CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307770 Bijlage

Gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van wethouder Onderwijs, Sport en Buitenruimte inzake Aanpak overlast stadsmeeuwen (RIS307770)35.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

12 alinea's met “milieu”: 9 11 13 46 113 230 231 241 259 261 351 483

In het Faunabeheerplan meeuwen havengebieden van Rotterdam, Dordrecht en Alblasserdam 20152019 schetst Lensink (2015) dat in de havengebieden van Rotterdam, Dordrecht en Alblasserdam tussen 2009 en 2014 het broedsucces van gemiddeld 5500 nesten van kleine mantelmeeuw en 700 nesten van zilvermeeuw is weggenomen. Lensink (2015) stelt dat deze aantallen geen negatief gevolg hebben voor de populatieomvang. Hij baseert zich hierbij op de aanwezigheid van een buffer van zogenaamde ‘floaters’ (meeuwen die een jaar broeden overslaan) in de populatie en emigratie richting andere kolonies in de delta. Hij concludeert dat tot 35% van het broedsucces kan worden weggenomen zonder schadelijk effect op de Gunstige staat van Instandhouding. Echter de populatietrend in de delta over de periode van het betreffende faunabeheerplan (2015-2019) is voor beide soorten negatief: 8% afname voor kleine mantelmeeuw (40640 broedpaar in 2015 en 37684 broedpaar in 2019) en 11% afname bij zilvermeeuw Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 33

(16070 broedpaar in 2015 en 14287 broedpaar in 2019) (Strucker et al. 2015, Lilipaly et al. 2020). Bij wegnemen van het broedsucces op een zo grote schaal kan een negatief effect op de populatieomvang dus niet worden uitgesloten. Aan gemeenten Alkmaar, Leiden en Haarlem is een ontheffing tot en met 30 januari 2020 (kenmerk FF/75A/2016.052) verleend voor het uitvoeren van onderzoek naar beheersmethoden van de overlast die wordt veroorzaakt door de daar broedende meeuwen. Dit betreft een verlenging op de eerder verleende ontheffing (kenmerk FF/75A/2013/051). Van deze gemeenten zijn geen jaarlijkse getallen met betrekking tot populatieomvang van zilvermeeuwen bekend. Er zijn echter aanwijzingen dat binnen deze gemeenten bij circa 30% van de nesten het broedsucces is weggenomen. Zo werden in Alkmaar in 2019 130 zilvermeeuweieren gedompeld (ten minste 43 nesten) (Stoelwinder 2020) terwijl in 2018 111 nesten van deze soort werden geteld (Smit 2018). Dit zou neerkomen op bijna 40% van de broedpopulatie. In Leiden werd in 2017 bij 168 nesten het broedsucces weggenomen (Stoelwinder 2020b). In datzelfde jaar werden in deze stad 536 nesten geteld aan de hand van luchtfoto’s (Moerland 2018). Dat komt neer op 31% weggenomen broedsucces. Van beide steden zijn geen recentere tellingen van de populatie bekend.

Uitgaande van de door Lensink (2015) gestelde bovengrens van 35%, waarbij desondanks een negatief effect optrad voor de deltapopulatie, kan worden aangenomen dat in bovengenoemde gemeenten een negatief effect op de populatie is opgetreden. In Katwijk werd op grond van een door het Ministerie van EL&I afgegeven ontheffing (FF/75/2012/040.a. van toepassing in de gemeente Katwijk) tussen 2013 en 2017 bij gemiddeld tussen de 5-10% van de populaties van kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw het broedsucces weggenomen. Hier werd de omvang van de populatie wel jaarlijks gemonitord. De effecten van het wegnemen van broedsucces in dit onderzoek zijn wisselend. Over deze periode nam het aantal broedparen zilvermeeuw af, in eerste instantie sterk, maar met een herstel vanaf 2017. Samenhang met bovengenoemd handelen in Leiden kan hierbij niet worden uitgesloten. Het aantal broedparen kleine mantelmeeuw bleef tussen 2013 en 2017 toenemen. De grootste toename vond plaats in 2018, toen in Katwijk niet langer werd ingegrepen op broedsucces, maar in het nabijgelegen Leiden wel. Conclusie: Er zijn aanwijzingen dat het wegnemen van broedsucces nadelige effecten heeft op de populatieomvang, zowel op lokale schaal (bijvoorbeeld in één gemeente) als op regionale schaal (de delta). Het pleit voor een meerjarige monitoring van alle lokale populaties, die met elkaar samenhangen (zie paragraaf 5.1).

Conform de Vogelrichtlijn heeft Nederland de plicht om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. 5.4.3 EFFECTEN VAN WEGNEMEN BROEDSUCCES OP VERSPREIDINGSGEBIED Zowel zilvermeeuw als kleine mantelmeeuw zijn traditioneel grondbroeders van de kuststrook. Op het vasteland staan deze kolonies sterk onder druk door de uitbreiding van de vos. De vos doodt en eet eieren en kuikens van meeuwen, met als gevolg dat meeuwen op zoek gaan naar een nieuwe broedlocatie. Tot 1965 kwam de vos in de kustprovincies niet voor, echter deze rukt steeds verder op (verspreidingsatlas.nl). In het afgelopen decennium zijn enkele grote grondkolonies door de vos bereikt, waardoor steeds meer terreinen als broedareaal voor meeuwen ongeschikt raken. Enkele grote terreinen waar vos nog niet voorkomt, zijn gelegen in havens. Die terreinen staan onder druk als broedareaal vanwege havenactiviteit en uitgifte van terreinen. Daarnaast wordt op deze terreinen ingegrepen op broedsucces en worden zij broedvrij gehouden met honden (Lensink 2015, Benders et al. 2013 t/m 2018). Dit maakt dat het broedareaal op de grond voor zowel zilvermeeuw als kleine mantelmeeuw sterk is afgenomen. Hier is geen zicht op herstel, aangezien beide verstorende factoren niet zullen verminderen of verdwijnen.

Conclusie: Omdat steeds meer broedgebieden op de grond verdwijnen, wordt broedareaal op daken voor meeuwen steeds belangrijker.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 34

Type broedlocaties & binding met de kust Zilvermeeuwen vestigen zich bij voorkeur in kleine broedkolonies of solitair en sluiten niet aan in dakkolonies op grote daken met veel broedvogels/concurrentie. Dit maakt aannemelijk dat zij minder snel geneigd zullen zijn zich te verplaatsen naar een dak waar zij minder overlast geven en gedoogd worden indien daar reeds zilvermeeuwen gevestigd zijn. Ook zijn zilvermeeuwen in hun uitbreiding naar het binnenland niet succesvol gebleken (Nagtegaal & Van Bruggen 2018). Aanwezigheid van vis als voedsel (Hüppop & Hüppop 1999) en een kleinere actieradius voor foerageren rond de broedkolonie zijn hier mogelijk ecologische grondslagen voor. Dit maakt dat kuststeden voor zilvermeeuwen een steeds belangrijker ‘stronghold’ worden. Kleine mantelmeeuw is in haar uitbreiding naar het binnenland wel succesvol (Nagtegaal & Van Bruggen 2018). Deze soort broedt bovendien meer dan zilvermeeuw in grotere, drukke dakkolonies (Rock 2005, Loeve 2019, Buijs & Huig 2019). Dit biedt kansen voor het aanwijzen van daken waar zij minder overlast geven en gedoogd kunnen worden (het liefst daken waar al meeuwen broeden en meer meeuwen bij kunnen). Wanneer gedoogdaken zijn aangewezen (en zo nodig extra geschikt gemaakt) bieden zij voor kleine mantelmeeuw een goed alternatief wanneer bij klachten het oliën van eieren als maatregel wordt ingezet.

