Bijlage 2 RIS310824 Annex bij inspiratienota raadswerkgroep democratie en participatie
Tekst van het document
Annex bij Inspiratie raadswerkgroep Democratie en Participatie De raadswerkgroep heeft zich conform onderstaande categorieën, verdeeld in drie subwerkgroepen, elk richt zich op een vorm van democratische participatie. Elke sub-werkgroep heeft zich vervolgens gericht op de volgende onderzoeksvragen: 1. Welke instrumenten bestaan er per subgroep? 2. Hoe staat het met de bekendheid en het gebruik van deze instrumenten? 3. Wat kunnen we verbeteren met deze bestaande instrumenten? Een deel van deze vragen is beantwoord via ambtelijke bijstand, een deel wordt nog verder beantwoord door consultatie van bewonersorganisaties in de stad en bij verschillende initiatiefnemers. Een enkele vraag zal voorgelegd worden aan het presidium in het kader van opkomstbevorderende maatregelen bij de verkiezingen. 1.) Politieke Participatie Het beïnvloeden van de politiek via (on)conventionele activiteiten. Stemmen bij de verkiezingen, inspreken bij een raadsvergadering, of op een andere manier de politiek beïnvloeden; dat wordt verstaan onder politieke participatie. Geconstateerd is dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen in alle wijken gemiddeld rond de 50% ligt, behalve in de stadsdelen Escamp (37,63%) en Laak (28,02%). Hoe zorgen we ervoor dat de lage opkomst bij verkiezingen in deze wijken hoger wordt? Hoe zorgen we voor meer gebruik van de bestaande instrumenten, bijv.
referendum of burgerforum? Wanneer kun je dit inzetten? Benoemd is ook of en hoe politieke partijen en individuele raadsleden kunnen bijdragen aan meer politieke participatie. Kan met bestaande instrumentarium een bredere afspiegeling van de stad bereikt worden en hoe? Kunnen nieuwe instrumenten en innovaties bijdragen aan hogere politieke participatie? Maar ook, hoe communiceren we beter over de bevoegdheden van de gemeente? Welke instrumenten voor politieke participatie hebben we?
-
-
Stemmen bij verkiezingen Welke instrumenten voor politieke participatie heeft de Raad? (zoals inspreken, een lokaal referendum, Raad in de Stad) Welke instrumenten hebben politieke partijen en individuele raadsleden? Welke vormen van burgerparticipatie zijn er buiten de raad en politieke partijen (bijvoorbeeld bij het college)? (zoals een burgerinitiatief, burgerforum, right to challenge, stadspanel, buurtbewoners per brief consulteren bij wijze van ‘minireferendum’ ) Petities
Hoe staat het met de bekendheid en het gebruik van de deze instrumenten?
-
-
Hoe staat het met de bekendheid van de bestaande instrumenten? o Welke instrumenten zijn meer of minder bekend bij inwoners van de stad? (9% weet niet dat je kan stemmen voor de GR! 31% kent burgerinitiatief niet, 43% weet niet dat je kunt inspreken [bron: SvdS]) Waarom maken bewoners nog meer geen gebruik van bestaande instrumenten? o Ervaren bewoners die gebruik maken van de instrumenten voldoende echte invloed?
1
Wat kunnen we verbeteren met deze bestaande instrumenten?
-
-
-
-
Hoe maken we bestaande instrumenten bekender? De opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen ligt in alle wijken gemiddeld rond de 50%, behalve in de stadsdelen Escamp (37,63%) en Laak (28,02%), daar ligt de opkomst ver onder dit gemiddelde. Hoe zorgen we ervoor dat de lage opkomst bij verkiezingen in deze wijken hoger wordt? Hoe zorgen we voor meer gebruik van de bestaande instrumenten? o Welke instrumenten zouden vaker of breder ingezet kunnen worden om politieke participatie te bevorderen? o Zou het initiëren van een referendum of burgerforum door de Raad kunnen bijdragen aan het vergroten van de bekendheid van bestaande instrumenten? Zo ja, welke onderwerpen zijn dan geschikt voor welk instrument? Zouden grote ontwikkelingen als CID of Bickhorst hiervoor geschikt zijn? Hoe kunnen politieke partijen en individuele raadsleden bijdragen aan meer politieke participatie? o Zijn politieke partijen en raadsleden voldoende benaderbaar? Hoe zorgen we dat met de bestaande instrumenten een bredere afspiegeling van de stad bereiken? o In hoeverre gebeurt inspreken telkens door dezelfde mensen zijn? Hoe kan dit worden verbreedt?
