CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS304236 Beantwoording SV woonwagenstandplaats kermisexploitant

Commissie Ruimte 26 mei 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief: Actualisatie Woonwagenbeleid1.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Datum 18 februari 2020

BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE VRAGEN

Onderwerp Antwoord van het college op de vragen van de raadsleden de heren Bos, Dubbelaar en Barker, luidend: ‘Woonwagenstandplaats kermisexploitant’

Ons kenmerk SV/2020.1 RIS304236

De raadsleden de heren Bos, Dubbelaar en Barker hebben op 16 december 2019 een brief met daarin zestien vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. De heer J.M. Vermolen is sinds 1 december 1994 huurder van een stuk grond van de gemeente van ongeveer 436 m2 groot aan de Boomaweg 91 naast Madestein. De heer Vermolen heeft met zijn gezin een woonwagenstandplaats op het terrein met plek voor zijn kermisbedrijf. De gemeente heeft de huurovereenkomst opgezegd vanwege de ontwikkeling van Vroondaal. 1.

Is het juist dat het college de huurovereenkomst met de hr. Vermolen op 20 november 2018 per 1 maart 2019 heeft opgezegd?

Dit is correct. 2.

Is het juist dat het college deze opzegging op 17 juni 2019 heeft ingetrokken en een nieuwe opzeggingsdatum heeft vastgesteld, namelijk 1 juli 2021? Zo nee, waarom niet?

Dit is correct. 3.

Waarom heeft het college nu al een rechtszaak gestart om een ontruimingsvonnis te verkrijgen?

De gemeente dient per 1 juli 2021 over de grond te kunnen beschikken. Minnelijk overleg met de heer Vermolen heeft niets opgeleverd. De heer Vermolen is verzocht om te bevestigen dat hij vrijwillig gehoor zou geven aan de opzegging en hij heeft dit niet gedaan waardoor de gemeente geen zicht heeft op een tijdige ontruiming van het perceel per 1 juli 2021. 4.

Waarom heeft het college niet gewacht met een rechtszaak totdat er een geschikte vervangende locatie is gevonden?

De huurovereenkomst ziet alleen op de verhuur van onbebouwde grond. Dit betekent dat de gemeente op grond van de wet niet gehouden is tot het aanbieden van een vervangende locatie. Daarnaast is ook in de huurovereenkomst vastgelegd dat de huurder bij het eindigen van de huur jegens de Gemeente geen recht heeft op schadevergoeding of anderszins (en derhalve ook geen recht op vervangende huisvesting). Wel heeft de gemeente uit coulanceoverwegingen een alternatieve locatie aangeboden (Tom Mandersstraat 10). Deze locatie is echter door de heer Vermolen geweigerd.

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

SV/2020.1

Op grond van de huurovereenkomst geldt een opzegtermijn van 3 maanden. De gemeente heeft echter een opzegtermijn van 24 maanden in acht genomen om de heer Vermolen zo voldoende gelegenheid te bieden tot het vinden van een alternatieve locatie. Na ommekomst van deze termijn wenst de gemeente weer vrijelijk over het grondperceel te kunnen beschikken. 5.

Welke plannen zijn er voor de locatie waar de hr. Vermolen momenteel gevestigd is en op welke termijn gaan de plannen uitgevoerd worden?

Het bestemmingsplan voorziet voor deze gronden in woningbouw. De herontwikkeling van het door Vermolen gehuurde grondperceel wordt voorzien in 2021. 6.

De hr. Vermolen is 25 jaar geleden op aanwijzing en initiatief van de gemeente naar de huidige locatie verhuisd en woont daar inmiddels 25 jaar. Is dit juist? Zo nee, waarom niet?

Ja, de heer Vermolen huurt het grondperceel aan de Boomaweg 91 op basis van een grondhuurovereenkomst. Het betreft een tijdelijke grondhuurovereenkomst voor in principe 5 jaar (eindigend op 30 november 1999). De huurovereenkomst is nadien telkens met een maand verlengd. Op het adres Boomaweg 91 staat de heer Vermolen met zijn vrouw en 2 zonen ingeschreven. Inmiddels heeft zijn oudste zoon zonder toestemming van de gemeente een woonwagen geplaatst op het perceel. 7.

Wat was de reden dat de gemeente het terrein destijds heeft aangeboden aan de heer J.M. Vermolen?

De reden voor het verhuren van het terrein, was om een alternatief te bieden voor een onrechtmatige situatie. De heer Vermolen heeft enige tijd wederrechtelijk gebruik gemaakt van een stuk grond in Kijkduin. In 1994 is besloten om hem vanuit coulance elders een grondperceel aan te bieden, hierbij is de tijdelijke aard van deze oplossing benadrukt. Zie ook het antwoord op vraag 6. 8.

Is het juist dat het college op 5 december 1994 een ontheffing ex. artikel 10 Woonwagenwet heeft verleend?

