E-mail inzake Inbreng van de Jeugdombudsman voor het debat over thuiszitters op 7 januari 2026
Tekst van het document
Aan de leden van de Commissie Samenleving
Den Haag, 30 december 2025
Onderwerp: Signalen Jeugdombudsman voor het debat over thuiszitters op 7 januari 2026
Geachte commissieleden, Op 7 januari 2026 debatteert u over leerplichtige kinderen die geen onderwijsplek hebben (zogenaamde thuiszitters). In aanloop naar dit debat deel ik graag enkele signalen met u. Deze signalen zijn gebaseerd op klachten van ouders die de Jeugdombudsman in 2025 heeft ontvangen. Verder ga ik in op knelpunten en oplossingsrichtingen. Stijging klachten Op het moment van schrijven zijn er in totaal ruim 210 klachten1 geregistreerd. Dit is een forse stijging ten opzichte van 131 klachten in geheel 2024.2 De meeste klachten gaan over de toegang tot jeugdhulp. Ruim 50 klachten komen van ouders van kinderen die thuiszitten zonder onderwijs- of opvangplek. Steeds weer horen wij schrijnende verhalen over kinderen zonder onderwijs, dagbesteding, kinderopvang of passende hulp. De ouders die zich bij ons melden zijn vaak ten einde raad. Niet alleen omdat zij bezorgd zijn over de ontwikkeling en het welzijn van hun kind, maar ook omdat zij zelf fulltime voor hun kind moeten zorgen en in de knel komen met werk of studie. Woord vooraf De signalen in deze brief zien op zowel de toegang tot jeugdhulp als onderwijs. Problemen ontstaan namelijk vaak op het snijvlak van beide domeinen en houden ook verband met elkaar. De gemeente is verantwoordelijk voor toegang tot jeugdhulp. Een kinderdagcentrum (KDC) en bepaalde vormen van overbruggingszorg vallen daaronder.
Speciaal onderwijs en extra ondersteuning op school vallen onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs. Hoewel dus niet alles in deze brief onder directe verantwoordelijkheid van de gemeente valt, acht ik het van belang deze signalen toch met u te delen. Alleen zo kan ik een zo volledig mogelijk beeld van de ontvangen klachten schetsen. In deze
1 2
Dit is een voorlopig cijfer in afwachting van het jaarverslag 2025. Aantal klachten gemeente Den Haag én Leidschendam-Voorburg.
1
brief ga ik niet in op de rol van ouders, hoewel ik erken dat ook daar soms knelpunten liggen.
Overzicht signalen 1. Jonge kinderen die thuis zitten of dreigen thuis te komen zitten Wij ontvangen steeds vaker signalen over kinderen in de leeftijdsgroep van twee tot tien jaar die niet (meer) mee kunnen komen op de reguliere kinderopvang of school, en volledig thuis komen te zitten zonder alternatief. Veelal gaat het om kinderen waarbij – zo vertellen ouders ons - het vermoeden bestaat van een autismespectrumstoornis. De wachttijd voor een KDC loopt op tot jaren. En ook is het lang wachten op een plek in het speciaal onderwijs. Ook voor overbruggingszorg zijn lange wachttijden. De toegang tot een KDC en overbruggingsplekken loopt via een gezinscoach van Kracht of rondomJou. Door lange wachttijden voor een gezinscoach ontstaat extra vertraging van maanden. Ik krijg signalen dat als er al overbruggingszorg beschikbaar wordt gesteld, dit maar voor een beperkt aantal dagdelen is. Het is voor ouders dan niet helder waarom de inzet beperkt is en of het belang van het kind hierbij op een goede manier is onderzocht en meegewogen.3 Er zijn signalen dat alternatieven wel bestaan, maar niet worden ingezet. Ook niet als die alternatieve plek wel passend is voor het kind of beter is dan volledig thuisblijven. Passende plekken zijn dus soms wél beschikbaar, maar niet toegankelijk. Het kind zit dan dus thuis.
