RIS303490 Scheidingsplicht van afval in bedrijfsvergunningen bijlage
Tekst van het document
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
B.3
Afvalscheiding
B.3.1
Inleiding
B.3.1.1
Algemeen Het gescheiden houden van afvalstoffen is een middel om het afvalbeheer op een veilige manier te laten plaatsvinden en zoveel mogelijk recycling te behalen. Daarmee draagt afvalscheiding bij aan een circulaire economie. De mogelijkheden voor recycling van afvalstoffen worden voor een belangrijk deel bepaald door de aard en samenstelling van de afvalstoffen. Het is belangrijk dat bij het ontstaan en het verder beheer van afvalstoffen rekening wordt gehouden met de recyclingmogelijkheden. Dit betekent dat het wenselijk of noodzakelijk is dat afvalstoffen na het ontstaan en tijdens de gehele afvalbeheerketen gescheiden worden gehouden, dan wel dat nascheiding plaatsvindt. In ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen’ is vastgelegd welke categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen gescheiden gehouden moeten worden. Deze bijlage is van toepassing op inrichtingen in de gehele afvalbeheerketen, dus ook op ontdoeners. De provincies, gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders moeten het LAP gebruiken als toetsingskader bij de uitoefening van hun bevoegdheden krachtens de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het gaat dan bijvoorbeeld om vergunningverlening en de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm), voor zover hierbij afvalaspecten aan de orde zijn.
Daarnaast is het LAP kaderstellend voor de organisatie van gescheiden inzameling van huishoudelijk afval, bedrijfsafval en gevaarlijk afval.
B.3.1.2
Afbakening Om afvalstoffen in de gehele keten gescheiden te kunnen houden, is het van belang dat afvalstoffen ook voorafgaand aan de inzameling gescheiden worden gehouden. Het beleid voor afvalscheiding is daarom, naast de afvalbeheerketen, ook gericht op de ontdoeners. In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt welke afvalstoffen gescheiden moeten worden gehouden, door wie en op welke wijze. Indien afvalstoffen toch worden samengevoegd, dan is veelal sprake van mengen en moeten de bepalingen uit hoofdstuk B.7 ‘Mengen’ in acht worden genomen. In de praktijk wordt soms een onderscheid gemaakt tussen de begrippen sorteren van monostromen en het nascheiden van gemengd afval. In dit hoofdstuk wordt geen onderscheid gemaakt tussen deze begrippen. Voor dit hoofdstuk is relevant dat via scheiding een monostroom wordt verkregen die zowel kwalitatief als kwantitatief geschikt is voor recycling. Hiervoor wordt onderscheid gemaakt tussen bron- en nascheiding. Bij bronscheiding wordt het afval bij de ontdoener gescheiden ingezameld of ingezameld in de vorm van “slimme mengsels” van een aantal deelstromen. Uit deze ‘slimme mengsels’ worden door scheiden of sorteren één of meer voor recycling geschikte monostromen of kwaliteiten van monostromen verkregen.
Bij nascheiding (of te wel scheiding achteraf)wordt het afval bij de ontdoener ingezameld in de vorm van gemengd afval en na inzameling gescheiden in deelstromen.
B.3.2
Beleid
B.3.2.1
Algemeen Voordat afvalstoffen gescheiden kunnen worden gehouden in de afvalbeheerketen moet bronscheiding plaatsvinden bij de ontdoener. Met bronscheiding worden de meest zuivere en daardoor makkelijkst toepasbare afvalstoffen verkregen, die bovendien vaak meerdere cycli voor recycling beschikbaar blijven. Het beleid gaat dan ook uit van het gescheiden houden van afvalstoffen die zijn opgenomen in ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen’. Bij de inzameling van huishoudelijk afval en bij het gescheiden houden van kleine hoeveelheden nietgevaarlijk afval die binnen de inrichting zijn vrijgekomen, kan het gewenst zijn om een minder
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 94 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
strikte werkwijze aan te houden (zie verder paragraaf B.3.5.2.1). Bij de inzameling van huishoudelijk afval en bij het gescheiden houden van kleine hoeveelheden niet-gevaarlijk afval die binnen de inrichting zijn vrijgekomen, zijn in principe zowel bronscheiding als nascheiding beleidsmatig gewenst als zij leiden tot nuttig toepasbare producten of materialen. Echter in het geval bronscheiding leidt tot het terugwinnen van het oorspronkelijke functionele materiaal, moet worden vastgesteld of nascheiding als alternatief of als aanvulling op bronscheiding kan worden ingezet, dan wel dat nascheiding geen meerwaarde heeft. De criteria voor deze afweging zijn opgenomen in paragraaf B.3.2.2. Benadrukt wordt dat bron- en nascheiding in meer gevallen kunnen worden toegepast dan alleen bij het terugwinnen van het oorspronkelijke functionele materiaal. Het uitgangspunt is dat bronen nascheiding moeten resulteren in afvalstoffen die kunnen worden verwerkt tot nuttig toepasbare producten of materialen. Bronscheiding moet daarbij een reststroom opleveren die met minder milieudruk kan worden verwerkt dan wanneer geen scheiding aan de bron zou hebben plaatsgevonden. Echter, ook andere redenen kunnen het noodzakelijk maken om voor bronscheiding te kiezen.
Het kan dan gaan om veiligheidsrisico’s en arbo-regelgeving (gevaarlijke afvalstoffen zoals KCA, gasflessen, brandblussers en asbest), milieuhygiënische risico’s (bijvoorbeeld C-hout), wetgeving (bijvoorbeeld afgedankte elektr(on)ische apparatuur) en andere niet-afvalregelgeving.
B.3.2.2
De keuze voor bronscheiding en nascheiding voor huishoudelijk afval en kleine hoeveelheden bedrijfsafval De afweging of nascheiding meerwaarde heeft ten opzichte van bronscheiding bij de inzameling van huishoudelijk afval en het gescheiden houden van kleine hoeveelheden niet-gevaarlijk afval die binnen de inrichting zijn vrijgekomen (zie ook B.3.5.2.1), wordt alleen gemaakt voor de situatie dat bronscheiding leidt tot het terugwinnen van het oorspronkelijke functionele materiaal. Voor deze afweging gelden de volgende uitgangspunten en voorwaarden: 1. Scheiding aan de bron moet resulteren in terugwinning van het oorspronkelijke functionele materiaal. Dit recyclaat is bruikbaar als grondstof op ten minste hetzelfde of een vergelijkbaar niveau als de oorspronkelijke grondstof. 2. Voor de gescheiden ingezamelde materiaalstromen die kunnen worden gerecycled tot het oorspronkelijke functionele materiaal bestaat een afzetmarkt, dan wel kan deze worden gecreëerd. 3. De eventuele meerkosten van het afvalbeheer bij bronscheiding en vervolgens gescheiden inzameling ten opzichte van de kosten van het afvalbeheer bij ongescheiden inzameling moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn. De meerkosten moeten in verhouding staan tot het milieuvoordeel.
