kat-en-muisspel tussen politie en jongeren in de jaren vijftig en zestig. Het gemeentelijke beleid heeft het karakter van doorgangsbuurt versterkt. Voor veel mensen begonnen de welvaart en het vermogen tot zelfverbetering toe te nemen in de jaren vijftig. Als ze uit de Schilderswijk vertrokken, bestemde de gemeente de leeggekomen woningen voor mensen die niet meegingen in de vaart der volkeren. Omdat ze niet konden, of niet wilden; of door de gemeente werden aangemerkt als wezenlijk ongeschikt voor sociale stijging. Wacquant (2008) heeft dat proces van social dumping in combinatie met een terugtrekkende overheid pijnlijk precies beschreven.
Pas vanaf de jaren vijftig, vanwege de uitstroom en het gemeentelijke vestigingsbeleid, werd de Schilderswijk die ‘volksbuurt’, zoals Van Doorn het bedoelde. Met veel mobiliteit, ‘buurgroepen’ (zoals Klein Kranenburg (2013) ze noemt) met een sterke invloed van extended families, die erg zichtbaar waren in hun buurt, er de dienst uitmaakten en bepaalden wat de norm was op straat. Onderling sterk verbonden, zich zeer bewust van zichzelf als ‘de ander’ en daarom weinig meegaand als het over overheid en instituties ging. Zelfs de (steeds verder teruglopende) voorzieningen in de wijk konden op hun argwaan rekenen. De ‘buurgroepen’ stonden erbuiten, baseerden zich op het eigen netwerk, de eigen ‘subculturele bedding’. Deze ‘buurgroepen’ hadden lang niet altijd en in alle opzichten een positieve reputatie, integendeel. In de jaren zestig al bezorgden ze ‘Het Wijk’ een slechte naam in de Haagse buitenwereld. Terwijl van binnen hun sociale druk een ‘armoedecultuur’ in stand hielp houden. Er was sprake van ernstige vermogenscriminaliteit en veel geweld op straat. De periode na de kerst tot voorbij de jaarwisseling was in die tijd al berucht. Kerstbomen rausen, vreugdevuren op kruisingen en geweldpleging tegen brandweer en politie: ‘Vooral in de oude Schildersbuurt is het bar en boos toegegaan’, schreef de Haagsche Courant (2 januari 1960). En zo ging het bijna elk jaar.
De laatste dag van 1968 meldde de krant een ‘explosie van agressiviteit, vernieling en geweld’. Er werd brand gesticht, vanaf de daken werden flessen naar de politie gegooid, die al het beschikbare materieel moest inzetten. Behalve het waterkanon, want dat bleek eerder jaren averechts te hebben gewerkt, schreef de Haagsche Courant (31 december 1968), want het ‘roerig publiek maakt van het optreden een volksfeest’. Veel bewoners van ‘Het Wijk’ vonden het, aldus Klein Kranenburg (2013), een ‘verademing’ dat er nieuw bloed kwam in de buurt, nieuwe mensen met nieuwe manieren van doen. Die vrijgezelle, hardwerkende arbeidsmigranten, die konden meehelpen om de ‘armoedecultuur’ en de dominante positie van sommige ‘buurgroepen’ te doorbreken, waren misschien vreemde snuiters, maar wel medestanders in de ogen van nogal wat wijkbewoners. Ze maakten de Schilderswijk weer bijna net zo heterogeen als vóór de Tweede Wereldoorlog. Wat de ‘volksbuurt’ nekte, was de teloorgang van de oude netwerken van ‘buurgroepen’. Die werden kleiner, verloren geleidelijk hun dominante positie en uitstraling binnen de wijk. Niet zozeer vanwege de instroom van gastarbeiders, maar
P 53
vooral door de grootschalige sanering van de wijk in de tweede helft van de jaren zeventig tot aan het begin van de jaren negentig. Die dwong veel bewoners die zichzelf ‘echte Schilderswijkers’ vonden om te verhuizen. En mensen kwamen niet terug, omdat ze goede woningen aan de rand van de stad of in de randgemeenten hadden betrokken. Maar ook omdat de gemeente besloten had in de Schilderswijk nieuwe woningen te bouwen voor grote gezinnen met weinig geld. In dat profiel pasten veel migranten die hun families wilden laten overkomen uit het land van herkomst. Dat werd de Schilderswijk die we nog steeds herkennen.
