RIS306342 Bijlage
Tekst van het document
BIJLAGE 1 bij RAADSVOORSTEL TUSSENTIJDSE EVALUATIE NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE Overzicht van de huidige regels hoogbouw + de voorstelde aanpassingen (onderstreept)
HUIDIGE REGELS HOOGBOUW 1.
AANPASSINGEN REGELS HOOGBOUW
Typologie
1.1 Stedelijke laag
De regels blijven gehandhaafd met de volgende aanvulling:
1. de bouwhoogte varieert van minimaal 9 tot maximaal 25 meter hoog; 2. de stedelijke laag is herkenbaar in de massaopbouw en/of het gevelbeeld; 3. de gevels van de stedelijke laag bevatten veel detail en diepte, aansluitend bij de schaal van het publieke domein en de beleving op ooghoogte; 4. volume opbouw is zodanig dat windhinder wordt beperkt en bezonning van de buitenruimte wordt geoptimaliseerd.
regel 4: volume opbouw is zodanig dat windhinder wordt beperkt en bezonning van de buitenruimte wordt geoptimaliseerd (conform de regels windhinder en bezonning (RIS 170509), gebaseerd op NEN-norm 8100). Windmitigerende maatregelen worden bij voorkeur op de eigen kavel gerealiseerd.
1.2 Plint
De regels blijven gehandhaafd met de volgende aanpassingen:
1. bouwhoogte van minimaal 4,5 meter; 2. het gevelontwerp van de plint zorgt voor een aantrekkelijke beleving op ooghoogte door gebruik te maken van materialen die uitnodigen tot aanraken (tactiele uitstraling) en een rijke en zorgvuldige detaillering met aandacht voor ritmiek (penanten) en dieptewerking (negges); 3. de plint krijgt een transparante uitstraling zodat het interieur van publieke functies goed waarneembaar is (woningen dus uitgezonderd); minimaal 50% van de gevel is transparant, bijvoorbeeld glas; 4. de plint heeft overwegend een stedelijke programmering met publieke voorzieningen, dienstverlening en werkruimtes, met een duidelijke expressie van verschillende adressen en functies; 5. wanneer er sprake is van woningen in de plint houden deze een afstand tot het openbaar gebied, bijvoorbeeld door een verhoogde ligging t.o.v. maaiveldniveau (rekening houdend met de toegankelijkheid), of door toepassing van een overgangszone (bijvoorbeeld een geveltuin); 6. voldoende ruimte om de overgang van binnen naar buiten goed en zorgvuldig vorm te geven, met elementen die het publieke functioneren bevorderen zoals veranda’s, portico’s, luifels, terrassen, verlichting; 7. utilitaire functies moeten goed ingepast worden binnen de rooilijnen en zo min mogelijk aan de publieke zijdes van het gebouw; 8.
de entrees naar de parkeervoorzieningen moeten binnen het gebouw worden opgelost en mogen niet domineren. Bij het vormgeven van parkeeroplossingen moet rekening worden gehouden met veilige in- en uitritten en voldoende ruimte voor veilig laden en lossen; 9. onderdeel van het plintontwerp is een reclameplan, zodat reclame-uitingen worden meeontworpen in het gevelbeeld.
• regel 5: wordt geschrapt (is juridisch niet houdbaar). • regel 6: Er moet voldoende ruimte zijn om de overgang van binnen naar buiten goed en zorgvuldig vorm te geven, met elementen die het publieke functioneren bevorderen en ervoor zorgen dat er een aantrekkelijk verblijfsgebied ontstaat waar het gebouw en de buitenruimte in elkaar overgaan. De overgang van openbaar-publiek-privaat moet worden meegenomen in het ontwerp. Om redenen van veiligheid, beheerbaarheid en het voorkomen van beschadigingen door hoge voertuigen, verdient het aanbeveling dat overkragende delen over de openbare ruimte worden vermeden onder een hoogte van 4.5 meter. • regel 8; de entrees naar de parkeervoorzieningen moeten binnen het gebouw worden opgelost en mogen niet domineren. Er moeten veilige in- en uitritten zijn en voldoende ruimte voor veilig laden en lossen op de eigen kavel, zonder dat dit visuele hinder of verkeerstechnische conflicten oplevert;
Bijlage bij Raadsvoorstel DSO/2019/765 Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline, versie 22 juni 2020
1
1.3 Toren 1. maximaal 50% van de footprint van de stedelijke laag mag bebouwd worden. Voor kleine kavels kunnen aanvullende specifieke eisen opgesteld, passend bij de maat en schaal van het bouwvlak en zijn omgeving; 2. voor de categorie van torens tot 70 meter: de maximale diagonaal van de footprint van de toren is 45 meter; 3. voor de categorie torens hoger dan 70 meter: • bij eerste 70 meter hoogte heeft de footprint van de toren een maximale diagonaal van 56 meter; • vanaf 70 meter hoogte heeft de footprint van de toren een maximale diagonaal van 45 meter; 4. torens worden alzijdig ontworpen (dat wil zeggen: aan alle zijden een aantrekkelijk gevelbeeld); 5. de gevels van de toren onderscheiden zich in opzet en/ of detaillering van de stedelijke laag.