Indien het afvalbeheer bij bronscheiding minimaal € 205,- per ton duurder is dan het afvalbeheer bij ongescheiden inzameling, dan hoeft geen scheiding aan de bron plaats te vinden (maar mag wel). 4. De extra handelingen voor het gescheiden houden en gescheiden inzamelen moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn: er wordt ontdoeners niet meer gevraagd dan wat redelijk is. 5. Voor sommige afvalstoffen kan het met het oog op het minimaliseren van veiligheidsrisico’s voor inzamelaars wenselijk zijn dat afvalscheiding aan de bron plaatsvindt. 6. Als methoden voor mechanische nascheiding van integraal afval operationeel zijn die leiden tot materiaalstromen die kunnen worden gerecycled tot het oorspronkelijke functionele materiaal in minimaal vergelijkbare kwaliteit en hoeveelheden als bij bronscheiding het geval zou zijn, dan kan worden afgezien van bronscheiding in die gevallen waarin de betreffende nascheiding ook daadwerkelijk plaatsvindt. 7. Nascheiding van gemengd afval dat overblijft nadat bronscheiding van bepaalde materiaalstromen al heeft plaatsgevonden, heeft meerwaarde wanneer dit leidt tot extra recycling van die materiaalstromen. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij bronscheiding niet (goed) mogelijk is omdat de in het afvalstadium geraakte producten uit meerdere materiaalstromen bestaan.
Daarnaast zullen er altijd omstandigheden blijven bestaan waarin ontdoeners bepaalde materiaalstromen niet aan de bron gescheiden (kunnen) houden. Indien binnen de hele gemeente een bepaalde afvalstof door bronscheiding is ingezameld, dan kan extra recycling van de betreffende afvalstof door nascheiding van het restafval worden bereikt.
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 95 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
8. Er moet een afzetmarkt zijn dan wel kunnen worden gecreëerd voor bij de nascheiding vrijkomende materialen die geschikt zijn voor recycling tot het oorspronkelijke functionele materiaal. 9. De eventuele meerkosten van afvalbeheer bij nascheiding ten opzichte van de inzameling waarbij geen scheiding (bron- of nascheiding) plaatsvindt, moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn en in verhouding staan tot het milieuvoordeel. 10. Nascheiding mag niet leiden tot grotere veiligheidsrisico’s voor inzamelaars of verwerkers dan de inzameling waarbij geen bron- of nascheiding plaatsvindt. Aanvullend geldt dat nascheiding niet mag leiden tot een deelstroom die wordt gestort. Dit uitgangspunt volgt ook uit de minimumstandaard voor residuen van het verwerken van ondermeer huishoudelijk restafval en vergelijkbaar restafval van bedrijven. Deze minimumstandaard is verbranden. Dat betekent dat deelstromen die ontstaan bij/na sorteren of anders verwerken niet mogen worden gestort. De mate van kwaliteit en terugwinning van het oorspronkelijke functionele materiaal is dus het hoofdcriterium bij de afweging tussen bronscheiding of nascheiding. Het recyclaat moet bruikbaar zijn als grondstof op hetzelfde of een vergelijkbaar niveau als de oorspronkelijke grondstof.
Het opnieuw verwerken van organische afvalstoffen, bijvoorbeeld van gft-afval tot compost, en chemische recycling vallen hier ook onder. Inzet voor een ander doel dan het oorspronkelijke doel, energieterugwinning en het verwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal vallen hier niet onder. Immobiliseren tot bouwstof leidt alleen tot recycling in dezelfde keten wanneer het materiaal betreft dat oorspronkelijk ook als bouwstof werd toegepast. Een van de uitgangspunten betreft de extra handelingen voor het gescheiden houden en gescheiden inzamelen. Bronscheiding kan alleen worden verlangd als dit in de praktijk redelijk uitvoerbaar is. Voor bedrijven is in paragraaf B.3.5.2.1 uitgewerkt wanneer het gescheiden houden van kleine hoeveelheden redelijkerwijs kan worden gevergd. Voor de burger is dit afhankelijk van de woonsituatie, de hoeveelheden afval die vrijkomen en de aangeboden voorzieningen. Bij hoogbouw of een dichtbebouwde woonomgeving hebben burgers vaak geen of onvoldoende ruimte en mogelijkheden om afvalstoffen gescheiden op te slaan. Gemeenten kunnen de burger helpen door het plaatsen van goed bereikbare voorzieningen, zoals gescheiden containers voor gft, papier, glas, textiel, PMD (plastics, metalen en drankenkartons) en oude (kleine) elektrische- en elektronische apparatuur.
De gemeente houdt de vrijheid om op basis van de specifieke situatie en omstandigheden een eigen afweging te maken bij de keuze voor gescheiden inzameling van monostromen of ‘slimme mengsels’, dan wel voor inzameling van huishoudelijk restafval gevolgd door nascheiding (zie verder paragraaf B.3.3.1). Indien het programma Van Afval naar Grondstof (VANG), c.q. het Rijksbrede programma Circulaire Economie, waarin de acties van het programma VANG worden opgenomen, onvoldoende resultaat oplevert, zullen aanvullende en mogelijk meer sturende instrumenten nodig zijn en ingezet worden om te komen tot meer en kwalitatief betere monostromen.
B.3.2.3
Bronscheiding of nascheiding voor de meest voorkomende materiaalstromen In figuur 2 is schematisch weergegeven in welke gevallen een afweging moet worden gemaakt tussen bron- en nascheiding en in welke overige gevallen bronscheiding en nascheiding beleidsmatig gewenst zijn. De afweging tussen bronscheiding en nascheiding wordt alleen gemaakt voor de situatie dat bronscheiding resulteert in terugwinning van het oorspronkelijke functionele materiaal. Daarnaast wordt deze afweging alleen gemaakt bij de inzameling van huishoudelijk afval en bij het gescheiden houden van kleine hoeveelheden niet-gevaarlijk afval die binnen de inrichting zijn vrijgekomen (zie B.3.5.2.1).