7.2 Onrust in de wijk als sociologisch vraagstuk Vanuit een sociologisch gezichtspunt ‘construeren’ wijken in zekere zin hun bewoners. Net als die bewoners hun omgeving. Bepaalde mechanismen – in vakjargon ‘buurteffecten’ genoemd – bepalen hoe bewoners elkaar over een langere periode collectief beïnvloeden. Dat proces speelt op twee niveaus: een aantoonbare, feitelijke werkelijkheid én een verhalende werkelijkheid (Van den Brink, 2007).
kansenontwikkeling van buurtbewoners. Een van de belangrijkste institutionele contexten is de basisschool, maar bijvoorbeeld ook buurt- en inloopcentra, bibliotheken, laagdrempelige welzijnsvoorzieningen, dagopvang en poliklinieken. Niet alleen het aantal voorzieningen telt, maar juist de kwaliteit, de toegankelijkheid en de bereikbaarheid. Iets soortgelijks geldt voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving en de openbare ruimte (Visser, Bolt & Van Kempen, 2015). De gezondheidsverschillen tussen mensen in ‘goede’ wijken en ‘slechte’ wijken zijn gigantisch (RVS, 2020). Dat trekt bij grote groepen mensen een wissel op het vertrouwen in de overheid en dat leidt tot maatschappelijke onrust. Er is nog bijna geen onderzoek naar gedaan, maar de eerste aanwijzingen zijn er dat het hebben van een sterk sociaal netwerk ook bij arme mensen een goede voorspeller is van een gezond leven. Bovendien bestaat er een sterk verband tussen ‘slechte’ wijken, opleidingsniveau en gezondheid (Bovens & Wille, 2012). In die wijken wonen concentraties van laagopgeleide mensen en hun levensverwachting is lager, hun
Buurtbewoners, jong en oud, communiceren in sociale netwerken. Over kansen en beperkingen, over goede en slechte plekken, of over hoe het hoort, ambities die wel of niet kunnen, gedrag dat al dan niet wordt geaccepteerd. Normen spelen eveneens een belangrijke rol in sommige buurten, omdat buurtbewoners er onderling sterke opvattingen over wat goed, fatsoenlijk en normaal is op nahouden. Kinderen en jongeren krijgen veel mee van hoe ouders zich bewegen en handhaven in de wijk. En ze hebben zelf ook weer agency in de buurt. Binnen en tussen die netwerken ontstaan zo allerlei socialisatie-effecten in een wijk, met onmiskenbaar ook intergenerationele aspecten, zeker daar waar de (ervaren) collectieve daadkracht (collective efficacy) sterk is (Visser, Bolt & Van Kempen, 2015). Sociale desorganisatie is eveneens een bekend buurteffect. Er bestaat verband tussen ongewenst en/of delinquent gedrag en (industriële) economische ontwikkeling, hoge verhuismobiliteit, anonimiteit tussen buren, spanningen tussen etnische groepen, weinig lokale organisaties en kansarmoede onder jongeren. In wijken waarin de sociale samenhang zwak is, werken de mechanismen van formele en informele sociale controle minder. Het voorzieningenniveau hangt direct samen met de
P 54
gezondheid wordt op jongere leeftijd slechter, hun ziektebeelden verschillen (CBS, 2020). Wijken en hun bewoners kunnen lijden onder (impliciete) publieke stereotypering in de media of door overheidsorganisaties, gezagsdragers en politici. Dat kan gaan over de huidige bewoners, maar ook over de geschiedenis van de buurt(bewoning), over de bebouwde omgeving, de fysieke conditie van winkelcentra of de openbare ruimte. De kern van dit buurteffect, zoals Visser, Bolt & Van Kempen (2015) het beschrijven, is het ervaren van stigmatisering en dat correleert met de gezondheid en het welbevinden – ook van jongeren. Negatieve invloed dus op het zelfbeeld, de gezondheid én de concrete kansen van buurtbewoners. In de Schilderswijk spelen veel van deze buurteffecten, bij aanzienlijke groepen bewoners, terwijl het tegelijkertijd, aldus ‘Den Haag in Cijfers’, steeds beter gaat met de wijk. Maar hierdoor worden verschillen binnen de groep ook zichtbaar scherper. Met veel jongeren in de Schilderswijk gaat het goed, met sommigen minder en een belangrijke constatering is, dat die groep de laatste maanden vanwege de Covid-19 pandemie is gegroeid. Politici hebben het intussen vooral over gezondheidsrisico’s. Logisch, maar dat is niet het onderwerp dat jongeren in de leeftijd van 16 tot 21 jaar belangrijk vinden.
