RIS308731 Bijlage 1
Tekst van het document
En dan wordt het met de politie en de ME gekanaliseerd. Maar dat hadden we aan de voorkant moeten regelen.'
P 23
3.1.5.
Overeenkomsten en verschillen: de ‘verzuilde’ Schilderswijk
Als respondenten het ergens echt over eens zijn, dan is het wel over het beeld van de vele initiatieven, die (prima) naast elkaar kunnen bestaan. Het sociale weefsel is vooral op de eigen groep gericht: 'dat past ook wel in het beeld dat veel groepen naast elkaar leven en in eigen kring emanciperen.' Anderen stellen: 'Het zijn eilandjes.' Of: 'er [is] maar weinig samenhang. Of maar heel deels. [...] Het heeft voor een deel - heel plat met geld te maken. [...] Zodra er ergens trammelant is bij een Stichting, dan splitst het zich op in twee stichtingen. En die beconcurreren elkaar voor een deel.' Zo is een bonte lappendeken van allerhande initiatieven te vinden in de Schilderswijk: je hebt 'vrouwengroepen die moeders helpen, je hebt mannengroepen. Dan zie je wel de verzuiling. [...] dat is ook de religie. Als er wat georganiseerd wordt, als je dan ziet hoeveel mensen daarop af komen, dan is de sociale cohesie heel groot. Als er in mijn straat iets georganiseerd wordt, nou, ik zie nog niet veel mensen met een glaasje wijn op straat staan.' Dat heeft naast solidariteit in eigen kring, een aantal andere voordelen: 'iedereen heeft zijn eigen achterban. [...] Maar, de een is wat professioneler dan de ander.' En het heeft ook een negatieve consequentie: 'Er zijn heel veel manieren om wat subsidie te krijgen bij de gemeente.’ Kleine partijen willen daar natuurlijk gebruik van maken.
Om de twee straten heb je wel een buurtvereniging. Dat is op zich heel goed. Maar het nadeel is, dat het ook een wildgroei is. Dat maakt dat het ook voor de bewoners wat onoverzichtelijker.
3.1.6.
Kortom
Samenvattend, zo stellen respondenten vast: voor de langere termijn is er in de Schilderswijk vooral meer behoefte aan 'samen'. In de zin dat er onderling tussen al die goede initiatieven nog beter samengewerkt gaat worden. Maar vooral ook in die zin, dat de werelden binnen en buiten de Schilderswijk elkaar nog beter leren begrijpen.'Dat we [in overdrachtelijke zin] meer de wijk uitkomen. En dat anderen de wijk inkomen. Dat we de wereld vergroten.'
3.2. Scène 1, 2de bedrijf: een lente & zomer in drie acten [vrij naar:] Het Goede Doel: ‘Waar kan ik heen? Ik kan niet naar [Scheveningen]. Kan niet naar [Scheveningen] daar zijn ze zo streng. [...] Waar kan ik heen. Ik kan niet naar [het centrum]. Kan niet naar het centrum, want daar gaat het te goed. [...] En ik wil weg uit [Schilderswijk], want hier krijg ik het benauwd. [...] Is er een plaats tussen de sterren waar ik heen kan gaan?
Acte 1: Een lente vol Corona De ‘intelligente lockdown’ slaat ook Schilderswijk niet over. In maart en april staat het openbare leven zo goed als stil. En als je je daar niet aan hield: ‘groepsvorming [werd] tegengegaan. Hier in de wijk houden ze toch al niet zo veel van samenscholingen.’ In de ‘systeemwereld’ is het helder dat er misschien toch iets ‘moet’: ‘We hebben via Teams bij elkaar gezeten. Ook ver voor de onrust. Allemaal mooie ideeën, maar ook allemaal eilandjes. [...] Maar activiteiten voor 16+, dat is eigenlijk niet gebeurd. Dat is vergeten.’
Acte 2: een zomer van (niet) naar het strand, (niet) naar het zwembad De zomer van 2020 is de zomer van de Corona-crisis. Het dagelijkse leven is voor veel Nederlanders een sleur: ‘Ik herken wel het beeld van verveling. In de compact gebouwde Schilderswijk met kleine portiekflats en drie, vierkamerwoningen. Waar vaak:‘hele gezinnen van zes, zeven, soms wel tien mensen wonen.’ Dan wil je als jongere wel naar buiten. Je moet naar buiten. Hangen op het plein. Want je kan niet op vakantie: ‘Niet naar Turkije. Niet naar Marokko.’ En in maart en april kon je sowieso niet naar buiten. Nu kan dat wel. Dus: waar ga je naar toe? Lastig: ‘Er is die beeldvorming rond de Haagse Markt ('allochtonen gedragen zich niet'). Dus misschien niet naar de Haagse Markt. [...]’ Naar het strand, dan? ‘Jongeren [konden] ook niet naar het strand [...], omdat daar ook een schietpartij was geweest. Ook daar werden ze geweerd.’ Niet meer naar het strand, dus. Verkoeling zoeken in het zwembad, dan? ‘Ze konden niet naar het zwembad, want daar hebben ze de afgelopen jaren een boel narigheid veroorzaakt met de badmeesters, dus ja, het is een beetje een optelsom. [...]’
P 24
Acte 3: meedoen aan een van de activiteiten in het buurthuis (maar in de zomer niet) De Schilderswijk is een actieve wijk. Volgens sommigen staan er meer dan 400 stichtingen ingeschreven in de wijk. En zijn er minstens 100 actief. Is er een veelvoud aan activiteiten. Maar niet als je ouder dan 15 jaar bent: ‘Momenteel is er in het centrum veel gericht op jeugd tot 16 jaar. De oudere leeftijdsgroepen, daar is wel iets, maar niet georganiseerd. Er is geen echt aanbod. [...]. Op die leeftijd moet je met een andere trigger komen. Dat gebeurt nauwelijks.’
***
3.2.1
Perspectieven in en van de wijk
Deze zomer van 2020 is 'anders dan anders', met name door corona. In maart en april ligt het openbare leven stil. Verveling slaat toe: 'Verveling, niks te doen, heet buiten. Dan gebeurt er van alles.' En: 'dan is er zó veel verveling: het leven is lamgelegd.' Ook als het openbaar leven weer op gang komt, is de zomer niet als alle andere zomers: zo is het onmogelijk om (ver) op vakantie te gaan. Kunnen ze ook niet naar school en naar het werk. En hebben ze – vaak – minder inkomen en kansen.
georganiseerd: door samen te voetballen, bijvoorbeeld door Stg2Gather. Ook kon je stage lopen bij de politie. Maar waar het echt om gaat, zo stelt deze respondent, is dat je contact met elkaar moet maken: 'Toen heb ik gezegd tegen die jongeren: ik heb nu best een lijntje naar de politie, waarom gaan jullie geen kennis met ze maken? Ik heb ook wel andere dingen te doen. Dus heb ik de politie [...] met jongens in contact gebracht. Binnen een week heb ik ze in mijn zaaltje bij elkaar gebracht. [...] Dat zou meer moeten gebeuren.'
3.2.2.
Perspectieven van professionals
Boetes vanwege corona hebben ook impact op de verhouding tussen politie en jeugd. In de beleving van de politie is er in de Schilderswijk bewust zeer terughoudend opgetreden. Ook voor het uitdelen van coronaboetes geldt dat: er is niet of nauwelijks geverbaliseerd. Maar een aantal respondenten heeft dat niet zo ervaren. In elk geval is er sprake van groeiende frustratie en irritatie bij de jeugd. En daar, waar er voor jongeren tot 16 jaar eigenlijk een flink aantal activiteiten is, is dat voor oudere jongeren nauwelijks het geval. Professionals hebben wat minder beeld bij welke zomeractiviteiten voor de oudere jongeren (boven de 16) georganiseerd kunnen worden: 'Het beleid is nu … actiepunten zijn wel genoteerd, maar er is geen aanpak gemaakt. Ik zou namelijk al vroeg in het jaar activiteiten gaan opbouwen. Die continuïteit hebben. En in de vakantie nog wat extra's. Zodat er een extra prikkel is, om mee te doen. En dan gericht op 16+.'
Dat is ook een van de perspectieven uit de wijk. Jongeren zweven: 'Ze hebben weinig houvast. Ze worden niet serieus genomen door de gemeente, door de politie. Ik heb zelf de moeite genomen om die jongeren zelf in contact te brengen met de politie. Tijdens de ramadan was het ook namelijk ook erg warm. En toen gebeurde er ook van alles. Is het aardig tekeergegaan.'
