Advies van de Adviescommissie bezwaarschriften dd 10 juni 2025
Tekst van het document
Adviescommissie bezwaarschriften
Ons kenmerk
JBN.2025.01114.001
Advies aan de gemeenteraad Bezwaarschrift van
M.E. Goldbach
Bestreden besluit
Raadsbesluit niet opheffen geheimhouding op Businesscase
Den Haag, 10 juni 2025 Samenvatting Bezwaarmaker maakt bezwaar tegen zowel het afwijzingsbesluit van het college op grond van de Woo als het achterliggende raadsbesluit om de geheimhouding niet op te heffen die rust op de Businesscase, te weten de geheime bijlagen bij het raadsvoorstel van het college inzake Tijdelijke invulling voormalig Haga-complex Sportlaan. De commissie meent dat in bezwaar voldoende duidelijk is geworden dat het Woo verzoek op juiste gronden is afgewezen alsmede de geheimhouding terecht niet kan worden opgeheven.
Inleiding Bij besluit van 6 februari 2025 is namens het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) een (deel) besluit genomen op het Woo verzoek van bezwaarmaker. Dit besluit ziet op het verzoek van bezwaarmaker om openbaarmaking van de zogeheten Businesscase te weten de geheime bijlagen bij het raadsvoorstel van het college inzake Tijdelijke invulling voormalig Haga-complex Sportlaan. Het college heeft daarvoor verwezen naar artikel 8:8 en de bijbehorende bijlage van de Woo. Daaruit volgt dat documenten waarop geheimhouding rust op grond van de Gemeentewet niet openbaar gemaakt kunnen worden door middel van een Woo-verzoek. Deze geheimhouding kan worden opgelegd door de raad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester en een commissie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Gemeentewet. Op de bijlagen bij het bedoelde raadsvoorstel is geheimhouding opgelegd door het college op grond van artikel 87 e.v. Gemeentewet. De geheimhouding is samengevat als volgt gemotiveerd: A) De bijlagen betreffen financiële doorrekeningen inclusief een toelichting daarop. Op basis daarvan wordt het bestek geschreven voor de aanbesteding. De verbouwing en tijdelijke invulling Sportlaan moeten nog worden aanbesteed.
B) Het Ministerie van Justitie & Veiligheid (J&V) en het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) hebben vertrouwelijke financiële gegevens verstrekt aan de gemeente ter voorbereiding van het opstellen van de financiële doorrekening. Daarbij hebben deze partijen expliciet aangegeven deze informatie vertrouwelijk te verstrekken en gewezen op de schade die ontstaat in geval van openbaarmaking van deze informatie. Deze mogelijke schade is niet alleen voor rekening van de gemeente Den Haag maar ook voor V&J en COA.
JBN.2025.01114.001
2
C) In de bijlagen is uiteengezet wat de gemeente bereid is uit te geven voor de verbouwing en de tijdelijk invulling Sportlaan, de totale budgetruimte van de gemeente Den Haag om eventuele risico’s hierbij op te vangen, welke risico’s er zijn en welke maatregelen de gemeente Den Haag heeft genomen om deze risico’s te beperken, inclusief de risico’s bij de aanbesteding. In het besluit is verder aangegeven dat voorkomen moet worden dat marktpartijen inzicht krijgen in het onderhandelingsproces en de onderhandelingsruimte van de gemeente en daar hun voordeel mee kunnen doen. De onderhandelingen moeten nog starten, de aanbesteding moet nog worden uitgezet en de verbouwing moet nog worden gerealiseerd. De gemeenteraad heeft op 19 december 2024 besloten de geheimhouding die rust op de Businesscase over de tijdelijke invulling voormalig Haga-complex Sportlaan niet op te heffen. Dit is vermeld in de besluitenlijst met RIS-nummer 320890 onder punt i. Bezwaarmaker is hierop gewezen in het besluit van 6 februari 2025. Het college heeft bij het bestreden besluit van 6 februari 2025 het Woo verzoek afgewezen voor zover het ziet op de Businesscase omdat de gevraagde informatie buiten de reikwijdte van de Woo valt. De Woo is hierop niet van toepassing. Bezwaarmaker is tegen dit besluit in bezwaar gekomen per brief van 10 februari 2025.