Dit is correct. Daardoor is echter geen andere huurverhouding ontstaan. Bij het aangaan van de huurovereenkomst is geen woonwagen, of een standplaats (in de zin van de artikelen 7:235 en 7:236 BW) ter beschikking gesteld. De strekking van een dergelijke ontheffing is – uitsluitend - een toestemming om een woonwagen buiten een woonwagencentrum te plaatsen, maar strekt er niet toe om de grond ook civielrechtelijk te kwalificeren als een woonwagenstandplaats in de zin van artikel 7:236 BW. Overigens is er conform het vigerende bestemmingsplan ook geen sprake van een publiekrechtelijke woonwagenbestemming. 9.

Volgens de huurovereenkomst tussen de heer Vermolen en de gemeente had het college van &w een vrijstellingsprocedure ex art. 19 Wet Ruimtelijke Ordening gestart om vrijstelling te kunnen verlenen van de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan. Wanneer is de vrijstelling verleend door het college?

Het college heeft geen vrijstelling verleend van de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan.

2/4

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

SV/2020.1

10. Artikel 10 van de Woonwagenwet luidde indertijd dat op een daartoe strekkende aanvraag burgemeester en wethouders ontheffing moeten verlenen aan betrokkene om buiten een woonwagencentrum een standplaats in te nemen, indien de betrokkene een voldoende aantoonbaar belang heeft bij vestiging of voortzetting van zijn verblijf in de gemeente buiten een (woonwagen)centrum. Is het college met ons van mening dat betrokkene ook nu nog voldoende aantoonbaar belang heeft bij voortzetting van zijn verblijf in de gemeente buiten een (woonwagen)centrum? Zo nee, waarom niet? Artikel 10 van de Woonwagenwet – en de daarin voorgeschreven beoordeling of de betrokkene een voldoende aantoonbaar belang heeft bij vestiging of voortzetting van zijn verblijf in de gemeente buiten een centrum – is ingetrokken. De rechter zal in de nu aanhangige juridische procedure het belang van de heer Vermolen bij voortzetting van de status quo betrekken en meewegen. 11.

In RIS131179 d.d. 15 september 2005 valt te lezen dat Den Haag naast twaalf woonwagencentra ook snipperlocaties kent. Dat zijn kleinere locaties met meestal niet meer dan twee woonwagens erop, die verder gekenmerkt worden door bedrijfsmatige activiteiten. De Boomaweg 91 is een van deze snipperlocaties die in een apart schema aan de rapportage zijn toegevoegd. Is dit juist? Zo nee, waarom niet?

Ja, dit is juist. 12. In het schema van snipperlocaties is Boomaweg 91 opgenomen met als aanvulling “uitwijkingsgebied”. Wat wordt hiermee bedoeld? “Uitwijkingsgebied” dient hier gelezen te worden als “Het huidige bestemmingsplan (2006) heeft ter plekke de bestemming SUUW, Stadsuitbreiding uit te werken”. 13. Is het juist dat het college niet meer in overleg wil met de heer Vermolen omdat het een rechtszaak heeft opgestart? Zo nee, waarom niet? Het college verkiest in soortgelijke situaties vrijwel altijd een minnelijke oplossing boven een gerechtelijke procedure, en ook in deze situatie is dat (nog steeds) het geval. De gemeente dient echter in 2021 over het perceel te kunnen beschikken. Gezien de onveranderde wensen van de heer Vermolen en de reeds gepleegde inzet vanuit de gemeente, lijkt een minnelijke oplossing op dit moment niet meer aannemelijk. 14. Is het juist dat de heer Vermolen de enige in Den Haag gevestigde kermisexploitant is? Nee, dit is niet juist. 15.

In het Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Madestein (RIS095592) valt te lezen: “Voor wat betreft de uitplaatsing van de in Madestein gevestigde bedrijven geldt het bepaalde in de intentieovereenkomst Gemeente-Belangenvereniging met o.a. afspraken t.a.v. fasering, planning onderhandeling, betalingswijze en schadeloosstelling. Overeengekomen uitgangspunt is: schadeloosstelling te bepalen in individueel te voeren onderhandelingen op basis van fictieve verplaatsing, waarbij de gemeente niet de verplichting heeft vervangende objecten aan te bieden, doch wel desgevraagd een bestuurlijke inspanning t.b.v. hervestigingslokaties kan bieden. Is dit juist? Zo nee, waarom niet?

Dit is juist. Het betreft hier echter huur van onbebouwde, losse grond.

3/4

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

SV/2020.1

16. De afgelopen 20 jaar is rond de ontwikkeling van Nieuw Madestein en Vroondaal getracht om voor alle bestaande bedrijven en bewoners in het gebied een oplossing te vinden. Is het college bereid om in overleg met de heer Vermolen tot een minnelijke oplossing te komen om tot een geschikte nieuwe plek voor zijn gezin en bedrijf te komen? Zo nee, waarom niet? Het college heeft de mogelijkheden voor een minnelijke oplossing verkend en is van mening dat het staande aanbod een minnelijke oplossing is. Het gaat hier om een overeenkomst voor onbebouwde, losse grond die afliep per 31 december 1999, nadien van maand op maand werd verlengd en sindsdien zonder opgaaf van reden kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden. Het college acht de in dit geval gehanteerde opzeggingstermijn van 24 maanden en het geboden alternatief als zeer redelijk en coulant. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris a.i., de wnd. burgemeester, Ilma Merx

Johan Remkes

4/4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/8468277/1