Behalve de beleidsfocus op de jongeren tot 16 jaar, is er ook simpelweg minder budget in en voor de wijk: 'Mijn beeld van de afgelopen jaren, is als ik terugkijk, dat door het stoppen met de wijkenaanpak, dat soort zaken dat is er gewoon niet meer. Dus de hoeveelheid middelen om iets voor de wijk te doen, dat is nu dus ook best beperkt. Die positie als achterstandswijk, als Vogelaarwijk, die is er niet meer. Dan zak je toch wat weg in 'stedelijke aanpakken', ja, dan krijg je het gewoon niet rond.'
In de lente en in de zomer is er weinig te beleven. Dat leidt tot rondhangen. In de zomer is er eigenlijk ook al af en toe sprake van vervelende overlast. En dan blijkt dat het persoonlijk vakmanschap van de betrokkenen de situatie kan breken, of, zoals in dit geval, maken: […] 'op het plein is het ook een beetje uit de hand gelopen. En ben ik benaderd door de gemeente en de politie of ik daar iets mee wilde doen. En ik heb best iets voor elkaar gekregen om twee keer per week een sportactiviteit op het plein te organiseren.' Nu worden er in de zomer al met wat meer regelmaat activiteiten
En dus is het zaak om in samenhang activiteiten te ontplooien. Waarbij een aantal professionals aangeeft dat het belangrijk is, dat jongeren zelf hierbij betrokken worden: 'Ik zie [...] gewoon dat jongeren bereid zijn om mee te praten. […] ik roep jongeren dan ook echt op om van de inspraakmogelijkheden die er zijn, om daarvan gebruik te maken. Vervolgens is het dan aan de bestuurders om daar ook het geld voor vrij te maken.'
P 25
Dat kan overigens alleen in samenhang gebeuren, zo stelt een aantal professionals vast: 'Als ouders om wat voor reden dan ook hun rol niet pakken, dan moeten we als maatschappij, als docenten, als maatschappelijk werk, als gezinscoaches […] zorgen dat die jongeren klaargestoomd worden. […] Is dat hun schuld? Nee, want ze worden soms geboren in omstandigheden waar ze niks aan kunnen doen.'
3.2.3.
Wat is er voor jongeren (of de buurt) te beleven?
Het aanbod aan en voor jongeren van 16+ is, zo zagen we, beperkt. Deels door corona, maar deels ook zeker niet. Veel van het gemeentelijke welzijnswerk is erop gericht om jongeren tot 16 jaar te activeren. In die periode is er ook echt veel contact: 'voordat ze 16 waren had je veel interactie.' Dan doen ze mee aan sport- en buurtactiviteiten. In het algemeen zijn er weinig, dan wel minder activiteiten voor de categorie jongeren van 16+. Dat is niet zo zeer gerelateerd aan corona of aan de zomer van 2020. Dat heeft ook een consequentie voor de mogelijkheid om contact met deze jongeren te onderhouden, stelt een aantal professionals. Want, als ze wat ouder worden, 'dan spreek je ze eerst een keer in de maand nog eens. Daarna eens in het halfjaar. En daarna zie je ze niet meer. Dan hoop je dat je ze genoeg hebt meegegeven… dat is eigenlijk wel de grootste teleurstelling in mijn werk. Als iemand die een groot talent bij je was, als die dan toch het verkeerde pad kiest.' Het huidig aanbod is – in de ogen van professionals – te veel gericht op de jongere jeugd. En het is bovendien te veel gefocust op het bieden van activiteiten. In de ogen van de meeste professionals vergt het bereiken van oudere jongeren een fundamenteel andere aanpak, dan voor de jongere jeugd: 'Een gemeenschappelijk doel stellen: samen sporten kan een middel zijn. We gaan nu aan de slag met volwassenen.
Dat is iets nieuws: levenslang sporten.' Weer andere professionals zien meer in een aanpak waarin perspectief op werk, op studie, op een stage hand in hand zou moeten gaan met een activerende aanpak met rolmodellen, een aanpak die proactief, outreachend is. Een aanpak die doorgaat, ongeacht of het zomer of winter is.
weten over deze jongeren. Weten we genoeg? Nee! Dan worden de jongerenwerkers en de wijkagent naar buiten gestuurd, om een beter beeld te krijgen. En dan komen we over 6 weken weer bij elkaar. En dan zeggen de jeugdwerkers: 'we hebben gesproken met deze jongens, maar ze lopen iedere keer weg.' En dan zeggen ze: 'misschien moeten we hen verleiden met zaalvoetbal.' En dan zeggen wij: 'da's goed. Zaalvoetbal!' Als een middel om met hen in contact te komen. Dan krijg je een beter beeld. [...] en dan proberen we ze bij een openstelling van een buurthuis te krijgen. En zo gaat het verder: hebben we ook zicht op de jongere broertjes? Dan zijn we al maanden verder. En bouwen we een steeds beter beeld op: kunnen we ook activiteiten voor de jongere broertjes verzinnen? [...] Hebben we contact met de ouders? Kunnen we hen ergens bij betrekken? [...] willen [ze] soms een moestuin? Of misschien willen ze wel buurtvader worden. Dan gaan we dat regelen. En we kijken naar school. [...] Onze ambitie is eigenlijk om niet in te steken op overlastgevende jongeren, omdat je beter kan voorkomen dan genezen. [...] Om zo het pedagogisch klimaat van de buurt te verbeteren. Zo ga je aan de slag.'
3.2.4.
Kortom
In de lente en zomer van 2020 is het door Corona sowieso al wat lastiger om activiteiten voor jongeren te organiseren. Waardoor we zien dat verveling onherroepelijk toeslaat. Voor jongeren tot 16 jaar wordt er – zodra dat kan- weer het nodige georganiseerd. Maar we zien ook dat het aanbod voor jongeren van 16 jaar en ouder er heel wat minder is. Deels door een bewuste focus op de leeftijd tot 16 jaar. Maar deels ook, omdat er eigenlijk wat minder zicht is wat die 'oudere jongeren' nu zelf zouden willen. En om dat echt te achterhalen, is nog directer contact met buurt en jongeren nodig.
Om dat te realiseren, is het zaak om echt in contact te komen met de buurt. Of liever nog: een schaalniveau dat nog net wat kleiner is. En dat is iets dat ook best ingewikkeld en complex is. Of liever: dat vraagt echt om een –langdurige – tijdsinvestering en betrokkenheid: 'dan komt iemand van het stadsdeel, van de gemeente, wijkagent, jongerenwerken, woningcorporatie soms. Dan delen we wat we
P 26
4. De aanloop
P 27
4.1 Scène 2: De brandkranen gaan open Het KNMI over de maand augustus: ‘Augustus was zeer warm met in De Bilt een gemiddelde temperatuur van 20,4 °C tegen 17,5 °C normaal. Nog nooit eerder telden we zoveel tropische dagen achter elkaar in De Bilt. [...] Het weerbericht van 11 augustus: ‘MinTemp: 20°C, MaxTemp: 35°C. Er komt geleidelijk meer vocht in de lucht. Het zal drukkend, plakkerig warm aanvoelen [...]’
richting baldadigheid.’ Langzaam wordt de sfeer wat grimmiger. De politie neemt eerst een kijkje, spreekt jongeren aan.
Acte 3: Overlast begint te ontsporen Er dan gaat het snel: ‘Dit jaar liep het van dat ene kraantje uit, tot rellen.’ Zo begint een kat- en muisspel. Maar dan op scooters. Maar daarover later meer.
***
Acte 1: En dus gaan de kranen gaan open Een weerbericht liegt niet: half augustus is het dus warm in de Schilderswijk. Of eigenlijk, gewoon bloedje heet. Drukkend. Klam. Dus ben je op zoek naar verkoeling. Op zoek naar een verzetje. En dus draai je op een gegeven moment een brandkraan open: ‘een soort van amusement voor de lokale kinderen, dat dan eigenlijk door de oudere jongeren beschikbaar wordt gesteld.’ Een Haagse traditie, bovendien. ‘Ik ben geen Hagenees, maar ik hoor van iedereen dat 'als het warm is in de wijken, dan gaan de brandkranen open. Adri Duijvestein kon zich dat ook nog uit zijn jeugd herinneren.’24 En: een brandkraantje opendraaien […] geen haan die ernaar kraaide.’ Deze nazomer is het anders dan anders: ‘omdat het nu in een periode gebeurde, dat veel mensen normaal in het buitenland zouden zijn, was het nu wel een stuk frequenter.’