Domino-effect Garthe et al. (1999) beschrijven dat conflicten om een broedplaats tussen beide soorten in de kolonie vaker worden gewonnen door kleine mantelmeeuwen dan door zilvermeeuwen. Dat dit ook op daken een reëel risico is, bleek in Den Haag waar bij concurrentie om een broedlocatie een kleine mantelmeeuwpaar een zilvermeeuwpaar verjoeg van een locatie waar zij reeds enkele jaren succesvol hadden gebroed (Buijs & Huig 2019). Het ingrijpen op broedsucces heeft vaak verplaatsing van het betreffende meeuwenpaar tot gevolg (zie hoofdstuk 4). Dit maakt aannemelijk dat het ingrijpen in het broedsucces van kleine mantelmeeuwen mogelijk een domino-effect kan hebben op zilvermeeuw (kleine mantelmeeuwen op zoek naar nieuw territorium verdringen mogelijk zilvermeeuwen uit hun territorium). Om die reden is monitoren van het aantal broedende meeuwen in wijken waar op het broedsucces wordt ingegrepen cruciaal. Het aanbrengen van kleurringen bij kleine mantelmeeuwen van wie de eieren worden geolied, daar waar deze in de nabijheid van zilvermeeuwen broeden, is nuttig om dit dominoeffect nader te beoordelen. Er moet worden gevolgd waar naartoe individuele kleine mantelmeeuw(paren) zich verplaatsen, om vast te stellen of er sprake is van inname van broedplaatsen van zilvermeeuwen.

Om drukfactoren op zilvermeeuw te compenseren liggen er bovendien kansen op het gebied van zorgplicht in de vorm van ondersteunende maatregelen zoals voorlichting (charmeoffensief), handhaving op illegale nestvernietiging en (financiële) steun aan dierenambulances en vogelopvangcentra welke verweesde jonge meeuwen opvangen, zodat onnodige sterfte wordt voorkomen. Conclusie: Zilvermeeuw is als semisolitaire broeder en door zijn ecologische binding met de kust kwetsbaarder en sterker afhankelijk van daken in kustprovincies als broedareaal, dan kleine mantelmeeuw. Bovendien kan de druk op geschikt broedareaal voor zilvermeeuw verder toenemen als gevolg van verjaging van hun nestlocatie door kleine mantelmeeuw (mogelijk domino-effect; dit dient nader te worden beoordeeld.. 5.4.4 BROEDSUCCES Er is nog weinig bekend over de ecologie van stadsmeeuwen (Rock 2005, Rock 2013, Ross et al. 2014, Coulson & Coulson 2009). Het broeden op daken is waarschijnlijk door ontbreken grondpredatoren een aantrekkelijk alternatief. Op Moerdijk zijn door komst grondpedatoren meer meeuwen op daken gaan broeden (eigen waarneming R.J. Buijs). Rock (2005) vond dat dakbroedende meeuwen in Bristol een hoger broedsucces hebben dan meeuwen in natuurgebieden. In Bristol bevond zich toen echter ruim 90% van de nesten op grote, industriële daken.

Deze daken hadden bovendien hoge dakranden die voorkwamen dat kuikens van daken konden vallen, wat in residentieel gebied vaak tot sterfte of verwonding leidt. Ook in Nederland sterven vele tientallen jonge meeuwen jaarlijks in het verkeer in Den Haag, omdat zij nog niet (goed genoeg) kunnen vliegen. Camphuysen (2013) vond in een grondkolonie zonder vossen op Texel een broedsucces dat te laag was om de eigen kolonie in stand te houden. Coulson & Coulson (2009) tonen aan dat menselijk ingrijpen (zoals bij maïsoliën gebeurt) het broedsucces in stedelijk gebied sterk verlaagt, tot zelfs onder de waarde van kolonies in natuurgebieden (ook die van Camphuysen 2013). Burgers verwijderen zelf nogal eens illegaal nesten (met eieren) (Coulson & Coulson 2009, Kroc 2018, Loeve 2019, Buijs & Huig in voorbereiding) met onbekende gevolgen voor het broedsucces op populatieschaal. Daarnaast is verstoring en schade aan nesten door Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 35

bouwwerkzaamheden aan daken tijdens het broedseizoen een broedsuccesbeperkende factor waarvan de omvang niet bekend is (Coulson & Coulson 2009). Conclusie: De beperkte kennis over het broedsucces van meeuwenpopulaties op daken maakt een behoudende inzet van broedsucces beperkende maatregelen, monitoring van de gevolgen en een actieve inzet van compenserende maatregelen noodzakelijk. Het aanbrengen van schuilmogelijkheden bij een nest in de vorm van een mini-pallet, betonnen U-blok of op maat gemaakte constructie draagt bij aan de overleving van de kuikens. Bij gevaar of slecht weer kunnen zij daaronder schuilen. Het voorkomt ook dat de kuikens gaan lopen over het dak bij gevaar waardoor de oudervogels minder agressief zijn. 5.5 CONCLUSIES BEHOUD GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING De gunstige staat van instandhouding kan niet alleen worden opgehangen aan het oordeel over de landelijke staat van instandhouding (zie bijlage 7). Daarom is in dit hoofdstuk ook gekeken naar de lokale (kuststeden in Noord- en Zuid-Holland) staat van instandhouding, de stabiliteit van de populatie, de effecten van reeds uitgevoerd nestbeheer, de beschikbaarheid van geschikt broedareaal en het broedsucces van meeuwen op daken. Er is een duidelijke samenhang tussen verschillende populaties waarbij onderlinge uitwisseling plaatsvindt. Populaties kunnen niet geïsoleerd van elkaar worden gezien.

De landelijke staat van instandhouding is voor zilvermeeuw matig ongunstig en voor kleine mantelmeeuw gunstig. Beschikbare literatuur vormt (vooralsnog) geen basis om op lokale schaal andere conclusies te trekken aangaande de staat van instandhouding. Opgemerkt wordt dat de cijfers van Sovon zich baseren op tellingen van met name grondbroedende populaties en mogelijk enkele dakbroedende meeuwen. Een afdoende zicht op de grootte van in steden broedende populaties is momenteel niet voorhanden. Wanneer dit goed in kaart is gebracht, kunnen deze conclusies nader worden bekeken. Niet het broedsucces, maar het behalen van de geslachtsrijpe leeftijd (4 tot 5 jaar) dient als maat voor de aanwas van een meeuwenpopulatie. Door de te kleine aanwas in relatie tot sterfte neemt de populatie van zowel zilvermeeuw als kleine mantelmeeuw in Nederland af. Er zijn aanwijzingen dat het wegnemen van broedsucces nadelige effecten heeft op de populatieomvang, zowel op lokale schaal (bijvoorbeeld in één gemeente) als op regionale schaal (de delta). Het pleit voor een meerjarige monitoring van alle lokale populaties (waar wordt ingegrepen), die met elkaar samenhangen (zie paragraaf 5.1). Omdat steeds meer broedgebieden op de grond verdwijnen, wordt broedareaal op daken voor meeuwen steeds belangrijker.

Zilvermeeuw is als solitaire broeder en door zijn ecologische binding met de kust echter kwetsbaarder en sterker afhankelijk dan kleine mantelmeeuw van daken in kustprovincies als broedareaal. Bovendien kan de druk op geschikt broedareaal voor zilvermeeuw verder toenemen als domino-effect door concurrentie met kleine mantelmeeuw. Ondersteuning van zilvermeeuw door compenserende maatregelen is wenselijk (dit kan bijvoorbeeld door extra schuilmogelijkheden op het dak of het voorkomen dat kuikens van het dak springen). De afwezigheid van kennis over het broedsucces van meeuwenpopulaties op daken maakt een behoudende inzet van broedsuccesbeperkende maatregelen, monitoring van de gevolgen en een actieve inzet van compenserende maatregelen noodzakelijk.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 36

6. UITVOERINGSPLAN BEHEER OVERLAST VEROORZAKENDE MEEUWEN 20212030 6.1 CONTEXT: BOTSENDE BELANGEN De populaties van zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw nemen af. Bovendien heeft zilvermeeuw een matig ongunstige staat van instandhouding. Echter, mensen ervaren overlast door broedende meeuwen, wat in schrijnende gevallen tot essentiële gezondheidsschade kan leiden. Daarom bestaat bij gemeenten de wens om een ontheffing te krijgen op de Wet natuurbescherming om in deze gevallen te kunnen optreden. Het gaat hierbij specifiek om essentiële overlastsituaties. In steden is goede voorlichting door een meeuwendeskundige belangrijk om draagkracht voor de meeuwen bij burgers te creëren, waardoor de ervaring van overlast wordt verminderd. Bij alle deelnemende gemeentes moet dit een van de stappen zijn die genomen worden, als onderdeel voor het gebruiken van de ontheffing. Deze methode blijkt in schrijnende gevallen echter niet altijd effectief. Een aanvullende effectieve, niet-ontheffingsplichtige methode is nog niet beproefd, te weten het aanbieden van duurzame alternatieve broedlocaties in de vorm van gedoogdaken. Het optimaliseren en gedogen/beschermen van duurzame broeddaken met buffercapaciteit (daar waar nog plek is voor extra meeuwen) waar al gebroed wordt door meeuwen is het meest succesvol om meeuwen te sturen naar gewenste locaties, binnen circa 500-1000 meter.