Overige vragen
-
-
Hoe kunnen we de rol van de raad bij politieke participatie blijvend verbeteren? Is, om over een langere periode te kunnen volgen hoe het gaat met de politieke participatie, meer structureel onderzoek nodig naar kwaliteit, kwantiteit, verdeling en impact van de activiteiten voor inwoners om de politiek te beïnvloeden? Hoe was politieke participatie in het verleden georganiseerd en wat waren de resultaten? Hoe kunnen we communicatie verbeteren over de bevoegdheden van de gemeente richting inwoners? Hoe maken we hierbij de juiste vertaalslag?
2.) Top-down participatie De mogelijkheden die de gemeente biedt aan inwoners om te participeren of inspraak te hebben in beleid, projecten, plannen en vraagstukken die de gemeente initieert. Het betrekken van burgers en organisaties bij gemeentelijk beleid, georganiseerd vanuit het stadhuis; dat wordt verstaan onder topdown participatie, vanuit het IJspaleis richting inwoners. Deze vorm van participatie wordt op vrijwel alle beleidsterreinen van de gemeente toegepast. Het is te onderscheiden in twee vormen: inspraak en participatie. Dit is vastgelegd in de inspraak- en participatieverordening (2012). Daarin worden vier niveaus van invloed voor bewonersparticipatie onderscheiden: raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen. Omdat niet structureel van tevoren expliciet een keuze wordt gemaakt, zijn er geen cijfers over de mate van invloed die
2
bewoners krijgen in participatieprocessen. Er zijn ook geen cijfers bekend over de ervaren impact van bewoners.1 Daarnaast is er feitelijk weinig bekend over het aantal inspraak- en participatiemogelijkheden dat jaarlijks aan inwoners wordt geboden en of daarin verschil is tussen beleidsterreinen. Participatie is vormvrij. Er zijn dan ook vele soorten en manieren in Den Haag: inloopbijeenkomsten, bewonersavonden, enquêtes, straatspellen, festivals en online vormen van participatie. Waarom is top-down participatie belangrijk?
• • •
Verbetert de kwaliteit van beleid en besluitvorming. Zorgt voor draagvlak en betrokkenheid onder burgers en organisaties. Belangrijk om een grote groep inwoners te bereiken, zodat een goede afspiegeling van de belangen van alle inwoners meegenomen kan worden in beleid en besluitvorming.
Welke instrumenten voor top-downparticipatie zijn er?
• • • • • •
Wettelijk geregelde vormen: zienswijze- en inspraakprocedures Diverse vormen: stadsgesprekken, rondetafelbijeenkomsten, informatiebijeenkomsten etc. over beleidskaders, inkoopprocessen of de uitvoering daarvan. Diverse platforms zoals wijk-/bewonersorganisaties, kinderraad, WMO-(cliënten)raad’ In het verleden burgeradvieskringen en Wijkaanpak nieuwe stijl. Meer recent: digitale participatie en projecten zoals Energie uit de Wijk Challenge.2 Voortbouwen op deze ervaringen, met name doorontwikkeling digitale democratie, wijkbudgetten, wijkagenda’s en Raad in de Stad zijn kansrijk.