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 96 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
figuur 2 Criteria voor de keuze tussen bron- en nascheiding voor huishoudelijk en kleine hoeveelheden bedrijfsafval. Bronscheiding?
Is bronscheiding noodzakelijk gelet op veiligheidsrisico’s, arboregelgeving, milieuhygiënische risico’s, wetgeving en andere niet-afvalregelgeving?
Nascheiding?
ja
nee Resulteert bronscheiding in afvalstoffen die kunnen worden verwerkt tot nuttig toepasbare producten of materialen; of Levert bronscheiding een reststroom op die met minder milieudruk kan worden verwerkt dan wanneer geen scheiding aan de bron had plaatsgevonden?
nee
Resulteert nascheiding in afvalstoffen die kunnen worden verwerkt tot nuttig toepasbare producten of materialen;
nee
Zijn eventuele meerkosten van afvalbeheer bij nascheiding t.o.v. de inzameling waarbij nee geen afvalscheiding (bron- of nascheiding) plaatsvindt maatschappelijk aanvaardbaar en staan ze in verhouding tot het milieuvoordeel? ja
nee
Nascheiding is beleidsmatig gewenst, tenzij het geen meerwaarde heeft ten opzichte van bronscheiding (zie Bronscheiding of nascheiding?).
ja Zijn meerkosten van afvalbeheer bij bronscheiding en vervolgens gescheiden inzameling t.o.v. de kosten van het afvalbeheer bij ongescheiden inzameling en vervolgens nascheiding maatschappelijk aanvaardbaar en staan ze in verhouding tot het milieuvoordeel?
nee
Een afweging of bronscheiding de voorkeur heeft boven nascheiding wordt alleen gemaakt voor de situatie dat: · bronscheiding resulteert in terugwinning van het oorspronkelijke functionele materiaal; en · voor deze brongescheiden oorspronkelijke materiaalstromen een afzetmarkt bestaat of kan worden gecreëerd; en · de extra handelingen voor het gescheiden houden en gescheiden inzamelen van deze materiaalstromen maatschappelijk aanvaardbaar zijn; en · de eventuele meerkosten van afvalbeheer bij bronscheiding en vervolgens gescheiden inzameling t.o.v. de kosten van het afvalbeheer bij ongescheiden inzameling en vervolgens nascheiding moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn en in verhouding staan tot het milieuvoordeel.
Bronscheiding is beleidsmatig gewenst.
Bronscheiding heeft beleidsmatig geen meerwaarde. Bronscheiding is verplicht (vb. voor kca, gasflessen, brandblussers en asbest, C-hout en afgedankte elektr(on)ische apparatuur)
Bronscheiding of nascheiding?
Leidt nascheiding tot terugwinning van minimaal een zelfde hoeveelheid oorspronkelijk functioneel materiaal van minimaal een zelfde kwaliteit als dat via bronscheiding zou worden verkregen? In het geval een materiaalstroom brongescheiden is ingezameld, leidt nascheiding van het resterende afval tot extra recycling van die materiaalstroom? ja
Nascheiding heeft beleidsmatig geen meerwaarde.
Nascheiding is beleidsmatig niet wenselijk.
Ja
nee
nee
ja
ja Zijn de extra handelingen voor het gescheiden houden en gescheiden inzamelen maatschappelijk aanvaardbaar?
ja
nee
ja Bestaat er voor de brongescheiden materiaalstromen een afzetmarkt of kan deze worden gecreëerd?
Leidt nascheiding tot een toename van de veiligheidsrisico’s voor ontdoeners en inzamelaars (t.o.v. noch bron- noch nascheiding)?
ja
nee
Zowel bron- als nascheiding zijn beleidsmatig gewenst. Nascheiding kan worden gekozen als alternatief voor bronscheiding.
Nascheiding heeft geen meerwaarde. Bronscheiding is beleidsmatig gewenst Nascheiding is beleidsmatig gewenst als aanvulling op bronscheiding
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 97 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
Bij het uitwerken van bovenstaande criteria voor de meest voorkomende afvalstoffen blijkt het volgende. Bronscheiding van zowel verpakkingsglas als van vlakglas is een vereiste voor de recycling tot een glasproduct. De aanwezigheid van in ieder geval keramiek, steen, porselein en kunststoffen leidt ertoe dat bij nascheiding het glas niet meer geschikt is voor recycling tot een glasproduct. Vaak kan het glas dan wel nog worden toegepast als bouwstof. Nascheiding van glas is dan ook alleen gewenst, nadat zoveel mogelijk glas via bronscheiding is afgescheiden. Gescheiden ingezameld gft-afval wordt verwerkt tot compost. Indien geen bronscheiding plaatsvindt, raakt de organische fractie dusdanig verontreinigd met andere materialen (zoals metalen, glas, PAK’s en kunststoffen) dat recycling tot compost niet meer mogelijk is. Andersom bemoeilijken natte fracties zoals gft-afval op hun beurt de recycling van de droge componenten in restafval. Bovendien kan de via nascheiding verkregen organische fractie uitsluitend worden vergist waarbij het digestaat met benutting van energie-inhoud wordt verbrand. Recycling van gft-afval is alleen mogelijk als bronscheiding plaatsvindt.
Ongescheiden inzameling van textiel leidt door contact met andere componenten in het restafval tot verkleving of verontreiniging waardoor het textiel niet meer uitgesorteerd kan worden als voorbereiding voor hergebruik en ook niet meer geschikt is voor terugwinning van textielvezels. Zowel bronscheiding als nascheiding leiden voor kunststof verpakkingsafval, metalen/blik, drankenkartons en mineraal afval tot terugwinning van het oorspronkelijke functionele materiaal (kunststof, metaal, karton, mineralen). Bij de recycling van papier en karton tot materiaal met dezelfde kwaliteit spelen aspecten als verontreinigingsgraad, vochtgehalte en materiaalgrootte een rol. Bronscheiding is voor papier en karton een vereiste voor de recycling tot een papier/kartonproduct.
