RIS301059 Bewonersorganisaties als belanghebbenden
Tekst van het document
RIS-nummer: 301059
Schriftelijke vragen: Bewonersorganisaties als belanghebbenden Indiener: Robert Barker, Partij voor de Dieren
Datum: 12 november 2018 Aan de voorzitter van de gemeenteraad, Tijdens de behandeling van de Verklaring van geen bedenkingen over de Britse School aan de Vrouw Avenweg op 29 augustus in de Raadscommissie heeft wethouder Revis toegezegd dat de gemeente de zienswijze van bewonersorganisatie Leidschenveen inhoudelijk zal behandelen en meenemen in de vergunningsverstrekking. Dit ondanks dat de voorzieningenrechter, in de rechtszaak over de vergunning voor een tijdelijk gebouw van de Britse Senior School, oordeelde dat de bewonersorganisatie geen belanghebbende is. Op 27 september heeft het college echter bij het behandelen van het bezwaar van de bewonersorganisatie Leidschenveen in de adviescommissie bezwaarschriften een verweerschrift (201806574) ingediend waarin wordt betoogd dat de bewonersorganisatie niet voldoet aan het vereiste van belanghebbende en dat de gemeente daarom niet zal ingaan op de inhoudelijke bezwaren van de bewonersorganisatie. In het verweer wordt betoogd dat de wethouder niet heeft beoogd om een toezegging te doen dat de bewonersorganisatie als belanghebbende zal worden aangemerkt. Overeenkomstig art.
30 van het Reglement van orde stelt het raadslid de heer Barker, Partij voor de Dieren, daarom de volgende vragen: 1) Wij hebben van de bewonersorganisatie Leidschenveen (hierna; BOL) vernomen dat de gemeente betoogt dat de bewonersorganisatie geen belanghebbende is in de zaak waarvoor de wethouder heeft toegezegd aan de raad dat de zienswijze van BOL inhoudelijk zou worden behandeld. Waarom heeft het college de raad niet geïnformeerd over dit (gewijzigde) standpunt? 2) Kan het college aangeven waarom de wethouder geen uitvoering geeft aan zijn toezegging en in zijn verweerschrift uitsluitend betoogt dat de bewonersorganisatie geen belanghebbende is en niet inhoudelijk op de punten van de BOL ingaat? 3) Kan het college aangeven wat de wethouder wel heeft beoogd met de toezegging, nu duidelijk is geworden dat niet is beoogd om de punten van de bewonersorganisatie bij het behandelen van het bezwaar inhoudelijk te beoordelen? 4) Kan het college aangeven of er onderzoek is gedaan door de gemeente naar de feiten en omstandigheden van de BOL waaruit blijkt dat het oordeel van de voorzieningenrechter terecht is? 5) Kan het college ingaan op wat, in reactie op de zienswijze van de BOL, door school en gemeente concreet wordt gedaan om kinderen in de buitenruimte, bijvoorbeeld tijdens het sporten, tegen de vervuilde lucht te beschermen? 6) Vindt het college het wenselijk dat een
bewonersorganisatie op dit onderwerp, de lucht- en geluidsnormen rond een school, niet-ontvankelijk is? Vindt het college het van belang dat bewonersorganisaties over dit soort onderwerpen verweer kunnen voeren en dat dit daarom inhoudelijk wordt beoordeeld? 7) Ziet het college net als de Partij voor de Dieren, dat bewonersorganisaties op onderwerpen als luchtkwaliteit, een goede bijdrage kunnen leveren aan gemeentelijke besluitvorming? Pagina 1 van 2
8) Gegeven de uitspraak van de voorzieningenrechter, in hoeverre acht het college het van belang dat de (standaard)statuten van bewonersorganisaties worden aangepast? Zou dit ervoor zorgen dat die organisaties niet meer niet-ontvankelijk worden verklaard in zaken waarin de bewonersorganisatie opkomt voor de belangen van bijvoorbeeld scholieren op scholen of bejaarden in tehuizen in hun wijk? Ziet het college een andere oplossing om te zorgen dat bewonersorganisaties op dit soort onderwerpen derde-belanghebbend zijn?
Robert Barker Partij voor de Dieren
Pagina 2 van 2