Hoe staat het met de bekendheid en het gebruik van top-down instrumenten bij inwoners? In de stadsenquête wordt bewoners gevraagd naar de bekendheid van een aantal nieuwe middelen om mee te denken met de gemeente: chatsessies, serious gaming, Haags Stadspanel, Haagse krachtbijeenkomsten en MAEX. De bekendheid met deze nieuwe middelen is nog beperkt. Het Haagse stadspanel (bekend bij 24%) en chatsessies (21%) zijn nog het meest bekend, maar het percentage deelnemers (resp. 4% en 2%) is nog klein. De Haagse krachtbijeenkomst (11%), serious gaming (7%) en MAEX (3%) zijn nog minder bekend en worden nauwelijks gebruikt. Het beeld komt vrijwel overeen met dat van 2018 en 2019. [Inwonersonderzoek 2020]. Naar de bekendheid van andere instrumenten worden in het inwonersonderzoek niet gevraagd. In de volgende stadsenquête worden instrumenten zoals wijkbudget en wijkagenda toegevoegd.3 Overigens leren we uit landelijk onderzoek (Lokaal KiezersOnderzoek) dat vormen van bottom-up participatie (burgerinitiatief) bij 75% bekend zijn terwijl top-down participatie en directe democratie (referendum) minder bekend zijn bij bewoners (resp 56 en 53%). Uit de Staat van de Stad (RIS 305530) blijkt dat de helft van de inwoners het idee heeft mee te kunnen praten of te denken over plannen in de wijk of buurt.
Als het daadwerkelijk gaat om de bekendheid met – en inspraak in – gemeentelijke beleidsonderwerpen is meer dan 50% van de inwoners niet bekend met de mogelijkheden tot inspraak; minder dan 20% is van mening dat er voldoende inspraakmogelijkheden zijn. Met name op het gebied van verkeer en bereikbaarheid (30%) en wonen en bouwen (29%) wordt onvoldoende inspraak ervaren. Participatieparadox: betekent meer participatie een betere representatie, of juist slechtere? (Meer onvrede over bestuur)
1 Staat van de Stad, RIS 305530 2 Vitalisering democratie in Den Haag (RIS 309465) 3 Voortgangsrapportage participatie (RIS 309550)
3
Of meer participatie een betere of juist slechtere representatie betekent is afhankelijk van de kwaliteit van de participatie. Goede participatie zorgt juist voor een goede afspiegeling van alle belangen en daarmee voor een betere representatie.4
3.) Bottom-up participatie De maatschappelijke initiatieven die inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen zelf nemen en waarbij zij een beroep kunnen doen op ondersteuning (middelen, faciliteiten, tijd, vaardigheden etc.) door de gemeente. 1) welke instrumenten en initiatieven van bottom-up participatie zijn er?
2) Hoe staat het met de bekendheid en het gebruik van de mogelijkheden tot bottom-up participatie? 3) Wat kunnen we verbeteren aan de bottom-up participatie?
Belang van bottom-up participatie Bottom Up participatie is belangrijk omdat; i) de creativiteit van de gemeenschap niet wacht op de inbreng van de overheid ii) participatie die uitgaat van de gemeenschap garandeert dat het beleid op de praktijk aansluit en iii) burgerinitiatieven brengen mensen samen en versterken het gemeenschapsgevoel. (uit: https://blog.hoplr.com/nl/participatie-overheid-versus-burgerin-wiens-kamp-ligt-de-bal/)
Instrumenten voor bottom-up participatie zijn: De instrumenten voor bottom-up participatie die wij zien in de stad zijn: -
-
-
-
digitale platforms zoals HOPLR of Next Door waarbij bewoners oproepen kunnen doen, informatie delen en er ruimte is voor dialoog, waardoor bottom-up participatie tot stand kan komen; opbouwwerkers fungeren als een spin in een web en kunnen mensen met dezelfde ideeën en behoeften bij elkaar brengen; initiatievenfondsen zoals fonds 1818 of de Gulden Klinker waarbij bewoners, organisaties een voorstel kunnen doen voor een maatschappelijk initiatief en daarvoor financiële ondersteuning kunnen krijgen. Dat kan net dat zetje zijn om een idee handen en voeten te geven. subsidieregelingen van de gemeente zoals voor ‘subsidies in de buurt’ kunnen de bottom up participatie helpen realiseren. politieke partijen zijn ook een instrument voor bottom-up participatie; zij zijn een plek waar ideeën en meningen bij elkaar komen en waar voorstellen voor oplossingen van maatschappelijke problemen onder de aandacht van de gemeente gebracht kunnen worden. wijkagenda’s zijn een middel om vanuit de wijken te bepalen wat er moet gebeuren om de wijk, volgens de meningen van de bewoners, te verbeteren. belangenbehartiging waarbij bewoners en maatschappelijke organisaties elkaar vinden en gezamenlijk optrekken om te pleiten voor verbetering van maatschappelijke problemen.