B.3.2.4
Geen aanvullende sturing op nascheiding Uit paragraaf B.3.2.2 volgt in welke gevallen nascheiding kan worden toegestaan. Dit LAP gaat niet aanvullend sturen in de verwerking van restafval, waaruit deelstromen via bronscheiding zijn afgescheiden. Nascheiding wordt alleen voorgeschreven voor deelstromen van grof huishoudelijk afval die op een milieustraat niet gescheiden worden opgeslagen (zie verder paragraaf B.3.5.2.3). Redenen om niet in algemene zin aanvullend te sturen op nascheiding zijn: - In de sectorplannen zijn minimumstandaarden vastgesteld die verbieden dat veel afvalstoffen worden verbrand. Daarnaast gelden stortverboden voor alle afvalstoffen die op een andere manier dan storten (verbranden én nuttige toepassing) kunnen worden verwerkt. - Gemeenten hebben een keuzevrijheid bij het vaststellen van het beleid voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Overigens wordt in het kader van het convenant ‘Meer en Beter Recyclen’ onderzoek uitgevoerd naar het verhogen van de effectiviteit van de nascheiding van brongescheiden mengstromen bedrijfsafval, grof huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval.
B.3.3
Rol van gemeenten
B.3.3.1
Keuzevrijheid Gemeenten spelen een belangrijke rol bij de gescheiden inzameling van (grof) huishoudelijk afval en restafval van bedrijven. De gemeente is verantwoordelijk voor het gemeentelijk afvalbeheer als dienst van algemeen belang. Het succes van afvalscheiding en gescheiden inzameling bij huishoudens wordt in hoge mate bepaald door lokale omstandigheden en een daarop afgestemd afvalbeleid. Afstemming van landelijk en lokaal afvalbeleid is daarom van groot belang. In het Publiek Kader huishoudelijk afval 2025 is aangegeven dat gemeenten en gemeentelijke afvalbedrijven op weg zijn naar 75% afvalscheiding en daarna de vervolgstap willen maken naar een bijna volledige circulaire economie die tegelijk lonend is voor wie daaraan bijdraagt. De gemeente heeft de vrijheid om op basis van de specifieke situatie en omstandigheden een eigen
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 98 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
afweging te maken bij de keuze voor gescheiden inzameling van monostromen of ‘slimme mengsels’, dan wel voor inzameling van huishoudelijk restafval gevolgd door nascheiding. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om delen van haar grondgebied uit te zonderen van de gescheiden inzameling van specifieke afvalstoffen, bijvoorbeeld groente-, fruit-, en tuinafval. Ook kan de gemeente inzetten op gescheiden inzameling van meer afvalstoffen dan waar in het landelijk beleid van wordt uitgegaan. Gemeenten houden dus ruimte om binnen de landelijke kaders en doelstellingen een eigen invulling te geven aan afvalscheiding bij de bron. Hieronder worden enkele voorbeelden gegeven van instrumenten die hiervoor kunnen worden ingezet. Om de beleidsdoelstellingen voor afvalscheiding te realiseren en uitvoering te geven aan het vastgestelde Publiek Kader huishoudelijk afval, worden vanuit het uitvoeringsprogramma huishoudelijk afval – voorheen onderdeel van het programma VANG en nu onderdeel van het Rijksbrede programma Circulaire Economie – verschillende acties gestart. Deze acties betreffen onder meer het informeren en motiveren van gemeentelijke beleidsmedewerkers en bestuurders alsook het committeren van gemeentelijke bestuurders.
In opdracht van het Learning Center Kunststof Verpakkingsafval zijn argumentenkaarten opgesteld met voor- en nadelen voor bron- en nascheiding vanuit het perspectief van de gemeenten. Deze kaarten kunnen een hulpmiddel voor de gemeenten zijn om een afweging te maken. Ten aanzien van gescheiden inzameling van huishoudelijk afval zijn zowel diftar (gedifferentieerd tarief van de afvalstoffenheffing) als omgekeerd inzamelen effectieve instrumenten. Voor meer informatie over instrumenten zie hoofdstuk A.5 ‘Beschikbaar instrumentarium’.
B.3.3.2
Diftar Tot de beleidsvrijheid van de gemeenten valt ook de toepassing van (een vorm van) diftar. Huishoudens betalen hierbij naar gelang de hoeveelheid afval die ze aanbieden of het aantal keren dat een huishouden afval voor inzameling aanbiedt. Op deze manier worden huishoudens financieel gestimuleerd om minder restafval aan te bieden. Dit kan worden bereikt door preventie of door het afval beter te scheiden. Onderzoek laat zien dat de invoering van diftar gepaard gaat met een significante vermindering van het aanbod aan restafval en een beter scheidingsgedrag. Onbekend is wat daarbij de invloed is van het vaak gelijktijdig met diftar invoeren of verbeteren van een systeem van gescheiden inzameling of het gelijktijdig inzetten van instrumenten als communicatie. Omdat lokale omstandigheden bepalend zijn voor de effectiviteit van een dergelijk systeem, de omvang van de ongewenste neveneffecten en de mogelijkheden om deze te beperken, wordt geen algemeen of bindend advies over de introductie van diftar gegeven. Het blijft de verantwoordelijkheid van de gemeenten om de voor- en nadelen af te wegen en een beslissing over diftar te nemen.
B.3.3.3
Omgekeerd inzamelen Omgekeerd inzamelen is ook een methode om de gescheiden inzameling van afvalstoffen te verbeteren. Bij omgekeerd inzamelen worden door de burger gescheiden afvalstoffen (bruikbare grondstoffen) aan huis opgehaald, terwijl restafval door de burger zelf moet worden weggebracht. Bij omgekeerd inzamelen ligt de nadruk dus op het inzamelen van bruikbare grondstoffen. De afgifte van bruikbare grondstoffen kost de ontdoener daarom weinig inspanning, dit in tegenstelling tot de afgifte van het restafval. Goed scheidingsgedrag van de burger wordt hierdoor beloond en leidt tot minder restafval. Omgekeerd inzamelen kan in sommige gevallen een alternatief voor diftar zijn, maar kan ook in combinatie met diftar worden gebruikt.
B.3.3.4
Benchmarking In de benchmark huishoudelijk afval leren gemeenten van elkaar door vergelijking op basis van cijfers, prestatie-indicatoren. Het gaat daarbij niet alleen om milieu (mate van afvalscheiding), maar ook om kosten, dienstverlening en regie- en bedrijfsvoering. In de interactieve kennisdelingsessies krijgen gemeenten inzicht in elkaars beleidsinstrumenten, inzamelsystemen
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 99 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
en communicatiemethoden. Nieuwe inzichten worden meegenomen in nieuwe gemeentelijke plannen. De NVRD, RWS-Leefomgeving en Cyclus Management organiseren jaarlijks deze benchmark waaraan circa tweehonderd gemeenten meedoen. Resultaten worden vastgelegd in kringrapporten, individuele rapportages en een evaluatierapport met algemene bevindingen.