Dit kan bijvoorbeeld gezocht worden op kantoor/ industrie terreinen, die vaak rondom woonkernen gelegen zijn en waar vaak reeds (platte) daken met broedende meeuwen aanwezig zijn. Ook is het belangrijk daken met veel broedende meeuwen waar deze geen overlast geven te beschermen (door met de eigenaren in gesprek te gaan), zodat deze meeuwen niet worden verjaagd naar andere, nieuwe, locaties, en – indien die in woongebied liggen daar ernstige overlast veroorzaken. Omdat deze methode in de literatuur effectief is bevonden in combinatie met ingrijpen op het broedsucces, dienen deze twee methoden parallel te worden uitgevoerd. In de bespreking van 10-6-2020 met de bevoegde gezagen is reeds gesproken over de noodzaak van het aanwijzen van een structurele en duurzame broedlocaties en samenwerking hierin tussen gemeenten, het ministerie van LNV, natuurbeheerders en grote havenbedrijven. Conclusie: De botsende belangen maken dat het uitvoeringsplan voor het beheer van overlast veroorzakende meeuwen drieledig moet zijn, waarbij het toepassen van een escalatieladder (zie bijlage 9), inzet van meeuwendeskundig ecologen en monitoren van populaties (waar ingegrepen wordt) (en indien nodig bijstellen uitvoeringsplan) samenkomen.

Aan het uitvoeringsplan is bovendien de voorwaarde gekoppeld dat een duurzame alternatieve broedlocatie (in de vorm van gedoogdaken per gemeente) moet worden aangeboden. 6.2 TOEPASSING ESCALATIELADDER Inzet van een zogenaamde escalatieladder gaat uit van toepassing van de hoogstnoodzakelijke maatregel. De escalatieladder (zie afbeelding 11 en bijlage 9) volgt een stappenplan, oplopend van een beoordeling van de situatie (stap 1) tot nestbehandeling (zwaarste stap). Daarnaast dient bij contact met een overlastmelder individuele voorlichting te worden gegeven, waarin uitleg over meeuwen en adviezen dienen worden gegeven. Zie bijlage 10 voor het gebruik van de escalatieladder in de praktijk. Door iedere overlastsituatie volgens het stappenplan in de escalatieladder te bekijken, zal nestbehandeling alleen worden ingezet wanneer er sprake is van essentiële overlast en er echt geen andere oplossing is. Vanwege de matig ongunstige staat van instandhouding van de zilvermeeuw, zal voor deze soort de uiterste maatregel van nestbehandeling voorlopig niet kunnen worden ingezet. In de aanbevelingen (zie paragraaf 6) is wel een andere optie aangedragen die nader verkend kan worden, hiervoor zal gelijktijdig een ontheffing kunnen worden aangevraagd.

Voor kleine mantelmeeuw is de staat van instandhouding gunstig, echter er zijn grote verschillen in populatietrends tussen de populaties in de verschillende broedgebieden. Bovendien is er mogelijk een risico op domino-effect op zilvermeeuw wanneer nestbeheer van kleine mantelmeeuw wordt ingezet en is er een ongemeten effect van illegaal handelen door burgers. Om die redenen dient vooralsnog behoudend te worden ingegrepen. Omdat de gevolgen van nestbeheer op lokale en regionale populatieomvang niet eerder (in samenhang) zijn gemonitord, is het onmogelijk er een breed onderbouwd percentage aan te koppelen. In Katwijk is het gedurende 5 jaar afhandeling van overlastklachten nooit Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 37

nodig geweest om bij meer dan 5-10% van de populatie nesten te behandelen. Dit is dus vooralsnog een reële bovengrens.

Afbeelding 11: Escalatieladder

Met het toepassen van de escalatieladder dient individuele voorlichting te worden ingezet. Alleen in schrijnende gevallen (essentiële overlast) zal het wegnemen van broedsucces worden ingezet vanaf stap 1, waarbij zilvermeeuw hiervan wordt uitgesloten en bij kleine mantelmeeuw vooralsnog een bovengrens van 5-10% van de (eigen) gemeentelijke populatie reëel is. 6.3 NOODZAAK INZET MEEUWENDESKUNDIG ECOLOGEN In veel gevallen is een bezoek aan en/of gesprek met de bewoner die overlast ervaart voldoende, doordat angst kan worden weggenomen of de overlast kan worden verminderd door eenvoudige adviezen. Stoelwinder (2017) en Loeve (2019) stellen dat bij tenminste 40% van de overlastmeldingen het geven van advies voldoende is. De gemeente Haarlem beaamt dit. Het is wel belangrijk dat de klacht serieus wordt genomen en er een juist verhaal wordt verteld. Een inwoonster van Den Haag gaf aan dat haar door de gemeente was verteld dat zij “met een rugzak met daarin een bezemsteel” haar balkon moest betreden en dat zij de was niet meer buiten moest hangen “want meeuwen komen af op wasgoed”. Dit is onjuist. Door de afhandeling van overlastmeldingen door een ecoloog met deskundigheid op het gebied van meeuwen, kunnen dit soort situaties worden voorkomen. Gezien de matig ongunstige staat van instandhouding van de zilvermeeuw is ingrijpen in het broedsucces van deze soort niet verantwoord.

Om zeker te zijn dat nesten, pullen en vliegende individuen van zilvermeeuw (en kleine mantelmeeuw) juist worden gedetermineerd, dienen afhandeling van klachten en eventuele vervolgstappen door een meeuwendeskundig ecoloog (of onder diens begeleiding) te gebeuren. Bovendien kan door meeuwendeskundig ecoloog worden ingeschat of minder ingrijpende maatregelen, zoals nestverplaatsing en/of het plaatsen van barrières bij nesten van zilvermeeuw in schrijnende gevallen wel mogelijk is. Vanwege het mogelijke risico op domino-effect op zilvermeeuwnesten door nestbehandeling en daarop volgende verplaatsing van kleine mantelmeeuwen, dient ook bij deze soort nestbehandeling behoudend te worden ingezet. Toepassing van de escalatieladder (zie bijlage 9) door of onder begeleiding van een meeuwendeskundig ecoloog kan de inzet van nestbehandeling zo beperkt mogelijk houden. Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 38

Door inzet van meeuwendeskundig ecologen wordt gegarandeerd dat burgers van goede informatie en adviezen worden voorzien. Bovendien kunnen meeuwendeskundig ecologen op de overlastlocatie vaststellen of het een zilvermeeuw- of kleine mantelmeeuwnest betreft, omdat zij ervaren zijn in het herkennen van nesten, pullen en adulte vogels (ook in vlucht). Het effectieve ingrijpen en beheer kan ook onder begeleiding plaats vinden van een meeuwendeskundig ecoloog. De uitvoerder stemt dan alle stappen af in overleg met de meeuwendeskundig ecoloog (bijvoorbeeld door middel van een mobiele app of webapplicatie). Daarnaast zal de ecologisch deskundige periodiek fysiek met de uitvoerder op stap gaan. 6.4 NOODZAAK MONITORING Van 2017 tot en met 2019 is in het kader van onderzoek naar beheersmethoden van de overlast ontheffing verleend (kenmerk FF/75A/2016.052 als verlenging op kenmerk FF/75A/2013/051) voor ingrijpen op broedsucces van meeuwen in Haarlem, Alkmaar en Leiden. In het kader van dit onderzoek zijn in Alkmaar in 2019 130 zilvermeeuweieren behandeld (Stoelwinder 2020), terwijl in 2018 111 zilvermeeuwnesten waren geteld in deze stad (Smit 2018). Dit komt neer op het wegnemen van broedsucces bij ten minste 40% van de nesten. In Leiden zijn in 2017 230 zilvermeeuwnesten geteld op luchtfoto’s van die stad, wat 35% is van in totaal 536 getelde meeuwennesten (Moerland 2018).