Wat hen raakt, is dat ze hun (bij)baan kwijt zijn, niet naar school kunnen, niet op vakantie, bij hun ouders zitten, geen uitzicht hebben op een eigen plek om te wonen, weinig inkomen hebben en dat de wijk voor hen nauwelijks voorzieningen biedt. Aan de overkant zien deze jongeren dat die maatschappij-van-gelijke-kansen, die samenleving-van-wie-echt-wil-en-doorzet-gaat-het-maken, voor hen vooralsnog weinig in petto heeft. Ook in Nederland is de sociale mobiliteit afgenomen en namen inkomensverschillen toe. Jongeren uit de Schilderswijk ervaren geen rechtvaardigheid, geen uitgestoken hand van de overheid, maar ongelijkheid, een kloof tussen mensen – leeftijdgenoten soms – die hoogopgeleid zijn en het hebben gemaakt en henzelf. Dat roept boosheid op, redeneerde Michael Sandel in zijn recente boek over de hedendaagse meritocratische maatschappij (Sandel, 2020). Een gevoel dat er op ze wordt neergekeken, want zij hebben ‘eigenhandig’ iets bereikt, zijn jou niets verschuldigd, daar hoef jij dus niet bij aan te kloppen, want jij bent degene die niet kon meekomen, de laagopgeleide loser.
In een eerdere studie liet Sandel (2012) al zien, dat in de neoliberale samenleving de hoogopgeleide elite zich terugtrekt in hun eigen ‘virtuele skybox’. Er is weinig contact met de rest van de maatschappij. Sandel (2020) noemt dat ‘meritocratische verwaandheid’: mensen die het gemaakt hebben, denken dat ze dat uitsluitend aan zichzelf hebben te danken en dat achterblijvers dat dus vooral aan zichzelf hebben te wijten. Verschillende studies laten daadwerkelijk zien, dat ook in Nederland hoogopgeleide respondenten meer vooroordelen hebben over laagopgeleide mensen dan over andere groepen die doorgaans slachtoffer zijn van discriminatie (zoals moslims en Turkse migranten, of mensen die arm, obees en laagopgeleid zijn). Deze laatste groep bleek het minst geliefd (zie bijvoorbeeld: Kuppens et al., 2018). Sandel (2020) verklaart vanuit deze mechanismen de actuele boosheid en polarisatie in de politieke en publieke meningsvorming. Centrumlinkse politieke partijen zijn zich meer gaan verbinden met de hoogopgeleide elite dan met de arbeidersklasse. Die keert zich hierdoor naar populistische, rechts-nationalistische of chauvinistische politici en partijen, die de wereld in eenduidig zwart/wit kunnen uitleggen, vanuit de idee dat ‘het volk’ de werkelijke macht representeert in een democratie (Rosanvallon, 2020, pp.