B.3.4
Afvalscheiding door burgers
B.3.4.1
Te scheiden componenten in het algemeen Het gewenste beleid betekent voor burgers dat zij in ieder geval glas, gft-afval, textiel, , papier en karton en gevaarlijke afvalstoffen zouden moeten scheiden. Ook metalen, kunststof verpakkingsmateriaal en drankenkartons kunnen zij gescheiden afgeven. Ten aanzien van grof huishoudelijk afval is het gewenst dat afvalstoffen die op de milieustraten gescheiden kunnen worden opgeslagen, door burgers ook gescheiden worden aangeleverd. Dit betreft elektr(on)ische apparatuur, asbest, C-hout, gasflessen/brandblussers/overige drukhouders, grond, A-/B-hout, banden, dakafval, geëxpandeerd polystyreenschuim, gemengd steenachtig bouw- en sloopafval, gips, grof tuinafval, harde kunststoffen, vlakglas, metalen en matrassen. Meer informatie over afvalscheiding door burgers is te vinden in Hoofdstuk B.1 ‘Naar een circulaire economie’ en op de website van VANG-HHA.
B.3.4.2
Afval scheiden in de hoogbouw Bewoners in de hoogbouw scheiden minder afval, waardoor meer restafval vrijkomt. In zeer stedelijke gebieden (50-80% hoogbouw) ontstaat gemiddeld 120 kilogram meer restafval per persoon per jaar in vergelijking met gebieden zonder hoogbouw. In het kader van VANG-HHA is een literatuurstudie uitgevoerd om inzicht te krijgen in de gedragsbepalende factoren voor afvalscheiding, wanneer welke factoren van belang zijn, en welke interventies gemeenten succesvol kunnen toepassen om meer huishoudelijk afval als grondstof in te zamelen bij stedelijke hoogbouw. De conclusies maken duidelijk dat meer inzicht gewenst is in hoeverre het effect van interventies beïnvloed wordt door kenmerken van de hoogbouwdoelgroep, zowel in psychologisch en sociaal als ruimtelijk/technisch opzicht. Hiervoor wordt een aantal vervolgtrajecten gestart die moeten leiden tot een aanpak om de afvalscheiding gemakkelijker en aantrekkelijker te maken voor bewoners van hoogbouw.
B.3.4.3
Voedselvermalers Op het gebied van gescheiden inzameling van voedselresten en ander gft-afval is nog veel winst te behalen, zeker in de hoogbouw. Momenteel worden er in enkele gemeenten experimenten uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van voedselvermalers in de gootsteen van de keuken. De voedselrestanten worden vervolgens via de riolering afgevoerd en verwerkt in een RWZI. In een afzonderlijk traject zijn door middel van een LCA-studie (ref.STOWA) verschillende verwerkingsroutes voor voedselresten onderzocht. De onderzochte routes zijn: - afvoer via restafval gevolgd door verbranding in een AVI; - afvoer via brongescheiden inzameling van gft-afval, gevolgd door vergisten en composteren; - afvoer na vermalen via een ongescheiden rioolstelsel en verwerking in een RWZI; - afvoer na vermalen via een gescheiden rioolstelsel en verwerking in een RWZI. Uit de LCA-studie blijkt dat de meest milieuhygiënische wijze van afvalbeheer brongescheiden inzameling gevolgd door vergisten en composteren is. Afvoer via een ongescheiden rioolstelsel en verwerking in RWZI levert de minst gunstige resultaten op. De uitkomsten van de LCA-studie geven geen aanleiding om de huidige regelgeving rond de afvoer en verwerking van voedselresten aan te passen.
De resultaten van de huidige experimenten in Amsterdam en Apeldoorn zullen helpen om meer inzicht te krijgen in de verschillende verwerkingsopties. Gelet op de uitkomsten van de LCA-studie blijft de regelgeving gericht op brongescheiden inzameling van gft, inclusief voedselresten. Zolang de uitkomsten van de reeds gestarte experimenten geen aanleiding geven tot wijziging van het beleid, is het niet gewenst dat nieuwe pilots voor het gebruik van voedselvermalers in de gootsteen worden gestart. Overigens is het op grond van artikel 3.131 het Abm niet toegestaan om afvalwater te lozen dat Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 100 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen. Voor huishoudens is met name artikel 6 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens van belang waarin staat: Huishoudelijk afvalwater, afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
B.3.4.4
Voorlichting en gedragsverandering Om een hoger rendement van afvalscheiding voor huishoudelijk afval te kunnen behalen, is onder andere gedragsverandering bij de burger noodzakelijk. Het is belangrijk dat gemeentelijke overheden burgers blijven wijzen op het belang van het goed scheiden van het huishoudelijk afval. Het informeren over de bereikte resultaten en de mogelijke financiële consequenties daarvan is minstens zo belangrijk. De burger kan daardoor nog meer worden gestimuleerd om het gewenste gedrag te gaan uitvoeren. In het kader van het programma VANG-HHA wordt een aanpak ontwikkeld voor duurzame consumptiepatronen gebaseerd op gedragskennis. Daarnaast worden burgers gestimuleerd om afval meer en beter te scheiden in hun directe woon-, reis- en consumeeromgeving. Hiervoor worden tools en tips verstrekt en beter onder de aandacht van burgers gebracht. Het gaat dan om concrete acties zoals voor het gescheiden inzamelen van kunststofverpakkingen (Plastic Heroes), glas, zwerfafval (Nederland Schoon), textiel, batterijen, elektrische apparaten (WeCycle) en een app die mensen helpt bij het scheiden van hun afval.
B.3.5
Afvalscheiding in de afvalbeheerketen
B.3.5.1
Algemeen Bij afvalscheiding door bedrijven moet een onderscheid worden gemaakt tussen afvalstoffen die binnen de inrichting vrijkomen en afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn. Voor inrichtingen is in de omgevingsvergunning of in de voorschriften van het Abm uitgewerkt welke afvalstoffen gescheiden moeten worden gehouden. Bijlage F.5 van het LAP en bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) zijn hierbij bepalend. In deze bijlagen zijn de verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke gescheiden gehouden moeten worden. Deze bijlagen zijn van toepassing op inrichtingen in de gehele afvalbeheerketen, dus ook op ontdoeners en bedrijven die zich alleen met op- en overslag bezighouden. De uitgangspunten voor de beoordeling van het niet gescheiden houden van afvalstoffen zijn opgenomen in hoofdstuk B.7 ‘Mengen’. Bepaalde bedrijfsmatige activiteiten zijn niet aangewezen als inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Hiervoor is geen omgevingsvergunning en deze bedrijven vallen niet onder het Abm. Voor deze activiteiten gelden dezelfde scheidingsregels als voor burgers (zie paragraaf B.3.4). Voor elektr(on)ische apparatuur, batterijen, accu’s, autobanden, autowrakken, verpakkingen en verlichting geldt een zogenaamde producenten-verantwoordelijkheid.