Acte 2: Hoe het van ‘geinen’ naar ‘kat en muis’, naar overlast gaat Eerst gaat de brandkraan open. Elkaar nat spatten. Hé, als we nou eens zakjes met water vullen? En die naar elkaar gooien? ‘En wat er dan gebeurt, dan halen ze emmertjes. En dan worden fietsers nat gegooid. En als er dan een auto voorbijkomt, en zijn ramen staan open, nou, dan krijg je een emmer water naar binnen. Dat keur ik dus niet goed. En de ouderen, die keuren dat ook echt af.’ Zo verandert ‘een soort van amusement’ langzaam van karakter, en: ontaardde in een soort van bewuste actie
4.1.1.
Perspectieven in en van de wijk
Eigenlijk is het voor niemand uit de wijk een verrassing, dat er brandkranen opengedraaid worden. Den Haag kent immers een enorm lint van brandkranen, waarvan de traditie wil dat die in de zomer opengedraaid worden: 'als het warm is in de wijken, dan gaan de brandkranen open.' Het gebeurt vaker, zo vertelt bijna iedereen die wij spreken. Maar: in augustus is het echt 'bal'. Ook mensen van buiten de Schilderswijk herkennen dit beeld: 'Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Laak. Daar gebeurde het ook. Het gebeurt in heel Den Haag.' Iedereen is het er ook over eens, dat dit opendraaien van de brandkranen symbool staat voor de gebeurtenissen, overlast en rellen die er uiteindelijk volgen: 'Het begon voor mijn gevoel met het opendraaien van de brandkranen.' Iemand anders stelt nuchter vast: 'En inderdaad, het is gewoon waar: dan worden de brandkranen opengedraaid. En nou ja, dan loopt dat uit de hand.' Of, zoals een ander zegt: ‘Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Laak. Daar gebeurde het ook.’ Hoe zoiets gaat, daar heeft de respondent ook wel een beeld bij. Het gaat stukje bij beetje, stapje voor stapje. Waarbij iedere afzonderlijke stap weinig betekenis heeft, maar – indien in 'goede' volgorde geplaatst – het wel uiteindelijk tot een uitbarsting komt: 'Ik denk zelf dat de wijze waarop de politie gereageerd heeft, dan wordt er toch een jongen opgepakt, dat is
24 Adri Duivesteijn (Den Haag, 1950) is een Nederlands politicus. Namens de Partij van de Arbeid was hij lid van de
Eerste en Tweede Kamer. Ook was hij wethouder in Den Haag en Almere. In zijn actieve carrière heeft hij zich onder andere ingezet voor de stadsvernieuwing van de Schilderswijk.
P 28
echt een kenmerk van de wijk: het is een hechte gemeenschap, ze zijn heel erg met elkaar. Dan zou het zo maar ook eens een reactie kunnen zijn. Omdat het iemand is die ze kennen, uit hun vriendenkring, die is opgepakt. Dat laten ze niet zo gemakkelijk toe.'
En dan komen ze van buitenaf: 'hé, in Den Haag gebeuren leuke dingen.' Nou, in mijn jeugd [en ik ben nu 63], gebeurde dit ook wel. Alleen, wij hadden ontzag voor oom agent. Dat hadden wij nog. [...] het bleef bij het opendraaien van de waterkranen. [...] En nu: de jeugd is wel veranderd.’
Hoe het speelt op sociale media Vergelijkingen met de Schilderswijk ‘vroeger’ worden veel gemaakt, twee kanten op. Aan de ene kant: brandkranen opendraaien en de straat op gaan is van alle tijden, dat is traditie. Er is niet zoveel mis mee en het heeft bovendien niets me etniciteit te maken.
Toch, zo stelt een aantal respondenten, is er een connotatie met 'uit de hand lopen': 'In mijn tijd, ik ben nu 40, maar toen ik 16 was, was het opendraaien van een brandkraantje heel normaal. Net als 'rellen rond nieuwjaar.' Wie had de grootste brandstapels? [...] Het is niet geordend. Het begint met een brandkraantje. Dat wordt op een gegeven moment een relletje.'
Aan de andere kant: brandkranen opendraaien deden wij vroeger ook wel eens, maar dat was anders, vrediger. Toen wat het gewoon leuk, nu lijkt het sneller uit de hand te lopen en wordt het in sommige gevallen zelfs gewelddadig.
4.1.2.
Op de eerste en tweede dag is er eigenlijk nog niet zo heel veel aan de hand. En wordt er links en rechts aangesproken en ingegrepen: 'Ik liep met een aantal buurtvaders door de wijk, terwijl we zagen dat een brandkraan opengedraaid werd. We hebben ze aangesproken. En uitgelegd, dat ze dat niet moesten doen.' De jongens reageren: 'maar we hebben niets te doen.' Maar, verderop is toch een buurthuis, zeiden we. 'Dat is niet open, daar is niks te doen.' Dus het probleem begint – deels – met verveling. Maar verveling, dat trekt ook anderen aan: 'En daaromheen zitten een aantal wat oudere jongeren. Die gingen foto's en filmpjes nemen en delen via sociale media. En je weet: sociale media gaat de wereld rond. Dus toen wist iedereen: 'in de Schilderswijk, daar is wat te beleven! Zullen we daarnaartoe gaan?' Maar langzamerhand verandert dat 'spelen met water' van karakter: 'Daar hadden ze […] een waterkraan opengedraaid. En wat er dan gebeurt, dan halen ze emmertjes. En dan worden fietsers nat gegooid. En als er dan een auto voorbij komt, en zijn ramen staan open, nou, dan krijg je een emmer water naar binnen. Dat keur ik dus niet goed. En de ouderen, die keuren dat ook echt af. En dan komt op een gegeven moment de politie in actie. En dan voelen ze zich 'groter dan...' En dan krijg je dat soort dingen. Op zich hebben ze dat heel snel in de kiem gesmoord.
En dan gaat het zich verplaatsen.
Perspectieven van professionals
'Het [begon] allemaal met de watertappunten. Wat een beetje, een … een traditie wil ik het niet noemen, maar het gebeurt vaker in Den Haag... het is warm. Er is behoefte aan verkoeling en aan amusement. En dan draai je de brandkraan open. En ik begreep dat dit van een soort van amusement voor de lokale kinderen, dat dan eigenlijk door de oudere jongeren beschikbaar wordt gesteld, ontaardde in een soort van bewuste actie richting baldadigheid.' Een van de respondenten stelt vast, dat het pas vlak voor de uitbarsting helder was, dat het wel eens erger kon worden, dan een beetje kattenkwaad: 'dat was op een woensdagavond, voordat de rellen begonnen. En daar zei een wijkagent en een jongerenwerker, die daar ook aanwezig waren: 'het is wel heel onrustig in de wijk; er is overal gedoe met brandkranen.' Dus daar begon het, volgens mij.' Hoe zoiets langzaamaan, haast ongemerkt kan ontsporen, vertelt een andere respondent: 'In dit geval, ik praat maar op basis van mijn gevoel, ze draaien daar de waterkranen open en daar wilden ze een paar uurtjes mee geinen. En als dan daar door de politie een eind aan wordt gemaakt, dan vinden ze dat natuurlijk niet leuk. Wat je heel veel ziet: ze draaien 'm hier op de hoek dicht en dan gaat-ie twee straten verder weer open. Dat vinden ze natuurlijk niet leuk. En dat is dan ook het spelletje dat ze spelen. Kat-en-muisspel. Tuurlijk.
Dat is het eigenlijk altijd.'
P 29
4.1.3.
Perspectieven van (en over) politie
In het begin is het nog mogelijk om mensen aan te spreken. Dat doet de politie dan samen met de Buurtvaders, bijvoorbeeld. Maar iets later is het al ingewikkelder om jongeren aan te spreken: 'En nou ja, dan loopt dat uit de hand. Ik denk zelf dat de wijze waarop de politie gereageerd heeft, dan wordt er toch een jongen opgepakt, dat is echt een kenmerk van de wijk: het is een hechte gemeenschap, ze zijn heel erg met elkaar. Dan zou het zo maar ook eens een reactie kunnen zijn. Omdat het iemand is, die ze kennen, uit hun vriendenkring, die is opgepakt. Dat laten ze niet zo gemakkelijk toe.' De politie op haar beurt, heeft zich voorgenomen om vooral de-escalerend op te treden. Dat geldt ook voor de ME, die in eerste instantie in vredestenue door de wijk gaat. Maar het wordt hen niet gemakkelijk gemaakt:
'Wat ik begrepen heb van jongerenwerkers, is dat jongeren steeds meer de grens hebben opgezocht. Het begon met het gooien van waterzakjes. Naar auto's die langsreden. Een dag later waren het eieren. En toen werden het stenen.' En in het begin wordt er daarop niet hard ingegrepen: 'Ik heb toevallig ook, [...] van jongerenwerkers gehoord dat er geen grens werd getrokken.' Sterker nog: 'ik heb het zien gebeuren, dat eieren naar een politieauto gegooid werden. En die auto reed gewoon door! Zo hebben de jongeren steeds meer ruimte genomen, te veel ruimte gekregen misschien ook.' Politieagenten zelf zien, dat de onrust, die in eerste instantie begon met eigen jeugd uit de wijk, al heel snel, zelfs op de eerste avond al, een aanzuigende werking had 'op jeugdigen in zijn algemeenheid. [...] En dat zo langzamerhand verschoof.'