In datzelfde jaar zijn 168 niet op soort gespecificeerde meeuwennesten behandeld (Stoelwinder 2020b). Qua verhouding komt dit indicatief neer op 59 behandelde zilvermeeuwnesten (26% van de broedpopulatie van zilvermeeuw). Ook illegale nestvernietiging en een eventueel domino-effect van concurrentie om broedlocaties met verplaatste kleine mantelmeeuwen zal leiden tot een vermindering van broedsucces van de zilvermeeuw. Noch in Leiden, noch in Alkmaar is een (jaarlijkse) monitoring uitgevoerd, waardoor de gevolgen van dit grootschalig ingrijpen op de populatie niet kan worden vastgesteld. In Katwijk is in de periode 2013-2017 5%-10% van de meeuwennesten behandeld. Uit jaarlijkse monitoring in deze gemeente blijkt dat de populatie zilvermeeuwen na een aanvankelijke afname (tussen 2013-2016) in 2017 en 2018 weer iets toeneemt (Loeve 2019). Dit valt samen met het bovengenoemde ingrijpen op de populatie in het naburige Leiden. Of hier sprake is van verplaatsende zilvermeeuwparen kan niet worden vastgesteld of uitgesloten, doordat in Leiden na 2017 niet gemonitord is. Opvallend is wel dat de grootste toename van het aantal kleine mantelmeeuwnesten in Katwijk (en de nabijgelegen populatie van Flora Holland) in 2018 plaatsvond, na de start van nestbehandeling in Leiden (Loeve 2019).

In Den Haag werden verplaatste broedvogels uit verstoorde populaties in het Rotterdams havengebied aangetroffen (Buijs & Huig in voorbereiding). Er is breed beschreven dat lokale populaties niet los van elkaar kunnen worden gezien (Rock 2005, Coulson & Coulson 2009, Stienen et al. 2002, Camphuysen 2010, Van der Lans 2013, Ross et al. 2014, Benders et al. 2015, Benders et al. 2018, Moerland 2018, Buijs & Huig 2019). Bovenstaande getallen laten zien dat nestbehandeling in de ene gemeente samenvalt met (vergrote) toename van nesten in naburige gemeenten. Een lokale toename van het aantal nesten verliest in deze context aan waarde voor effectbepaling van maatregelen. Immers deze samenvallende feiten zijn mogelijk aan elkaar gekoppeld. Daarom is een monitoringsinspanning in alle betrokken gemeenten aan te raden. Hiervoor kunnen mogelijk leden van lokale vogelwerkgroepen worden ingezet; zij hebben voldoende kennis van vogels om meeuwensoorten te onderscheiden en kennen de lokale situatie. Monitoring dient grondig en over meerdere jaren op dezelfde wijze te worden uitgevoerd, bijvoorbeeld aan de hand van een monitoringprotocol; slechts dan kunnen de effecten van maatregelen op de staat van instandhouding van zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw worden bepaald.

Meerjarige monitoring zal trends van de staat van instandhouding en aantal broedparen in met name de deelnemende gemeentes inzichtelijk maken. Doordat er reeds een grote verschuiving plaatsvindt van meeuwen naar het binnenland en momenteel nog weinig kennis omtrent broedende meeuwen in het binnenland aanwezig is, kan hier bijvoorbeeld beter uit worden afgeleid, hoe het met de kleine mantelmeeuw gesteld is in het binnenland. Het is niet uitgesloten dat de kleine mantelmeeuw het in het binnenland veel beter doet dan nu gedacht, doordat inlands nog weinig onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van meeuwen. Indien dit het geval is, geeft dit meer ruimte om in te grijpen bij overlast van deze soort. Conclusie: Meerjarige monitoring van het aantal nesten van beide soorten in alle betrokken gemeenten is aan te raden omdat de mogelijkheid bestaat dat nestbehandeling in de ene populatie samenvalt met (vergrote) toename in nabije gemeenten. De matig ongunstige staat van instandhouding van zilvermeeuw Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 39

en diens toegenomen afhankelijkheid van kustgemeenten als broedgebied (zie hoofdstuk 5) maakt dat de effecten van maatregelen op met name deze soort goed moeten worden gemonitord. In bijlage 11 zijn randvoorwaarden voor de monitoring opgenomen. 6.5 CONCLUSIES TEN AANZIEN VAN UITVOERINGSPLAN BEHEER OVERLAST VEROORZAKENDE MEEUWEN Nog niet alle niet-ontheffingsplichtige maatregelen zijn in alle gemeenten volledig benut. Door te werken volgens het beschreven uitvoeringsplan en de daaraan gekoppelde voorwaarden gebeurt dat alsnog. Door inzet van met de escalatieladder is individuele voorlichting automatisch de eerste stap. Alleen in schrijnende gevallen (essentiële overlast) zal het wegnemen van broedsucces worden ingezet, waarbij zilvermeeuw hiervan wordt uitgesloten en bij kleine mantelmeeuw vooralsnog een bovengrens van 5-10% van de populatie reëel is. Dit betreft 5-10% van de (eigen) gemeentelijke populatie. Hieraan gekoppeld is dat alternatieve broedlocaties in de vorm van gedoogdaken worden aangeboden. Door inzet van meeuwendeskundig ecologen wordt gegarandeerd dat burgers en gemeenten van goede informatie en adviezen worden voorzien. Bovendien kunnen meeuwendeskundig ecologen op de overlastlocatie vaststellen of het een zilvermeeuw- of kleine mantelmeeuwnest betreft, omdat zij ervaren zijn in het herkennen van nesten, pullen en adulte vogels (ook in vlucht).

Meerjarige monitoring van het aantal nesten van beide soorten in alle betrokken gemeenten is aan te bevelen omdat nestbehandeling in de ene populatie samenvalt met (vergrote) toename in nabije gemeenten. De matig ongunstige staat van instandhouding van zilvermeeuw en diens toegenomen afhankelijkheid van kustgemeenten als broedgebied maakt dat de effecten van maatregelen op met name deze soort goed moeten worden gemonitord. Ook het optreden van een eventueel domino-effect wordt hiermee bewaakt.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 40

7. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 DOELSTELLING, OVERLAST, MAATREGELEN EN STAAT VAN INSTANDHOUDING De doelstelling van de aanvraag voor toestemming voor het beheer van essentieel overlast veroorzakende meeuwen is het verminderen van door burgers ervaren schade aan de volksgezondheid veroorzaakt door broedende meeuwen, zonder de populatie te verkleinen. Deze overlast valt te verdelen in drie categorieën: gezondheidsschade door geluidsoverlast, gezondheidsschade door (schijn)aanvallen en materiële schade aan gebouwen met een risico voor de volksgezondheid tot gevolg. Ook kunnen risicovolle situaties zich voordoen, zodat lokaal de openbare veiligheid in het geding komt. In deze gevallen gaat het hier specifiek om essentiële overlast. Bij gemeenten bestaat de wens om een ontheffing of vrijstelling te krijgen op de Wet natuurbescherming om in deze gevallen te kunnen optreden. Puur nietontheffingsplichtige maatregelen zijn in schrijnende gevallen niet effectief. Puur ontheffingsplichtige maatregelen grijpen in op de nesten, eieren en nestafhankelijke jongen van de soort. Zowel zilvermeeuw als kleine mantelmeeuw gaan landelijk en lokaal in aantal achteruit.

