CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307135 Bijlage 4 - 20201120 Stikstofaanpak CID

Commissie Ruimte 23 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Gewijzigd raadsvoorstel van het college inzake Structuurvisie Central Innovation District1.548 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Stikstofaanpak Central Innovation District

Risicoanalyse stikstof op hoofdlijnen n.a.v. het toetsingsadvies van de commissie voor de milieueffectrapportage Gemeente Den Haag 20 november 2020

1

1.

Inleiding Eind april 2020 is de structuurvisie voor het Central Innovation District (CID) tezamen met de bijbehorende Milieueffectrapportage (MER) ter inzage gelegd en ter advisering aan de commissie m.e.r. toegezonden. Op 14 juli 2020 heeft de gemeente een voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport van deze commissie ontvangen. Daarop is een aanvulling op de MER opgesteld en ter advisering aan de commissie aangeboden. Het toetsingsadvies is op 19 november 2020 uitgebracht. De commissie geeft in haar advies aan dat de MER goed is opgebouwd en veel goede onderzoeken bevat. Zij geeft aan dat de keuze voor de onderzochte alternatieven begrijpelijk is, omdat het bouwprogramma en de mobiliteit de grootste milieugevolgen hebben. Ze geeft aan dat het in het vervolgproces nodig is om de ambities te bewaken, indien er bij de uitwerking van de plannen keuzen tussen concurrerende ruimteclaims gemaakt moeten worden. De commissie merkt op dat het welslagen van de mobiliteitstransitie deels afhankelijk is van planoverstijgende factoren. Daarnaast geeft de commissie aan dat de MER een heldere aanpak voor monitoring geeft aan de hand van goede beoordelingscriteria. De commissie geeft ook aan dat de informatie over de (on)mogelijkheden om de toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan te beperken, correct en duidelijk is.

Maar zij vindt dat op hoofdlijnen inzichtelijk moet worden hoe de gevolgen van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuur kunnen worden voorkomen. Deze aanpak is opgesteld om op dit punt nader in te gaan. Bij deze aanpak wordt gekeken of de verwachting vooralsnog is dat de ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd binnen de kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze analyse is op hoofdlijnen, passend bij het detailniveau van de structuurvisie CID. Het lastige bij deze aanpak is dat de stikstofproblematiek- en regelgeving volop in beweging is sinds de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019. Voor de duidelijkheid is er voor gekozen deze aanpak als “losse” notitie aan de MER toe te voegen en niet in de MER te verwerken.

2. Effecten stikstofdepositie Natura 2000-gebieden Voor de ontwikkelingen in het CID geldt dat deze niet in een Natura 2000-gebied worden gerealiseerd. De stad en een aantal hoofdwegen (Ockenburghstraat/Kijkduinsestraat, Van Alkemadelaan) grenzen aan drie Natura 2000 gebieden: Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen (zie figuur 1). Op sommige plekken loopt de depositie lokaal op tot boven de 2.000 mol/ha/jaar, terwijl voor de meest gevoelige habitatsoort een kritische depositiewaarde (KDW) van 714 mol/ha/jaar geldt. De afgelopen jaren zijn daarom al maatregelen getroffen om de natuurwaarden te herstellen. Er zijn echter meer maatregelen nodig om de overschrijding van de KDW verder te reduceren. De ligging van de stad direct aan zee bepaalt de Haagse situatie. Een groot deel van de bronnen (tot bijna 80 %) ligt volgens RIVM buiten Den Haag, zoals buitenland (33-37 %), ammoniak uit zee (15%), scheepvaart en landbouw (19 – 26%).

2

Om de stikstofdepositie in Den Haag te reduceren is de gemeente dus voor het grootste deel afhankelijk van anderen.

Figuur 1 ligging Natura-2000 gebieden ten opzichte van het CID. Bron: afbeelding 7.19 MER CID

Ontwikkelingen CID De ontwikkelingen in het CID, zijnde het bouwprogramma en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen, kunnen leiden tot extra stikstofdepositie op de reeds overbelaste Natura 2000-gebieden. Uit indicatieve stikstofberekeningen die in het kader van de MER zijn uitgevoerd blijkt dat in alle MER-alternatieven een toename van de stikstofdepositie plaatsvindt door extra inwoners, forenzen, werknemers en bezoekers in het CID. Duidelijk is dat stikstofdepositie in alle alternatieven leidt tot een groot risico op significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De mobiliteitstransitie biedt mogelijkheden om stikstofdepositie te verminderen, maar kan door verschuivingen in verkeersstromen lokaal tot knelpunten leiden. Maatregelen zijn nodig om de stikstofdepositie te reduceren en daarmee effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden te mitigeren of compenseren. Reductie van stikstofemissie en -depositie De reductie van stikstofemissie en depositie in Den Haag zal moeten worden bereikt door: ▪Rijksmaatregelen; ▪Door de provincie te treffen aanvullende maatregelen; ▪Door de gemeente te treffen aanvullende maatregelen.

Omdat de gemeente maar (in)direct een klein deel van de stikstofdepositie kan beïnvloeden, is de gemeente vooral aangewezen op maatregelen van Rijk en Provincie en maatregelen aan bronnen buiten de Haagse gemeentegrenzen. Het Rijk erkent de bijzondere positie van de gemeente Den Haag als een gebied waar de grenzen sneller dan elders bereikt zijn.