27-75), en die met graagte erkennen dat laagopgeleide, gewone mensen er bekaaid afkomen in de ‘diplomademocratie’ (Bovens & Wille, 2012) van overheid en politiek. Deze verschuiving is ook in Den Haag heel zichtbaar geweest bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2017.
7.3 Onrust en politieke identiteit De onrust en ongeregeldheden in de Schilderswijk hebben ook anderszins met politiek te maken. Relschoppen doet apolitiek aan, maar heeft vrijwel altijd een politieke betekenis. Rellen zijn ‘straatpolitiek’, aldus Kaulingfreks (2017). Zoals Jacques Rancière (1995) liet zien, draait politiek in de kern om het meningsverschil. Rellen zijn een vorm van ‘unruly politics’ (Kaulingfreks, 2015): geen bewuste (partij)politieke strategie om een maatschappelijke verandering te realiseren, maar een vorm van actieve ontwrichting waarmee mensen die zich politiek niet gerepresenteerd voelen, aandacht vragen voor maatschappelijke kwesties. Het gaat dan enerzijds over het gevoel dat geweld de enige manier is om gehoord te worden, anderzijds om de overheid te laten zien dat jongeren zich teweer kunnen
P 55
stellen. In rellen zitten altijd twee emoties, schrijft Kokoreff (2008): woede over onrechtvaardigheid en marginalisering, naast verlangen naar emancipatie en erbij horen. In haar analyse van de rellen in de Schilderswijk naar aanleiding van de dood van Mitch Henriquez toonde Kaulingfreks (2016) hoe jongeren zich buiten de gebruikelijke fatsoensnormen en het consensusmodel van de politiek bewogen en met controversiële en verstorende acties ‘straatpolitiek’ bedreven. Het was hun strijd tegen uitsluiting, marginalisering, racisme, islamofobie en bestaansonzekerheid. En hun manier om zich af te zetten tegen het institutionele politieke bedrijf, waarvan zij vinden dat het hen niet zag staan. Via de rellen oefenden jongeren in de Schilderswijk invloed uit, net als jongeren dat ook doen in raps of vlogs over onrecht en onrechtvaardigheid (De Roest, 2020). Ze maken zo een identiteit voor zichzelf; een politieke identiteit. Deze zienswijze op sociale onrust en rellen als ‘straatpolitiek’ onderstreept de breuk tussen groepen jongeren in de Schilderswijk, de politiek en het overheidsgezag. Over en weer is weinig begrip, respect, of neiging om een brug te slaan. Jongeren met een migratieachtergrond gaan nog minder vaak naar de stembus dan hun ouders. Voor Nederlandse politici is aan hen geen eer te behalen.
Politici verdiepen zich liever niet in de achtergronden van de onrust en ongeregeldheden en zodoende evenmin in de onderwerpen die deze jongeren aankaarten en belangrijk vinden. De jongeren – geboren en getogen in Nederland, met Nederlands als eerste taal en sterk georiënteerd op de Nederlandse samenleving – kunnen op hun beurt weinig begrip opbrengen voor de prioriteiten die Nederlandse politici op het ogenblik stellen. Het gevolg is dat jongeren de overheid en de politiek vooral als repressief en nietinclusief ervaren. Ze kunnen er niet op terugvallen, ze voelen zich niet vertegenwoordigd door de mensen, hun taal en de thema’s. In die sleutel staat ook het recente pleidooi van Pierre Rosanvallon (2020, pp. 248-250) voor ‘narratieve representatie’. Nieuwe manieren om te vertellen hoe politiek en democratie werken, vanuit het perspectief van wat individuele burgers actief kunnen bijdragen. Maar ook het organiseren van zichtbaarheid en waardigheid door burgers – jong en oud – door loting bij elkaar te brengen en te betrekken in politieke afwegingsprocessen en dialogen.