4.1.4.
Van kattenkwaad naar erger
Dan wordt het via sociale media opgeblazen en is het langzaamaan 'bal': 'Er waren echt jongeren die ermee bezig waren. Vooral via sociale media, via Snapchat. Die anderen opriepen van: “kom!” [...] Iets wat als een geintje begonnen is, loopt uit op iets ergs. Dat is echt niet leuk voor de wijk. Het plaatst de Schilderswijk in een slecht daglicht.'
4.1.5.
De media en het beeld over de Schilderswijk
Als je in Limburg over de Schilderswijk praat, dan weten ze gelijk wat de Schilderswijk is. Dan hoor je 'getto' en 'criminaliteit', zo legt een respondent het ons uit. De Schilderswijk heeft al een slechte naam. Staat 1- 0, 2 -0 achter. Dat zijn woorden, die vaker uitgesproken worden. En toch, zo stelt een respondent vast: dat is niet de Schilderswijk: 'Terwijl ik er woon, ik weet wat het is. Het is absoluut niet de wijk die in de media beschreven wordt. Maar zo is de wijk eigenlijk helemaal niet: mensen onder mekaar. Er zijn 36 verschillende nationaliteiten in de wijk. En die leven met elkaar. En ze voelen zich allemaal Schilderswijkers. Marokkanen, Turken. Het is heel hecht, dat maakt het mooi. Het Blauwplein, waar ik werk. Als je daar kijkt, welke jongeren daar allemaal rondhangen? Marokkanen, Turken, Antillianen, Joegoslaven, Somaliërs, Eritreeërs. Van alles bij elkaar. Zij zorgen – tussen haakjes – voor overlast. Ze zeggen: we worden niet serieus genomen door de gemeente, door de politie.'
P 30
4.1.6.
Kortom
Eigenlijk is het heel eenduidig: dat wat als een lolletje begon met het opdraaien van brandkranen, en begint met waterpret, verandert heel langzaamaan door de tijd. Traag maar gestaag. Stapje voor stapje. En geleidelijk van (katte)kwaad tot erger. Waarbij iedere afzonderlijke stap weinig betekenis heeft, maar – indien in 'goede' volgorde geplaatst – het wel uiteindelijk tot een uitbarsting komt. Maar daarover later meer.
4.2. Scène 3: Buurtoverleg één (dinsdag) Setting: bureau Hoefkade Aanwezig: ‘Politie, gemeente Den Haag, Dunea, buurtvaders, Buurt Preventie Teams (BPT’s) en jongerenwerkers.’ Op maandag is de sfeer nog gemoedelijk. Dunea moet al wel wat vaker samen met de politie brandkranen gaan dichtdraaien. Wijkbewoners roepen: ‘laat die kinderen toch spelen in het water!’ ‘De systeemwereld’: ‘Zo’n enorme verspilling van water: dat moeten we met elkaar toch niet willen?’ Bovendien is er schade aan panden en moet je oppassen voor gezondheidsrisico’s. Agenten suggereren dat afsluiten gemakkelijker gaat als er buurtvaders bijstaan. Ah! Interessant! Al vrij snel staan er enkele tientallen toeschouwers om zo’n kraan heen. Je moet toch wat. Op dinsdag gaat het snel: ‘Toen kregen we te horen dat er een aantal in de wijk bezig is met brommertjes die met sleutel van kraan tot kraan rijden.’ Dus contact met de politie: om de personen die bewust kranen opendraaien te achterhalen en aan te houden. En dus is er op dinsdag een bijeenkomst met de netwerkpartners: vertegenwoordigers van politie, welzijnspartners en het stadsdeel. Om het probleem van het opendraaien van de brandkranen te bespreken. Want het worden er steeds meer.
Jammer genoeg haalt een aantal deelnemers het einde van de vergadering niet: ‘Tijdens die bijeenkomst moesten de vertegenwoordigers van Dunea weer weg om weer kranen af te sluiten.’
***
Tijdens het eerste Buurtoverleg zien we feitelijk een verschil tussen leef- en systeemwereld ontstaan. Over één ding is iedereen het eens: onrust en rellen, dat wil niemand. Maar hoe die te voorkomen, dat is ingewikkelder. Zo wordt er ook verschillend aangekeken tegen het opendraaien van de brandkranen. Een deel van de aanwezigen stelt zich op het standpunt, dat het opendraaien van brandkranen
P 31
vanwege de droogte in de zomer sowieso onwenselijk is. Brandkranen opendraaien kan vanuit perspectief van watermisbruik niet worden toegestaan. Voor anderen is het vooral een traditie en 'gevoel van entertainment' dat geleidelijk aan omgebogen moet worden. Tegelijkertijd is het beeld over het opdraaien van de brandkranen ook aan het kantelen. Een deel van de kranen wordt inmiddels bewust opengezet om iets van een reactie uit te lokken. Ook geeft Dunea aan dat zij haar werk – het dichtdraaien van de brandkranen – niet meer in veiligheid kan doen. Daarbij worden ze sterk gehinderd. Maar wat te doen?
4.2.1.
4.2.2.
Kortom
Tijdens het eerste buurtoverleg is er (nog) de hoop dat de onrust in de wijk rond de brandkranen te 'managen' is. Waarbij er wel een verschil van inzicht zit, waarom dit zou moeten: wat voor de een nog 'entertainment' is en omgebogen moet worden, is het voor de ander vooral een risicoschatting. En een verspilling van water, die 'in deze tijd van droogte' niet kan. Maar dat de kranen dicht moeten, daar is men het wel over eens.
Beleving van politie, handhaving en wijkgroepen
In eerste instantie wordt inderdaad een beroep gedaan op de buurtvaders: 'Ik denk dat allerlei partijen best in contact met de wijk staan. Denk maar aan de buurtvaders. Die staan echt in contact. En dan worden ze wéér opgetrommeld. Moeten ze het wéér oplossen. Ik weet niet of ik er nog aan meegedaan zou hebben. Maar ze doen het!' Maar geleidelijk aan is het ook niet echt meer aan de buurtvaders: 'een aantal jongeren wilden [de buurtvaders] bekogelen met eieren of weet ik veel wat. Omdat ze [hen] niet kenden, maar dat onze jongeren zeiden: 'nee, niet hen, dat zijn onze buurtvaders.' Op de dinsdag gaat het snel: 'Je moest natuurlijk in een heel korte tijd opschalen. Ik denk dat de driehoek hier wel door verrast is. [...] ik denk dat het door de driehoek wel onderschat is, dat dit kon gebeuren.'
P 32
5. Het verloop
P 33
5.1. Scène 4: ME in vredestenue Acte 1: Hooligans Dunea is het zat. En geeft na twee dagen van gedoe nu echt aan dat de brandkranen dicht moeten. Want de schade aan de openbare ruimte loopt op. Niet gek ook. Ook de sfeer wordt grimmiger. Op maandag en dinsdag worden ‘blanke mannen met tattoos gezien die continu bij de kranen stonden en liepen te opruien. Ze riepen steeds ‘douchen, douchen!!’’ Een opvallend beeld. Als dat eerste echte opruien is gebeurd, dan trekken zij zich terug. Dan verschijnen er jongeren op scooters. Want het gaat inmiddels razendsnel op sociale media. Na een post kan het een uurtje later als een uitslaande veenbrand fel opvlammen. En ontstaat langzaam een kat-en-muisspel. Een evenement. Hét evenement: ‘omdat er niets anders te doen was.’
Acte 2: Hoe het eigenlijk langzaamaan elke keer een beetje erger wordt Een jongere vertelt hoe zoiets gaat: ‘Aan de Breukelstraat is het begonnen. Als grapje werden er brandkranen geopend.’ Daarna wordt het baldadiger: ‘Portieren werden opengedaan. Gasten die in een Mercedes of Cabrio zaten, wagens van 50.000 euro. Als je water gooit over de elektronica, dan heb je toch wel een schade van 5 tot 10.000 euro.’ Je zou denken: dan ontstaat al snel boosheid: ‘Maar men stapt niet uit. Wat verstandig is, want als ze uitstappen en de confrontatie zoeken … Ja, wat ga je doen tegen 100 man. Dan vang je gewoon rake klappen.’ Hoe ga je die jongeren nu in bedwang krijgen?