Een voorbeeld daarvan is het kapstokoverleg dat door het StraatConsulaat in Den Haag wordt georganiseerd en waarbij verschillende groepen mensen bij elkaar komen om iets te doen aan de problemen van dak- en thuisloosheid.
4 Voortgangsrapportage Participatie (RIS 309550)
4
Wat zijn voorbeelden van bottom-up participatie initiatieven in onze stad? De lijst van instrumenten voor bottom up is niet uitputtend en wordt pas interessant als je kijkt hoe bottom-up participatie handen en voeten gegeven wordt. Daarom noemen we hier een aantal bottom-up participatie-initiatieven die we als raadsleden kennen. Het zou wat ons betreft goed zijn structureel bottom-up participatie in kaart te brengen en te leren van de successen en knelpunten ervan. -
-
-
-
Nijkamphoeve is een buurtboerderij, een voorbeeld van bottom-up participatie omdat bewoners zelf het beheer van een gemeenschappelijk goed in handen hebben genomen. De boerderij zou gesloten worden door de gemeente, die de beheerder was. Bewoners wilden dat de boerderij zou blijven bestaan. Zij verenigden zich in een stichting ‘vrienden van de Nijkamphoeve’ en beheren nu de boerderij. De Nijkamphoeve vervult een waardevolle maatschappelijke functie in de buurt als ontmoetings- en educatie plek. Landgoed Ockenburg is een historische plek, een voormalig landgoed. De villa op het landgoed is in verval geraakt; zonde vonden de bewoners en er ontstonden allerlei ideeën die uiteindeljk leidden tot de Stichting tot Behoud van Historische buitenplaats Ockenburg (SBHO). Dit is ook een mooi voorbeeld van bottom-up participatie omdat creatieve ideeën van bewoners, door bewoners verder zijn uitgewerkt en uitgevoerd. Huis van Gé (in Moerwijk) is een idee van buurtbewonersorganisatie, een huisartsenpraktijk en een welzijnsorganisatie. Het krijgt financiële ondersteuning van een initiatieffonds (Agis). ‘Gé’ is niet alleen een naam. Het is ook de G van gezond, geluk, gemeenschap, gezellig, geloof en gastvrij. Hier werken zorg, welzijn en wijkbewoners samen aan een gezonder en gelukkiger Moerwijk.
Buurtspeelplein Klein Tasmanië is een mooi voorbeeld, omdat het beheerd en onderhouden wordt door ouders uit de wijk. Dierenambulance is begonnen in 1972 toen iemand het initiatief nam om gewonde dieren naar dierenartsen te vervoeren. Dit is langzaam uitgegroeid tot de huidige dierenambulance die ook in Den Haag actief is. Dit is een mooi voorbeeld van hoe vanuit de samenleving een oplossing wordt bedacht voor een probleem, waar veel mensen zich bij betrokken voelen en ten uitvoer wordt gebracht. Het heeft zich in de loop der jaren behoorlijk uitgebreid en is georganiseerd met ook een rol voor de overheid.