Hoorzitting Op 14 april 2025 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden. Het verslag van deze hoorzitting treft u hierbij aan. De commissie baseert haar advies op het procesdossier en de overige, bij de partijen bekende stukken. Overwegingen van de commissie a.
Ontvankelijkheid
De commissie constateert dat het bezwaarschrift ten aanzien van het collegebesluit van 6 februari 2025 tijdig is ingediend. In beginsel is het bezwaar voor zover het is gericht tegen het raadsbesluit van 19 december 2024 niet tijdig ingediend. De commissie constateert dat dit besluit (ondanks dat het is gepubliceerd in het RIS en daarom tijdig kenbaar had kunnen zijn voor bezwaarmaker) aan bezwaarmaker kenbaar is gemaakt bij de brief van 30 december 2024. In die brief wordt daarbij aansluitend opgemerkt ‘Na het kerstreces zetten wij de formele besluitvorming ten aanzien van dit onderdeel van uw Woo-verzoek zo snel mogelijk voort.’ De commissie heeft er begrip voor dat voor bezwaarmaker mogelijk niet duidelijk was dat op dat moment het raadsbesluit al een appellabel besluit was. Vervolgens is de formele besluitvorming gevolgd bij het onderhavige bestreden besluit waartegen bezwaarmaker snel zijn bezwaar heeft kenbaar gemaakt. De commissie meent dat tevens van belang is dat hangende de bezwarenprocedure door de afdeling rechtspraak van de Raad van State een uitspraak is gedaan die expliciet aangeeft hoe met een besluit op een verzoek tot opheffing van de geheimhouding moet worden omgegaan.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:894 “Bezwaar en beroep mede gericht tegen het besluit van het andere orgaan op het verzoek om opheffing van geheimhouding Een besluit op een verzoek tot opheffing van geheimhouding (hierna: het opheffingsbesluit) is een besluit waartegen zelfstandig bezwaar of beroep mogelijk is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3755). De verzoeker kan van deze
JBN.2025.01114.001
3
mogelijkheid gebruik maken, maar hij kan er ook voor kiezen om het besluit op het verzoek om openbaarmaking van het bestuursorgaan dat op het Wob/Woo-verzoek moet beslissen af te wachten. Bij dat besluit moet dat bestuursorgaan immers het besluit op het verzoek tot opheffing van de geheimhouding betrekken. De Afdeling ziet in het belang van efficiënte geschilbeslechting aanleiding te bepalen dat, indien de verzoeker om informatie tegen de beslissing van het bestuursorgaan op het verzoek tot openbaarmaking bezwaar maakt of daartegen beroep instelt, dit bezwaar of beroep mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het opheffingsbesluit. Op de bezwaren moeten beide bestuursorganen ieder voor zich beslissen. En in geval van beroep zijn de bestuursorganen ieder voor hun eigen besluit verweerder.” Bezwaarmaker heeft telefonisch aangegeven bij het Woo bureau dat zijn bezwaarschrift mede is gericht tegen het raadsbesluit. De commissie meent dat bezwaarmaker ontvankelijk is in zijn bezwaar zowel gericht tegen het collegebesluit als het raadsbesluit, gelet op uitspraak van de afdeling en de samenhang van de besluiten en de communicatie daaromheen. Nu er overigens geen redenen aanwezig zijn die de ontvankelijkheid van de bezwaren raken, adviseert de commissie bezwaarmaker ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren. b.
Samenvatting van het bezwaarschrift
De bezwaren die bezwaarmaker in zijn bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, komen samengevat op het volgende neer: 1.
2.
3.
