CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS300888 bijlage

Commissie Samenleving 18 februari 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Aanbiedingsbrief Armoedebestrijding van wethouder Sociale Zaken en Werk1.321 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wie zijn de werkende armen in Den Haag? De gemeente Den Haag doet veel om inwoners die zich in een situatie van armoede bevinden te ondersteunen. Maar niet iedereen die in armoede leeft, maakt gebruik hiervan of is in beeld bij de gemeente, bijvoorbeeld doordat zij voor een deel in hun eigen levensonderhoud voorzien. Mede door een aangenomen motie van het CDA (d.d. 8-112018) in de gemeenteraad, wil de gemeente graag een beter beeld krijgen van de Haagse werkende armen. Deze vraag is gesteld aan het CBS Urban Data Center/Den Haag (UDC/Den Haag), de samenwerking tussen de gemeente Den Haag en het CBS. In dit stuk staan enkele conclusies van dit onderzoek. De complete onderzoeksresultaten zijn terug te vinden op www.cbs.nl/udc-den-haag.

Wanneer is iemand ‘werkend arm’? Voor de gemeente hebben we ‘arm’ geoperationaliseerd als een inkomen tot 110% of 130% van het sociaal minimum1. In dit document focussen we ons op de groep personen met een huishoudensinkomen tot 130% van het sociaal minimum. Deze groep noemen we hier voor het gemak ‘de minima’. Hierbij is telkens gekeken naar het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van het huishouden. Een persoon is vervolgens ‘werkend arm’ wanneer zijn of haar voornaamste inkomensbron in 2017 afkomstig was uit werk als werknemer of zelfstandige. Werkende armen zijn in dit document dus: Personen van 18 tot en met 65 jaar die wonen in een huishouden met een inkomen tot 130% sociaal minimum en die werk als voornaamste inkomensbron hebben.

Werkende armen in Den Haag 

1

Ruim 54 duizend Hagenaars (18 tot en met 65 jaar) woonden in 2017 in een huishouden met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum. Dit is 17 procent van de Hagenaars in de onderzoekspopulatie2. Deze cijfers zijn de afgelopen jaren nagenoeg stabiel.

Het CBS gebruikt in zijn landelijke rapportages een andere definitie van werkende armen dan in dit onderzoek is gebruikt. Het CBS hanteert het begrip ‘laag inkomen’ dat is geënt op de bijstandsuitkering van een alleenstaande in 1979, toen deze op een hoog niveau lag (zie ook de uitleg van de begrippen onderaan dit document). 2 De onderzoekspopulatie bestaat uit alle personen in particuliere huishoudens van 18 tot en met 65 jaar die het gehele jaar een inkomen in Nederland hadden.

Van alle Hagenaars ontving 68 procent in 2017 zijn of haar inkomen voornamelijk uit een werknemersbaan of een eigen onderneming. Onder de 54 duizend minima, gold dat voor 27 procent. Deze 14,7 duizend Hagenaars zijn dus de ‘werkende armen’.

* Voorlopige cijfers

Vergeleken met alle minima zijn ‘werkende armen’ relatief vaak tussen de 25 en 45 jaar oud.

* Voorlopige cijfers

Werkende armen hebben vaker een westerse migratieachtergrond. Met name Hagenaars met een Oost-Europese migratieachtergrond, zoals Bulgarije, Roemenië en Hongarije, vallen in deze groep.

* Voorlopige cijfers

Werkende armen wonen wat vaker samen met een partner met of zonder kinderen. Deze groep bestaat wat minder vaak uit eenouderhuishoudens.

* Voorlopige cijfers

Verschillen tussen wijken 

In de wijken Schildersbuurt, Transvaalkwartier, Stationsbuurt en Moerwijk wonen relatief de meeste personen in een huishouden met een inkomen tot 130% sociaal minimum (zie kaart hieronder).

Alle Hagenaars in een huishouden tot 130% sociaal minimum t.o.v. alle inwoners, 2017*

* Voorlopige cijfers

3

Het aandeel werkende minima binnen de totale groep minima is relatief groot in de wijken Benoordenhout, Belgisch Park, Bomen- en Bloemenbuurt, Rustenburg en Oostbroek, Duinoord en Vruchtenbuurt (zie kaart hieronder). In deze wijken zijn dus, in vergelijking met de totale groep ‘armen’, veel ‘werkende armen’. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de totale groep onder 130% van het sociaal minimum bij de meeste van deze wijken relatief klein is. Wijken waarin de groep ‘werkende armen‘ zowel relatief binnen de groep minima als absoluut3 wat groter is, zijn Valkenboskwartier, Regentessekwartier, Rustenburg en Oostbroek, Bezuidenhout, Centrum en Stationsbuurt.