Zilvermeeuw heeft landelijk een matig ongunstige staat van instandhouding en blijkt extra kwetsbaar voor het verdwijnen van geschikt broedareaal, doordat deze soort voor broedlocaties zeer sterk kustgebonden is en in concurrentie veelal verliest van de kleine mantelmeeuw. Opgemerkt wordt dat de cijfers zijn gebaseerd op tellingen van met name grondbroedende populaties en mogelijk enkele dakbroedende meeuwen. Een afdoende zicht op de grootte van in steden broedende populaties is momenteel niet voorhanden. Wanneer dit goed in kaart is gebracht, kunnen deze conclusies opnieuw worden bekeken. Goede voorlichting in steden is belangrijk om draagkracht voor de meeuwen bij burgers te creëren, waardoor de overlastervaring wordt verminderd, dit moet bij alle deelnemende gemeentes een van de stappen zijn die genomen worden, als onderdeel voor het gebruiken van de ontheffing. Door te werken volgens de escalatieladder van het in hoofdstuk 6 beschreven uitvoeringsplan, zal deze methode automatisch als eerste toegepast worden. De andere niet-ontheffingsplichtige maatregel die nog niet is ingezet, is het aanbieden van alternatieve broedlocaties in de vorm van gedoogdaken. Uit literatuuronderzoek blijkt dat deze methode vooral effectief is in combinatie met het wegnemen van broedsucces (door oliën van eieren).

Hierdoor ontstaat een hybride-oplossing van een nietontheffingsplichtige en een ontheffingsplichtige methode, waarvan het niet-ontheffingsplichtige deel als voorwaarde geldt voor het ontheffingsplichtige deel. 7.2 ALGEMENE VOORWAARDEN – AANWIJZEN DUURZAME BROEDLOCATIES, INZET MEEUWENDESKUNDIGEN & RAPPORTAGEPLICHT Er dien(t)(en) (een) structurele broedlocatie(s) in de vorm van gedoogdaken (het liefst waar al enkele meeuwen broeden) voor grote aantallen broedparen te worden gevonden of gerealiseerd, om (een) duurzame kolonie(s) te creëren. Dit zodat meeuwen zich rustig kunnen vestigen, geen overlast veroorzaken en geen bedreiging vormen voor andere (kwetsbare) vogelsoorten. Dit is het moment om hier actie op te ondernemen, omdat snelle uitbreiding van aanwezigheid van vossen en andere grondpredatoren, exploitatie van haventerreinen en toenemende overlast door broedvogels in stedelijk gebied tegelijkertijd plaatsvinden. Meeuwen verplaatsen zich hierdoor frequent tussen gebieden, op zoek naar broedlocaties. In de bespreking op 10-6-2020 met de bevoegde gezagen is reeds gesproken over de noodzaak van een structurele en duurzame broedlocaties en samenwerking hierin tussen gemeenten, het ministerie van LNV, natuurbeheerders en grote havenbedrijven.

Het bezoeken van overlastlocaties en het eventueel handelen volgens de escalatieladder moet worden uitgevoerd door een ecoloog met deskundigheid op het gebied van meeuwen of onder diens begeleiding. Dit om uit te sluiten dat de soorten worden verward en/of onjuiste beslissingen worden gemaakt. Op vooraf vastgelegde toetsmomenten dient aan de ontheffingsverlener gerapporteerd te worden over de stand van zaken aangaande aanwijzen van duurzame broedlocaties, omvang ingezette maatregelen, populatiemonitoring en analyse van populatietrends. Op deze toetsmomenten kan de inhoud van de ontheffing of vrijstelling worden herzien.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 41

7.3 KLEINE MANTELMEEUW – POPULATIEMONITORING BIJ INGRIJPEN BROEDSUCCES De landelijke staat van instandhouding van kleine mantelmeeuw is vooralsnog gunstig. Landelijk gaat de soort achteruit en lokaal zijn er grote verschillen te zien tussen de trends van verschillende populaties. Tevens is door onderzoek vastgesteld dat regionale samenhang en uitwisseling tussen verschillende populaties bestaat, waarbij dak- en grondkolonies niet los van elkaar kunnen worden gezien. Behoudend ingrijpen (maximaal 5-10% van (eigen) gemeentelijke populatie) en monitoring van de omvang van de populaties waar wordt ingegrepen op het broedsucces is daarom aan te raden. Bovendien is kleine mantelmeeuw in de strijd om broedplaatsen dominant over zilvermeeuw, waardoor verplaatsing van kleine mantelmeeuw de druk op zilvermeeuw mogelijk vergroot. Dit maakt monitoring van populaties essentieel om een eventueel domino-effect op zilvermeeuw vroegtijdig te kunnen signaleren. Door een deel van de kleine mantelmeeuwen (indien in de buurt van zilvermeeuw) waarvan het broedsucces is weggenomen te kleurringen, kan vastgesteld worden of zij verplaatsen naar territoria van zilvermeeuwen en de druk op deze soort door deze maatregel vergroot wordt. 7.4 ZILVERMEEUW – NIET INGRIJPEN OP BROEDSUCCES & POPULATIE ONDERSTEUNEN De landelijke en lokale staat van instandhouding van zilvermeeuw is matig ongunstig.

De soort neemt snel in aantal af, waardoor het onverantwoord is in te grijpen op het broedsucces van deze soort. Zolang niet kan worden uitgesloten dat de druk op zilvermeeuw toeneemt door ingrijpen op het broedsucces bij kleine mantelmeeuw, is ondersteuning van de zilvermeeuwpopulatie zeer wenselijk. Gedacht kan worden aan voorlichting over de slechte staat van deze soort (charmeoffensief) en (financiële) steun voor opvang en verzorging van verweesde juveniele zilvermeeuwen om de overlevingskans zo veel mogelijk te vergroten.   

  

7.5 SAMENVATTEND Drie vormen van overlast, veroorzaakt door broedende meeuwen, vormen in schrijnende gevallen (essentiële overlast) een gevaar voor de volksgezondheid en/of openbare veiligheid. Bezoeken aan overlastlocaties en toepassen van de escalatieladder dient te worden uitgevoerd door een ecoloog met deskundigheid op het gebied van meeuwen (of onder diens begeleiding). De escalatieladder volgt een stappenplan, oplopend van individuele voorlichting waarin uitleg over meeuwen en adviezen worden gegeven (eerste stap) tot nestbehandeling (laatste stap). Door iedere overlastsituatie volgens het stappenplan in de escalatieladder te bekijken, zal nestbehandeling alleen worden ingezet wanneer er sprake is van essentiële overlast en er echt geen andere oplossing is. Het wegnemen van broedsucces in combinatie met het aanbieden van alternatieve broedlocaties in de vorm van gedoogdaken is de meest effectieve methode om essentiële overlast te verminderen. De staat van instandhouding van kleine mantelmeeuw is vooralsnog gunstig. Uit onderzoek is gebleken dat ingrijpen op het broedsucces van maximaal 10% van een gemeentelijke populatie voldoende is om schrijnende gevallen van overlast binnen die gemeente te verhelpen. De staat van instandhouding van zilvermeeuw is matig ongunstig. Deze soort neemt snel in aantal af, zowel op landelijke als op lokale schaal.