Wat voor knelpunten/uitdagingen ervaren ‘bottom-up initiatieven’? Het grootste knelpunt dat wijzelf als werkgroep hebben ervaren is dat we met veel mensen en organisaties wilden praten, onder meer door bijeenkomsten te organiseren. Uiteindelijk is dat niet wegens tijdgebrek niet gelukt. Maar, onbewust hebben we tijdens het raadswerk al veel informatie opgehaald over de knelpunten, die bewoners ervaren bij het starten of draaiende houden van bottom-up initiatieven.
Door gesprekken te voeren in de stad met meerdere bewonersinitiatieven, wijkorganisaties, ambtenaren en zeker niet de minst belangrijke ‘losse bewoners’, hebben we diverse signalen over knelpunten opgepikt. Ook hebben bewoners uitdagingen voor de gemeente aangedragen om geconstateerde knelpunten te verbeteren. Deze input wordt hieronder toegelicht en is opgenomen in tabel 1.
Knelpunten: 1. Mensen voelen zich vaak niet gehoord door gebrek aan terugkoppeling. Hebben vaak het gevoel van eenrichtingsverkeer m.b.t. communicatie. Vooral bij ruimtelijke ontwikkeling hebben bewoners vaak het idee dat de bewonersparticipatie veelal tekenen bij het kruisje is. Dat bewoners alleen hun zegje mogen doen als formaliteit, maar dat niet geluisterd wordt naar hun inbreng.
5
2. Eenzijdige vertegenwoordiging in initiatieven of wijkorganisaties, bottom-up is niet altijd inclusief. Bewoners voelen zich niet gehoord in de wijkorganisaties omdat sprake is van een eenzijdige vertegenwoordiging. Vaak bestaan ze uit mensen die al langere tijd functies bekleden in de wijkorganisatie. Daarom geven bewoners aan zich niet gehoord of betrokken te voelen bij de wijkorganisatie, omdat zij het idee hebben daar geen input te kunnen leveren. 3. Wantrouwen richting gemeente (college B&W) en ambtenaren. Daardoor ook gebrek aan motivatie om met gemeente in gesprek te willen gaan/ te blijven. Dit sluit aan bij het eerste knelpunt. Bewoners hebben vaak het idee dat alles al vaststaat en dat hun input tot niets leidt en dat daar ook niet over wordt gecommuniceerd. Of horen bewoners via via dat er iets speelt en hebben dan het idee achter de feiten aan te lopen. 4. Gebrek aan hulplijnen van procedurele hulp tot aan praktische tips. Bewoners voelen zich vaak overvallen en weten dan meestal niet waar ze moeten zijn. Zij hebben veelal het gevoel dat ze van het kastje naar de muur worden gestuurd. Ook als bewoners een initiatief willen starten, weten ze vaak niet hoe te beginnen of bij wie ze kunnen aankloppen voor tips and tricks. Meestal is evenmin bekend welke initiatieven er zijn en welke mogelijkheden er bestaan om aan bottom-up participatie te doen. 5.
Veel organisaties en buurtbewoners maken zich ook zorgen om levensvatbaarheid van projecten etc. Kortlopende projecten, opvolging van ‘trekkende’ vrijwilligers en subsidies. initiatiefnemers of projecten zijn afhankelijk van actieve, organisatorische en ondernemende vrijwilligers. Vaak gaan vrijwilligers voor bepaalde tijd iets aan en is het zoeken naar nieuwe opvolging moeilijk, waardoor de levensvatbaarheid van het initiatief of project in gevaar komt en daarmee ook de goede impact, die dat heeft op de wijk. Ook de toegankelijkheid tot subsidies maakt de levensvatbaarheid van initiatieven of projecten kwetsbaar. Soms weet men niet dat subsidies mogelijk zijn, of hoe je die aanvraagt.