Het is voor ouders in die gevallen onduidelijk op basis waarvan een dergelijke beslissing door het jeugdhulpconsortium wordt genomen, zeker als er geen passend en tijdig inzetbaar alternatief wordt geboden. Er kunnen goede redenen zijn, zoals gebrek aan expertise en mindere kwaliteit, maar dit moet dan wel inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij moet ook duidelijk worden gemaakt hoe bij dit besluit rekening is gehouden met het belang van het kind. Daar schort het aan. Als een kind fulltime thuis is, betekent dit vaak dat één van de ouders stopt met werken of studeren om voor hun kind te zorgen. Dit terwijl het kind, net zoals alle andere kinderen, recht heeft op zorg en onderwijs. Het gevolg is dat de ontwikkeling en het welzijn van het kind onder druk kan komen te staan. Ouders doen wat ze kunnen, maar kunnen het kind niet altijd bieden wat nodig is. Zoals een ouder het verwoordde: "We doen wat we kunnen, maar professionele hulp is wat mijn kind écht nodig heeft." Een thuiszittend kind met een zorgvraag legt grote druk op het gezin. Een ouder vertelde: “Mijn vrouw probeert dan maar thuis te werken. Maar dan staat mijn zoon om de vijf minuten bij haar bureau om te vragen wat hij moet doen. Hierdoor lukt het mijn vrouw niet om haar werk te doen.” De situatie voelt veelal als uitzichtloos.
3
Kinderombudsman: Stappenplan Het beste besluit voor het kind
2
2. Structurele knelpunten in toegang tot zorg en onderwijs De signalen die de Jeugdombudsman ontvangt wijzen op knelpunten in het systeem. Hieronder een overzicht van de meest voorkomende. a. Lange wachttijden en tekorten •
In de jeugdhulp zijn lange wachttijden. De wachttijden voor KDC's lopen op tot jaren. Ook in het speciaal onderwijs zijn te weinig beschikbare plekken.
•
Overbruggingszorg en alternatieven zijn beperkt beschikbaar en niet (standaard) gefinancierd.
b. Belemmeringen in toegang tot hulp •
Ouders wachten maanden op een gezinscoach, zonder duidelijkheid over wachttijd.
•
Het aanvraagproces is bureaucratisch en ingewikkeld. Na aanmelding moeten ouders lang wachten op de beschikking.
•
Als een zorgaanvraag wordt afgewezen, wordt niet standaard een passend en tijdig inzetbaar alternatief geboden.
•
PGB-aanvragen zijn tijdrovend en worden pas laat in het aanvraagproces besproken (nadat het ZIN-aanbod (zorg in natura) door ouders is afgewezen).
c. Gebrekkige continuïteit •
De looptijd van beschikkingen voor overbruggingszorg is soms extreem kort (bijv. drie maanden), waardoor ouders direct een nieuwe aanvraag moeten doen.
•
Aflopende beschikkingen leiden tot dreigende uitval.
•
Bij verhuizingen vanuit een andere gemeente of postcodegebied, blijkt het lastig bestaande zorg te continueren.
3. Gebrek aan regie en samenwerking op het snijvlak van zorg en onderwijs Wanneer kinderen dreigen uit te vallen en er onduidelijkheid is over wie waarvoor verantwoordelijk is (school of jeugdhulp), ervaren ouders een gebrek aan regie. Zij raken verstrikt in regels, procedures en wachtlijsten. Ouders vertellen dat er wel multidisciplinaire overleggen (MDO’s) zijn, maar dat daar in hun beleving weinig actie uit volgt. Ouders krijgen de indruk dat er geen gedeelde visie is op wat hun kind nodig heeft. Hierdoor wordt niet gedaan waarmee hun kind het beste geholpen is. Kinderen blijven soms maandenlang thuis zonder onderwijs of zorg. Dit schaadt hun ontwikkeling en beperkt hun kansen op de lange termijn. Ouders ervaren gebrek aan doorzettingsmacht en voelen zich machteloos. Door het gebrek aan daadkracht voelen ouders zich niet serieus genomen. Wie zorgt dat hun kind weer naar school kan?
