CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS308511 bijlage 1 def

Gemeenteraad 15 juli 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief aanbieding collegebesluit Nota’s van Uitgangspunten Dreven-Gaarden-Zichten21.226 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Collectieve binnentuinen als voortzetting van openbaar groen

Actieve plint Een intensieve bebouwing met hoogte-accenten leidt automatisch tot veel bergingen, logistiek en expeditie. Een zorgvuldige inpassing van deze functies verdient bij verdichting extra aandacht, zodat er zo min mogelijk onaantrekkelijke gevels ontstaan in de plint. Uitgangspunt is dat er altijd sprake is van een ‘uitnodigende, open gevel’ als onderdeel van de stedelijke laag, dat wil zeggen: alle functies op de begane grond hebben een toegang naar de straat én een woonruimte (woonkamer/ keuken/werkruimte) als het een woning is. De plint kent in principe geen gesloten gevels. Utilitaire functies (afvalpunt, pakketpunt, bergingen, fietsenberging, entrees parkeergarage), etc. moeten zorgvuldig worden ingepast en ontworpen en zodanig gepositioneerd dat rekening wordt gehouden met de stedenbouwkundige context en de betekenis van de openbare ruimte. Behalve woningen kunnen de plinten andere functies bevatten zoals kleinschalige bedrijvigheid, werkplaatsen, maatschappelijke voorzieningen, gemeenschappelijke ruimtes of ontmoetingsruimtes. Op de randvoorwaardenkaart is dat aangegeven als ‘voorzieningen’. Uitgangspunt is dat deze voorzieningen niet overlast gevend mogen zijn voor de woningen. Voor scholen is grondgebondenheid vereist en moet buitenspelen direct vanuit het gebouw mogelijk zijn.

Delfse stoep Voortuin

Omdat behoeftes en gebruik in de toekomst kunnen veranderen moet de stedelijke laag rekening houden met toekomstige veranderingen en aanpassingen van bouwonderdelen in de gevel en de indeling van de plattegrond. Uitgangspunt voor de actieve plinten is om een zekere ‘overmaat’ en flexibiliteit in te bouwen en een verdiepingshoogte waarin zowel woningen, kantoren als bedrijfsruimtes kunnen worden gehuisvest.

begane grond woningen krijgen een ‘Delftse stoep’..

..of een voortuin

33

Eigenaarschap Uitgangspunt is dat de openbare ruimte en de collectieve binnentuin door functies in de plint op een of andere manier wordt ‘toegeëigend’. Dat wil zeggen: bewoners hebben vanuit hun woning zicht op de openbare ruimte, bijvoorbeeld op hun spelende kinderen. De drempel is laag om vanuit je woning even voor je huis te gaan zitten op een bankje of vanuit je woning te zwaaien naar een passerende buurtgenoot. Dit uitgangspunt is essentieel voor het eigenaarschap van bewoners over de openbare ruimte en voor de sociale controle en de sociale cohesie. Die sociale cohesie is op haar beurt weer belangrijk voor het veiligheidsgevoel en de gezondheid van bewoners maar ook voor de buurteconomie en de leefbaarheid in de buurt, allemaal zaken die in Zuidwest nu niet goed functioneren. De mate van eigenaarschap hangt sterk samen met de programmering van de plinten, de oriëntatie van de in de plinten gelegen woningen en ontmoetingsruimtes en de toegankelijkheid van deze ontmoetingsruimtes en de buitenruimte vanuit deze woningen. Alle gevels aan de openbare ruimte en de binnentuinen gaan op de een of andere manier een actieve verbinding of relatie aan met de daaraan gelegen buitenruimte, dat wil zeggen: deze gevels hebben een leeffunctie: woonkamer of (woon)keuken.

De woonblokken zijn alzijdig ontworpen: er zijn geen volledig gesloten kopgevels of gevels met alleen galerijen die slechts dienen als ontsluiting. Het actieve karakter van de plinten van de bebouwing en de kwaliteit en inrichting van de openbare ruimte zijn cruciaal en wederzijds afhankelijk zie ook 5.3.8. Binnentuinen De collectieve binnentuinen vormen de gemeenschappelijke buitenruimte van de bouwblokgemeenschap in combinatie met langs de gevels van de woningen semi-private zones als veranda of voortuintjes van woningen. Eventuele grenzen collectief - privé moeten worden mee-ontworpen, zijn subtiel, komen tegemoet aan de behoefte aan privacy maar dragen bij

34

aan het eigenaarschap en het functioneren van het collectief. Uitgangspunt voor de binnenruimten is een groene inrichting. De collectieve, groene binnenruimtes zorgen er samen met het openbare groen voor dat de totale hoeveelheid groen in de buurten op peil blijft: een aspect wat het meest genoemd en gewaardeerd wordt tijdens participatiegesprekken met bewoners. Om te garanderen dat het groen beklijft moet hier in het ontwerp al rekening mee worden gehouden. Uitgangspunt is dat er voldoende gronddekking op de constructie komt voor volwaardig groen, voldoende waterberging en de mogelijkheid gras, of moestuinen aan te leggen. Ter plaatse van bomen en heesters heeft het pakket een dikte van circa 1 meter of zijn er openingen in het dek.

Woningentrees Entrees van woongebouwen markeren de hoeken van de bouwblokken en liggen zoveel mogelijk direct aan de groene wiggen, autovrije woonpaden en speelruimtes. Entrees van woongebouwen zijn duidelijk herkenbaar, bijvoorbeeld door een dubbele hoogte of prominente verlichting en bieden ook toegang tot de collectieve binnentuinen zodat je keuze hebt in naar welke kant je naar buiten gaat: direct de straat op of via de collectieve binnentuin en de bouwbloktoegang de straat op. Dit bevordert de mogelijkheden voor bewoners hun route te bekorten en het stimuleert toevallige ontmoetingen.

Principe parkeergebouw en mogelijke transformatie in tijd Ruimtelijke inpassing parkeren Parkeren van auto’s van bewoners gebeurt deels onder de collectieve binnentuinen, deels in centraal gesitueerde parkeergebouwen en deels op straat (zie hoofdstuk 5.4.4). De parkeerplaatsen onder de bouwblokken zijn in principe niet zichtbaar in de gevels aan de openbare ruimte met uitzondering van een garage-entree. Het parkeren onder de collectieve binnentuinen kan zowel op maaiveld, half verdiept dan wel geheel verdiept worden aangelegd. Die keuze bepaalt mede hoe uitnodigend het is om het bouwblok te betreden of te doorsteken (doorwaadbaarheid) en hoeveel je vanaf de openbare ruimte van de binnenwereld kunt zien (dat lukt niet als er een hoge trap is). Die keuze is daarmee bepalend voor de mate van visuele en fysieke connectie tussen collectief - openbaar.

Deze keuze zal in de nadere uitwerking van het stedenbouwkundig plan per bouwblok worden bepaald waarbij de volgende ruimtelijke factoren een rol spelen: •

• • •

•

de wenselijkheid om bestaande of juist nieuwe wenselijke looproutes door de bouwblokken te faciliteren. In dat geval ligt een verdiepte oplossing voor de hand. de wenselijkheid van inzicht of doorzicht de mate waarin een connectie collectief - openbaar wenselijk is of blokken worden gevormd door een combinatie van nieuwbouw en oudbouw. Hier zou een parkeeroplossing op maaiveld, met hierboven een dek, zorgen voor een onwenselijk grote barrière tussen de buitenruimtes van de oud- en de nieuwbouw. Voor deze blokken is het uitgangspunt half verdiept te parkeren. Financiële haalbaarheid.

Het ontwerp van de bouwblokken bepaalt mede of de mobiliteitstransitie (zie 5.4) succesvol zal verlopen. Om de mobiliteitstransitie te helpen slagen is het uitgangspunt dat het vanuit de woningen en appartementen altijd gemakkelijker is te voet of te fiets op pad te gaan dan de auto te pakken. De organisatie en toegankelijkheid van de diverse functies binnen een bouwblok moeten hieraan bijdragen. Uitgangspunt is daarom een afvalscheidingspunt en een pakketpunt nabij de entree en een gezamenlijke fietsen/scootmobielstalling te plannen zodat je als je te voet of met de fiets gaat gemakkelijk ook je afval kwijt kunt en je pakketje kunt afhalen. Het pakken van de auto moet meer tijd en moeite kosten dan het pakken van de fiets. De parkeergebouwen worden flexibel gebouwd, krijgen een hoogkwalitatieve uitstraling en een actieve plint met voorzieningen, bedrijvigheid of bijvoorbeeld een school.