Acte 3: toch maar de judogreep? Datzelfde vraagt ook de politie zich af. En ook zij stellen vast, dat een beetje meebewegen wellicht genoeg is. Dus trekt de ME bewust, nadat het voor de eerste keer tot ongeregeldheden komt nog niet in vol ornaat ‘in vredestenue’ de wijk in. Om vooral de-escalerend te werken. Waar mogelijk werkt de ME nauw samen met politie, buurtvaders en ‘sterspelers’ om (kleine) brandjes te blussen.
Maar: ‘dan komt op een gegeven moment [toch] de politie in actie.' Logisch in de ogen van een groot deel van de respondenten. Maar het heeft in tweeledig opzicht effect: 'Dan voelen ze zich “groter dan...” En dan krijg je dat soort dingen.’ En bemoeien ook anderen zich ermee: ‘dan gaat het zich verplaatsen. En dan komen ze van buitenaf: 'hé, in Den Haag gebeuren leuke dingen.'
***
5.1.1.
Perspectieven
In de afgelopen dagen is 'vermaak' zo langzamerhand steeds verder richting overlast en relletjes gekropen. Als een kikker in de pan, waarbij het water steeds een graadje warmer wordt, raakt de wijk langzaamaan zijn kookpunt. De sfeer wordt steeds grimmiger.
5.1.2.
Beleving van mensen die wonen of werken in de wijk
En het begon nog zo leuk. Iemand laat ons een filmpje op zijn smartphone zien. Hij was gaan kijken bij een brandkraan die opengedraaid was. Daar was het heel gezellig. ‘De politie lette op dat er geen kinderen onder de auto’s liepen, want het was gewoon aan de grote weg. Iemand had een fles shampoo gehaald van thuis. Moet je zien hoeveel schuim!’ Langzamerhand verzamelen zich echter steeds meer mensen rond de opengedraaide kranen. En wordt een beroep op de regelkracht van de wijk gedaan: ‘Ik werd gebeld dat er een groep van 60 jongeren om de hoek [...] stond. Ik wist gelijk naar wie ik toe moest. Er waren ook vooral jongeren die niet uit de wijk kwamen. Hoe ze daar terecht zijn gekomen, dat weet ik niet. Via sociale media misschien. Ze waren dingen [...] aan het kapot maken. Ik riep: 'als jullie hier niet wonen, toen riep ik heel hard: 'oprotten! En de jongens die er wel [in Schilderswijk] woonden, die zeiden precies hetzelfde: oprotten, ga weg! Toen is het weer rustig geworden. Maar het had ook wel de andere kant op [kunnen] gaan. Ik heb ook gebeld met de politie: 'stuur maar geen auto, dan gaat het niet goed.' [...]
P 34
In de sociale media zien we het volgende Meestal worden de gebeurtenissen getypeerd als ernstig en onacceptabel. Maar er zijn ook mensen te vinden die zich positief uiten over de rellen: het is leuk (‘het was net een film’) of stoer (‘laten zien wie de baas is’). Daar tussenin zitten mensen die de rellen op zichzelf veroordelen, maar ze wel een logisch gevolg vinden van discriminatie en wanbeleid (er wordt niet naar Schilderswijkers geluisterd). De schuld of verantwoordelijkheid wordt vaak gelegd bij de ouders. Zij zouden hun kinderen niet goed hebben opgevoed en niet weten waar zij uithangen. Meerdere keren wordt dit gelinkt aan afkomst: in Marokko is het gebruikelijk dat ouders hun kinderen niet opvoeden, dat doen de politie en de leraar. Ze snappen niet hoe dat werkt in Nederland.
5.1.3.
protocol). Dan wordt die begeleiding wat opgeschroefd. Vervolgens helpen ook de buurtvaders mee. Tot op zekere hoogte wordt het dichtdraaien van die kranen zo ook steeds interessanter. En leidt dat ook tot meer publiek: uiteindelijk staat er een steeds grotere groep om zo’n kraan heen.
5.1.4.
Beleving van politie, handhaving en wijkgroepen
Want achter het eerder geschetste plezier van 'water en schuim' schuilt ook een andere werkelijkheid: een werkelijkheid waar 'blanke mannen met tattoos' hun aandeel in hebben. Maar ‘onvoldoende om daar op te kunnen doorpakken. Want zodra de kraan open was, stonden ze op afstand.’ Opvallend: de politie duidt enkele van de aanwezigen op basis van kleding, uitstraling en afkomst (autochtoon) aan als voetbalhooligans. Die zijn opruiend bezig. Dat gebeurt vaker: ‘dat is een bekend patroon.’
Beleving van sociale professionals en Dunea
Op het opendraaien van de brandkranen in zijn algemeenheid, daarop is wel geanticipeerd. Ook de professionals in de wijk beseffen, dat de bewoners van de Schilderswijk niet op vakantie kunnen, ze weten dat corona zijn effect gehad heeft, dat er verveling op de loer is, en dat, nu het weer mag, er veel mensen op straat lopen. Zoals een professional het stelt: 'Dat ging eigenlijk heel lang goed, maar vroeg wel aandacht. Enigszins op voorbereid, protocol met Dunea vernieuwd, afspraken gemaakt met politie. Volgens protocol gebeurt het afsluiten van de brandkranen met ondersteuning van de politie.' Dat gebeurt ook al gelijk op maandag. Maandag wordt er contact opgenomen met de politie. Dan is de sfeer nog gemoedelijk. Bewoners roepen wel, als de brandkraan dichtgedraaid wordt: ‘laat die kinderen toch spelen in het water’. De focus voor Dunea ligt echter op het tegengaan van verspilling van (zoveel) water. Verder zijn ze beducht voor kopieergedrag: dat willen ze voorkomen. In samenspraak met de politie wordt afgesproken dat het afsluiten 'gemakkelijker gaat als er buurtvaders bij staan.' Ook op dit punt ontstaat een klein actie-reactieproces: eerst worden de kranen dichtgedraaid door de professionals van Dunea met een enkele wijkagent (want:
P 35
Een van de functionarissen vertelt: 'Toen kregen we te horen dat er een aantal in de wijk bezig is met brommertjes die met sleutel van kraan tot kraan rijden.' Dat past in het patroon dat het niet meer om wat waterpret gaat, maar dat er nu bewust geïrriteerd wordt. Het begin van het kat- en muisspel neemt zo een aanvang. Want ook de politie wil wel optreden: 'het was de bedoeling was om de personen die bewust kranen opendraaien te achterhalen en aan te houden.' Op woensdag: 'zijn er in ieder geval 2 à 4 mensen aangehouden. Dit haalde de angel er even uit. Het was een signaal van: 'dit kan niet!' Het gaat om strafbare feiten en om het plegen van vernielingen.' Het vooral op zoek gaan van de jongeren naar de confrontatie: dat maakt indruk. Ook op de 'sociale professionals. Waarbij ze zelf een strikt onderscheid aanbrengen: er is een kleine, harde kern van relschoppers. En die moeten hard aangepakt worden. Maar daaromheen is er eigenlijk vooral sprake van een grote groep meelopers. Die moet je juist niet hard aanpakken. Dat is ook oproep van jongerenwerkers: het zijn wel 'onze Hoe het speelt op sociale media Online is er veel verontwaardiging over vermeende uitzonderingspositie van Schilderswijkers. Bijvoorbeeld over hoe de relschoppers worden genoemd (of niet worden genoemd) in de media.
Veel mensen vallen over het woord ‘jongeren’ en stellen dat de etniciteit expres bewust wordt genoemd door media en ‘linkse politici’. Ook lezen we dat de politie en ME wel hard ingrijpen tegen ‘oude, vreedzame mensen op het Malieveld’ (bijvoorbeeld bij de boerenprotesten, maar een week later ook bij het protest van Viruswaanzin), maar niet in de Schilderswijk tegen ‘agressief tuig’. Met name het Malieveld wordt vaak genoemd ter illustratie.
jongens'. Dus: ga in gesprek, in dialoog. Maar voor de harde kern, daarbij werkt dat niet: 'We kunnen wel met ze in gesprek gaan. [...] Dat heeft geen zin, die moet je aanpakken.' En daar helpt maar één ding tegen: optreden. De kop indrukken, de situatie normaliseren. 'Buiten' geldt het dat het 'rellen om te rellen' aan het worden is. Iemand zegt dat er een verkeerspaal door de voorruit van politiewagen is gegooid. Een bewoner denkt dat niet alle relschoppers uit de buurt zelf komen: 'Ze komen met name van buiten, want hier is de controle van de politie veel minder, hier kunnen ze hun gang gaan.' Maar hij heeft ook een duidelijke aanbeveling. En stelt dat de politie harder moet optreden: “In Turkije en Marokko is de politie streng en autoritair, hier vraagt de politie netjes of ze je ID mogen zijn. Jongeren luisteren daar niet naar.' Op dat standpunt staat inmiddels ook de politie: 'Onze inschatting was dat ook de inwoners van de wijk juist zaten te wachten op stevig politieoptreden.' Achteraf lijkt die inschatting te kloppen.