Het is daarom onverantwoord broedsucces (laatste stap escalatieladder) weg te nemen bij individuen van deze soort. Voor schrijnende gevallen kan voor de zilvermeeuw wel een ander traject verkend worden (zie aanbeveling). Populaties waarbinnen wordt ingegrepen op het broedsucces van kleine mantelmeeuwparen dienen te worden gemonitord om populatietrends te volgen en eventuele druk op broedparen zilvermeeuw door verplaatsende paren kleine mantelmeeuw tijdig te kunnen signaleren. De randvoorwaarden voor deze monitoring zijn opgenomen in bijlage 11. Voorwaarde voor het in hoofdstuk 6 beschreven uitvoeringsplan, is dat alle belanghebbende partijen samenwerken om (een) duurzame broedlocatie(s) te realiseren waar grote aantallen broedparen structureel kunnen broeden, dit is eveneens aangegeven in het overleg d.d. 10 juni 2020 met belanghebbende partijen. Op vooraf vastgelegde toetsmomenten dient aan de ontheffingsverlener gerapporteerd te worden over de stand van zaken aangaande aanwijzen van duurzame broedlocaties, omvang ingezette maatregelen, populatiemonitoring, analyse van populatietrends in relatie tot elkaar. Op deze toetsmomenten kan de inhoud van de ontheffing worden herzien.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 42

7.6 AANBEVELING In de haven van Rotterdam is in 2019 gestart met een experiment met adoptie waarbij wordt gekeken of eieren van nesten zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuw in probleemzones (bij operationele processen in de havenindustrie) kunnen worden verplaatst naar donornesten van meeuwen op duurzame locaties (gedoogzones waar meeuwen kunnen broeden zonder dat zij bedrijfsprocessen hinderen). Dit zou (indien succesvol) in theorie voor incidentele gevallen een oplossing kunnen bieden om de uitval van kuikens door grootschalige nestbehandeling door maïsoliën te voorkomen. Een variant op dit experiment zou eveneens een nieuw experiment kunnen zijn waarbij in urbaan gebied eieren van zilvermeeuwen kunstmatig worden uitgebroed in een broedmachine en handmatig worden opgevoed door mensen. Hiermee bereiken de kuikens eveneens de vliegvlugge fase en zal een deel van deze kuikens een bijdrage leveren aan de broedpopulatie. In de praktijk worden al kleine meeuwenkuikens opgevangen in de diverse vogelopvangcentra in Nederland en België en handmatig opgevoed (met succes). Een dergelijk experiment zou bij slagen ook een uitkomst kunnen bieden voor zilvermeeuwnesten die in de laatste stap van de escalatieladder terecht komen en waarbij dus geen andere bevredigende oplossingen zijn.

Het ingrijpen om overlast weg te nemen zal in dat geval niet leiden tot een vermindering van aanwas van jonge zilvermeeuwen. Wel dient er dan een investering plaats te vinden in een broedmachine, ruimte en capaciteit bij 1 of meerdere vogelopvangcentra in ons land. In het kader van het wettelijk belang onderzoek zou een proef kunnen worden opgezet waarbij max.1% van nesten van de populatie zilvermeeuwen per gemeente wordt ondergebracht bij een vogelasiel. Hiervoor kunnen dan de nesten worden gebruikt die in de laatste stap van de escalatieladder terecht komen. In bijlage 11 is een literatuuronderzoek opgenomen m.b.t. de beperkte informatie die ons nu bekend is over deze werkwijze. Het is een traject dat zeker het verkennen waard is.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 43

REFERENTIES -

-

-

-

-

Arts, F.A., M.S.J. Hoekstein, S.J Lilipaly, K.D. van Straalen, M. Sluijter & P. A. Wolf. 2018. Kustbroedvogels in het Deltagebied in 2017. Delta ProjectManagement, Vlissingen Belant, J.L. 1993 Nest-site selection and reproductive biology of roof- and island-nesting herring gulls. Trans. N. Am. Wildl. Nat. Resour. Conf. 58, 78-86 Belant, J.L. & Ickes, S.K. 1996. Overhead Wires Reduce Roof-Nesting By Ring-Billed Gulls And Herring Gulls. Proceedings of the Seventeenth Vertebrate Pest Conference 1996. Paper 5. Belant, J.L. 1997. Gulls in urban environments: landscape-level management to reduce conflict. Landscape and Urban Planning 1997: 38: 245-258 Benders 2012, Broedvogelmonitoring Europoort en Maasvlakte 2012,. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Benders, M., Van der Staak, E. & Buijs, R.J. 2013. Monitoren broedvogels & Adviseren broedvrij houden 2013. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Benders, M., Van der Staak, E. & Buijs, R.J. 2014. Monitoren broedvogels & Adviseren broedvrij houden 2014. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Benders, M., Van der Staak, E. & Buijs, R.J. 2015. Monitoren broedvogels & Adviseren broedvrij houden 2015. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Benders, M., Van der Staak, E. & Buijs, R.J. 2016. Monitoren broedvogels & Adviseren broedvrij houden 2016. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Benders, M., Van der Staak, E. & Buijs, R.J. 2017.

Monitoren broedvogels & Adviseren broedvrij houden 2017. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Benders, M., Van der Staak, E. & Buijs, R.J. 2018. Monitoren broedvogels & Adviseren broedvrij houden 2018. Staro Natuur en Buitengebied. Gemert Blokpoel, H., Weller, W.F. Tessier, G.D. & Smith, B. 1990. Roof-nesting by Ring-billed Gulls and Herring Gulls in Ontario in 1989. Ontario Birds 8(2): 55-60 Blokpoel, H. & Tessier, G.D. 1991. Control of Ring-billed Gulls and Herring Gulls nesting at urban and industrial sites in Ontario, 1987-1990. Fifth Eastern Wildlife Damage Control Conference, 6. Buijs, R.J. & Muusse, T. 2007. Colour-ringed Herring Gulls (Larus argentatus) and Lesser Blackbacked Gulls (Larus fuscus) at the Moerdijk Industrial zone (The Netherlands). Aves, 44 (3): 163 166 Buijs, R.J. & Huig, N. 2019. Meeuwen in Den Haag: stand van zaken anno 2018. Buijs Eco Consult B.V., Oud-Vossemeer Buijs, R.J. & Huig, N. In voorbereiding. Meeuwen in Den Haag: wat is nieuw in 2019? Buijs Eco Consult B.V., Hoogerheide Calladine, J.R., Park, K.J, Thompson, K. & Wernham, C.V. 2006. Review of Urban Gulls and their Management in Scotland. Scottish Executive, Edinburgh Camphuysen, C.J., 2010. Kleine Mantelmeeuwen en hun plaatstrouw als broedvogel op Texel (W Waddenzee): aanwijzingen voor uitwisselingen tussen kolonies in NW Nederland.

Rapportage Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek. Texel Camphuysen, C.J., DeBoer, P., Bouten, W., Gronert, A. & Shamoun-Baranes, J. 2010. Mammalian prey in Laridae: increased predation pressure on mammal populations expected. Lutra 53: 5-20 Camphuysen, C.J., 2013. A historical ecology of two closely related gull species (Laridae): multiple adaptations to a man made environment, Groningen: Universiteit Groningen Canisius, M. 2018. Meeuwenoverlast. Het vervolg-2. Gemeente Haarlem. Cook, A., Rushton, S., Allan, J. & Baxter, A. 2008. An Evaluation of Techniques to Control Problem Bird Species on Landfill Sites. Environmental Management 41:834–843 Coulson, J.C. & Coulson, B.A. 2009. Ecology and colonial structure of large gulls in an urban colony: investigations and management at Dumfries, SW Scotland. Waterbirds 32: 1–15 Coulson, J.C. & Coulson, B.A. 2015. The accuracy of urban nesting gull censuses. Bird Study 62(2): 170-176 Courtens, W. & Stienen, E.W.M. 2004. Voorstel tot afbakening van een vogelrichtlijngebied voor het duurzaam in stand houden van de broedpopulaties van kustbroedvogels te Zeebrugge-Heist. Adviesnota IN.A.2004.100. Instituut voor Natuurbehoud. Brussel Courtens, W. Stienen, E.W.M. & Kuijken, E. 2004. Inrichting daken van gebouwen als broedgebied voor Kleine Mantelmeeuw, Zilvermeeuw en Visdief. Adviesnota IN.A.2004.34 Instituut voor Natuurbehoud.