3

De gemeente is in overleg met Rijk en provincie over haar positie en de mogelijkheden op Rijks- en provinciaal niveau. Daarnaast werkt de gemeente aan een aantal zaken om het percentage dat zij zelf kan beïnvloeden naar beneden te krijgen. Zie: https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/9000451/2/RIS305865%20Haagse%20aanpak%20stikstof%20en% 20bouwen

Gemeentelijke maatregelen De gemeente zet een administratie op als Haagse stikstofbank, die naar verwachting uiterlijk eind 2020 operationeel is. Doel van deze stikstofbank is om de ruimte die ontstaat door reductie van stikstofemissie bij uitvoering van bronmaatregelen in de gemeente Den Haag, te behouden voor Den Haag. In deze stikstofbank wordt de beschikbare data over bijvoorbeeld het effect van de verkeersmaatregelen, gerichte aanpak bronemissies en de energietransitie gezet. Met de stikstofbank kan gestuurd worden op natuurherstel en op het mogelijk maken van bouwprojecten. Vooruitlopend op de Haagse stikstofbank heeft de gemeente Den Haag de volgende acties ingezet: 1. Onderzoeken van de mogelijkheden om bijvoorbeeld elektrisch bouwmaterieel en elektrische voertuigen in te zetten en te werken met bouwhubs. 2. Er zijn contacten met grote bouwbedrijven die de Malieveldverklaring hebben ondertekend. Met deze partijen wordt nagegaan hoe emissies ten gevolge van bouwactiviteiten, nieuwe gebouwen en gebiedsontwikkelingen versneld kunnen worden gereduceerd. 3.

Via de Bouwcampus, een platform waarin diverse partijen hun kennis en ervaring delen, worden op dit moment twee Haagse plannen (Plesmanweg fase 2 en 3, Vuurtorenweg 35-36) waarvoor de planontwikkeling loopt, voorzien van adviezen hoe de emissie van stikstof bij deze plannen kan worden teruggedrongen en waar mogelijk ook toegepast kunnen worden bij andere ontwikkelingen. De gemeente zet gemeentebreed, dus ook voor de ontwikkelingen in het CID, in op de volgende maatregelen: 1. Investeren in de kwalitatieve verbetering van de natura 2000 gebieden: 1. Verwijderen van gebiedsvreemde soorten uit de Natura-2000-gebieden 2. Beheermaatregelen (maaien/plaggen/begrazen/bekalken) 3. Maatwerkonderzoek naar methoden om de gewenste habitat in stand te houden (de huidige normen voor habitat zijn generiek) 4. Robuuster maken door uitbreiden Natura 2000-gebieden 2. Bronmaatregelen treffen binnen de Haagse gemeentegrenzen die de emissie reduceren: 1. Energietransitie; 2. Aanbestedingseis bij gemeentelijke aanbestedingen; 3. Reductie stikstofemissie van activiteiten in de duinen en op het strand; 4. Milieuzone 5. Uitbreiden walstroom in de haven; 6. Haagse Asfalt Centrale (HAC) sluiten. 3. Maatregelen laten treffen buiten de Haagse gemeentegrenzen door in samenwerking met de Provincie Zuid-Holland emissiebronnen in de provincie aan te pakken.

4

Randvoorwaarden/maatregelen bij de uitwerking van de structuurvisie CID De structuurvisie CID schetst een toekomstperspectief. Het precieze programma en het moment waarop dit wordt gerealiseerd is niet bekend. De structuurvisie CID zal gefaseerd worden uitgevoerd. Er volgen meerdere deeluitwerkingen. Zodra de deelontwikkelingen concreter worden, bijvoorbeeld bij een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, moeten de stikstofdepositie-effecten nader in beeld worden gebracht. Indien nodig wordt een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd. De ontwikkelingen op energiegebied reduceren de stikstofemissie vanuit het CID. Het bouwprogramma zal (grotendeels) gasloos worden gerealiseerd. In de gebruiksfase is er dan naast de stikstofemissie door bestaande bouw met name stikstofemissie door verkeer. De stikstofemissie door verkeer zal worden gereduceerd door de ingezette mobiliteitstransitie (van auto naar fiets, voet en OV). Voor de aanlegfase geldt dat gekeken zal worden in hoeverre emissievrij (elektrisch) en emissiearm materieel (minimaal Stage IV) moet worden ingezet op de bouwplaats, om de effecten in de aanlegfase zoveel mogelijk te beperken. Mocht in de deeluitwerkingen blijken dat een toename van stikstofdepositie op de daarvoor gevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden niet is uit te sluiten dan zijn er een aantal mogelijke maatregelen.

Zo reduceert walstroom in de Derde Haven de stikstofemissie en depositie in het CID. Een andere mogelijk is dat er gebruik worden gemaakt van extern salderen. Bijvoorbeeld met zelf aangekochte stikstofrechten van de afvalcentrale of met door het Rijk en/of provincie aangekochte en toebedeelde stikstofrechten in het kader van een registratiesysteem. Dit is niet vanzelfsprekend, maar waarschijnlijk wel uitvoerbaar.

3. Conclusie stikstofdepositie Voor dit stadium van de besluitvorming van de Structuurvisie is het voldoende er op te kunnen vertrouwen dat de vaststelling van de Structuurvisie niet op voorhand leidt tot onoverkomelijke en (significant) negatieve effecten in het kader van de Wet natuurbescherming. Bij de gefaseerde uitvoering van de Structuurvisie zullen voor de ontwikkelingen gedetailleerde stikstofberekeningen worden uitgevoerd en indien toepasselijk vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Die vergunningen zullen alleen worden verleend indien kan worden aangetoond dat zij geen negatief effect op de beschermde natuurgebieden hebben. Voor de aanlegfase geldt dat gekeken zal worden in hoeverre emissievrij (elektrisch) en emissiearm materiaal (minimaal Stage IV) moet worden ingezet op de bouwplaats, om de effecten in de aanlegfase zoveel mogelijk te beperken. De mate van gedetailleerdheid zoals hiervoor benoemd is voor dit stadium van de besluitvorming niet noodzakelijk en ook niet mogelijk.

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9574382/1