Hierbij is gekeken naar de wijken waar minimaal duizend personen wonen in een huishouden tot 130% sociaal minimum.

Hagenaars met werk binnen de groep met huishoudinkomen tot 130% sociaal minimum, 2017*

* Voorlopige cijfers

Werkkenmerken 

Werkende armen die in januari 2017 een baan als werknemer hadden, werkten in die maand meestal minder dan 25 uur per week. 14 procent werkte die maand fulltime en 23 procent werkte die maand niet. Van alle Hagenaars met werk als voornaamste inkomensbron, werkte meer dan de helft in januari fulltime.

* Voorlopige cijfers

  

46 procent had in januari een baan voor bepaalde tijd, 31 procent voor onbepaalde tijd. 50 procent had een flexibele baan (uitzend- of oproepkracht) en 27 procent had vast werk. 25 procent was in januari werkzaam in de handel of horeca, 23 procent in de zakelijke dienstverlening (incl. uitzendbureaus) en 10% in de gezondheids- en welzijnszorg.

* Voorlopige cijfers

Overige kenmerken     

27 procent van de werkende armen ontving op enig moment in 2017 (ook) een uitkering. Meestal was dat een bijstands- of ww-uitkering. 17 procent had een partner die ook als voornaamste inkomensbron werk had. 19 procent woonde in een koopwoning. De meeste met een WOZ-waarde tussen €100.000 en €250.000. 30 procent heeft een auto. Dit is wat meer dan gemiddeld onder personen in een huishouden tot 130% sociaal minimum. 32 procent heeft een negatief vermogen. Dit ligt wat hoger dan gemiddeld onder personen in een huishouden tot 130% sociaal minimum (28 procent) en dan gemiddeld in Den Haag (27 procent). 8 procent had een achterstand in betaling van de zorgverzekering. Dit is wat minder dan gemiddeld onder personen in een huishouden tot 130% sociaal minimum (10 procent) en hoger dan gemiddeld in Den Haag (4 procent).

Bij 12 procent van de werkende armen met thuiswonende kinderen, heeft minimaal één kind jeugdzorg gehad in 2017. Dat is iets minder dan gemiddeld onder personen in een huishouden tot 130% sociaal minimum (14 procent), maar meer dan het gemiddelde van Den Haag (9 procent).

Begrippen Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt. Het gestandaardiseerd inkomen is een maat voor de welvaart van (de leden van) een huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e), premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden, premies ziektekostenverzekeringen, en belastingen op inkomen en vermogen. Sociaaleconomische activiteit De voornaamste sociaaleconomische activiteit (SEC) van een persoon is vastgesteld op basis van inkomensbronnen en het volgen van onderwijs.

Bij het bepalen van de sociaaleconomische categorie wordt groter gewicht toegekend aan inkomen uit eigen onderneming , omdat het resultaat uit onderneming laag of zelfs negatief kan zijn, ofschoon de persoon hiervoor vele uren per week actief is. Ook aan inschrijving in voltijdonderwijs is bij de vaststelling van de sociaaleconomische categorie prioriteit toegekend. Personen zijn in deze gevallen alleen getypeerd als zelfstandig ondernemer respectievelijk scholier/student, indien geen substantiële inkomsten uit andere bronnen bij de persoon aanwezig waren. Vermogen Het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen bestaan uit financiële bezittingen (banktegoeden en effecten), onroerend goed en ondernemingsvermogen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet. Enkele zaken zijn bij de berekening van het vermogen niet meegeteld door gebrek aan gegevens. Zo kan het tegoed dat is opgebouwd bij spaar- en levenhypotheken, niet aan de bezittingen toegevoegd worden. Ontbrekende vormen van bezit zijn verder contant geld, duurzame consumptiegoederen (met uitzondering van de eigen woning), juwelen en antiek. Aanspraken op pensioen of lijfrente zijn ook als een vorm van vermogen te beschouwen. Omdat een huishouden niet vrijelijk kan beschikken over deze aanspraken zijn deze echter niet in de vermogensdefinitie opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9569928/1