35

Afval Afval is een grondstof. Waar Den Haag de afgelopen jaren heeft ingezet op recycling, wordt de komende jaren ingezet op hergebruik. De schaal van de ontwikkeling in de Dreven maakt het mogelijk om hiervoor duurzame oplossingen te realiseren zoals circulaire afvalverwerking en afvalscheiding. Alternatieven voor een gescheiden inzameling van afval bij hoogbouw worden momenteel onderzocht bijvoorbeeld in de vorm van rol/ perscontainers. Ook het apart inzamelen van groente-, fruit en tuinafval (GFT) met nascheiding wordt onderzocht. Aanvullend onderzoek is nodig om de mogelijkheden van de verschillende inzamelmethoden af te wegen. Uitgangspunten voor de ontwikkeling zijn: •

•

•

Afvalinzameling belast de openbare ruimte zo min mogelijk. In principe staan inzamelmiddelen op eigen terrein. Dat kan inpandig of uitpandig in de vorm van minicontainers (bij huis-aan-huis-inzameling) of rol(pers) containers. Bij gestapelde bouw wordt verzamelen en scheiden van afval inpandig opgelost. Hiervoor moeten in elk bouwblok één of meerdere ruimtes worden gereserveerd. Bij gestapelde bouw dient de inzameling van afval zo circulair mogelijk te gebeuren: dicht bij de bron en op basis van hergebruik in de wijk, bijvoorbeeld composteren van GFT-afval in de binnentuin, reparatie van apparaten, het weggeven van spullen, etc. Dit principe moet zo goed mogelijk in de bouwblokken of in de buurt worden gefaciliteerd.

Voor het aanbieden en ophalen van afval wordt een uitwerking verwacht die de ruimtevraag voor opstelplekken en aanrijdroutes rondom de bouwblokken inzichtelijk maakt. Deze opstelplekken en aanrijdroutes moeten voldoen aan de daarvoor geldende randvoorwaarden zoals geformuleerd in de nog vast te stellen parkeerstrategie en het handboek openbare ruimte.

36

Uitgangspunt hierbij is telkens systemen en middelen zo effectief mogelijk in te zetten en het bewoners zo makkelijk mogelijk te maken hun afval te scheiden en kwijt te kunnen zonder daarbij gebruik te maken van de schaarse openbare ruimte. Ook bestaande gebruikers van het gebied moeten zoveel mogelijk kunnen aanhaken op deze nieuwe structuur. Ook de inzamelmiddelen voor bedrijfsafval mogen niet in de openbare ruimte worden geplaatst anders dan voor de inzameling door de afvalinzamelaar. Bedrijfsafval in bedrijfsverzamelgebouwen wordt zoveel mogelijk collectief ingezameld. Beeldkwaliteit Bij de verdere uitwerking naar een stedenbouwkundig plan zal ook de beeldkwaliteit nader wordt uitgewerkt voor de uitwerking van de architectuur en de openbare ruimte. (principes overgangen openbaar-prive, materialisatie, gevelindelingsprincipes, plastiek, ritmering, etc.) De uitgangspunten en ruimtelijke principes in deze NvU vormen de basis voor het opstellen van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan

5.2 Functie en programma 5.2.1 Wonen Er is komende jaren voldoende bevolkingsgroei in Den Haag en in Zuidwest en deze groei houdt aan tot 2035.Dit volgt uit de RIGO rapportage “Woningmarktverkenning Den Haag Zuidwest, ingrediënten voor een investeringsstrategie” opgesteld door het RIGO op 16 maart 2020. De kwantitatieve nieuwbouwopgave van 10.000 woningen kan in Zuidwest geaccommodeerd worden. Er is tevens groei in behoefte aan alle woningtypes en prijsklassen, in absolute zin het minst in de vrije huursector. Een van de conclusies uit het rapport is dat er een trendbreuk gerealiseerd kan worden in Zuidwest. Het nieuwbouw aanbod kan daarom op meerdere manieren ingevuld worden. Hierbij is het beleid van de Woonagenda “Haags samen wonen”, die recent op 7 oktober door de Raad is vastgesteld (RIS305711) leidend.

Het uitgangspunt in de Woonagenda is om netto 10.000 woningen in Den Haag Zuidwest toe te voegen komende 15-20 jaar. Voor de gebiedsontwikkeling van de Dreven, Gaarden en Zichten (Staedion en Heijmans) betekent dit een totale netto toevoeging van circa 3.500 woningen. Daarmee wordt ongeveer 35% van de totale opgave in den Haag Zuidwest gerealiseerd. Naast de kwantitatieve behoefte en de doelstelling om de woningnood te verminderen door te verdichten in Zuidwest is er ook behoefte om de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving te verduurzamen, te verbeteren en diverse woonmilieus te creëren. De kwantitatieve verdichtingsopgave vraagt om een kwalitatief ruimtelijke goede inpassing van wonen, parkeren, groen en voorzieningen. De kwalitatieve opgave (fysieke opgave) hangt ook samen met sociale, economische, veiligheid en leefbaarheidsaspecten. Naast de netto toevoeging van nieuwe woningen wordt ook de kwaliteit van de bestaande voorraad vernieuwd door merendeels sloop/ nieuwbouw en voor een geringer aandeel wordt de kwaliteit verbeterd door bestaande woningen te renoveren.

Het gebied Zuidwest wordt expliciet benoemd in de woondeal Zuidelijke Randstad. De gemeente Den Haag en de minister van BZK hebben in de Woondeal afgesproken een meerjarig partnerschap aan te gaan om de stedelijke vernieuwing en verdichting in Zuidwest vorm te geven en uit te voeren. Resultaat van deze afspraak is dat Zuidwest is opgenomen in het Rijksprogramma Leefbaarheid en Veiligheid. Door het toevoegen van kwaliteit en diversiteit van woningen, voorzieningen en woonmilieus en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte ontstaat er meer balans in de wijken waardoor de leefbaarheid zal toenemen. Uitgangspunt is dat deze gebiedsontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de leefbaarheid en de veiligheid van de wijk. Dat zal worden gemonitord.

37

Woonbeleid De woningvoorraad in Den Haag Zuidwest is nu erg eenzijdig. Van alle woningen heeft bijna 56% een vloeroppervlakte van minder dan 80 m2 GBO. 35% van de woningen beschikt over 4 kamers en slechts 14% van de woningen over 1-2 kamers. De verdeling in percentages van de woningvoorraad in Zuidwest is eigenaar-bewoners 25%, particulier huurvoorraad 7% en sociale huurvoorraad 66%. De bestaande woningvoorraad van Staedion is toe aan verbetering. Dat biedt kansen te verdichten, nieuwe woonmilieus toe te voegen de woonkwaliteit te verbeteren en te verduurzamen. De prioriteit van de gemeente in de Woonagenda is om de komende jaren het aanbod vooral te laten groeien in het goedkope en middensegment (zie voor de definities pagina 38 en 39 in de begrippen lijst van de Woonagenda 2020-2023), omdat daar de grootste vraag naar is. Achterliggende gedachte daarbij is het vergroten van de leefbaarheid én het bedienen van bepaalde doelgroepen. Deel van de opgave in Zuidwest is dat in de nieuwe situatie ook de onmisbare beroepsgroepen, zorgdoelgroepen, groepswonen en eventueel spoedzoekers, arbeidsmigranten of andere specifieke of bijzondere doelgroepen een plek kunnen vinden. Programma De sociale woningvoorraad in de Dreven, Gaarden en Zichten neemt door deze gebiedsontwikkeling tot 2040 met ruim 150% toe. Daarnaast is ruimte voor circa 44% marktwoningen.

Met deze transformatie wordt zowel een duurzame slag als een kwaliteitsslag gemaakt en meer differentiatie en diversiteit beoogd. De huidige bewoners kunnen in hun wijk terugkeren of doorstromen naar een meer passende woning en de wijk wordt aantrekkelijk voor nieuwkomers. De gemeente en Staedion stemmen het herhuisvestingsbeleid met elkaar af.