Producenten of importeurs hebben individueel of als collectief een inname- en verwerkingsstructuur opgezet voor deze afvalstoffen. Deze structuren zijn gericht op gescheiden inzameling van genoemde afvalstoffen.
B.3.5.2
Gescheiden houden van afvalstoffen met het oog op een zo hoogwaardig mogelijke verwerking
B.3.5.2.1
Redelijkerwijs gescheiden houden van niet-gevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting ontstaan Voor type A en B inrichtingen volgt uit artikel 2.12 van het Abm dat het verboden is om afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs kan worden gevergd. Onder ‘Richtlijn afvalscheiding bij kleine hoeveelheden’ wordt
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 101 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
invulling gegeven aan de zinsnede “indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs kan worden gevergd”. Toezichthouders kunnen deze paragraaf bij de controle van inrichtingen als uitgangspunt nemen. Voor de beoordeling van het niet gescheiden houden van niet-gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, door vergunningplichtige inrichtingen wordt eveneens bij onderstaande ‘Richtlijn afvalscheiding bij kleine hoeveelheden’ aangesloten. Met afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan worden niet bedoeld afvalstoffen die zijn ontstaan bij de verwerking van van-buiten-de-inrichting-afkomstige afvalstoffen. Het betreft bijvoorbeeld afvalstoffen die bij het eigen productieproces zijn ontstaan. Richtlijn afvalscheiding bij kleine hoeveelheden Bedrijven hebben vaak relatief homogene en schone afvalstoffen die meestal in grote hoeveelheden en geconcentreerd vrijkomen. In die gevallen is afvalscheiding redelijk. Minder eenduidig ligt het voor afvalstoffen die diffuus en in kleine hoeveelheden ontstaan. In tabel 2 is voor de meest voorkomende van die afvalstoffen een indicatie gegeven wanneer het redelijk is dat afvalscheiding plaatsvindt. Afhankelijk van de omstandigheden kan afvalscheiding onder de waarden van in tabel 2 ook redelijk worden geacht.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de afvalstof geconcentreerd vrijkomt en eenvoudig te scheiden en gescheiden af te geven is. Anderzijds kan het ook zo zijn dat het bij hogere dan de in tabel 2 genoemde hoeveelheden niet redelijk is om afvalscheiding te verlangen, gezien de onevenredige belasting die dit voor een bedrijfsspecifieke situatie met zich meebrengt. tabel 2
Richtlijn voor redelijkerwijs scheiden van afval door bedrijven
Afvalstof36
Papier en karton
Richtlijn afvalscheiding (maximale voor recycling geschikte hoeveelheid per week in het restafval) 0 kg
Elektr(on)ische apparatuur
0 kg
Kunststoffolie Kunststof bekertjes Overig kunststofafval
0 kg ± 500 bekertjes 25 kg
EPS (piepschuim)
1 rolcontainer van 240 liter (± 3 kg)
Autobanden
5 banden
Gft/Swill
200 kg
Groenafval
200 kg
A- en B-houtafval
40 kg (bijvoorbeeld 2 pallets)
Glazen verpakkingen
½ rolcontainer van 240 liter (± 30 kg)
Metalen
40 kg
Steenachtig materiaal / Puin
0 kg; bij incidentele hoeveelheden 1 m3
Textiel
40 kg
Steenwol
25 kg
Bedrijfsspecifieke afvalstoffen, zoals productuitval (broodafval bij de brood-industrie, visafval bij de visindustrie), bouw- en sloopafval, procesafval van industriële sectoren, enz.
Dit zijn vaak relatief homogene en schone afvalstoffen, die in grotere hoeveelheden en geconcentreerd vrijkomen. In die gevallen is afvalscheiding redelijk.
Van een onevenredige belasting is sprake in het geval de kosten per ton voor de gescheiden 36
Voor een afvalstof waarvoor uit de in paragraaf B.3.2.2 opgenomen afweging volgt dat zowel bron- als nascheiding beleidsmatig gewenst is, kan het bevoegd gezag oordelen dat bronscheiding niet vereist is indien het bedrijf heeft aangegeven waar en op welke wijze nascheiding van de betreffende afvalstof zal plaatsvinden. Gezien de beoordeling in paragraaf B.3.2.3 kan deze uitzondering uitsluitend van toepassing zijn op metaal, kunststof, mineraal afval en drankenkartons.
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 102 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
inzameling en afvoer van de betreffende afvalstof meer dan 45 euro hoger liggen dan de kosten per ton voor de inzameling en afvoer (transport en verwerking) van het ongescheiden (rest)afval. Bedrijven moeten zelf aan het bevoegd gezag aantonen wanneer het voor hen niet redelijk is om bepaalde afvalstoffen te scheiden. Op de internetsite van RWS-Leefomgeving is de ‘meerkostentoets’ opgenomen. Met dit instrument kunnen afzonderlijke bedrijven bepalen wat voor hen de meerkosten zijn van de scheiding van bepaalde afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan. Met een goed onderbouwde meerkostentoets kan in een vergunningaanvraag of aan een toezichthouder worden aangetoond dat het redelijk is om afvalstoffen bij hogere hoeveelheden dan in tabel 2 vastgelegde hoeveelheden niet te scheiden. Daarbij is niet alleen het prijsverschil per ton afval van belang, maar ook het reële prijsverschil. In het kader van Rijksbrede programma Circulaire Economie zal onder andere een evaluatie worden uitgevoerd naar de afvalscheiding van binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen en de praktische uitvoerbaarheid van de hiervoor beschreven richtlijn en hoogte van het grensbedrag van 45 euro per ton. Zo nodig wordt het LAP hierop aangepast. B.3.5.2.2
Acties die leiden tot meer afvalscheiding Ook tijdens het vervoer en de inzameling is het gescheiden houden van niet-gevaarlijk afval noodzakelijk voor tenminste die afvalstoffen die op grond van bijlage 11 van de Arm gescheiden moeten worden gehouden bij enerzijds de ontdoeners en anderzijds de verwerkers. Het is immers niet doelmatig dat gedurende de keten afvalstoffen worden samengevoegd, die vervolgens weer gescheiden moeten worden. Het Besluit inzamelen afvalstoffen wordt gewijzigd, waardoor ook inzamelaars afvalstoffen die gescheiden worden aangeboden, gescheiden moeten houden. Daarnaast wordt voor matrassen en dakafval en mogelijk ook voor andere afvalstoffen in het kader van de ketenaanpak bekeken of het mogelijk is om de gescheiden inzameling bij de ontdoeners te verbeteren. Verder onderzoek is nodig naar mogelijkheden om meer recycling te bereiken door betere scheiding bij bedrijven. In het kader van VANG buitenshuis worden initiatieven opgestart, om afvalscheiding te stimuleren door kennisverspreiding en onderzoek. Onderzocht moet worden voor welke afvalstoffen die nu nog verbrand worden, recycling door (verbeterde) scheiding bereikt kan worden en met welke instrumenten dit het beste kan worden gestimuleerd.