7.4 Onrust in de wijk als handhavingsopgave De Covid-19 pandemie heeft bijgedragen aan de onrust en ongeregeldheden tussen 11 en 15 augustus in de Schilderswijk. Dat zal niemand betwisten. Jongeren zijn hun (bij)baan kwijt, gaan niet naar school, zitten thuis bij hun ouders, konden niet op vakantie naar het buitenland, en ongetwijfeld zijn er meer belemmeringen te bedenken die het virus nu al bijna 10 maanden met zich meebrengt. De lockdownbeperkingen hebben, zo blijkt uit een review in The Lancet, een sterke psychologische impact, bij mensen in het algemeen en bij jongeren in het bijzonder (Brooks et al., 2020). Verder zijn er sterke aanwijzingen dat de lockdown tot agressie vanuit frustratiestress leidt. Jongeren kunnen niet meer doen wat ze voor ogen hadden. De doelen die ze wilden bereiken en verwachtingen die ze hadden, lijken verder weg dan ooit. Daar valt voorlopig niets aan te veranderen. Niemand heeft controle over de situatie en dat levert stress op. Agressief handelen geeft in deze context een gevoel van beheersing en autonomie: dat je toch iets hebt teweeggebracht (Leander et al., 2020). Het Sociaal Cultureel Planbureau wijst erop, dat op een aantal gebieden de psychologische impact van de Covid-19 pandemie ernstiger kan zijn bij laagopgeleide mensen, migranten mensen met een arbeidsbeperking en jongeren.
Dat is vooral met betrekking tot werk zichtbaar, omdat binnen deze groepen flexibele dienstverbanden in getroffen sectoren als de horeca en evenementenbranche relatief vaak voorkomen (Muns et al., 2020). Het inkomensverlies dat hieruit voortvloeit en op de langere termijn de littekeneffecten van verlies van werk en toekomstperspectief kan effect hebben op het psychisch welbevinden van met name deze groepen. Het aandeel mensen met een laag psychisch welbevinden is in de zomer van 2020 gestegen en die stijging zet vermoedelijk door (Maranger et al., 2020). Dat betekent dat bij deze groepen gevoelens van isolement en onzekerheid samenvallen met de ervaring geen kant meer op te kunnen vanwege geldgebrek. Mensen die mantelzorgen staan mede hierdoor onder extra zware druk (Den Boer, 2020). Ook op het gebied van onderwijs zijn vergelijkbare ontwikkelingen zichtbaar. Jongeren die een beroepsopleiding volgen (vooral de studenten aan de entreeopleidingen, die zonder startkwalificatie
P 56
zijn begonnen) ervaren druk en demotivatie vanwege een tekort aan stageplaatsen en leerbanen, met studievertraging tot gevolg en een beperkt toekomstperspectief (meer netwerk; diploma; werk; respect) voor ogen. Vanuit een handhavingsopgave gedacht is de Covid-19 pandemie niet alleen een katalysator van sociale onrust, maar ook een factor die ingrijpen compliceert. Vanuit de literatuur over crisisbeheersing is best helder wat zou moeten gebeuren, namelijk verwachtingen zoveel als mogelijk temperen en daar juist kwetsbare groepen zoveel als mogelijk in meenemen. Daarnaast is kalmeren bij frustratie, begrenzen bij intimidatie het devies. De lastige vraag is: hoe hard stel je grenzen in de praktijk? Nederlandse gezagsdragers zien dat doorgaans niet als hun core business. Het is een bekend gegeven, dat bestuurders de Mobiele Eenheid niet graag de wijk in zien komen. Maar wie ‘genadig’, ‘responsief’, ‘menselijk’ wil handhaven, moet glashelder zijn over waar in de publieke ruimte de strepen staan – en daar ook het goede voorbeeld in geven. In de literatuur over openbare-orde handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende stijlen van politieel handelen: hard versus zacht, repressief versus tolerant, reactief versus preventief, gericht op confrontatie of op consensus (Della Porta & Reiter, 1998; 2006).