Programma DGZ*

Woningaantal

Bestaand programma bezit Staedion 2.000 Sloop 1.700 Renovatie 300 Nieuwbouw 5.200 Eindsituatie nieuw programma (reno en nieuw) 5.500 Netto toegevoegd programma 3.500 *Programma zijn afgeronde aantallen op basis van een proefverkaveling en de businesscase.

Netto toegevoegd programma DGZ Percentage Woonagenda Sociaal Middelduur Vrije sector Betaalbare koop Dure koop Totaal

30%* 28% 8% 27% 7% 100%

≥30% ≥20% ≥20% Programma heel DGZ: verdichting gemiddeld circa 270%

*Totaal 30% sociaal waarvan 22% sociale huur via een toegelaten instelling en 8% andere vormen die de doelgroep bediend die normaal is aangewezen op sociale huur, bijvoorbeeld sociale koop , coöperatiehuur, huurkoop, koopstarters, etc. (< € 200.000,-).

Programma Dreven*

Woningaantal

Bestaand programma bezit Staedion 1.200 Sloop 1.000 Renovatie 200 Nieuwbouw 2.600 Eindsituatie nieuw programma (reno en nieuw) 2.800 Netto toegevoegd programma 1.600 *Programma zijn afgeronde aantallen op basis van een proefverkaveling en de

Van het totale programma voor de Dreven, Gaarden en Zichten is het volgende aandeel voorzien in de Zichten (uitwisseling met programma van de buurten Dreven en Gaarden is mogelijk):

38

businesscase.

Programma De Dreven: verdichting circa 230%

Doelgroepen De woningbehoefte en de verschillende doelgroepen zijn samengesteld naar aanleiding van de gegevens uit de RIGO rapportage tav de toekomstige bewoners. Door de ontwikkelende partijen (Heijmans en Staedion) zijn deze inzichten vertaald naar 8 doelgroepen voor de marktwoningen en 7 voor de sociale woningen (Staedion). Er komen marktwoningen en sociale woningen voor gezinnen, ouderen en jongeren in diverse woningtypologieën. In het plan is er voldoende ruimte in de uitwerking voor een differentiatie van woningtypen zoals maisonettes en appartementen ontsloten vanaf maaiveld, binnentuin, corridor of galerij.

Verdeling doelgroepen marktwoningen (Heijmans en Staedion)

Doelgroepen sociale woningen (Staedion)

Door de woningen te variëren in woonoppervlak, het aantal kamers, het type en de locatie ontstaat er een differentiatie in woonmilieus.

39

Blijvers

Uitgangspunt is dat het bestaande aantal sociale woningen teruggebouwd zal worden. Waar mogelijk wordt, met het zoeken naar een evenwichtige mix, sociale woningen toegevoegd. Ook wordt bij de planvorming meegenomen dat de huidige bewoners de mogelijkheid krijgen aangeboden om te blijven in hun wijk. Bij de ontwikkelingen voor de sociale doelgroep wordt rekening gehouden met: • • •

Vergrijzing, meer lift-ontsloten en voorzieningen in de woningen Toename 1-2 persoons huishoudens Gezinnen met twee volwassenen en kinderen.

De motivaties van deze groep om te blijven zijn divers : tevreden met de buurt, sociale structuren, geen verandering in de financiële situatie, geen aanleiding voor verandering en door omstandigheden begeleiding nodig hebben bij verandering kunnen allemaal meespelen. Insteek is dat door de integrale aanpak de tevredenheidsgraad, de participatiebereidheid en de betrokkenheid van deze groep mensen toeneemt.

40

Stijgers

Sociale stijgers zijn de huidige bewoners die op zoek zijn naar een nieuwe woning (koop of vrije sector huur). Dit zijn potentiële doorstromers uit de wijk, bewoners die willen doorgroeien op de woningmarkt, maar wel in hun eigen buurt willen blijven, omdat zij vaak emotionele verbinding hebben met de wijk en buurt, of in nabijheid van familie willen blijven wonen. Met name is het belangrijk om te investeren in woningtypen en woonmilieus die interessant zijn voor twintig- en dertigers (settelaarsbuurten). Het gaat ook om de bewoners van eengezinswoningen die door wijzigingen in gezinssituatie (bijvoorbeeld kinderen het huis uit) gestimuleerd moeten worden door te stromen naar andere typen woningen. Een deel van de stijgers heeft dus behoefte aan woningen in het middenhuursegment of in de marktsector, andere groepen leggen claims op hetzelfde aanbod als die voor de blijvers. Blijvers en stijgers zijn belangrijke gesprekspartners bij bewonersparticipatie in het planproces.

Nieuwkomers

Nieuwkomers zijn de bewoners elders uit Den Haag of uit de regio, die door de ligging, bereikbaarheid, woningtypes, woonmilieu en het voorzieningenaanbod Zuidwest aantrekkelijk vinden en het woningenaanbod voor hun betaalbaar is. Hun focus ligt op de middenklasse, bijvoorbeeld starters, doorstromers die willen doorgroeien naar een nieuw en/of groter appartement en 55-plussers die hun eengezinswoning inruilen voor een nieuw gelijkvloers appartement en in de dezelfde buurt willen wonen als hun (klein)kinderen. In Den Haag Zuidwest is het uitgangspunt 10 procent van de nieuw te bouwen betaalbare koopwoningen als bijzondere woonvorm uit te voeren, zoals wooncoöperaties, groepswonen, zelfbouw en/of collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). Ook terugkeerders, mensen die ooit in Zuidwest hebben gewoond of zijn opgegroeid en mogelijk daar nog familie hebben wonen, zijn interessante doelgroepen. Veel nationaliteiten is een kracht van Zuidwest die veel meer dan nu benut kan worden, zowel autochtone als allochtone Nederlanders aantrekken die het multiculturele leefmilieu waarderen. Een deel van de nieuwkomers kiest voor Dreven, Gaarden en Zichten omdat ze hier een betaalbare woning kunnen vinden. Doel is dat deze mensen met de buurten verbonden raken.

Momenteel ziet men een nationale trend ontstaan waarbij gezinnen weer richting de buitenwijken trekken wegens gebrek aan geschikte en vooral betaalbare woningen. Dit biedt kansen voor het aantrekken van gezinnen naar Zuidwest. Ook kansrijk zijn de bewoners die de wijk / buurt in het verleden hebben verlaten, omdat ze geen goede woning konden vinden. Ze hebben nog wel een emotionele verbinding met de wijk en zouden daarom wel terug willen. Ze kennen de wijk.

Woonmilieus Voor de drie woonmilieus Dreven, Gaarden en Zichten beschrijven we de doelgroepen, de woningtypen en de woonomgeving. We maken daarbij een onderscheid in het sociale woningsegment (Staedion) en het marktsegment (Heijmans). In Den Haag Zuidwest willen wij komende jaren de volgende drie doelgroepen accommoderen; de blijvers, de stijgers en de nieuwkomers Woonomgeving Uit de RIGO rapportage blijkt dat de groene kwaliteit van Den Haag Zuidwest een element is waar toekomstige bewoners door worden aangetrokken. De uitdaging in de verdichtingsopgave ligt erin om een nieuwe groen woonmilieu te creëren, want dat is een kwaliteit die het wonen in Zuidwest aantrekkelijk maakt voor de huidige en de toekomstige bewoners. De buurten zullen onderling van karakter en dichtheid verschillen. De Zichten wordt door de nabijheid van het winkelcentrum de Stede en de ligging aan het sportpark meer een compact, stedelijk en levendig woonmilieu. Terwijl de Gaarden en Dreven rustig groen stedelijk zullen worden.

5.2.2 Wijk economie Den Haag Zuidwest, een gebied bijna zo groot als de stad Gouda, heeft, naast nieuwe woningen en nieuwe bewoners, ook baat bij een gezondere wijkeconomie. Een gezonde wijkeconomie bestaat uit een brede mix van sociaalmaatschappelijke functies, kleinschalig ondernemerschap en gezondheidsvoorzieningen. Belangrijk uitgangspunt voor een gezonde wijkeconomie is dat het geld dat de inwoners van een wijk verdienen, ook (voor een deel) ín de wijk en áán de wijk wordt uitgegeven. Dit betekent dat er ruimte moet zijn voor lokaal ondernemerschap, zodat inwoners van de wijken in Dreven, Gaarden en Zichten daadwerkelijk kunnen ondernemen in de wijk waarin ze wonen. Een gezonde wijkeconomie biedt ook kansen op werk voor mensen in de wijk. Dit gaat vaak vooral over praktisch opgeleide banen, waar de komende jaren een groot tekort en veel vraag naar is in Zuidwest. Juist lokaal ondernemerschap biedt perspectief op banen die kunnen dienen als opstap vanuit een niet werkende situatie, en is dus van groot belang voor de arbeidsparticipatie.