Aanvulling regel 1: Er is sprake van een kleine kavel wanneer: ▪ de footprint van de stedelijke laag de gehele kavel vult èn ▪ op de kavel maximaal 1 toren inpasbaar is. Verder blijven de huidige regels gehandhaafd, behalve bij hoogbouw met kantoorprogramma’s, waarvoor regel 2 en 3 als volgt worden aangepast: Categorie torens tot 70 m: • De maximale diagonaal van de footprint van de toren is 50 m (was 45 m); Categorie torens hoger dan 70 m: • tot 70 m hoogte: een maximale diagonaal van 56 meter (geen aanpassing) • van 70-100 m: de maximale diagonaal bedraagt 50 m (was 45 m; vloervelden tot max. 1.300 m2); • 100 m en hoger: de maximale diagonaal bedraagt 45 m (geen aanpassing). Het streven is, dat de afwijkende regels voor de torens alleen mogen worden toegepast als er sprake is van publieke functies in de plint èn functiemenging in de overige verdiepingen van de stedelijke laag.
1.4 Kroon
De regels zijn verduidelijkt; voor de volledigheid zijn dit alle nieuwe regels:
Aanpassing toelichtende tekst ter verduidelijking:
• iedere toren heeft een bewust en elegant ontworpen beëindiging, passend bij de schaal van het gebouw en met een gebiedseigen architectuur. • de beëindiging van de toren heeft een bewust ontworpen dag- en nachtbeeld door middel van verlichting. Aandachtspunt is, dat dit geen lichthinder mag veroorzaken voor de omgeving en dat rekening moet worden gehouden met specifieke diersoorten in hoogbouwmilieus, zoals vleermuizen. • de beëindiging is zo vormgegeven dat de technische zaken (zoals liftschachten, klimaat- en glazenwasinstallaties) en vergelijkbare (ondergeschikte) bouwdelen aan het zicht zijn onttrokken èn zijn geïntegreerd in de architectuur.
Den Haag is de stad van de hoeden en petten (en kroon door de koninklijke familie). Haagse hoogbouw kenmerkt zich door een bewust en elegant vormgegeven beëindiging van een toren: een hoed, een pet of een kroon. De beëindiging van een toren is vooral waarneembaar van een afstand en draagt bij aan de herkenbaarheid van het silhouet van de stad en de kwaliteit van de Haagse skyline. Een goede beëindiging is een verbijzondering met een eigen karakter, die zich onderscheidt van de toren en zich uitstrekt over meerdere verdiepingen. Op deze manier ontstaat een ensemble van torens, met ieder een eigen ‘bekroning’, dat bijdraagt aan de identiteit van Den Haag. De ‘bekroning’ van de toren is bestemd voor bijzondere functies, zoals penthouses, rooftopbar, skyclub, of een uitzichtplatform en is zo mogelijk openbaar toegankelijk. Regels:
1. iedere toren heeft een bekroning met een gebiedseigen architectuur; 2. de bekroning heeft een bewust ontworpen dag- en nachtbeeld door middel van verlichting; 3. de beëindiging is zo vormgegeven dat de technische zaken (zoals liftschachten, klimaat- en glazenwasinstallaties) aan het zicht zijn onttrokken of zijn geïntegreerd in de architectuur.
2.