5.1.5.
Kortom
Eigenlijk is het spanningsveld dat in de wijk aan het opbouwen is, wellicht het fraaist verwoord door een barman (tijdens de straatgesprekken). Hij heeft een duidelijke verklaring voor het feit dat het vaak onrustig is in de Schilderswijk: 'Als je alle rommel in één buurt gooit, wordt iedereen vies en houd je geen schone handen.' En dan komt het moment dat je ook echt moet ingrijpen.
Er worden veel vergelijkingen gemaakt met andere landen: in het ‘land van herkomst’ (Marokko of Turkije), Wit-Rusland, Rusland, Spanje of Portugal zou de politie wel weten hoe ze met dit soort ongeregeldheden om moeten gaan. Maar hier in Nederland zijn het watjes. Een dominant idee is dat hard ingrijpen de enige oplossing is voor dit probleem, naast het feit dat het rechtvaardig zou zijn. Dat insinueert dat er met deze jongeren niet te praten is, dat ze buiten ‘ons’ normensysteem vallen. Soms wordt grof geweld (tot aan massamoord) aangeraden.
P 36
5.2. Scène 5: Scooters, vuurwerk en stenen Acte I: De omslag Op woensdag worden de kranen voor de zoveelste keer de kranen opengezet. Maar: Dunea en politie worden nu actief tegengewerkt en -gehouden, als ze een kraan willen dicht draaien. Enkelingen worden groepjes. Groepjes wordt ‘een groep’. De groep groeit. En dan staan er zo’n 200 tot 300 jongeren op straat. Scooters, wat auto’s. Veel loslopend volk. Schreeuwend, joelend. Filmpje, 13 augustus [Dumpert]: Duur: 0.24. Rechtopstaand beeld. Start: gejoel, geschreeuw. Dan rijdt een scooter door het beeld. Dwars op de weg staat een politieauto. Een schokkerige video, geschoten vanaf een mobieltje. Nog meer lawaai. Jongeren komen aanrennen. Nog meer scooters. Jongeren bereiken de politieauto en delen schoppen uit aan het chassis. De politieauto gaat keren. En rijdt hard weg. Gejoel en gejuich. Toeterende auto’s, scooters. Nog meer gejoel.’ [einde filmpje] 474.459 x bekeken. Het blijft niet meer bij eieren gooien. Eerst vuurwerk. Daarna stenen.
Acte 2: ‘we gaan live’ En dan gaat het echt mis op de Parallelweg: ‘Toen is een jongen live gegaan die daar was, door een live filmpje te plaatsen op Facebook. Dat filmpje had toen 2300 kijkers. En toen zijn jongens uit omliggende wijken, denk aan Spoorwijk, Molenwijk, Rijswijk, Escamp, ook gekomen. Dat heeft zich toen uitgemond op de Hoefkade. Er is zo’n platform op Facebook. Hoe heet dat ook alweer?’
***
5.2.1.
Perspectieven
weerlicht verplaatsen. De rol van sociale media bij dit fenomeen kan nauwelijks onderschat worden: Snapchat, Facebook Live en WhatsApp zijn de RTL4, NOS of SBS van dienst. En fungeren als een 'ideaal' middel van jongeren om zich voor te bereiden en zich ook te mobiliseren.
5.2.2.
De rol van sociale en 'gewone' media: beeldvorming
Inmiddels is Schilderswijk hard op weg om ‘Het Nationale Theater’ te worden. Maar dan met een heel eigen opvoering. Een bewoner vertelt: 'We zaten eerste rang. Echt eng. We durfden de lichten niet aan te doen, bang dat ze een steen door de ruit zouden gooien.' En van het 'bieden van vermaak aan jongere kinderen' is niets meer over. Dit zijn: 'bewuste relschoppers, die sociale media gebruiken om met elkaar af te spreken. Nergens bang voor. Weet je wat ze zeggen als je ze aanspreekt? Bel maar [de politie], ze zijn toch bang voor ons.' Waarbij – achteraf – blijkt dat ongeveer de helft van de aangehouden verdachten niet uit de Schilderswijk afkomstig is. Een jongere die erbij was: ‘Ik zag zeker jongeren uit de wijk, maar ook uit de omliggende wijken. En ook mensen uit Antwerpen en Rotterdam. Het doet er eigenlijk niet echt toe wie er was, en waar ze vandaan komen. Ze zaten echt te wachten tot de politie kwam om te gaan rellen.’ Het account 'van dienst' heet ‘Haagse Nieuws’ en het gebruikt Snapchat. ‘Het account dat die berichten plaatst, heeft een heel groot bereik. 10, 20 tot 30 duizend mensen die ernaar kijken.’ Wat daarop komt te staan, wordt vervolgens gedeeld in groepen op Facebook: ‘Dan is het veel langer te zien.’ Dan wordt het gepromoot door Dumpert: ‘en die hebben een groot bereik.’ Zo gaat Schilderswijk ‘viral’. Dan is het al snel groter dan de wijk.
En ontvouwt zich een proces, waarin jongeren elkaar oproepen om langs te komen. Via sociale media, via Snapchat. Met het zelforganiserend vermogen zit het goed: ‘Het is net een brandweerorganisatie. Het begint klein en binnen no-time is het opgeschaald. Iedereen filmt het, verstuurt het en dat triggert jongeren. Iedereen heeft wel een Vespa.’
Het heeft weliswaar even geduurd. Maar dan is de Schilderswijk 'voor de zoveelste keer' het toneel van rellen. Met brandende pallets op straat. Stenen die gegooid worden. Crossende scooters. Jongeren die af en aan rennen. Zich zo snel als het
P 37
Wat weten we uit sociale media? We weten dat sociale media een belangrijke rol hebben gespeeld in de mobilisatieprocessen onder onrust-stokende jongeren. In interviews, focusgroepen en in publieke berichtgeving, wordt telkens verwezen naar berichten op tijdelijke en/of besloten platforms, zoals Snapchat, Whatsapp of Facebookgroepen. Wat precies op deze kanalen heeft plaatsgevonden, is achteraf echter vrijwel niet te achterhalen. Berichtgeving op Snapchat is altijd tijdelijk van aard en tot besloten groepen hebben we geen toegang gehad. Toch vinden we in bronnen waar we wel toegang toe hebben, aanwijzingen voor de manier waarop mobilisatieprocessen online hebben plaatsgevonden. Filmpjes op Dumpert van rellen op de kruising Hoefkade/Vaillantlaan en een politieauto die lijkt te vluchten voor een groep onruststokers gaan binnen no time viraal. Er wordt verwezen naar livestreams van rellen via Facebook en naar snelle afstemming en coördinatie tussen en binnen groepen jongeren via Snapchat en Whatsappgroepen. Op openbare sociale media verschijnen sporadisch berichten waarin wordt gevraagd of er vanavond nog wat ‘te rellen valt’ in de wijk. Tegelijkertijd hebben ook de reguliere media de Schilderswijk 'ontdekt'. Zoals dat zo vaak gaat, stellen respondenten vast: 'Het is altijd de Schilderswijk. Laatst in de Stationsbuurt is er een aanslag gepleegd, een bom ontploft.
In de media staat dan: 'er is een bom ontploft in de Schilderswijk.' Maar dat is helemaal de Schilderswijk niet; dat is de Stationsbuurt! Dat is dan ook weer de rol van de media, dat ik denk: 'wees daar nou voorzichtig mee!' De Schilderswijk heeft een erg slechte naam. Maar er zijn wijken die veel meer aandacht verdienen en het slechter hebben.
5.2.3.
Moet de ME 'zijn jasje uittrekken?'
Alom is er verbazing over hoe snel zo veel jongeren ter plaatse kunnen zijn. En ook weer verdwijnen. Dat komt 'dus' door sociale media. En het maakt ook dat er een 'aanzuigende' werking naar andere jongeren uitgaat. Jongeren die wellicht nog wat meer op 'een verzetje' zitten te wachten. Zoals we eerder al hebben kunnen lezen, is
de ME is in eerste instantie in het 'vredestenue' de wijk ingegaan. Gekoppeld aan collega's van de politie uit de wijk. Als de sfeer grimmiger en grimmiger wordt, is het
besluit voor de driehoek helder: het wordt nu wel erg moeilijk om de boel nog te deescaleren.
5.2.4.