Daarnaast zorgt een gezonde wijkeconomie voor verbetering van de leefbaarheid en levendigheid en (daarmee) het imago van de wijk. Ondernemers hebben immers baat bij een goede, veilige openbare ruimte. Ook draagt een gezonde wijkeconomie bij aan het stimuleren van langzaam verkeer zoals vanuit de mobiliteitstransitie wordt beoogt. Een gezonde wijkeconomie voorkomt zo ook ‘slaapwijken’, waarin iedereen (per auto) de wijk uit trekt om elders te werken en pas ’s avonds weer terug te keren. Een gezonde wijkeconomie geeft dus kansen, zorgt voor sociale controle, voor kansen op de arbeidsmarkt en helpt de mobiliteitstransitie. In na-oorlogse wijken zoals De Dreven, Gaarden en Zichten, die redelijk monofunctioneel zijn opgezet was en is vooralsnog te weinig ruimte voor de wijkeconomie. Door op de juiste plekken ruimte te reserveren voor de ontwikkeling van een goede wijkeconomie kan er een kanteling in de dynamiek en aantrekkingskracht van deze wijken worden bewerkstelligd.

Dreven De Dreven wordt een buurt met een gemengd woonmilieu met diverse woningtypen voor diverse doelgroepen met het accent op starters 1 en 2 persoonshuishouden en gezinnen, die een volwaardig en betaalbaar alternatief zoeken voor wonen dicht bij centrum-stedelijke gebieden. Aansluiting bestaande bebouwing en VvE-beheer De wijze van ontwikkeling en beheer van een bouwblok met meerdere eigenaren en collectieve voorzieningen biedt kansen op optimalisatie en kostenbesparingen omdat voorzieningen kunnen worden gedeeld. Dat betekent dat er op bouwblokniveau sprake zal zijn van een VvE. Uitgangspunt is plannen zodanig te ontwikkelen dat een prettige mix en kwaliteit gewaarborgd zijn maar ingewikkelde en vertragende VvE constructies zoveel mogelijk worden vermeden.

41

5.2.3 Bedrijvigheid Een van de onderdelen van een gezonde wijkeconomie is ‘kleinschalige bedrijvigheid’. Hiermee bedoelen we bedrijvigheid in de ambachtelijke sector, dus de sector waarbij er veel gemaakt wordt, door middel van (kleine) machines, maar ook kleinschalige autoreparateurs, fietsenmakers, meubelmakers, etcetera. Vanuit het actieprogramma kleinschalige bedrijvigheid (RIS297199) en de bedrijfshuisvestingsstrategie (RIS303177) wordt duidelijk gemaakt dat er momenteel een groot tekort is aan ruimte voor dit type ondernemers, terwijl juist deze voor de wijkeconomie zo belangrijk zijn. Omdat het aanbod van kleinschalige bedrijfsruimtes nu laag is en de vraag hoog én omdat juist in deze sector veel praktisch opgeleide banen voorkomen (die de mensen uit de buurt ten goede kunnen komen) is het uitgangspunt de kansen voor kleinschalige bedrijvigheid in de ambachtelijke sector te laten toenemen. In het kader van de gebiedsontwikkeling wordt gekeken naar de verschillende typen bedrijven in deze sector om de uiteenlopende vestigingsvoorwaarden zo goed mogelijk te kunnen matchen met de voor bedrijvigheid beschikbare en te realiseren locaties. Uitgangspunt is een zo breed mogelijk aanbod van bedrijvigheid in en voor de wijken te realiseren binnen het gebied.

Op dit moment is in de plannen voor De Dreven voorzien in 2.500m2 in de plinten van collectieve parkeervoorzieningen, 1.350m2 renovatie van de huidige bedrijfshuisvesting in de Bierbrouwersgaarde, 2.650 m2 renovatie van de huidige winkelpanden in de plinten van portiekflats langs De Dreef en 950m2 nieuwbouw toegevoegd achter De Dreef en circa 5.000m2 in de plinten van de nieuwbouw langs de Berensteinlaan en de Pachtersdreef en de Erasmusweg.

42

Daarnaast zal de mogelijkheid voor betaalbare opslag en bergingen voor bedrijven(bijvoorbeeld op de 1e verdieiping) in de parkeergebouwen worden onderzocht. De verdeling BOG/MOG moet nog nader worden bepaald aan de hand van een inventarisatie van wat er nu is en aan de hand van de Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen welke momenteel voor vaststelling bij het college ligt. Om de huren voor kleine ondernemers betaalbaar te houden wordt vanuit economie een subsidieregeling ontwikkeld en wordt waar mogelijk Europese subsidie aangevraagd zoals ‘Kansen voor West’. Het idee is dat ondernemers subsidie krijgen op hun bedrijfsruimte afhankelijk van hun winst vergelijkbaar met huursubsidie voor sociale woningen.

5.2.4 Retail en horeca Vanuit het retailbeleid wordt vastgehouden aan de ‘hoofdwinkelstructuur’ (HWS). Dit is een beleidsmatige en geografische structuur waarin plekken voor retailfuncties zijn aangegeven. De gemeente wil winkels zo veel mogelijk bij elkaar hebben, zodat er winkelgebieden ontstaan met een divers aanbod. Dat is fijn en aantrekkelijk winkelen voor de consument (bewoners, werknemers, bezoekers en toeristen), want het is handig en makkelijk als de supermarkt, de bakker en de slager bij elkaar in 1 straat zitten. Een concentratie van winkels zorgt dus voor meer bezoekers en meer klanten. Winkelgebieden kunnen daardoor economisch groeien. De gemeente wil in deze winkelgebieden, de hoofdwinkelstructuur, samen met de vastgoedeigenaren en ondernemers investeren. In de Dreven is het winkelgebied De Ambachtsgaarde in de HWS opgenomen. De toevoegingen van nieuwe woningen en daarmee nieuwe inwoners zal de bestaande ondernemers in het winkelcentrum meer ‘vet op de botten’ te geven. Het toevoegen van vierkante meters winkelruimte is mogelijk, mits er sprake is van voldoende vraag. Horeca Den haag Zuidwest is geen aangewezen horecagebied. Middelzware en zware horeca zijn hier niet toegestaan. Wel is horeca in de categorie ‘licht’ in de winkelgebieden toegestaan. Den Haag streeft naar een optimale verhouding tussen winkels en horeca die winkelgebieden versterken.

Overdag geopende horeca kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van een winkelgebied. In winkelgebieden is in totaal maximaal 30% lichte horeca binnen de hoofd-winkelstructuur toegestaan om de ‘dagfunctie’ van het gebied te versterken, en daarmee dichte puien overdag te voorkomen.

woonomgeving vergroten. Denk daarbij aan de gebruiksfunctie van (kleinschalige) verblijfspleinen die met een horecafunctie een rol spelen in de oriëntatie en routing in een wijk; of aan horeca bij een buurtwerkplek. Ook kan dergelijke horeca in de buurt het vestigingsklimaat voor de vanuit buurteconomie gewenste kleinschalige bedrijvigheid versterken en omgekeerd. Uitgangspunt voor horeca in woonwijken en buurten is dat horeca in de woonwijken de leefbaarheid niet mag aantasten maar hier juist aan moet bijdragen. Dat betekent dat het college vooral mogelijkheden ziet voor horeca categorie ‘licht’ met een wijkverzorgend karakter. Pop-up / tijdelijke horeca Pop-up horeca kan voor een prettige dynamiek in stedelijke gebieden zorgen en daarnaast een (tijdelijke) invulling bieden aan leegstaande panden en winkels. Voor pop-up horeca gelden dezelfde vergunningsvoorwaarden als voor andere horeca. Omdat initiatieven voor deze tijdelijke concepten zich veelal op ad hoc-basis aandienen – bijvoorbeeld als een unieke locatie mogelijk wordt – en slechts een korte exploitatieperiode kennen, is een snelle afhandeling van vergunningsprocedures nodig. Initiatieven voor pop-up horeca worden positief bezien en krijgen binnen de mogelijkheden van het redelijke een snelle afhandeling van de vergunningsprocedures.