Uitdagingen: De uitdagingen zijn ontstaan nadat de knelpunten naar voren zijn gekomen uit diverse gesprekken met organisaties in de stad. Deze hadden als doel om de knelpunten om te buigen. 1. Tijdige en transparantie communicatie over plannen, subsidies en tijdsplanning. Maar ook zou je een prijs in het leven kunnen roepen om deze initiatieven te belonen. 2. Actief ‘andere’ bewoners betrekken bij organisatie en verantwoordelijkheden. Dit kan bijvoorbeeld door gerichte communicatie voor een doelgroep. 3. Duidelijke en tijdige communicatie. Vooraf ook duidelijke contouren over wat mogelijk is afstemmen. Door duidelijkheid te creëren waar men wel of niet over kan meepraten, wordt gezorgd voor rust en overzicht. Het is een duidelijk verwachtingspatroon wat mensen nu veelal missen bij de inspraak van herinrichtingen in de openbare ruimte en bouwplannen. 4. Namen en rugnummers bekend onder alle belanghebbenden. Een soort van ‘smoelenboek’ waarin alle initiatieven/projecten in onze stadsgrenzen te zien zijn. Zo kan men elkaar opzoeken en van elkaar leren. 5. Vrijwilligers motiveren. Vrijwilligers meer waarderen en erkenning geven als stad/organisatie. Welke financiële ondersteuning is het beste voor korte en langlopende projecten/initiatieven. Maatwerk voor subsidies schept ook meer duidelijkheid voor projecten/initiatieven.
Ze kunnen bij langere subsidies meer bouwen aan het project zelf, dan te veel tijd kwijt te zijn aan organisatorische rompslomp, zoals het schrijven van een subsidieaanvraag.
Knelpunten
Uitdagingen
6
Mensen voelen zich vaak niet gehoord door gebrek aan terugkoppeling. Vaak het gevoel van eenrichtingsverkeer m.b.t. communicatie.
Tijdige en transparante communicatie over plannen, subsidies en tijdsplanning.
Eenzijdige vertegenwoordiging in initiatieven of wijkorganisaties, bottom-up is niet altijd inclusief.
Actief ‘andere’ bewoners betrekken bij organisatie en verantwoordelijkheden.
Wantrouwen richting gemeente (college B&W) en ambtenaren. Daardoor ook gebrek aan motivatie om met gemeente in gesprek te willen gaan/ te blijven.
Duidelijke en tijdige communicatie. Vooraf ook duidelijke contouren over wat mogelijk is afstemmen.
Gebrek aan hulplijnen, van procedurele hulp tot aan praktische tips.
Namen en rugnummers bekend onder alle belanghebbenden. Een soort van ‘smoelenboek’ waarin alle initiatieven/projecten in onze stadsgrenzen te zien zijn.
Veel organisaties en buurtbewoners maken zich ook zorgen over levensvatbaarheid van projecten etc. Kortlopende projecten, opvolging van ‘trekkende’ vrijwilligers en subsidies.
Vrijwilligers motiveren. Vrijwilligers meer waarderen en erkenning geven als stad/organisatie. Welke financiële ondersteuning is het beste voor korte en langlopende projecten/initiatieven.
*Knelpunten en uitdagingen specifiek over right to challenge’ wilden we ook hierin bespreken, maar is na overleg meegenomen in de nieuwe stadsenquête. Over enkele maanden komt meer informatie beschikbaar over de bekendheid en knelpunten die bewoners ervaren bij Right to Challenge.
De benoemde knelpunten door de bewoners en bottom-up participanten komen ook voor in wetenschappelijke onderzoeken die zijn gedaan naar bijvoorbeeld het right to challenge principe. Daaruit komen ook punten naar voren zoals duidelijke communicatie en een aanspreekpunt binnen de gemeente.5 Daarmee wil de werkgroep aangeven dat er overeenkomsten zijn met de wetenschap en wat in de praktijk speelt. Toch is het aan te bevelen hier ook op lokaal niveau onderzoek naar te doen.
5
https://www.vvsg.be/kennisitem/vvsg/burgerparticipatie-right-to-challenge 7