De ME gaat 'vegen'
Er wordt nog geprobeerd om de groep in te sluiten. Deze jongeren zijn echter ook niet van 'gisteren' en ze bewegen heen en weer in het gebied. Zo ontstaat een kat-enmuisspel met de politie: 'Wegschieten en dan weer ergens anders oppoppen. Begon op de Parallelweg, naar de Hoefkade en dan naar Vaillantlaan.' Ook worden brandjes aangestoken. En dan gaat het filmpje (zie: hierboven) rond waarop een terugtrekkende politiewagen te zien is: 'Dit gaf de indruk van ‘Wij zijn hier de baas’. ‘Wij hebben het hier onder controle’. De sfeer slaat nu echt om: op straat in de Schilderswijk zijn te veel jongeren en jongemannen aanwezig. Dunea en politie worden stelselmatig tegengehouden als ze de kraan dicht willen draaien. En er ontstaat ook steeds meer schade. En gaat het niet meer om eieren gooien, maar ook om stenen en om vuurwerk. Zelfs zo, dat de politie zich soms strategisch 'terugtrekt', zoals op het filmpje op Dumpert te zien is. In de wijk rijden nu veel jongeren op scooters. Voor de driehoek is het helder dat er nu ingegrepen moet worden. De Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden treedt in werking. Dit instrument zet de politie in als een situatie zonder geweld niet meer in de hand te houden is. Dan is het besluit daar: de ME’ers ruilen hun vredestenue in voor hun operationele tenue, dat wil zeggen, met helm en schild.
Een noodbevel wordt van kracht: 'Zodat je de wijk er niet inkwam als je er niet woonde. Ook werden scooters afgepakt als ze geen rijbewijs hadden.' De harde kern is ouder dan 17. Achteraf blijkt, dat van de 56 jongeren, die gearresteerd zijn tijdens de onrust zijn er slechts vier gearresteerden 16 jaar of jonger zijn. Het leeuwendeel van de arrestanten is tussen de 17 en 21 jaar oud.
5.2.5.
Kortom
Iedereen speelt z'n rol. Waarbij jongeren hun aandeel hebben. Waarbij de (sociale) media 'hun ding' doen. Waarbij na onrust rellen ontstaan. Waarbij het ontspoort. En de wijk niet zonder geweld gekalmeerd kan worden. En waarbij die rellen, op hun beurt een vaste wetmatigheid lijken te volgen: dat ze na drie dagen ongeveer afgelopen zijn.
P 38
5.3. Scène 6: Buurtoverleg twee Acte 1 : over-leg-gen over·leg (het; o) 1 nadenken: iets met overleg doen 2 het overleggen; = beraad: overleg plegen 2 over·leg·gen (overlegde, heeft overlegd ) 1 beraadslagen over 2 overwegen, overdenken Op donderdag is er, voor de tweede keer die week, een vergadering belegd. Het tweede crisisoverleg. Weer op de Hoefkade: ‘Nog meer mensen aanwezig. Ook waarvan ik dacht: hé, hoe kom jij daar binnen?’ Overleggen in de betekenis van ‘overwegen’ en ‘overdenken’, daar kwam weinig van terecht: het ‘was niet een gestructureerd overleg. [...] Er was op dat moment meer sturing nodig.’ Waarbij de een zei: ‘Laten we de jongeren die we kennen optrommelen, net als twee jaar geleden. Met een geel hesje aan [...]. En samenwerken met een imam of wijkagent, het zou mij een worst wezen met wie. [...]. Helaas: ‘Toen was dat ineens niet meer mogelijk, omdat ze dit niet mochten organiseren door verzekeringen of iets. Ik zag dat er niet meer werd doorgepakt.’ Zuchtend vervolgt hij zijn verhaal: ‘We hadden het uiteindelijk – geloof het of niet – over spelattributen die nu wel in de wijk zijn, en vroeger niet.’ Kortom: ‘donderdag was geen constructief overleg.’
Acte 2 : ver-ga-de-ren ver·ga·de·ren (vergaderde, heeft vergaderd) 1 (verouderd) bijeenbrengen 2 bijeenkomen (om iets te bespreken, om besluiten te nemen) Er moet iets gebeuren. Zoveel is duidelijk. Het ‘bijeenbrengen’, dat is gelukt. Maar besluiten nemen: dat mislukt. ‘Normaal gesproken zitten we redelijk op één lijn. Nu niet.’ Waar het aan ligt? ‘De groep was te groot. Dan riep de een: Weet je wat je moet doen? Waterspelen! Riep de ander: Doen we al.’ Niet dat er geen gedeeld beeld was dat ‘besluiten nemen’ echt nodig was: ‘Iedereen vond dat er iets gedaan moest worden.’ [...] Alleen: ‘Er was geen grip op hoe nu verder.’ En dat is ‘jammer’, zo vindt een aanwezige: ‘je [bent] meer bezig met de discussie onderling. Eigenlijk hoort zo’n vergadering maar
een kwartier te duren. Van: ‘Wat gaan we doen?’ Niet: ‘Hoe is het gekomen?’ Dat is evalueren, dat doe je achteraf. Nu moeten we iets gaan oplossen, de wortels eruit halen. Het leidt tot frustratie bij vrijwel iedereen die aanwezig was: ‘Ik wil niemand de schuld geven. Ik had het zelf ook kunnen doen [...] Er was te veel vrijwilligheid. [...] Maar dat is wijsheid achteraf.’
***
5.3.1.
Perspectieven
Over het tweede buurtoverleg, daar is eigenlijk iedere betrokkene het wel over eens: er was geen regie op de situatie. Te veel mensen aan tafel, met te veel verschillende ideeën over wat te doen. Er wordt ook niets besloten. Er was niemand die een knoop doorhakte. In zekere zin is het ook wel kenmerkend voor het sociaal weefsel en de andere professionals in de wijk. Het zijn er veel, mede waardoor de wijk een dekkend sociaal weefsel kent. Maar de samenwerking tussen partijen laat te wensen over.
5.3.2.
Heel veel partijen zijn actief
Het is echt al wel eerder gemeld: er is een breed scala aan allerhande partijen actief in de wijk. Variërend van de gevestigde welzijnspartijen tot kleinschalige initiatieven. Waarbij de kern van het sociaal weefsel bestaat uit een kern van wijkagenten, buurtvaders, OOV, het stadsdeel, de welzijnsorganisaties, het jongerenwerk en – vooral ook – de vele vrijwilligersorganisaties, die de Schilderswijk rijk is. Die vele vrijwilligersorganisaties, daarover gaat het veel in de gesprekken. Het is een zegen voor de wijk. Veel partijen zijn bij wijze van spreken ‘verzuild’ georganiseerd. Iedereen heeft zijn eigen specifieke achterban: 'Het sociale weefsel is wel erg op de eigen groep gericht. Dat past ook wel in het beeld dat veel groepen naast elkaar leven en in eigen kring emanciperen.' En: 'Het is en, en, en. [...] We hebben veel Turkse en Marokkaanse stichtingen. Die spreken de jongeren ook echt aan. Die organiseren indoor, en outdoor. […] Dan hebben we het welzijnswerk. Er zijn drie grote clubhuizen, even snel geteld. [...]. Daarnaast heb je ook nog kleinschalige clubjes. [...] er wordt echt van alles gedaan.' Het Stagehuis komt veelvuldig in de gesprekken voor. Dat fungeert als een
P 39
rolmodel in de wijk. Tegelijkertijd worden ook de religieuze organisaties genoemd als een factor van meerwaarde: 'in 2015 waren zij de eersten die met gele hesjes de wijk ingingen.'
Zonder werk of school kunnen we de jongeren niet helpen. Je moet die jongeren echt uit de koffiehuizen en sishalounges halen. [...]. En je moet geen 'mensen van buiten de wijk [invliegen] met een 9 tot 5 mentaliteit. Dat werkt niet.' Er wordt in de gesprekken vaak gepleit voor een andere aanpak, meer pro-actief, meer outreachend. Tegelijkertijd is het een beleidsafbakening: 'De doelgroep van 18-27 jaar valt niet binnen de doelgroep van welzijn. Dan moet je het hebben van werk of school. Die bind je niet met sport en spel. Welzijn zet zich in tot en met 18 jaar.' Ook anderen stellen vast: 'voor 16-24 jaar is er nog lang niet genoeg. Voor kinderen is er veel. [...] Enne, een 9 tot 5 mentaliteit… Ik zie de buurthuizen nog steeds dezelfde dingen organiseren als 15 jaar geleden. De tijd is nu anders.' Tot slot is er weinig zicht op een kleiner deel van de jongeren. Het jongerenwerk richt zich in het algemeen niet op de jongeren met een criminele achtergrond: 'jeugd die zich inmiddels professioneel bezighoudt met criminaliteit. Maar nog wel op straat rondhangt. Daar kan jeugdwerk eigenlijk niets meer mee. Maar voor ons is dat wel een aandachtspunt, omdat ze negatieve rolmodellen zijn voor andere jeugdigen. Wat we eigenlijk dan proberen, is dat we voor die groepen in de buurt dan zo'n netwerk opbouwen, dat we structureel iets doen aan zo'n probleem.