5.2.5 Maatschappelijk vastgoed MOG Naast het toevoegen van woningen en bedrijfsonroerend goed is het nodig ook het voorzieningenniveau op peil te brengen en te houden, om zodoende zorg te dragen voor een leefbare en aantrekkelijke stad. Voor de Dreven zal in voldoende maatschappelijk onroerend goed worden voorzien overeenkomstig de ‘Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen’. Op basis van deze referentienormen zal een voorzieningenprogramma worden opgesteld op basis waarvan in de verdere uitwerking de opgave per type maatschappelijke voorziening nader zal worden ingepast (zowel voor maatschappelijk vastgoed zoals een buurthuis, sportvoorzieningen, ontmoetingsplekken in de complexen en zorgfuncties als voor groen en speelvoorzieningen in de openbare ruimte). Op basis daarvan komt ook de investeringsen beheeropgave in beeld.

Horeca in woonwijken Koffietenten, lunchzaken en terrassen kunnen met hun wijkverzorgende karakter de leefbaarheid van de directe

43

Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen dus letterlijk en figuurlijk toe. Uitgangspunt is dat elke (vastgoed)ontwikkeling bijdraagt aan de groene kwaliteit van Den Haag; Door de ontwikkeling van parken en straatgroen, door het aanleggen en versterken van openbaar groen, door het ontwikkelen en openbaar toegankelijk houden van de groene binnentuinen, alsook door het versterken van de ecologie in het gebied door het realiseren van ecologische verbindingen, geveltuintjes, groene gevels en groene daken.

5.3 Buitenruimte, ecologie, spelen en sport 5.3.1 Inleiding Door de geplande verdichting neemt het aantal bewoners flink toe. Hierdoor neemt de druk op de inrichting van de buitenruimte enorm toe vanuit de diverse belangen: (ondergrondse) infrastructuur en mobiliteit, ontmoeten, spelen en sporten, groen en ecologie.

te richten dan gebruikelijk: meer groen en minder verharding of, waar verharding echt nodig is, meer waterdoorlatende of halfverharding. Intensivering van de (verharde) stad vraagt dus om bovengenoemde redenen in eenzelfde mate om intensivering van groen en groenkwaliteit. Omgekeerd blijkt een groene woonomgeving te zorgen voor toename van vastgoedwaarde.

Een goed gebruik van de openbare ruimte zorgt voor meer mensen op straat waardoor er meer sociale interacties ontstaan. Op voorwaarde dat mensen elkaar (enigszins) kennen, leidt dat ertoe dat het prettiger wordt om te bewegen wat er voor zorgt dat er meer mensen op straat zijn waardoor mensen elkaar (enigszins) leren kennen (cyclus). De groen ingerichte ruimte binnen de bouwblokken als collectieve toegang naar de openbare ruimte helpt deze cyclus op gang te brengen.

De directe woonomgeving is voor bewoners de eerste plek waar ze buiten komen en is mede bepalend voor de keuze ergens te gaan wonen. Dat betekent dat naast toegankelijkheid en oriëntatiemogelijkheden, er voldoende ruimte en aanleiding voor ontmoeten, spelen en bewegen moet zijn. Dat blijkt het best te gebeuren in een prettige, gezonde en groene omgeving. Bewoners geven aan het groen in hun wijk enorm te waarderen. In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt dan ook ingezet op groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief en natuurinclusief te ontwikkelen. Een gezonde openbare ruimte inrichting die uitnodigt tot bewegen, verblijven en ontmoeten is een van de sleutels voor het op gang brengen van de beoogde kanteling in Zuidwest. In verband met heviger buien en langere periodes van droogte is het bovendien noodzakelijk de openbare ruimte anders in Huidig en toekomstig grondgebruik in De Dreven op basis van de proefverkaveling door bureau Palmbout

44

5.3.2. Huidige en toekomstige gebruikswaarde De directe woonomgeving is er in de eerste plaats voor de bewoners. Uitgangspunt voor het ontwikkelen van de buitenruimte is daarom dat het huidige gebruik en de gebruikswensen in de verdere uitwerking middels participatie nauwkeurig in beeld worden gebracht om het ontwerp van de buitenruimte zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte van de huidige en toekomstige bewoners.

Waterstroming Oppervlakkige waterberging

Omdat de bewonerssamenstelling en gebruikerswensen in de tijd kunnen veranderen is het uitgangspunt bovendien het inbouwen van een zekere overmaat en aanpasbaarheid bij het ontwerpen van de openbare ruimte om ook toekomstige veranderingen in gebruik en behoeftes van nieuwe bewoners te kunnen faciliteren. Een ruimtereservering voor het onverwachte zogezegd. 5.3.2. Klimaatadaptiviteit en biodiversiteit Uitgangspunt is omgekeerd denken over de openbare ruimte zodat deze klimaatadaptiever en biodiverser wordt, zie 5.5.1: • • •

In principe is alle openbare ruimte onverhard tenzij er een goede reden is voor verharding. Piekbuien tot 70 mm mogen niet zorgen voor stagnerend water op straat. Oevers zijn in principe natuurvriendelijk, zonder beschoeiing, tenzij het noodzakelijk is, bijvoorbeeld om het water van nabij te kunnen beleven.

Principe vasthouden, infiltreren, afvoeren

45

A

F

C

E

H

G

D

46

B

Ecologische oever Sport en spel Infiltratiegroen / kijkgroen Water Private / collectieve tuin aan de straat Ontmoetingsplekken

5.3.4. Typering en samenhang buitenruimte. De Dreven wordt door de herontwikkeling een rustig, groen stedelijk woonmilieu, waarin de bouwblokken als ruimtelijke eenheden in een groen ruimtelijk raamwerk liggen. De bouwblokken herbergen altijd een collectieve binnentuin: een belangrijk, groen verlengstuk van de openbare ruimte én een middel om meer collectiviteit en sociale cohesie te bereiken. Via openingen in de bouwblokken heeft de collectieve binnenwereld een fysieke en zichtrelatie met de openbare buitenwereld. De openbare ruimte binnen en buiten de bouwblokken vormt in de drie buurten een belangrijk samenbindend element. Uitgangspunt is daarom het groene karakter door te ontwikkelen: in de openbare ruimte én binnen de bouwblokken.

A

E

5.3.5. Inrichtingsprincipes Het handboek openbare ruimte geeft principes voor wegprofielen. Belangrijker is echter welke functie de openbare ruimte heeft. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte gaan we meer uit van de voetganger en fietsers en wordt de auto minder dominant. Elk bouwblok is in elk geval aan één zijde bereikbaar per auto, vuilniswagen, pakketbezorger, etcetera. De overige zijden worden in principe ingericht als autovrije woonpaden, slechts toegankelijk voor nood- en hulpdiensten. De nadruk komt meer te liggen op verblijven dan op ontsluiten. Dit sluit ook aan bij de principes van Duurzaam Veilig. Voetpaden hebben minstens 2,5 meter vrije doorloopruimte zodat wandelen, spelen, bewegen en ontmoeten wordt gestimuleerd zonder dat men last heeft van elkaar en een eventuele lichtmast of boom de doorgang niet direct belemmerd.

B

C

D

F

G

H

47

5.3.6.

Wind, bezonning en hittestress

Wind en zon zijn mede bepalend voor de verblijfskwaliteit van de openbare ruimte. Wind en zon hoeven niet altijd te worden benaderd als hinderfactoren, maar kunnen ook worden gezien als kansen voor het programmeren van de openbare ruimte en het modelleren van de architectuur, bijvoorbeeld met zon- en schaduwactiviteiten of het ontwerpen van luifels of arcades voor beschutting. Uitgangspunt is dat de openbare ruimte onder alle weersomstandigheden uitnodigt om te verblijven, te bewegen en elkaar te ontmoeten en daarvoor een passende inrichting krijgt. De inrichting van de openbare ruimte en architectuur werken hier samen en versterken elkaar zo dat er zowel voldoende zon als (half)schaduw is. Het streven is dat er in de openbare ruimte voldoende capaciteit is voor de hoeveelheid bewoners in een buurt om een koele plek te vinden binnen 100

meter van de woning, dat hier beschaduwde of juist zonnige routes naartoe leiden en dat er variatie is in beplanting. Voor het stedenbouwkundig schetsontwerp is een bezonningsstudie en windonderzoek verricht om te kunnen beoordelen wat de invloed van de nieuwbouwontwikkelingen is op windklimaat en bezonning. Hierbij moet voor de omliggende woningen worden voldaan aan de Haagse Bezonningsnorm (RIS170509). Afhankelijk van de te doorlopen procedure moet bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden onderbouwd dat aan deze norm wordt voldaan. Voor windhinder wordt als uitgangspunt een kwalificatie ‘goed’ of voldoende’ gehanteerd, zoals genoemd in de NEN8100 voor de betreffende activiteit. Rond de entrees van gebouwen wordt daarbij uitgegaan van slenteren, op ontmoetingsplekken in de openbare ruimte wordt uitgegaan van verblijven.