Bezwaarmaker maakt bezwaar tegen het integraal geheim verklaren van de businesscase Haga. Hij is van mening dat het mogelijk moet zijn om die delen die echt geheim moeten blijven (bijvoorbeeld financiële informatie) zwart te lakken en overige delen wel openbaar te maken. Bezwaarmaker meent dat bijvoorbeeld de op pagina 3 onder c van het besluit genoemde risico’s en maatregelen die de gemeente heeft genomen om risico’s te beperken, niet geheim moeten zijn zodat de belanghebbende omwonenden geïnformeerd worden over de risico’s. Bezwaarmaker wijst erop dat hij in zijn Woo-verzoek ook heeft gevraagd naar de maatschappelijke kosten van de opvang in het voormalige Haga, zoals waardevermindering van huizen in de directe omgeving, extra beveiligingskosten voor ondernemers, etc. Hij heeft daar nog geen reactie op ontvangen.
c. Waar gaat het in dit geval om? In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of het verzoek van bezwaarmaker om openbaarmaking van de Businesscase tijdelijke invulling Haga terecht door het college is afgewezen omdat de gevraagde informatie buiten de reikwijdte van de Woo valt. En tevens dient onderzocht te worden of de raadsorganisatie terecht heeft besloten de geheimhouding die rust op deze Businesscase niet op te heffen. d.
Inhoudelijke beoordeling bezwaren
Op basis van de stukken uit het dossier, het behandelde ter zitting en de relevante wet- en regelgeving overweegt de commissie als volgt. Uit de stukken is de commissie gebleken dat de gevraagde bijlagen bij het raadsvoorstel van het college inzake Tijdelijke invulling voormalig Haga-complex Sportlaan door het college zijn aangemerkt als geheime stukken en dat het aan de gemeenteraad is om de geheimhouding eventueel op te heffen. Ook is gebleken dat de raad niet tot opheffing van de geheimhouding is overgegaan bij het raadsbesluit van 19 december 2024.
JBN.2025.01114.001
4
Door het college is hiervoor verwezen naar artikel 87 e.v. van de Gemeentewet. Dit artikel verwijst op haar beurt naar artikel 5:1 lid 1 en 2 Woo. Uit de door het college gegeven motivering volgt dat de motivering om de geheimhouding niet op te heffen gelegen is in financiële belangen van zowel de gemeente Den Haag zelf, maar ook van andere organisaties zoals het COA en het ministerie van V&J. Dit betreft een relatieve uitzonderingsgrond op het algemene beginsel van de Woo tot openbaarmaking. Als een relatieve uitzonderingsgrond van toepassing is, moet er altijd een gemotiveerde belangenafweging worden gemaakt tussen het vooropgestelde belang van openbaarheid en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Verweerder heeft aangegeven dat de gevraagde informatie onder meer van invloed kan zijn op aanbestedingen die nog moeten worden gedaan. Het openbaar maken van deze informatie doet afbreuk aan de onderhandelingspositie van het college, waardoor schade kan worden geleden. Ten aanzien van de door bezwaarmaker naar voren gebrachte gronden in zijn bezwaarschrift: Zwart lakken: Ten aanzien van de bezwaargrond die ziet op de vraag van bezwaarmaker waarom niet via het weglakken van bepaalde informatie toch tot openbaarmaking kon worden overgegaan, merkt de commissie als volgt op.
Deze vraag ziet op het besluit van de Raad om de geheimhouding ten aanzien van de businesscase niet op te heffen. Door het lakken van bepaalde passages zou er wel sprake zijn van een gedeeltelijke opheffing van de geheimhouding. In artikel 86 van de Gemeentewet is bepaald dat de opgelegde geheimhouding blijft voortduren totdat de Raad deze opheft, in dit artikel wordt niet gesproken over gedeeltelijke opheffing. Uit de Woo-instructie over de omgang met integraal niet openbaar gemaakte documenten is de commissie gebleken dat documenten die integraal niet openbaar worden gemaakt, niet worden meegezonden met het besluit, in plaats van dat ze geheel onleesbaar zijn gemaakt. In het onderhavige geval concludeert de commissie dat de gevraagde informatie door het college integraal niet kon worden verstrekt. Risico’s en maatregelen: Bezwaarmaker wijst erop dat op pagina 3 van het besluit gesteld wordt dat in de Businesscase staat beschreven wat de gemeente bereid is uit te geven voor de verbouwing en de tijdelijk invulling Sportlaan, de totale budgetruimte van de gemeente Den Haag om eventuele risico’s hierbij op te vangen, welke risico’s er zijn en welke maatregelen de gemeente Den Haag heeft genomen om deze risico’s te beperken, inclusief de risico’s bij de aanbesteding.