Dit onderzoek wordt in het kader van het programma VANG buitenshuis (nu onderdeel van het Rijksbrede programma Circulaire Economie) uitgevoerd en richt zich specifiek op afval van de kantoor-, winkel- en dienstensector (KWD). Daarnaast moet worden onderzocht op welke wijze de effectiviteit van nascheiding verbeterd kan worden. Daarmee moet worden voorkomen dat alleen de meest profijtelijke componenten voor recycling beschikbaar komen. Dit onderzoek wordt uitgewerkt bij de uitvoering van het convenant ‘Meer en Betere Recycling’ (zie ook Hoofdstuk B.1 ‘Naar een circulaire economie’). Stimulering van afvalscheiding door bedrijven vindt verder naast regelgeving ook plaats door economische prikkels zoals de stort- en verbrandingsbelasting.
B.3.5.2.3
Gemeentelijke milieustraten Voor het gescheiden houden van afvalstoffen met het oog op een zo hoogwaardig mogelijke verwerking is een bijzondere rol weggelegd voor milieustraten. Op milieustraten moeten in principe gescheiden opslagvoorzieningen aanwezig zijn voor 18 afvalstoffen die worden aangemerkt als grof huishoudelijk afval (zie tabel 3). De afvalstoffen in de eerste kolom moeten altijd gescheiden worden opgeslagen. De overige afvalstoffen mogen ook niet gescheiden worden opgeslagen, indien via nascheiding of op andere wijze eenzelfde niveau van afvalscheiding bereikt wordt en ook eenzelfde niveau van recycling wordt behaald als bij bronscheiding het geval zou zijn geweest. In paragraaf 3.8.2 van het Abm zijn voorschriften voor de opslag van afvalstoffen op milieustraten opgenomen. Een verzoek om af te wijken van de verplichte 18 opslagvoorzieningen moet betrekking hebben op een slimme selectie van afvalstoffen die gezamenlijk worden opgeslagen in combinatie met een passende vorm van nascheiding. Alleen dan kan worden voldaan aan een
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 103 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
vergelijkbaar niveau van afvalscheiding en recycling als met bronscheiding gerealiseerd zou zijn. Als onvoldoende duidelijk is hoe de nascheiding of andere verwerking zal plaatsvinden, moet het bevoegd gezag het verzoek weigeren om af te mogen wijken van het gebruik van de verplichte opslagvoorzieningen. Meer milieuwinst is te behalen door te zorgen dat de scheiding in 18 afvalstoffen goed plaatsvindt en zo de omvang van de restbak te minimaliseren, dan door een verplichte nascheiding. Uit de onderzoeken ‘Scheiding afvalstromen’ van ILT, d.d. 12 september 2014 en ‘Onderzoek naar de milieuwinst van nasorteren bij een goede scheiding op de milieustraat’ van Tauw d.d. 13 februari 2015 blijkt dat met name matrassen en EPS nog niet goed gescheiden worden gehouden op de milieustraat met als gevolg dat de mogelijkheden voor recycling sterk afnemen. Overigens dient EPS-houdend bouwmateriaal waarvan de concentratie aan HBCDD meestal tenminste 1.000 ppm bedraagt, op grond van de POP-verordening gescheiden te worden gehouden en verwerkt. Het is dan ook noodzakelijk dat milieustraten meer gescheiden of geschikte combinaties van opslagvoorzieningen voor de 18 afvalstoffen, en met name voor matrassen en EPS, realiseren.
Daarnaast wordt bezien of aan het voorschrift van het Abm kan worden toegevoegd dat binnen de gemeente een voorziening aanwezig moet zijn om herbruikbare goederen af te geven. tabel 3
Afvalscheiding op de gemeentelijke milieustraat
Altijd gescheiden opgeslagen afvalstoffen: · elektr(on)ische apparatuur · asbest · C-hout · gasflessen/brandblussers/ overige
Overige afvalstoffen: · A-/B-hout · gips · dakafval · gemengd steenachtig materiaal (niet
drukhouders · grond (onderscheiden naar de
functieklassen van het Besluit bodemkwaliteit)
· · · · · · · · ·
zijnde asfalt en niet zijnde gips) matrassen papier/karton vlakglas banden van voertuigen geëxpandeerd polystyreenschuim grof tuinafval harde kunststoffen metalen textiel (niet zijnde tapijt)
Doordat de voorschriften van het Abm zijn gebaseerd op grof huishoudelijk afval, betreffen zij niet alle afvalstoffen waarvoor het zinvol is of kan zijn om deze op een milieustraat gescheiden op te slaan. Nascheiding van het restafval dat overblijft nadat 18 afvalstoffen gescheiden zijn opgeslagen op de milieustraat, wordt niet verplicht. Gelet op de samenstelling van het restafval, zal verdergaande nascheiding weinig recycleerbare deelstromen opleveren. Bovendien leidt dit tot extra kosten voor de gemeenten die al goede scheidingsvoorzieningen hebben getroffen op de milieustraat. De drijver van de milieustraat moet zich inspannen om te voorkomen dat afval, waarvoor aparte opslagvoorzieningen aanwezig zijn, in het restafval terecht komt. Naast de fysieke mogelijkheid deze afvalstoffen gescheiden te houden, moet ook het beheer van de milieustraat gericht zijn op een zo effectief mogelijke uitvoering daarvan. In ieder geval moet voor de burger duidelijk zijn welke opslagvoorziening waar wel en waar niet voor is bedoeld. Daarnaast moet gekwalificeerd personeel aanwezig zijn om vragen van burgers te beantwoorden en toezicht te houden op een juist gebruik van de verschillende opslagvoorzieningen. Verder moet bij de inrichting en het beheer van de milieustraat aandacht worden besteed aan toegankelijkheid en laagdrempeligheid voor de burger.