Duurzaamheid en groen
2.1 Duurzaam gebouw en gebied Ambities:
1. op gebouw- en gebiedsniveau geldt BREEAM-NL minimaal 4 sterren (excellent); 2. GPR Gebouw van minimaal 8 voor de thema’s: milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde; voor energie geldt een score van 9;
De ambities blijven gehandhaafd, met de volgende kanttekening: Gasloos bouwen is op 1 juli 2018 wettelijk van kracht geworden.
Bijlage bij Raadsvoorstel DSO/2019/765 Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline, versie 22 juni 2020
2
3. gasloos bouwen; 4. overmaat in de plint en stedelijke laag; toepassen van een verdiepingshoogte waarin meerdere functies (zoals woningen en kantoren) kunnen worden opgevangen; 5. flexibiliteit in functies in ieder geval in de stedelijke laag; 6. rekening houden met veranderingen, aanpassingen, onderhoud en vervanging van verschillende bouwonderdelen.
2.2 Groen- en natuurinclusief gebouw en gebied
De regels worden als volgt aangepast:
Regels: 1. minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit; 2. toepassing van maatregelen op basis van een puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (in ontwikkeling), zodra deze is vastgesteld.
• minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimte. Daarvan is minimaal 40% ingericht met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. De overige ruimte is ingericht voor verblijf, voor groen en/of voor energiemaatregelen. Daken van (ondergrondse) parkeervoorzieningen op de eigen kavel (voor zover deze niet onder de bebouwing liggen) tellen hierin mee (denk bijvoorbeeld aan binnenterreinen). • toepassing van maatregelen op basis van het puntensysteem NIB (juli 2019, RIS301953).
2.3 Buitenruimte
De regels blijven gehandhaafd, met de volgende aanvullingen:
Regels: 1. de vormgeving, uitvoering en het beheer van de buitenruimte moet duurzaam en kwalitatief hoogwaardig zijn en aan de voorkant integraal worden meegenomen in het ontwikkelproces ; 2. in het ontwerp van de bebouwing moeten de effecten op de buitenruimte als gevolg van zon, schaduw, windhinder, geluid en luchtkwaliteit worden meegenomen (zie 6.3); 3. om de buitenruimte zo min mogelijk te belasten, worden geen utilitaire functies voor afval en stalling in de openbare ruimte toegestaan. Deze moeten worden ingepast binnen de architectuur van het gebouw (zie 6.5); 4. realiseren van meer ´publiek interieur´, semi-publieke ruimtes zoals atriums, waarbij de buitenruimte doorloopt tot in het gebouw.
regel 1: de vormgeving, uitvoering en het beheer van de buitenruimte moeten: - duurzaam en kwalitatief hoogwaardig zijn; - in de schetsontwerpfase integraal worden meegenomen in het ontwikkelproces; - voldoen aan het kwaliteitsniveau dat geldt voor het betreffende gebied, zoals vastgelegd in de Kadernota Openbare Ruimte.
2.3 Klimaatbestendige gebouwen en buitenruimte
De regel blijft gehandhaafd, met toevoeging van de volgende ambities:
Regels: 1. nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten waterneutraal worden aangelegd, zodat negatieve effecten op de waterhuishouding worden voorkomen of gecompenseerd. Dit is het zogeheten standstill beginsel. Kansen om het watersysteem te verbeteren worden zo mogelijk benut. (Toekomstbestendig Haags water! Visie op het voorkomen van wateroverlast 2015- 2020 (RIS 280009).