Bezwaarmaker meent dat deze risico’s niet geheim moeten zijn zodat de belanghebbende omwonenden geïnformeerd worden over de risico’s. De commissie meent dat de het belang van de gemeente Den Haag om de geheimhouding niet op te heffen ten aanzien van deze Businesscase voldoende duidelijk is geworden. Maatschappelijke kosten: Bezwaarmaker heeft in zijn bezwaarschrift tevens aangegeven dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op zijn vraag in het Woo-verzoek naar de maatschappelijke kosten van de opvang in het voormalige Haga, zoals waardevermindering van huizen in de directe omgeving, extra beveiligingskosten voor ondernemers, etc. De commissie constateert dat dit aspect buiten de omvang van de bezwarenprocedure valt. Het bezwaar richt zich immers op de afwijzing door het college van het verzoek om de Businesscase openbaar te maken alsmede op het besluit van de raadsorganisatie om de geheimhouding die op dit stuk ligt niet op te heffen.
JBN.2025.01114.001
e.
5
Conclusie:
De commissie adviseert de bestreden besluiten in stand te laten, nu ook overigens deze besluiten niet in strijd zijn met de toepasselijke regels of met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Het college en de raad geven aan dat zij willen voorkomen dat marktpartijen inzicht krijgen in het onderhandelingsproces en de onderhandelingsruimte van de gemeente en daar hun voordeel mee kunnen doen. De commissie heeft er begrip voor dat nu de onderhandelingen nog moeten starten, de aanbesteding nog moet worden uitgezet en de verbouwing nog moet worden gerealiseerd, het niet wenselijk is als de financiële kaders en vangnetten openbaar worden. Daarmee geeft de gemeente zijn onderhandelingspositie te veel weg.
Advies De commissie is van oordeel dat het bestreden besluit van 19 december 2024 in stand kan blijven en adviseert daarom het bezwaar voor zover gericht tegen dat besluit, ongegrond te verklaren.
De Adviescommissie bezwaarschriften,
secretaris,
voorzitter,
mr. O.M. Langemeijer
E.H. Mazel
Bijlagen: 1.
Toepasselijke regelgeving.
JBN.2025.01114.001
6
Bijlage 1: Wet open overheid Artikel 3.1 Actieve openbaarmaking als inspanningsverplichting 1. Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, maakt bij de uitvoering van zijn taak uit eigen beweging de bij het bestuursorgaan berustende informatie neergelegd in documenten voor eenieder openbaar, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is, behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie. 2. Het bestuursorgaan doet bij een gedeeltelijke niet-openbaarmaking hiervan mededeling gelijktijdig met de openbaarmaking. 3. Documenten als bedoeld in het eerste lid worden niet openbaar gemaakt dan nadat belanghebbenden die naar verwachting bedenkingen zullen hebben tegen openbaarmaking, in de gelegenheid zijn gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn hun zienswijze naar voren te brengen. 4. Het bestuursorgaan deelt een belanghebbende mede dat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder vermelding van het tijdstip van openbaarmaking en de openbaar te maken documenten. De mededeling wordt gelijkgesteld met een besluit.
Artikel 3.3 Actieve openbaarmaking van categorieën informatie 1. Een bestuursorgaan maakt in ieder geval uit eigen beweging openbaar: a. wetten en andere algemeen verbindende voorschriften; b. overige besluiten van algemene strekking; c. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> d. inzicht in zijn organisatie en werkwijze, waaronder de taken en bevoegdheden van de organisatieonderdelen; e. de bereikbaarheid van het bestuursorgaan en zijn organisatieonderdelen en de wijze waarop een verzoek om informatie kan worden ingediend. 2. Behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 daaraan in de weg staan, maakt het bestuursorgaan voorts uit eigen beweging openbaar: a. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> b. vergaderstukken en verslagen van de Kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal en hun commissies, tenzij deze betrekking hebben op door de regering vertrouwelijk aan de Staten-Generaal verstrekte informatie; c. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> d. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> e. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> f. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> g.