Bezonning tijdstip: 19-02 om 12.00 uur

Bezonning tijdstip: 19-02 om 15.00 uur

Tussenstand windhinderonderzoek De Dreven

48

Hittekaart De Dreven

5.3.7. Spelen, bewegen en sporten Den Haag scoort volgens De Atlas Voor Gemeenten binnen de G50 relatief slecht op zowel deelname aan sport als op ervaren gezondheid en zorgkosten. Nog niet duidelijk is of er een relatie is tussen gemeentelijk sportbeleid (en -budget) en sportdeelname maar duidelijk is wel dat sport en bewegen goed zijn voor de gezondheid en dat de mogelijkheid tot bewegen in de openbare ruimte een belangrijke plek verdient. Het motto is daarom ‘Openbare Ruimte: Zien bewegen, doet bewegen’. Het blijkt uit participatie dat bewoners in Zuidwest graag spelen, sporten en recreëren in of nabij de eigen buurt eerder dan bijvoorbeeld in het verder weg gelegen Zuiderpark. Spelaanleidingen in de collectieve of openbare ruimte, zonder dat het direct tot overlast leidt zijn dan ook van belang evenals het uitnodigen tot beweging, ook voor volwassenen.

Het uitgangspunt is met de doorontwikkeling van het waardevolle ‘buurtpark Pachtersdreef’ en de singel langs de Lozerlaan het groen in de buurt meer gebruikswaarde te geven. De nieuwe bebouwingsopzet leidt tot meer variatie in de buitenruimte variërend van een pleinruimte bij het winkelcentrum, openbaar groen met veel ontmoetingsfuncties langs de Pachtersdreef, kleinschaliger openbaar groen tussen de bebouwing tot collectief groen binnen de woonblokken.

5.3.8. Eigenaarschap over de buitenruimte Belangrijk uitgangspunt voor de buitenruimte is een prettige beleving vanaf het (eventueel opgetilde) maaiveld. Het actieve karakter van de plinten van de bebouwing en de kwaliteit en inrichting van de openbare ruimte zijn hierin cruciaal en wederzijds afhankelijk, zie ook 5.1. Voor de inrichting van de buitenruimte zetten we daarom in op eigenaarschap: ‘het informeel in bezit nemen van de buitenruimte’. Het stimuleren van sociale controle en eigenaarschap vraagt om zorgvuldige overgangen privé-openbaar, bijvoorbeeld in de vorm van een voortuintje, een geveltuintje of een stoep voor de woning naast de voordeur. Door dergelijke zachte overgangen openbaar-privé tussen woninggevel en trottoir worden de sfeer en het gedrag van mensen in de openbare ruimte of op een openbare ontmoetingsplek beïnvloed.

In heel Den Haag Zuidwest moet het aanbod beter aansluiten op de behoefte en meer ruimte te bieden voor informele sport. Om dit te bereiken wordt een intensiever gebruik van de georganiseerde sportfaciliteiten voorgesteld: een sportkantine of voetbalveld fungeert niet alleen voor één sportclub maar kan ook voor andere activiteiten worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor een openbare ontmoetingsruimte of park: die kan door een slimme inrichting ook nieuwe bewegingsvormen accommoderen (urban sports, outdoor fitness) die minder actieve generaties stimuleert om te bewegen. Het doel is telkens intensivering, multifunctionaliteit en flexibiliteit: zien bewegen doet bewegen. Of een omgeving beweegvriendelijk is, is afhankelijk van de inrichting, de sociale veiligheid en de verkeersveiligheid. Dat vraagt om kwalitatief goed ingerichte, obstakelvrije, doorgaande en afwisselende routes en buitenruimtes (connectiviteit) en voldoende beweegaanleidingen, beweegvoorzieningen en programmatische activiteiten.

49

Toepassing Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen (RIS 301953)

Ambitie te behalen puntenscore Punten

6

4

6

50

5.3.9.

Aspect

Maatregel

1

gevel/dak

Geveltuin

1

gevel/dak

Geen lichtuitstraling vanuit gebouw

1

gevel/dak

Groen dak met sedum (> 5 – 7 cm) /30%

2

gevel/dak

Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm) /30%

3

gevel/dak

Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) /30%

4

gevel/dak

Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) /30%

4

gevel/dak

Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) /30%

2

gevel/dak

Gevelgroen

4

gevel/dak

1

verblijf

Alleen bij hoogbouw (>50m) verplicht: minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Insectenstenen

1

verblijf

Nestplaatsen voor gierzwaluwen

1

verblijf

Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen

1

verblijf

Zomerverblijfplaats voor vleermuizen

1

verblijf

Winterverblijfplaats voor vleermuizen

1

omgeving

Geen buitenverlichting bij groen

1

omgeving

Cluster van 3 inheemse bomen

1

omgeving

Cluster van inheemse struiken 50m2

1

omgeving

Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur

1

omgeving

Insectenhotel

1

omgeving

Voor vlinders geschikte struiken

1

omgeving

Droog bloemrijk grasland > 10m2

1

omgeving

Faunapassage onder hekwerk

2

omgeving

Natuurlijke haag > 25 meter

2

omgeving

Natuurlijke verharding 25% areaal

2

omgeving

Boomgaard met > 10 fruitbomen

2

omgeving

Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2

2

omgeving

Groen >25% onbebouwde areaal

2

omgeving

Zoomvegetatie langs perceelsranden

3

omgeving

Natuurlijke poel

3

omgeving

Pocketpark (minipark)

1

omgeving

Muurplanten in oude (kade)muur

1

omgeving

Doorstroming van open water

1

omgeving

Rustzone fauna langs wateroever

2

omgeving

Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt)

2

omgeving

Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m

2

omgeving

Ecologische wadi

Aanbevelingen algemeen:

Ecologie, natuurinclusiviteit, flora en fauna

Eén van de functies van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur is die van het stedelijk natuurnetwerk, dat wil zeggen de drager van de stedelijke natuur en de verbinding met de omliggende natuur. Het college van B&W wil groen- en natuurinclusief bouwen in de stad bevorderen. Het levert een bij-drage aan de instandhouding van soorten, aan de klimaatopgave door vermindering van hittestress en wateroverlast, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend aan het welzijn en de gezondheid van mensen. Nieuwe ontwikkelingen moeten conform het besluit over het Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (RIS 301953) worden uitgevoerd. Op dit moment ligt aan de rand van de Dreven langs de Lozerlaan een ecologische verbindingszone die aansluit op de Stedelijke Groene Hoofdstructuur en daarmee op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze dient in principe duurzaam in stand gehouden te worden en waar mogelijk versterkt (RIS 300506). De verdichtingsambitie voor de Dreven vraagt echter om meer ruimte voor de woningbouw. Dat heeft in het vastgestelde ambitiedocument geleid tot een overschrijding van de rooilijn tot ín de ecologische verbindingszone. Uitgangspunt is dat deze ecologische verbindingszone een nieuwe, robuuste plek terugkrijgt in de her in te richten sportveldenzone. Ecologische verbindingszones werken alleen als ze voldoende breed zijn.

In een stedelijke omgeving is het uitgangspunt een minimum van 30 meter zoals geformuleerd in de Nota Stadsnatuur (RIS 305824). In deze nota is ook de Natuurkansenscan opgenomen. Onderdeel hiervan is bovendien een flora- en fauna-onderzoek om te achterhalen of er beschermde soorten in of rond het ontwikkelingsgebied aanwezig zijn. Deze scan is bij elke herinrichting en omvorming van de openbare ruimte verplicht. Een ander uitgangspunt is om gezonde bomen zoveel mogelijk te handhaven of te verplanten of, als dat echt niet kan, te herplanten. In dat geval is een boomwaardetaxatie verplicht, ook voor een eventuele kapvergunningsprocedure

5.3.10. Ondergronds (kabels en leidingen)

5.3.11. Riolering

5.3.12. Buitenruimte beheer

De impact van de herontwikkeling en de noodzakelijke energietransitie in de Dreven is groot. Om alle ontwikkelingen aan te kunnen moet de ondergrondse infrastructuur geoptimaliseerd worden. Concreet betekent dit dat er veel kabels en leidingen moeten worden vervangen of bijgelegd zoals bijvoorbeeld warmteleidingen. Dat zal worden geïnventariseerd.