Bij publieke vormen van protest en sociale onrust ligt het klassieke onderscheid (McPhail et al., 1998) tussen een escalated force-benadering en een negotiated management-benadering. In het ene geval gaat het om gefocusseerde aandacht voor riot control: hard, repressief, reactief, op confrontatie gericht, quasi paramilitair, met ondersteuning van technologie, inzet van geweldsmiddelen en bevoegdheden. In het andere geval is de aanpak meer gericht op samenwerking en communicatie tussen politie en betrokkenen, alsmede op een zekere tolerantie ten opzichte van relatief geringe verstoringen van de orde. De laatste jaren wordt in de praktijk een range van strategieën toegepast tussen beide polen, waarbij zowel meer aandacht bestaat voor handhaving van mensenrechten en toepassing van principes van community policing of wat in Nederland gebiedsgebonden politiezorg (met principes van ‘kennen en gekend worden’, multicultureel vakmanschap, of inzet van bejegeningsprofielen) wordt 25 Er is een omvangrijke en interessante literatuur op dit gebied. Een veelbelovend en empirisch goed getoetst
theoretisch kader biedt de Situational Action Theory van Per-Olov Wikström, die stelt dat een ‘action is not a result of the person (propensities) or the setting (environmental inducements), but the situation (the perception-choice
genoemd, maar tegelijkertijd ook doelgericht en hard wordt ingegrepen op strategische personen en processen in dreigende situaties van onrust en rellen (strategic of selective incapacitation: Noakes & Gillham, 2006; Wahlstrom, 2011). Wat het ingewikkeld maakt, is dat handhaving van de openbare orde feitelijk natuurlijk niet alleen over optreden bij incidentele situaties gaat, maar tevens een continu proces is – ook in een context als de Schilderswijk.
7.5 Risicosituaties Onrust broeit lang, voordat ongeregeldheden opvlammen. Achteraf laat zich dat altijd best netjes reconstrueren. Voorafgaand is het ook te zien, maar lastig te beoordelen. Deels heeft dat te maken met dat we risico’s als factoren beschouwen en niet als situaties. Risicofactoren hebben als voordeel dat ze doorgaans aardig meetbaar zijn, maar het nadeel is dat we niet goed weten hoe we de situationele samenhang tussen factoren moeten duiden. De ‘scripts’ laten zich nu eenmaal veel moeilijker vaststellen: daar is systeeminformatie (big data) bij nodig, maar juist ook interpretatie door mensen die dicht op de situatie en context zitten, het verhaal van die situatie en context kunnen lezen, bijna aanvoelen waar risico’s mogelijk samenkomen op een bepaald moment (zie bijvoorbeeld: Moors & Dückers, 2016). 25 Zoals dat in de Schilderswijk gebeurde, tussen 11 en 15 augustus. Een risicosituatie is de stapeling van hardnekkige sociale problematiek (werkloosheid, armoede, multi-problematiek in gezinnen), gekoppeld aan twee andere fenomenen. Ten eerste bezuinigingen op outreachend werken, of eerder nog het terugtrekken op kerntaken en hierdoor de geringe inzet op sociale cohesie en verbinding, bij woningcorporaties, preventief buurt- en jongerenwerk en niet in de laatste plaats de politie in de wijk (IJ&V, 2020).
Het andere fenomeen is de geringe responsiviteit van overheden en uitvoeringsorganisaties, waar een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer zich op het ogenblik over buigt. De Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen poneerde onlangs de vuistregel, zoals de Volkskrant het samenvatte: ‘dat zo’n 80 procent van de burgers geen problemen met de overheid heeft, maar dat de 20
process that arises from the person-setting interaction)’. Zie bijvoorbeeld: Wikström & Treiber, (2017) en Wikström, Treiber & Hardie (2018).