Dit omvat niet alleen fysieke bereikbaarheid, maar ook het beperken van wachttijden en administratieve procedures.
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 104 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
B.3.5.2.4
Bouw- en slooplocaties Ook aan bouw- en slooplocaties is een bijzondere rol gegeven voor wat betreft het gescheiden houden van afvalstoffen met het oog op een zo hoogwaardig mogelijke verwerking. Op het bouwof sloopterrein moeten een aantal fracties gescheiden worden opgeslagen (zie tabel 4). Genoemde fracties moeten in principe op het bouw- of sloopterrein zelf gescheiden worden en daarna gescheiden van elkaar worden afgevoerd. Het scheiden mag ook op een andere locatie plaatsvinden voor zover scheiding op het bouw- of sloopterrein naar oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is. Het voorgaande is vastgelegd in de Regeling bouwbesluit 2012 (art. 4.1). Doordat sprake is van droge afvalstoffen, zal nascheiding overigens tot minder problemen leiden dan nascheiding bij huishoudelijk restafval. tabel 4
Bronscheiding op het bouw- of sloopterrein
Gescheiden opgeslagen afvalstoffen gevaarlijke afvalstoffen teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot teerhoudend asfalt bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot niet-teerhoudend asfalt vlakglas, al dan niet met kozijn gipsblokken en gipsplaatmateriaal dakgrind armaturen en gasontladingslampen
B.3.6
Uitzondering geen geen geen
Indien de hoeveelheid afval van de betreffende fractie minder dan 1 m3 bedraagt
Kern van het beleid ten aanzien van afvalscheiding In deze laatste paragraaf zijn de punten samengevat die de kern vormen van het beleid zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Overige informatie in dit hoofdstuk is toelichtend aan onderstaand beleid of dient als duiding bij bijvoorbeeld bestaande wet- en regelgeving of jurisprudentie. Voor wijziging van onderstaande kern van beleid zal altijd een procedure van openbare inspraak worden gevolgd. Voor wijziging van meer toelichtende delen van dit hoofdstuk zal worden volstaan met bekendmaking. Bron- en nascheiding moeten gestimuleerd worden om de doelstelling te kunnen bereiken dat in 2023 maximaal 5 Mton Nederlands afval wordt verwerkt in de afvalverbrandingsinstallaties en/of op stortplaatsen. In 2020 moet minimaal 75% scheiding van huishoudelijk afval en afval van handel, diensten en overheid (HDO) plaatsvinden. De in ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen’ opgenomen categorieën van afvalstoffen moeten gescheiden worden. Bij de inzameling van huishoudelijk afval en bij het gescheiden houden van kleine hoeveelheden niet-gevaarlijk afval die binnen de inrichting zijn vrijgekomen, kan het gewenst zijn om een minder strikte werkwijze aan te houden. Zowel bron- als nascheiding moeten resulteren in afvalstoffen die kunnen worden verwerkt tot nuttig toepasbare producten of materialen.
Daarnaast mag bronscheiding plaatsvinden als dit een reststroom oplevert die met minder milieudruk kan worden verwerkt dan wanneer geen scheiding aan de bron plaatsvindt. Voor nascheiding geldt als beperking dat nascheiding niet mag leiden tot een deelstroom die wordt gestort. In het geval bronscheiding leidt tot het terugwinnen van het oorspronkelijke functionele materiaal, moet bij de inzameling van huishoudelijk afval en bij het gescheiden houden van kleine hoeveelheden niet-gevaarlijk afval die binnen de inrichting zijn vrijgekomen, worden vastgesteld of nascheiding als alternatief of als aanvulling op bronscheiding kan worden ingezet, dan wel dat nascheiding geen meerwaarde heeft. Voor deze afweging zijn uitgangspunten en voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf B.3.2.2 onderdeel van de kern van beleid.
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 105 van 375
LAP3 | Deel B: Afvalbeheer en overbrenging| Originele versie | geldig van 28.12.2017 tot heden
De gemeente houdt de vrijheid om op basis van de specifieke situatie en omstandigheden een eigen afweging te maken bij de keuze voor gescheiden inzameling van monostromen of ‘slimme mengsels’, dan wel voor inzameling van huishoudelijk restafval gevolgd door nascheiding. Indien het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) onvoldoende resultaat oplevert, wordt bezien of deze beleidsvrijheid voor gemeenten gehandhaafd moet blijven. Voor type A en B inrichtingen volgt uit artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat het verboden is om afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs kan worden gevergd. Met tabel 2 en de daarbij horende uitleg wordt invulling gegeven aan de zinsnede ‘indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs kan worden gevergd’. Toezichthouders kunnen deze tabel en de uitleg bij de controle van inrichtingen als uitgangspunt nemen. Voor de beoordeling van het niet gescheiden houden van niet-gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, door vergunningplichtige inrichtingen wordt eveneens bij tabel 2 en de uitleg aangesloten. Deze tabel is integraal onderdeel van de kern van beleid.
Bij hogere dan de in tabel 2 genoemde hoeveelheden is het niet redelijk om afvalscheiding te verlangen bij een onevenredige belasting voor het bedrijf. Van een onevenredige belasting is sprake in het geval de kosten per ton voor de gescheiden inzameling en afvoer van de betreffende afvalstof meer dan 45 euro hoger liggen dan de kosten per ton voor de inzameling en afvoer (transport en verwerking) van het ongescheiden (rest)afval. Bedrijven moeten zelf aantonen aan het bevoegd gezag wanneer het voor hen niet redelijk is om bepaalde afvalstoffen te scheiden. Op de internetsite van RWS-Leefomgeving is de ‘meerkostentoets’ opgenomen. Met dit instrument kunnen afzonderlijke bedrijven bepalen wat voor hen de meerkosten zijn van de scheiding van bepaalde afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan. Met een goed onderbouwde meerkostentoets kan in een vergunningaanvraag of aan een toezichthouder worden aangetoond dat het redelijk is om afvalstoffen bij hogere hoeveelheden dan in tabel 2 vastgelegde hoeveelheden niet te scheiden. Daarbij is niet alleen het prijsverschil per ton afval van belang, maar ook het reële prijsverschil. De meerkostentoets wordt beoordeeld door het bevoegd gezag.
Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 | Ministerie van IenW | Pagina 106 van 375