Brussel

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 44

-

-

-

-

-

-

-

-

Courtens, W. Stienen, E.W.M., Van de Walle, M. & Vercruysse, H. 2006. Deelstudie II: Grote meeuwen in Zeebrugge: problemen en oplossingen. In: Eindrapport IN.A.2006.68 Instituut voor Natuurbehoud. Brussel DGMR. 2020. Kenmerk M.2019.1176.00.N001. Den Haag analyse geluid t.g.v. meeuwen – Analyse geluidsmetingen meeuwen François, R. 2002. Aantalsevolutie en gedrag van dakbroedende Zilvermeeuwen Larus argentatus en Kleine Mantelmeeuwen Larus fuscus in België. Natuur.Oriolus, themanummer meeuwen 68(3): 123-126 Garthe S., T. Freyer, O. Hüppop & D. Wölke 1999. Breeding lesser blackbacked gulls Larus graellsii and herring gulls Larus argentatus: coexistence or competition? Ardea 87: 227–236. Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen. 2019. Dossiernr. : K17632. Documentnr. : 2019-103722. Ontheffing verplaatsen roekenkolonies op vier locaties bij Ten Boer, De Hunze, Beijum en Noordlaren, d.d. 02-12-2019 Gemeente Haarlem/DIA. 2018. Meeuwenoverlast Het vervolg-2 GGD Haaglanden, Afdeling Leefomgeving MMK & THZ. 2019. Meeuwenoverlast en gezondheid. Kenmerk OCW/2019.4352, d.d. 02-07-2019 GGD Haaglanden, Afdeling Leefomgeving MMK & THZ. 2019. Meeuwenoverlast en gezondheid – GGD advise. Kenmerk OCW/2019.5114, d.d. 26-07-2019 Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. 2007.

RICHTLIJN 2009/147/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand Huig, N., Buijs, R-J. & E. Kleyheeg. 2016a. Summer in the city: behaviour of large gulls visiting an urban area during the breeding season. Bird Study 63: 214−222 Huig, N., Buijs, R-J. & E. Kleyheeg. 2016b. Foeragerende Zilvermeeuwen langs de Hollandse kust: ‘stadsmeeuwen’ of nog steeds ‘zeemeeuwen’? Limosa 89 (2): 58-66 Hüppop, O. & Hüppop, K. 1999. The food of breeding Herring Gulls L.a. at the lower river Elbe: does fish availability limit inland colonization? Atlantic seabirds 1(1): 27-42 Ickes, S.K., Belant, J.L. , & Dolbeer, R.A. 1998. Nest disturbance techniques to control nesting by gulls. Wildlife Society Bulletin 1998: 26(2): 269-273 Koffijberg, K., Cremer, J.S.M., De Boer, P., Nienhuis, J., Oosterbeek, K. & Postma, J. 2018. Broedsucces van kustbroedvogels in de Waddenzee in 2017. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen Kroc, E. 2018. Reproductive ecology of urban-nesting Glaucous-winged Gulls Larus glaucescens in Vancouver, BC, Canada. Marine Ornithology 46: 155–164 Lensink, R. & Van Horssen, P.W. 2009. Faunabeheerplan meeuwen havengebied Rotterdam 2010-2015. Eindrapport. Culemborg Lensink, R., De Jong, J.W., Hartman, J.C. & Verbeek, R.G. 2010.

Broedende meeuwen in Den Haag in 2010 – Inventarisatie in het broedseizoen van grote meeuwen op daken. Culemborg Lilipaly S.J., F.A. Arts, M.S.J. Hoekstein, K.D. van Straalen, M. Sluijter, P. A. Wolf, 2020. Kustbroedvogels in het Deltagebied in 2019. Rijkswaterstaat, Centrale informatievoorziening Rapport BM 20.04. Deltamilieu Projecten Rapportnr. 2020-04, Vlissingen. Loeve, A.W.M. & Van der Lans, F.V. 2016a. Rapportage meeuwenoverlast en meeuweninventarisatie Gemeente Katwijk 2015. VanderHelm Milieubeheer B.V. Loeve, A.W.M. 2014a. Aanpak overlast meeuwen 2014 in de gemeente Katwijk. VanderHelm Milieubeheer B.V. Loeve, A.W.M. 2014b. Meeuwenproblematiek op het industrieterrein van Moerdijk: oorzaken en oplossingen. Afstudeerrapport Hogeschool Inholland. Delft Loeve, A.W.M. & Van der Lans, F.V. 2016b. Rapportage meeuwenoverlast en meeuweninventarisatie Gemeente Katwijk 2016. VanderHelm Milieubeheer B.V. Loeve, A.W.M. 2017. Rapportage meeuwenoverlast en meeuweninventarisatie Gemeente Katwijk 2017. VanderHelm Milieubeheer B.V. Loeve, A.W.M. 2018. Rapportage meeuwenoverlast en meeuweninventarisatie Gemeente Katwijk 2018. VanderHelm Milieubeheer B.V. Loeve, A.W.M. 2019. Rapportage meeuwenoverlast en meeuweninventarisatie Gemeente Katwijk 2018. VanderHelm Milieubeheer B.V. Maelfait, H. & Belpaeme, K. 2005.

Meeuwen en huisvuil hoe pakken onze noorderburen dit probleem aan? De Grote Rede 15. Vlaams Instituut voor de Zee. Oostende Moerland, W. 2018. Inventarisatie broedpopulaties grote meeuwen Leiden 2017. Onderzoek op basis van luchtfoto’s. Rapportnr. 349. Bureau Stadsnatuur, Rotterdam Nagtegaal, J. & Van Bruggen, J. 2018. Kolonisatie van het binnenland door de Kleine

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 45

-

-

-

-

-

Mantelmeeuw en Zilvermeeuw - een overzicht tot en met 2015. Limosa 91: 168-180 Omroep Brabant. 2012. Werk gaat door terwijl meeuwen worden verjaagd [Film]. Omroep Brabant Raven, S.J. & Coulson, J.C. 1997. The distribution and abundance of Larus gulls nesting on buildings in Britain and Ireland. Bird Study 44: 13-34. https://www.rivm.nl/papegaaienziekteRock, P. 2005. Urban gulls: problems and solutions. British Birds 98: 338-355. Rock, P. 2013. Urban gulls. Why current control methods always fail. Rivista Italiana di Ornitologia 82 (1-2): 58-65 Rock, P. 2018. Roof-nesting gulls in Liskeard Rock, P. 2019. Presentatie en persoonlijk interview op Internation Gull Meeting 2018 en 2019 Rock, P. & Vaughan, I.P. 2013. Long-term estimates of adult survival rates of urban Herring Gulls Larus argentatus and Lesser Black-backed Gulls Larus fuscus , Ringing & Migration, 28:1, 21-29 Ross-Smith, V.H., Grantham, M.J., Robinson, R.A. & Clark, J.A. 2014. Analysis of Lesser Blackbacked Gull data to inform meta-population studies. British Trust for Ornithology, Thetford Ross-Smith, V.H., Robinson, R.A., Banks, A.N., Frayling, T.D., Gibson, C.C. & Clark, J.A. 2014. The Lesser Black-backed Gull Larus fuscus in England: how to resolve a conservation conundrum. Seabird 27: 41-61 Seys, J. 2004. Meeuwen: echt een probleem? De Grote Rede 12. Vlaams Instituut voor de Zee. Oostende Smit, H. 2018.

Urbane meeuwen in het werkgebied van de Vogelwerkgroep Alkmaar. De Kleine Alk 2018-3 Soldatini, C., Albores‐Barajas, Y.V., Mainardi, D & Monaghan, P. 2008. Roof nesting by gulls for better or worse?, Italian Journal of Zoology, 75:3, 295-303 www.sovon.nl; website bezocht op 21-2-2020 Stallen, P.J.M & Zandbergen, H.J. 2020. Het psychologische fundament onder de relatie ‘(broedende) meeuwen - volksgezondheid’ Stienen, E.W.H., Van Waeyenberge, J. & Vercruijsse, J.P. 2002. Zilvermeeuw Larus argentatus en Kleine Mantelmeeuw Larus fuscus als broedvogels in Vlaanderen. Natuur.oriolus. Themanummer meeuwen. Natuur.oriolus 68(3): 104-110 Stienen, E.W.M., Desmet, P., Aelterman, B., Courtens, W., Feys, S., Vanermen, N., Verstraete, H., Van de Walle, M., Deneudt, K., Hernandez, F., Houthoofdt, R., Vanhoorne, B., Bouten, W., Buijs, R.-J., Kavelaars, M.M., Müller, W., Herman, D., Matheve, H., Sotillo, A., Lens, L. 2016. GPS tracking data of Lesser Black-backed Gulls and Herring Gulls breeding at the southern North Sea coast. ZooKeys 555: 115-124. doi: 10.3897/zookeys.555.6173 Stoelwinder, J. 2017. Beheer meeuwenoverlast 2017 Gemeente Alkmaar. Tussenrapportage ontheffing FF/75A/2016/052. PCF Holland-rapport 2017, Lelystad. Stoelwinder, J. 2020. Onderzoek beheer meeuwenoverlast 2019 Gemeente Alkmaar. Tussenrapportage ontheffing FF/75A/2016/052. Anticimex-rapport 2020, Lelystad. Stoelwinder, J.