• 50 mm van een korte hevige bui van 70 mm moet in 1 uur tijdelijk kunnen worden opgevangen op privaat terrein; na minimaal 24 en maximaal 48 uur moet deze bergingscapaciteit weer beschikbaar zijn, danwel voorafgaand aan een bui weer beschikbaar zijn; • schade in gebouwen bij extreme neerslag moet worden voorkomen. Mogelijke maatregelen zijn het toepassen van drempels, verhoogde vloerpeilen en het vermijden van vitale functies op kwetsbare plekken.; • kies waar mogelijk voor een groene inrichting van gebouw en buitenruimte om regenwater vast te houden en tijdelijk te bergen t.b.v. hergebruik in tijden van droogte. Enkele voorbeelden: (intensieve) groen(blauwe) daken en gevels, waterdoorlatende verharding en groen. Daarmee wordt tevens een bijdrage geleverd aan het reduceren van hittestress, droogteschade en een aantrekkelijke leefomgeving met meer kansen voor biodiversiteit; • tref maatregelen tegen extreme hitte. Enkele voorbeelden: groen dat kan verdampen, volwassen bomen, groen(blauwe) daken en gevels, positionering gebouwen,
Bijlage bij Raadsvoorstel DSO/2019/765 Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline, versie 22 juni 2020
3
materiaalgebruik en kleur. Maak voldoende goed bereikbare schaduwrijke plekken bij de hoogste zonnestand in zomer (richtlijn: 40 % schaduw, 40 % zon en 20 % mixed). Voorkom dat koelsystemen de directe omgeving opwarmen.
3.
Microklimaat: zon , schaduw en wind
Regels: 1. De plannen moeten voldoen aan de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning (RIS 170509), gebaseerd op NEN-norm 8100. 2. De initiatiefnemer bij hoogbouwplannen moet bij het voorlopig ontwerp of eerder onderzoek (laten) doen naar windhinder en bezonning, zodat op massaniveau nog aanpassingen kunnen worden gedaan. De gemeente toetst dit onderzoek op basis van bovenstaande randvoorwaarden.
De regels blijven gehandhaafd.
4. Wonen Regels: 1. de inzet zijn gemengde complexen, met een mix van sociale huurwoningen, vrije markt en woningen in het middensegment, met een gemeenschappelijke entree, trap en lift. De woningen hebben een eigen identiteit, afhankelijk van de doelgroep; 2. er is keuzevrijheid in de afwerking, een vrije indeling van de plattegrond, mogelijkheid tot splitsen/samenvoegen van woningen, een hogere verdiepingshoogte, het uitwisselen van verschillende functies; 3. gedifferentieerde woningbouw: uitgangspunt is meerdere woningtypes en -groottes, geschikt voor verschillende doelgroepen; 4. een complex van meer dan 60 woningen dient minimaal te bestaan uit twee verschillende woningtypes en -groottes, waarbij geen enkel woningtype meer dan 60% van het totaal aantal woningen binnen de totale ontwikkeling beslaat;
De regels voor wonen zijn aangepast op basis van nieuw beleid, dat door de Haagse gemeenteraad is vastgesteld in de geactualiseerde Woonagenda 2020-2030 (RIS305711). Regels: • conform de geactualiseerde Woonagenda 2020-2030 wordt voor nieuwbouw de norm gehanteerd van minimaal 30 procent sociale huur en 20 procent middeldure huur. Voor nieuwbouw streven we ook naar 20 procent betaalbare koop. Dit realiseren we per project of per gebied, overal in de stad. Waar de norm in een betreffend gebied onverhoopt niet wordt gehaald, wordt dit elders in de stad gecompenseerd. • gemengde complexen hebben een gemeenschappelijke entree, trap en lift. De woningen hebben een eigen identiteit, afhankelijk van de doelgroep; • gedifferentieerde woningbouw: uitgangspunt zijn meerdere woningtypes en -groottes, geschikt voor verschillende doelgroepen. Ambities: • gestreefd wordt naar een optimale functiemenging. Een voorbeeld is een combinatie van wonen en werken; • gestreefd wordt naar een maximale inzet op het creëren van levensloopbestendige woningen, zodat nieuwe hoogbouw en de toegang daartoe zoveel mogelijk geschikt is, of eenvoudig geschikt gemaakt kan worden voor mensen die afhankelijk zijn van Wmovoorzieningen.