P 57
procent die dat wél heeft, zelden maar één probleem heeft. “Dan stapelt het zich van jeugdzorg tot schulden en toeslagen.” De overheid kijkt volgens Van Zutphen te veel naar het eigen beleid en de organisaties die dat uitvoeren en te weinig naar de burger die met al die loketten te maken heeft, terwijl die juist centraal zou moeten staan.’ Daar groeit onbegrip en onvermogen om met overheden in gesprek te blijven: met grote woorden, een ‘democratisch gebrek’. Tel hierbij op dat het maatschappelijke en politieke debat over de inrichting van de multiculturele samenleving hard wordt gevoerd, met scherpe kritiek op het integratiebeleid en een gepolariseerd islamdebat. De invasieve en continue invloed van sociale media mag hierbij niet onvermeld blijven. De door McLuhan ([1964] 1994) geschetste medium is the message-werkelijkheid in optima forma: het live streamen van 'gebeurtenissen', events, en dus ook rellen door de jongeren zelf, heeft een enorme aantrekkingskracht en dito bereik in zijn eigen 'niche'. Dat werkt mobiliserend. Zowel op anderen (jongeren, omstanders). Maar werkt ook door in de reguliere media, die op hun beurt het lokale nieuws 'verheffen' tot serieuze gebeurtenis (Bekkers et al., 2009; Bekkers et al., 2011). Zeker in relatie tot (de potentie van) grootschalige spanningen en escalatie is deze invloed nauwelijks te overschatten.
Al was het maar omdat ze de escalatie van onrust en ongeregeldheden snel (kunnen) escaleren. Uit het SCP- rapport Werelden van Verschil (2015) bleek dat veel jongeren een grote afstand ervaren ten aanzien van de Nederlandse samenleving. De onlangs verschenen SCP-studie Ervaren discriminatie in Nederland II (2020) verhoogt de feestvreugde niet. Vergeleken met vijf jaar geleden ervaren ongeveer net zoveel inwoners van Nederland discriminatie, namelijk 27%. Er is sprake van een opmerkelijke groei in omvang en ernst van ervaren discriminatie in het onderwijs. Ook ervaren mensen (vergeleken met 2013) meer discriminatie op grond van geslacht en lichamelijke beperkingen. Voor Turkse en Marokkaanse Nederlanders geldt dat niet, want die blijken minder discriminatie te ervaren dan in 2013, maar zijn in 2020 wel nog steeds de groepen waar de meeste discriminatie wordt gevoeld, in het bijzonder zo laten de cijfers zien onder jongeren (Andriessen et al., 2020). De gevolgen van ervaren discriminatie zijn groot: mensen kunnen zich terugtrekken uit de samenleving, het vertrouwen verliezen in instituties of afhaken als het om onderwijs of werk zoeken gaat.
Het institutionele vertrouwen ligt in Nederland nog steeds hoog, na een fikse dip rond 2015. Dat betreft trouwens in het bijzonder de politie (Schaap, 2018, pp. 278-292). Volgens de Vertrouwen- en Reputatie Monitor die de politie eind 2018 liet uitvoeren, stijgt het vertrouwen van burgers in de politie (maar daalt overigens het vertrouwen dat politiemensen in hun organisatie hebben). Vertrouwen, onbehagen en pessimisme zijn niet gelijk verdeeld over bevolkingsgroepen. Opleidingsniveau doet ertoe, bijvoorbeeld, leeftijd ook, geslacht veel minder. Hoe hoger het inkomen, hoe minder onbehagen. Mensen met weinig of modaal inkomen zijn pessimistischer dan mensen met een hoog inkomen of juist bijna niets te besteden. Lager opgeleiden hebben minder vertrouwen dan hoger opgeleiden, maar ze hebben weer meer vertrouwen in de private dan in de publieke sector, waar dat bij hoger opgeleiden andersom is. Jongeren hebben over het algemeen meer vertrouwen en zijn minder pessimistisch dan ouderen, vrouwen minder dan mannen maar als het over publieke en private instituties gaat juist weer wat meer dan mannen. Mensen met een migratieachtergrond wantrouwen vaker andere mensen, maar hebben meer vertrouwen in banken en grote bedrijven dan mensen met een westerse of Nederlandse achtergrond.