2020b. Eindrapportage – Onderzoek beheer meeuwenoverlast 2017 t/m 2019. Gemeente Alkmaar, Leiden, Haarlem. Strucker, R.C.W., Hoekstein, M.S.J. & Wolf, P.A. 2010. Kustbroedvogels in het Deltagebied in 2009. Delta ProjectManagement, Vlissingen Strucker, R.C.W.; Hoekstein, M.S.J. & Wolf, P.A. 2013. Kustbroedvogels in het Deltagebied in 2012. Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu Strucker, R.C.W.; Hoekstein, M.S.J. & Wolf, P.A. 2015. Kustbroedvogels in het Deltagebied in 2015. Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu Van der Lans, F.V. 2013. Aanpak overlast meeuwen 2013 in de Gemeente Katwijk. VanderHelm Milieubeheer B.V. www.verspreidingsatlas.nl website bezocht op 11-8-2020 Vogelbescherming Nederland. 2020. https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/juridischebescherming/wet-en-regelgeving/eu-vogelrichtlijn-en-habitatrichtlijn?gclid=EAIaIQobChMIbTlh4OX6AIVlfhRCh3knQIlEAAYASAAEgJ9cfD_BwE VPRO. 2012. Nederland van Boven. Aflevering “Wilde natuur in Nederland” [Documentaire]. VPRO

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 46

DEFINITIES Urbaan gebied

Stedelijke omgeving waar mensen wonen, werken en dagelijkse activiteiten ontplooien.

Grondpredatoren

Natuurlijke vijanden die vanaf de grond volwassen meeuwen, meeuweneieren of nestafhankelijke kuikens eten/prederen het gaat hier met name om soorten als vos, bunzing, steenmarter en bruine rat.

Havenexploitatie

Ingebruikname van braakliggende terreinen in havenindustriegebieden voor havengebonden activiteiten en industrie.

Vestigingsperiode

Periode dat meeuwen hun territorium weer in gebruik nemen, veelal enkele maanden tot weken voor de eileg

(Schijn-)aanval

Duikvlucht van meeuw op mens of dier waarbij vaak geen fysiek contact is maar in sommige gevallen wel waarbij de meeuw vooral met de poten kwetsuren aanbrengt bij mens en dier. Deze aanvallen gebeuren doorgaans altijd van achteren waardoor het schrikeffect bij mens en dier groot is.

Maïsoliën

Insmeren of oppervlakkig bespuiten van eieren met maïsolie of andere plantaardige olie met als doel dat poriën in het ei verstopt raken waardoor de embryonale ontwikkeling gestaakt wordt.

en

Meeuwendeskundige ecoloog Ecologische deskundige (zie onderstaande eis/definitie RVO) die daarnaast minimaal 5 jaar aantoonbare ervaring heeft op het gebied van de ecologie van meeuwen en heeft naast soortherkenning (o.a. geluid en in vlucht) ook kennis van de diverse stadia van het broedproces en randfactoren om juiste afweging te maken m.b.t. beheer.

Box 1: Deskundigheid Het Ministerie verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige:  op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of  op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of  als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of  zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals de Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of  zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of soortenbescherming.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 47

BIJLAGEN BIJLAGE 1. DESKUNDIGHEID, KWALITEITSBORGING EN VERANTWOORDING Deskundigheid De medewerkers van de afdeling Ecologie van VanderHelm Milieubeheer B.V. en Buijs Eco Consult B.V. voldoen aan tenminste één van de door het Ministerie van Economische zaken genoemde voorwaarden en zijn daarmee gekwalificeerd als deskundige, zie box 1. Box 1: Deskundigheid Het Ministerie verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie.

De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige:  op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of  op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of  als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of  zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals de Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of  zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of soortenbescherming.

Kwaliteitsborging VanderHelm Milieubeheer B.V. is lid van het ‘Netwerk Groene Bureaus (NGB) - Brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging’. De werkzaamheden die door VanderHelm Milieubeheer B.V. worden uitgevoerd zijn gebaseerd op de door de NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). VanderHelm Milieubeheer B.V. is VCA** (versie 2008/05) gecertificeerd. Onderhavig project is uitgevoerd in overeenstemming met het kwaliteitssysteem van VanderHelm Milieubeheer B.V.. Dit kwaliteitssysteem is gecertificeerd conform de norm ISO 9001:2015. Verantwoording VanderHelm Milieubeheer B.V. en Buijs Eco Consult B.V. zijn onafhankelijke adviesbureaus en verklaren hierbij geen financiële of juridische belangen te hebben bij de uitkomst van het opgestelde document.

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 Bijlage

BIJLAGE 2. RAPPORT ONDERZOEK DGMR

Rapport aanvraag toestemming beheer van essentiële overlast veroorzakende dakbroedende meeuwen in diverse gemeenten in provincies Noord-Holland en Zuid-Holland Projectcode: 20191376 Bijlage

Geluidsoverlast meeuwen datum vestiging uw kenmerk ons kenmerk 2e lezer/secr.

27 januari 2020 Den Haag M.2019.1176.00.N001 TVR|OZU|TMA

project betreft versie auteur contactpersoon e-mail/telefoon

Den Haag analyse geluid t.g.v. meeuwen Analyse geluidsmetingen meeuwen 003 ing. L. (Levi) Stuut BSc ir. J. (Rob) Witte wi@dgmr.nl/088 346 78 04

Inleiding Voor een periode van zes maanden is er bij de school ‘Lycée Français Vincent Van Gogh’ in een meeuwenkolonie geluid gemeten. Om de overlast voor de omwonenden in kaart te brengen is ons gevraagd om deze data te analyseren.

figuur 1: locatie meetstation

De vraag die in dit onderzoek beantwoord wordt is: Is de hinder die optreedt als gevolg van de geluidsproductie van een meeuwenkolonie van dusdanige aard dat er gesproken kan worden van belangrijke overlast voor bewoners?

Geluidsoverlast meeuwen

Als deelvragen zijn onderzocht: 1 Analyseren van het dagritme qua geluid. Wordt er op bepaalde uren van de dag meer geluid gemaakt dan op andere uren? 2 Varieert de gemiddelde dag geluidsproductie over de meettijd (tot nu toe circa een half jaar)? Denk hierbij aan de activiteiten van de vogels (broedseizoen, jongeren eten geven, invloed zonsopgang/zonsondergang). De termen overlast en hinder zijn aan elkaar gerelateerd, waarbij overlast als meer algemeen kan worden beschouwd en hinder een onderdeel. Hinder wordt ook beschreven in wetsteksten, maar overlast niet. Ook in studies is vaak de term hinder gebruikt. In deze presentatie van de resultaten van de geluidsmetingen aan meeuwen worden de termen zoveel mogelijk beschreven als overlast, maar wordt ook de term hinder gebruikt. Geluid en overlast Effecten van geluid zijn vaak niet eenduidig. Waar bijvoorbeeld de een geniet van muziek kan de ander zich hieraan ergeren. Hoe men het geluid beleeft speelt hierin een grote rol. Als er sprake is van een bron die mogelijk gevaarlijk is dan is dat geluid veel eerder hinderlijk dan als dit niet het geval is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9746948/1