5. Bergingen en afval Regels: 1. bergingen, afvalinzameling en expeditie en de daarbij behorende logistiek dienen zorgvuldig te worden ingepast, zodanig dat het niet ten koste gaat van de kwaliteit van de eyeline; 2. op basis van gelijkwaardigheid worden bij voorkeur gemeenschappelijke voorzieningen gerealiseerd voor (bak)fietsen, scootmobielen e.d., eventueel in combinatie met individuele bergingen in de woning; 3. afvalinzameling vindt ondergronds of inpandig plaats en is zoveel mogelijk aan het zicht
De regels blijven gehandhaafd met de volgende aanpassingen: • regel 1: bergingen, stallingsvoorzieningen voor fietsen e.d., afvalinzameling en expeditie en de daarbij behorende logistiek dienen zorgvuldig inpandig te worden opgelost, zodanig dat het niet ten koste gaat van de kwaliteit van de eyeline en de buitenruimte. Dit moet integraal worden meegenomen in de ontwerpfase. • regel 4: uitgangspunt is het verminderen van de hoeveelheid aan te bieden afval door dit zo dicht mogelijk bij de bron te scheiden, te verwerken of te hergebruiken. Hiervoor moeten
Bijlage bij Raadsvoorstel DSO/2019/765 Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline, versie 22 juni 2020
4
onttrokken; 4. duurzame oplossingen realiseren zoals circulaire afvalverwerking en afvalscheiding.
duurzame en innovatieve oplossingen worden ontwikkeld en toegepast, zoals compacters of vermalers voor individueel en/of collectief gebruik, zodat ook de logistieke stromen zoveel mogelijk worden ingeperkt.
6. Parkeren Regels: 1. centraal staat het uitgangspunt om het parkeren op te lossen op eigen terrein en extra parkeerdruk op straat te voorkomen; 2. parkeren moet geen visuele hinder opleveren vanaf de straat door dichte gevels of uitzicht op de geparkeerde auto’s. De voorkeur gaat daarom uit naar ondergronds parkeren of parkeren in taluds e.d.; 3. bij het vormgeven van parkeeroplossingen moet rekening worden gehouden met veilige inen uitritten en voldoende ruimte voor veilig laden en lossen. De entrees moeten binnen het gebouw worden opgelost en mogen niet domineren; 4. uitgangspunt voor de auto is de nota Parkeernormen Den Haag, daarin wordt rekening gehouden met een lagere parkeernorm voor meer centrale stadsdelen. Flexibiliteit en afwijkingen zijn mogelijk op basis van argumenten en vastgelegde afspraken; 5. voldoende inpandige fietsparkeerruimte die makkelijk bruikbaar en toegankelijk is, ook voor bakfietsen, scootmobielen e.d.; 6. integreren van parkeervoorzieningen voor Langer Gezond Thuis Wonen.
De regels worden vervangen door een verwijzing naar vigerend beleid en aangevuld met een aantal ambities: De regels uit het geldende parkeerbeleid zijn van toepassing op hoogbouwontwikkelingen: de nota Parkeernormen Den Haag (RIS181571) en de beleidsregels Fietsparkeernormen (RIS294386). Zodra nieuw parkeerbeleid is vastgesteld, dan wordt dit van kracht door middel van het Paraplubestemmingsplan (fiets)parkeren. Aanvullend daarop gelden voor hoogbouw de volgende ambities: • voldoende inpandige fietsparkeerruimte die makkelijk bruikbaar en toegankelijk is, ook voor bakfietsen, scootmobielen e.d.; • integreren van parkeervoorzieningen voor Langer Gezond Thuis Wonen inpandig of op eigen terrein. Aandachtspunt: De nota parkeernormen CID-Binckhorst vervangt, zodra deze is vastgesteld, in dit specifieke gebied de nota Parkeernormen Den Haag.
7. Veiligheid Regels: 1. brandveiligheid: het Bouwbesluit is leidend. Bij gebouwen tot 200m gelden de uitgangspunten uit de handreiking ‘Brandveiligheid in hoge gebouwen’, SBR-CUR; 2. bouwveiligheid: de initiatiefnemer moet in de vooroverlegfase afspraken maken met de gemeente over een bouwveiligheidsplan.
De regels blijven gehandhaafd.
8. Tijdelijke bouwplaats Als er gebouwd wordt in de stad is de dynamiek groot. Vooral bij hoogbouw, omdat dit vaak grootschalige en meerjarige projecten zijn. Een goede uitstraling van een bouwplaats, een goede invulling bij eventuele leegstand en een goede bereikbaarheid zijn belangrijk, zodat de leefomgeving ook in tijdelijke situaties haar kwaliteit behoudt.
Dit zijn algemene uitgangspunten, die gehandhaafd blijven.
Bijlage bij Raadsvoorstel DSO/2019/765 Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline, versie 22 juni 2020
5