De huidige riolering betreft een gemengd stelsel dat is aangelegd in de jaren zestig van de vorige eeuw. De huidige riolering heeft op zich voldoende capaciteit om de toename van 3500 woningen te kunnen opvangen en is nog niet persé aan vervanging toe, maar in het kader van ‘werk met werk maken’ is het raadzaam en logisch om de riolering in dit geval vervroegd af te schrijven en het huidige gemengde rioolsysteem te vervangen door een gescheiden riool systeem.

Voor beheerders van de buitenruimte is het van belang dat de openbare ruimte duidelijk is gedefinieerd zodat zij weten wat ze wel en niet moeten beheren. Uitgangspunt is dat de ruimte buiten de bouwblokken met uitzondering van eventuele voortuinen of Delftse stoepen, openbaar is. De ruimte binnen de bouwblokken is in eigendom van een VvE.

Dat heeft grote invloed op de ondergrondse ruimte die hiervoor nodig is. Een knelpunt daarbij is de huidige bomenstructuur; De wortels van de bomen zijn verstrengeld in de huidige kabels en leidingen tracés. Om te bekijken of er zoveel mogelijk bomen te behouden zijn zal een knelpuntenkaart worden opgesteld. Uitgangspunt is zoveel mogelijk bomen te behouden.

Dat maakt het gebied klimaatrobuuster t.a.v. wateroverlast omdat het regenwater direct naar het oppervlaktewater kan worden geleid. Mogelijk hoeft dan de gemaal- en zuiveringscapaciteit niet te worden vergroot omdat het regenwater niet langer naar de zuiveringsinstallatie gaat. Andere maatregelen zoals genoemd onder duurzaamheid, groen en klimaatadaptatie (zie hoofdstuk 5.5.) helpen hierbij. Uitgangspunt is om nog voor de start van de nieuwbouw de hoofdstructuur van het gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Het rioleringsbeleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Duurzaamheid speelt hierin een belangrijke rol. Uitgangspunten zijn: • • • •

De toegankelijkheid of ‘doorwaadbaarheid’ van bouwblokken wordt privaatrechtelijk vastgelegd zodat toegankelijkheid of routes overdag en zichtlijnen, ook in de toekomst gewaarborgd blijven. Het groen binnen en buiten de bouwblokken moet zowel bijdragen aan verblijfskwaliteit, bewegen en ontmoeten als aan biodiversiteit, klimaatadaptiviteit en hittestress. Het uitgangspunt is daarom verder te denken dan de kosten van aanleg. Er moet gezocht worden naar de mogelijkheid om binnen de economische levensduur te voldoen aan al deze functie-eisen. Dat vraagt om ontwikkelend beheer, niet om statisch in stand te houden wat er is.

Het voorkomen dan wel het scheiden van afvalwaterstromen aan de bron. Oog hebben voor hergebruik van afvalwater. Het terugdringen van energiegebruik. Het voorkomen dat schoon water vuil wordt.

Duurzaam denken en doen komt terug in het ontwerp, de aanleg, het beheer en het gebruik van riolering. Afkoppelen van hemelwater is een voorbeeld van een aanpak, waarmee zoveel mogelijk bij de bron wordt voorkomen dat water vuil wordt en dat wat wordt vastgehouden op de plaats waar het valt.

51

5.4 Mobiliteit, parkeren en logistiek 5.4.1 Inleiding De Dreven is samen met De Zichten en Gaarden opgenomen als één van de sleutelprojecten voor de mobiliteitstransitie. Onder mobiliteitstransitie verstaan we: “de noodzakelijke doorontwikkeling van het mobiliteitssysteem zodat de stad de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft ondanks, of juist dankzij de beoogde verdichting. Vanuit de mobiliteitstransitie staat de mobiliteitsbehoefte van de bewoner centraal. Daarvoor wordt gekeken naar de behoefte, de bestemmingen en de omgeving. Om, ondanks de verdichting de leefbaarheid te verbeteren is het uitgangspunt dat de hoeveelheid openbare ruimte voor mobiliteit in absolute zin niet toeneemt. Om dat te bereiken is het uitgangspunt voor de gebiedsontwikkeling dat de hoeveelheid autowegen in het gebied wordt geminimaliseerd en dat op eigen terrein wordt geparkeerd. Hierdoor zijn er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig en ontstaat er meer ruimte voor voetgangers, fietsvoorzieningen en voor duurzame en ‘slimme’ (deel)mobiliteit.

52

Een parkeerregime is randvoorwaardelijk om parkeren op eigen terrein af te dwingen en voor het op gang brengen van de mobiliteitstransitie. Deze transitie hangt nauw samen met de opgaven voor openbare ruimte, de wijkeconomie en verdichting en vormt feitelijk de sleutel in het bereiken van een aantrekkelijke stad waar het fijn wonen, werken, winkelen, leren en recreëren is. 5.4.2. Mobiliteitstransitie De mobiliteitstransitie zet in op stadsvriendelijke mobiliteit volgens zes criteria: veilig, efficiënt, schoon, ‘op maat’, betaalbaar en verbonden (met de stad en verder) Daarvoor is een systeemverschuiving nodig op drie niveaus: 1. de ruimte voor infrastructuur wordt beter benut door voorrang te geven aan lopen, fietsen, deelmobiliteit en openbaar vervoer. 2. De verschillende mobiliteitsoplossingen worden integraler en van deur-tot-deur georganiseerd, ondersteund door digitale technologie 3. Een verandering in reisgedrag wordt gestimuleerd, door de mobiliteitsbehoefte van reizigers centraal te stellen en hen vervolgens te verleiden tot veilige, efficiënte en schone keuzes.

Bij een succesvolle mobiliteitstransitie komt er ruimte vrij voor andere zaken die de leefbaarheid zowel ruimtelijk, sociaal als economisch kunnen verhogen. Door mobiliteit bovendien actiever, schoner en stiller te maken, verbetert het welzijn van inwoners, bezoekers en gebruikers van kantoren, bedrijven en voorzieningen in de stad. Uit nader onderzoek moet blijken waar de behoeftes van bewoners liggen en hoe deze transitie vorm moet krijgen.

5.4.3. STOMP-principe Om de mobiliteitstransitie te laten slagen moet daar in zowel het ontwerp van de openbare ruimte als van de gebouwen rekening mee worden gehouden. Dat doen we door te ontwerpen volgens het ‘STOMP-principe’ (Stappen, Trappen, Ov, MaaS (mobility as a service: een verzamelnaam voor mobiliteitsdiensten waaronder o.a. deelmobiliteit), Privé-auto). Dit betekent dat bij elke ontwerpstap de prioriteit uitgaat naar de volgorde voetganger, fietser, het openbaar vervoer en ‘MaaS‘. Het faciliteren van de Privé-auto vormt het sluitstuk. Voetganger Kwalitatief goede, prettige en veilige looproutes naar belangrijke functies zoals winkelcentra, OV-haltes, scholen en maatschappelijke functies. Fietser Het moet makkelijker zijn voor bewoners om de fiets te pakken dan de auto. Fietsenstallingen in de woonblokken en bij voorzieningen moeten daarom op de beste plekken liggen en zeer laagdrempelig toegankelijk zijn. Hierbij worden de vastgestelde fietsparkeernormen voor Den Haag gehanteerd en worden woonwijken ingericht volgens het principe duurzaam veilig.

Parkeren op straat Parkeren in bouwblokken Parkeergebouw Auto-ontsluiting

Openbaar vervoer Haltevoorzieningen moeten comfortabel zijn. Routes voor voetgangers en fietsers naar haltes moeten voldoende breed, sociaal veilig en aantrekkelijk zijn en bij voorkeur langs voorzieningen leiden. Een geplande ‘Schaalsprong OV’ zet in op een betere verbindingen door een versnelling van het openbaar vervoer. Het mobiliteitsaanbod wordt hierdoor vergroot en de auto-afhankelijkheid verminderd. Om de verbinding met het Westland te verbeteren is de intentie tramlijn 4 door te trekken naar het Westland en het aanleggen van de tangent Kijkduin-Rijswijk.