3
4. Te veel systeemdenken, te weinig maatwerk Ik zie dat regelgeving, financiering en organisatie te veel leidend zijn – en niet het belang van het kind. Het risico is dan dat besluiten worden genomen die niet persé het beste zijn voor het kind. Passende plekken blijven onbenut omdat ze buiten het gecontracteerde aanbod vallen. Expertise bij kleinere of niet-gecontracteerde aanbieders wordt onvoldoende benut. Waarom dat zo is, is niet altijd helder. Zeker niet als het kind thuis zit zonder opvang, onderwijs en zorg. Tegelijkertijd raken sommige kinderen volledig uit beeld. Ouders voelen zich onvoldoende gesteund. Zij missen iemand die naast hen staat en helpt bij het vinden van een oplossing.
5. Positieve beweging en kansen Ik zie dat er veel inzet is om het systeem te verbeteren en knelpunten aan te pakken. Zowel bij de gemeente, de jeugdhulpconsortia als de SPPOH. De Jeugdombudsman wordt ook gevraagd actief signalen te delen. De urgentie wordt breed gevoeld en er wordt ook gehandeld. De koers richting inclusief onderwijs, waarin voor ieder kind een plek is, steun ik van harte. Mede ook vanuit de gedeelde overtuiging dat we af moeten van ‘zorg is voorliggend’ als reden om kinderen geen onderwijs te bieden. Terwijl ze dit (deels) wel zouden kunnen in de juiste setting en met de juiste ondersteuning. Maar de praktijk is weerbarstig. We zijn er nog lang niet. Er zitten nog veel te veel kinderen thuis.
6. Leren van klachten en ervaringsdeskundigheid In mijn optiek is helder dat er op dit moment nog te veel dingen misgaan in de toegang tot onderwijs en jeugdhulp. De klachten die hierover worden ontvangen (door de gemeente, de Jeugdombudsman, de jeugdhulpconsortia en het onderwijs tezamen) maken goed inzichtelijk op welke punten het systeem knelt. En er – soms – besluiten worden genomen die niet het beste zijn voor de kinderen die het betreft. Ook moet goed geluisterd worden naar ouders, kinderen en jongeren bij het verder vormgeven van beleid en regels. Hun visie is hierbij onmisbaar.4
7. Tot slot: stel het belang van het kind écht centraal Het is belangrijk om het gedrag en de oorzaak van het gedrag van alle kinderen die om wat voor reden dan ook uitvallen of dreigen uit te vallen goed te begrijpen. Als de behoefte helder is en de juiste ondersteuning kan worden ingezet, hoeven kinderen niet uit te vallen.
4
Kinderombudsman - Kinderrechtentoets
4
Ieder kind heeft recht op onderwijs en zorg. Kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte mogen niet de dupe worden van systeemfouten, capaciteitsproblemen of bureaucratische vertragingen. Oplossingsrichtingen Nodig is om het belang van het kind écht centraal te stellen. Zowel in het beleid als bij alle individuele besluiten die worden genomen5. Hierin moet ook altijd de visie van de kinderen zelf, en die van hun ouders, meegenomen worden. Het is belangrijk deze visie serieus te nemen. Wat verder nodig is, is: •
Een betere samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp;
•
Het terugdringen van de wachttijden in de toegang tot jeugdhulp en onderwijs;
•
Meer regie en doorzettingsmacht;
•
Een goed beeld van de behoefte, en ook voldoende beschikbaarheid van passende plekken;
•
Maatwerk en ruimte voor alternatieven;
•
Duidelijke, toegankelijke procedures en ondersteuning voor ouders en kinderen.
•
Goede communicatie.
Het is belangrijk dat het stelsel zo kan worden ingericht dat alle kinderen een fijne en veilige onderwijs- en ontwikkelplek hebben. Hierbij moet het kind centraal staan en niet systeem. Om zo te voorkomen dat kinderen thuiszitten en kansen missen die zij nooit meer kunnen inhalen. Met vriendelijke groet, Coby van der Kooi Jeugdombudsman Den Haag en Leidschendam-Voorburg
5
Kinderombudsman: Stappenplan Het beste besluit voor het kind
5