Dus dat je niet over drie jaar de jongere broertjes ook daar hebt hangen.' Voor jongerenwerkers is dat ook lastig: ze [hebben]vrij weinig invloed hebben op die jongeren. [...]. Omdat, zoals we eerder hebben kunnen lezen, jongerenwerkers soms gezien worden als het verlengde van de gemeente, of de politie. Dat maakt het voor hen ingewikkeld om daadwerkelijk in te grijpen.
5.3.4. 5.3.3.
Gericht op jongeren (tot 16 jaar)
Om kort te gaan: er wordt het nodige georganiseerd in de wijk. Veel activiteiten zijn gericht op jongeren. Ook zijn er veel initiatieven voor jongeren. Zo bieden organisaties groepsactiviteiten aan, vaak rond sport en spel; hebben ze een buurthuis; en bieden ze individuele begeleiding. Maar verreweg het meeste aanbod is er voor de doelgroep tot 16 jaar. Voor de doelgroep boven 16 jaar is er relatief weinig georganiseerd in de wijk. Niet iedereen is daar even over te spreken. Een ondernemer: 'De huidige aanpak is bezigheidstherapie. Ook goed, maar is geen serieuze aanpak.
De nadelen: een gebrek aan samenwerking
Maar aan die verkaveling kleeft ook een nadeel: 'Het grote voordeel is dat iedereen zijn eigen achterban heeft. Dat kan een voordeel zijn. Maar, de een is wat professioneler dan de ander. [...] Om de twee straten heb je wel een buurtvereniging. Dat is op zich heel goed. Maar het nadeel is, dat het ook een wildgroei is. Dat maakt dat het ook voor de bewoners wat onoverzichtelijker.' In de basis zit het sociaal weefsel vrij goed in elkaar. Er zijn voldoende partijen – eigenlijk misschien wel te veel – met ieder een eigen expertise, dan wel doelgroep en werkgebied. Het is breed, divers, heel betrokken en er is een dekkend aanbod. Nadeel is wel dat partijen op elkaars terrein zitten. En dat laat zich extra voelen sinds er vanaf
P 40
2018 ook een aantal bezuinigingen doorgevoerd zijn op het welzijns- en jongerenwerk in de wijk. Buurthuizen zijn minder open, en er zijn ook minder mogelijkheden voor activiteiten. Toch werken diverse partijen in de wijk met elkaar samen. Maar deze samenwerking is niet vanzelfsprekend en kan vele malen beter. Het is (nog) geen netwerk. Bovendien is er geen intrinsieke meerwaarde voor partijen om samen te werken: 'We werken samen. Als er wat moet gebeuren vanuit de gemeente, dan doen we dat samen. Als er geen regie is stopt de samenwerking en overheerst het eigenbelang.' En: 'Op belangrijke momenten kunnen we de handen in elkaar slaan, maar daarna is het weer ieder voor zich. Als het moet trekken we samen op. Verder doet iedereen zijn ding.’ Het netwerk is er dus feitelijk niet echt, als de gemeente dat niet proactief in stand houdt. Het sociaal weefsel wordt dan ook wel omschreven als 'eilandjes’ of als ‘versnipperd. Een belangrijke reden hiervoor is de financiële druk die welzijnsorganisaties – de gevestigde en kleinschalige vrijwilligersorganisaties – ervaren door het subsidiebeleid. 'We vissen allemaal uit dezelfde vijver. Iedereen moet zijn broek ophouden.' Dit maakt dat het eigenbelang van organisaties voorop staat, als er geen noodzaak tot samenwerking is. Daarnaast zijn t de verhoudingen tussen diverse welzijnsorganisaties niet optimaal.
‘Sommigen partijen kunnen niet door 1 deur.’ Of: die'[welzijnsorganisatie] krijgt miljoenen per jaar, en die organiseren helemaal niets.' Verder merken we enige distantie vanuit de wijk naar het sociaal weefsel toe: 'En daar zitten mensen uit Hendrik Ido Ambacht, die in driedelig pak vertellen, wat er in de wijk moet gebeuren. Maar hij komt helemaal niet uit de wijk.' Die gevoelde distantie (als in: 'hij komt niet uit de wijk’ wordt overigens ook soms genoemd in relatie tot de politie. Dat leidt soms tot enige wantrouwen tegenover professionals die niet uit de wijk komen: zij kennen de wijk niet, ze hebben er geen feeling mee en zouden dan ook niet goed weten wat goed is voor de wijk. Sommigen geven aan dat professionals de Schilderswijk als een goede carrièremove zien. Terwijl er bovendien gemakkelijker subsidies binnen te halen zijn. Althans, dat is het beeld: ‘Het [de Schilderswijk] is een springplank om meer subsidie binnen te halen voor de grote welzijnsorganisaties.’ Het sociaal weefsel wordt naast ‘los zand' ook wel getypeerd als ‘wespennest’.
Om de onderlinge samenwerking te verbeteren is, in 2019 de Haagse Tafel opgericht. Aan deze ‘tafel’ nemen partijen uit de wijk deel en er vindt afstemming plaats over 'welke partij wat doet in welk deel van de Schilderswijk.' Aan de Haagse Tafel is de wijk ingedeeld in vier segmenten en vindt verdeling plaats van activiteiten zoals sport en spel, dagbesteding, of outreachend werken. Partijen vinden dit positief: 'We kennen elkaar al langer, maar nu worden er ook praktische afspraken gemaakt. Wie doet wat wanneer. Ook met [een] kalender. Dit heeft partijen dichter naar elkaar gebracht.'
5.3.5.
De aansluiting met anderen
Verder valt op dat de kern van het sociaal weefsel vooral bestaat uit partijen die een groepsgebonden, dan wel wijkaanpak voor ogen hebben (social work). Organisaties op terrein van zorg die individuele hulpverlening bieden, werken samen als ketenpartners rondom concrete casuïstiek. Bijvoorbeeld: het Wmo wijkteam, Jeugd Interventie Team (JIT), maatschappelijk werk, MEE en politie. Maar dit netwerk – wel losse partijen hiervan – maken – zo lijkt het- geen deel uit van het sociaal weefsel: althans ze worden niet genoemd in relatie tot het versterken van de leefbaarheid en (sociale) veiligheid van de wijk en haar inwoners. De gebeurtenissen van augustus laten zien dat bewoners van de wijk ook deel uitmaken van het sociaal weefsel. Een deel van de bewoners sprak de jongeren – en hun ouders – aan. Zij waren oprecht boos en kwamen op voor de eigen wijk. Dat lijkt een trendbreuk te zijn ten opzichte van de situatie voor 2015. Toen leek het, alsof het de bewoners eigenlijk wat minder interesseerde wat er met of in de wijk gebeurde. Nu in ieder geval wel: ze waren het beu en lieten zich horen. Hoe het speelt in de sociale media Op sociale media vinden we enige afkeer tegen ‘subsidieslurpende’ instellingen in de Schilderswijk. Niet alleen van mensen die vinden dat de wijk sowieso geen aandacht verdient, maar ook van mensen die de wijk gunstig gezind zijn.
Ze vinden dat deze instellingen vooral letten op hun eigen bankrekening en er niet in slagen om echte verbinding te maken met de jongeren uit de wijk. De rellen zouden dit punt ondersteunen. Dit staat haaks op de claim van anderen, dat bezuinigingen op culturele activiteiten in de wijk de rellen juist zouden hebben veroorzaakt.
P 41
Het onderwijs is een opvallende 'afwezige' in het sociale weefsel. Het wordt door respondenten niet genoemd als een logisch deel van het geheel aan partijen, dat actief is in de wijk. Door enkele respondenten wordt dit wel als een gemis gezien. En zij pleiten dan ook voor het versterken en verbeteren van de samenwerking met het onderwijs. Vooral omdat onderwijs (en docenten) een cruciale rol kan spelen in het bereiken van de oudere jongeren (16+): 'jongeren vanaf 16, 17 jaar zijn de moeilijk bereikbare jongeren. Waar komen heel veel van die jongeren samen? Dat is op school.' Dus is het zaak om die twee werelden van jongerenwerk en onderwijs dichter bij elkaar brengen, zo stelt een aantal respondenten vast.