Langzaam verkeersstructuur

53

Zuidwest wordt daardoor ook aantrekkelijker voor mensen met een midden/hoog inkomen die qua voorzieningen op het centrum en voor werk op de regio zijn georiënteerd. Werkgelegenheid in de regio, zoals de Westlandse arbeidsmarkt, zal hierdoor beter bereikbaar zijn voor de bewoners van Bouwlust-Vrederust en omgekeerd: bewoners van buurgemeenten kunnen straks de nieuwe voorzieningen in de wijk gebruiken: dat vergroot het draagvlak van voorzieningen en de vitaliteit van de wijkeconomie. Mobility as a Service Het aanbieden van een grote variatie in een fijnmazig netwerk van (deel-)mobiliteit in de buurten kan de noodzaak voor het bezitten van een privéauto verkleinen als deze past bij de verschillende doelgroepen en reismotieven. Hierbij kan gedacht worden aan zowel (elektrische) deelfietsen, deelbakfietsen, deelscooters en deelauto’s die op straat staan geparkeerd, binnen de bouwblokken en/of in ‘mobiliteitshubs’ in de buurt in combinatie met bijvoorbeeld een fietsenmaker en een pakketafleverpunt. Privé-auto Privé-auto’s nemen niet alleen veel ruimte in op straat maar ook om ze te parkeren. De privé-auto vormt daarom het sluitstuk in het ontwerpen van zowel het stedenbouwkundig plan als de bouwblokken. Daarbij hanteren we de volgende uitgangspunten: •

•

•

54

Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte neemt af ten opzichte van de huidige situatie of blijft hoogstens gelijk. Er wordt in de huidige planvorming gerekend met een bezoekersnorm van 0,15 parkeerplaats per woning. Bewoners parkeren conform de huidige parkeernorm. Een nieuwbouwontwikkeling voorziet op eigen terrein in de parkeerbehoefte: binnen de bouwblokken dan wel in parkeergebouwen op een centrale plek in de wijk Per wijk moet een sluitende parkeerbalans zijn.

5.4.4. Gebouwd parkeren

5.4.5. Parkeerregime

Uitgangspunt is om het parkeren binnen de bouwblokken primair voor bewoners, ook van de sociale huurwoningen, in te zetten, zie hoofdstuk 5.1 ruimtelijke inpassing parkeren. In de nadere uitwerking moet duidelijk worden of de parkeerplaatsen onder de gebouwen en in de parkeergebouwen toegewezen (privé)plekken, flexibele plekken (geen privéplekken maar wel exclusief voor bewoners) dan wel openbare plekken worden (ook toegankelijk voor bezoekers). Een en ander hangt af van de hoeveelheid bezoekersparkeerplaatsen en de parkeerbalans.

Bovenstaande mobiliteitstransitie slaagt alleen door een (betaald) parkeerregime inclusief vergunningenplafond in te voeren in de nabije omgeving van de verdichtingslocaties. Bewoners van nieuwbouwwoningen komen in principe niet in aanmerking voor een parkeervergunning op straat. Parkeren op straat is primair bedoeld voor bezoekers, deelauto’s, speciale plekken (invalide, arts, etc.) en voor de eigenaren van de bestaande vve-flats langs de Hengelolaan en de Vrederustlaan die geen gebouwde parkeervoorziening tot hun beschikking

De centraal gelegen parkeergebouwen kunnen flexibel worden ingezet voor: • het tekort aan bewonersparkeren • gebruikers en bezoekers van voorzieningen • te handhaven of renoveren woningen De parkeergebouwen kunnen gaandeweg transformeren tot mobiliteitshubs of bijvoorbeeld flex/werkruimtes voor bewoners.

In de verdere uitwerking zullen bovenstaande principes worden geoptimaliseerd. Door bijvoorbeeld parkeergebouwen en parkeergarages onder de bebouwing ook voor bezoekers en bestaande bewoners open te stellen en geen uniek toegewezen parkeerplekken te ontwerpen kan de flexibiliteit, het gebruik en de betaalbaarheid van parkeerplaatsen toenemen.

hebben.

5.4.6. Logistiek binnen de wijk Een verdichtende stad betekent meer mobiliteit en logistieke bewegingen (woon-werkverkeer, bevoorrading, pakketbezorging, bouw, etc.). Om de luchtkwaliteit en de verkeersveiligheid in de wijk te verbeteren vraagt het genoemde STOMP-principe om een andere inrichting van zowel de bouwblokken als de buurt: •

•

•

Uitgangspunt is om entrees naar parkeergebouwen en parkeergarages van woonblokken zo dicht mogelijk bij de ontsluiting van de buurt te leggen. Op wijkniveau ontstaat hierdoor meer exclusieve verkeersruimte voor langzaam verkeer en voor openbaar groen, speel- en ontmoetingsruimte. De bouwblokken zijn in de meeste gevallen slechts vanaf één zijde bereikbaar met de auto. Aan die kant bevindt zich dan de entree naar de parkeergarage maar ook een afvalpunt waar de vuilniswagen haar afval ophaalt en een pakketpunt waar de pakketbezorgers hun pakketjes kunnen achterlaten in een pakketautomaat. Zware spullen zoals een wasmachine etc. zullen met een steekwagen oid tot aan de voordeur moeten worden gereden. De bouwblokken zijn altijd rondom bereikbaar via brede, autovrije woonpaden (in geval van nood bereikbaar voor de nood- en hulpdiensten via een verwijderbaar paaltje. Een uitzondering kan worden gemaakt voor verhuiswagens.

De Erasmusweg is een gebiedsontsluitingsweg. Het is vanwege de verkeersveiligheid niet toegestaan dat woningen direct aan deze weg ontsloten worden, daarom wordt hier een ventweg aangelegd. Deze ventweg vormt tevens de hoofdtoegang voor de daarachter gelegen woningen. 5.4.7. Bedrijvigheid Uitgangspunt is bedrijvigheid in de Dreven in de plinten van de woongebouwen te situeren langs de ventwegen langs de

Erasmusweg zodat het bijbehorende verkeer voor de bedrijven zo min mogelijk de wijk in hoeft en gebruik hoeft te maken van de erftoegangswegen. Daarnaast zal bedrijvigheid worden geclusterd nabij de wijkentrees: bedrijfsruimtes in de Schrijnwerkersgaarde naast het voorzieningengebied aan de Beresteinlaan en in de plinten van bouwblokken en parkeergebouwen tegenover het winkelcentrum. Aanvullend zal in de Dreven kleinschalige bedrijvigheid worden gerealiseerd in de plint van het vrijgelegen parkeergebouw aan de Baljuwdreef. Deze ligt nabij de Melis Stokelaan. Uitzondering op deze randoriëntatie van bedrijvigheid vormt de centraal in de wijk langs De Dreef gelegen karakteristieke voormalige winkelbebouwing met portiekwoningen. Deze zullen worden gerenoveerd voor de huisvesting van kleinschalige bedrijvigheid, retail en maatschappelijke voorzieningen. Nabij de bedrijvigheid zal rekening worden gehouden met extra parkeerruimte voor het parkeren van bedrijfsvoertuigen. 5.4.7. Gedragsverandering en participatie Bewoners geven tijdens participatie-bijeenkomsten aan dat zij verkeersveiligheid in hun buurt belangrijk vinden en dat zij waarde hechten aan de gratis, ruime parkeergelegenheid. Door goed te kijken naar de huidige mobiliteitsbehoefte willen we een slag maken in het vergroten van de leefbaarheid en verduurzaming.

De mobiliteitsbehoefte (ik wil van A naar B) van bewoners geldt daarbij als uitgangspunt. Van daaruit wordt bekeken hoe de financiële draagkracht, het huidige voertuigbezit, de bestemmingen van bewoners en de houding en wensen ten aanzien van mobiliteit en de beperkte hoeveelheid openbare ruimte met elkaar in balans kunnen worden gebracht. De vestiging van een zogenaamde ‘mobiliteitshub’ centraal in de buurt kan helpen om bewoners voor te lichten over

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10102483/1