Hetzelfde beeld geven grosso modo de cijfers over onbehagen en pessimisme: wantrouwen gaat gepaard aan zowel meer onbehagen als meer pessimisme, vooral met betrekking tot publieke institutie. Gegeven die tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen in het vertrouwen en gezien de verbanden tussen vertrouwen met zowel onbehagen als pessimisme, concludeerde het CBS onlangs, net voordat de Covid-19 pandemie in Nederland hard toesloeg, liggen maatschappelijke spanningen voor de hand (Schmeets & Exel, 2020; zie ook Kuppens et al., 2019). Hoe precies de causale verbanden lopen tussen vertrouwen, onbehagen en pessimisme blijft vooralsnog een ‘well-tossed spaghetti’ (Putnam, 2000, p. 137). Maar er zijn onderstromen vol boosheid en wantrouwen jegens de overheid. De onvrede van burgers in het algemeen en van jongeren met een migratieachtergrond in het bijzonder neemt toe. Hun ‘Unsicherheit’ – een term van Zygmunt Bauman – groeit eveneens: onzekerheid die een diep gevoel van onveiligheid geeft, waar groepen mensen zich – in hun eigen buurt, de buurt die zij als eigen ervaren – bedreigd voelen door invloed en ingrijpen van buitenaf, door verlies van terrein, vrij letterlijk, en van zeggenschap, omdat ergens waar je niet bij kunt iets besloten of gedaan wordt dat jou raakt (Van Dijk & Moors, 2018). Dit kluwen van onzekerheid, onveiligheid, onbehagen,
P 58
wantrouwen en pessimisme trekt een wissel op de relatiegerichte manier waarop overheden verbonden willen zijn bij wijken als de Schilderswijk (Van Dijk & Moors, 2018). En als dan ook nog aan de legitimiteit van de overheid (en haar besluiten) wordt getwijfeld, of dat die wordt ontkend, dan zijn we een eind van huis. Ook ons onderzoek wijst uit dat er in de Schilderswijk breed verspreide, serieuze gevoelens leven van er niet bij horen, niet kunnen bijbenen, uitsluiting, achterstelling of achterstand. Die teruggaan op de steeds ingewikkelder opgave om iemand te zijn in de Nederlandse samenleving: een groots identiteitsvraagstuk dat tegelijkertijd zo pijnlijk klein en individueel is: wat denk je dat anderen denken dat je waard bent? Deze zomer bovendien gecombineerd met een deemsterende onzekerheid en een almaar meer omfloerst toekomstperspectief vanwege de Covid-19 pandemie. En boosheid, of onbegrip op zijn minst, over de manier waarop de overheid hiermee omgaat en niet voldoende afstemt op wat jongeren op dit vlak bezighoudt (Han et al., 2020; Nisa et al., 2020). Sandel maakte dat punt onlangs in een interview met de Volkskrant (18 september 2020): het moet minder gaan ‘over stijging op de maatschappelijke ladder en meer over waardigheid van arbeid. Dan heb ik het niet alleen over loon maar ook over maatschappelijke erkenning en waardering.
De coronacrisis heeft laten zien hoe afhankelijk we zijn van mensen die vaak over het hoofd worden gezien. Denk aan bezorgers, medewerkers van kinderdagverblijven, kassamedewerkers. Mensen met ‘vitale’ beroepen. We klappen voor ze. Maar we moeten dit moment gebruiken om te kijken hoe we kunnen zorgen voor meer respect voor het werk dat zij doen.’ Want volgens Sandel moeten we toe naar een samenleving waarin ‘alle burgers, ongeacht hun economische positie, worden gerespecteerd voor de bijdragen die ze leveren aan het algemeen welzijn, of ze nu naar de universiteit zijn gegaan of niet. Waarbij alle burgers een gevoel van zelfrespect hebben, omdat ze zien dat de samenleving hen respecteert. Ik denk dat dit een alternatief kan zijn voor de hardere meritocratische samenleving die ons uit elkaar drijft, die onze samenleving polariseert en die hoogmoed bevordert onder succesvolle mensen en vernedering en wrok onder de rest.’