<{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> h. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> i. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> j. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> k. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;}> l. <{ONBEKENDE VARIABELE: Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden.}>
JBN.2025.01114.001
7
3. Op voordracht van Onze Minister kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat: a. het bestuursorgaan andere categorieën van informatie uit eigen beweging openbaar maakt overeenkomstig het eerste of tweede lid; en b. categorieën van beschikkingen worden aangewezen die in afwijking van het tweede lid, onderdeel k, uit eigen beweging openbaar gemaakt worden. 4. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na vaststelling of ontvangst van de informatie. 5. In afwijking van het vierde lid: a. worden de ontwerpen en de bijbehorende adviesaanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, alsmede de daarop betrekking hebbende adviezen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, onder 1°, door het bestuursorgaan dat het advies heeft gevraagd openbaar gemaakt uiterlijk gelijktijdig met de indiening van het voorstel van wet bij de Staten-Generaal dan wel de bekendmaking van het algemeen verbindend voorschrift of besluit, indien het bestuursorgaan in zijn adviesaanvraag heeft gemotiveerd dat eerdere openbaarmaking afbreuk zou doen aan een met de wet, het voorschrift of het besluit beoogde doel; b.
worden in geval van voorstellen van algemene begrotingswetten en de stukken betreffende de verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk als bedoeld in artikel 105, eerste, tweede en derde lid, van de Grondwet, de daarbij behorende toelichtende stukken, alsmede in geval van een op het in artikel 65 van de Grondwet bedoelde tijdstip ingediende voorstel van wet voor zover dat voorstel betrekking heeft op het heffen van belasting, de versies waarover een adviesaanvraag wordt gedaan, de op die versies betrekking hebbende adviezen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, en de op die versies betrekking hebbende onderzoeken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel j, openbaar gemaakt gelijktijdig met de indiening van het voorstel van wet of de stukken bij de Staten-Generaal; c. worden vergaderstukken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, openbaar gemaakt, gelijktijdig met de verspreiding aan de deelnemers van de betreffende vergadering; d. worden agenda’s als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, openbaar gemaakt, uiterlijk bij aanvang van de betreffende vergadering; e. wordt de inhoud van een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede lid, onderdeel i, openbaar gemaakt met de beslissing op dat verzoek; f.
geschiedt de openbaarmaking van onderzoeken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel j, onder 1°, uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het onderzoek; g. geschiedt de openbaarmaking van een beschikking houdende een herstelsanctie die niet in het tweede lid, onderdeel k, onder 6, is uitgezonderd, uiterlijk twee weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden; h. worden ingekomen documenten als bedoeld in het tweede lid, niet openbaar gemaakt dan nadat belanghebbenden die naar verwachting bedenkingen zullen hebben tegen openbaarmaking, in de gelegenheid zijn gesteld binnen twee weken hun zienswijze naar voren te brengen; i. worden documenten als bedoeld in het tweede lid, waarbij gedurende de voorbereiding ervan of na toepassing van onderdeel h is gebleken dat een belanghebbende naar verwachting bezwaar heeft tegen een voorgeschreven openbaarmaking, openbaar gemaakt na twee weken na vaststelling, onderscheidenlijk het verstrijken van de op grond van onderdeel h gestelde termijn om een zienswijze naar voren te brengen. 6. De openbaarmaking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, geschiedt: a. voor een adviesaanvraag aan een adviescollege of -commissie door het bestuursorgaan dat het advies heeft gevraagd;
JBN.2025.01114.001
8
b. voor een advies van een adviescollege of -commissie door dat adviescollege of die commissie, behoudens de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a en b; c. voor een advies van een andere externe partij door het bestuursorgaan dat het advies heeft ontvangen. 7. Het bestuursorgaan deelt een belanghebbende mede dat toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid, onderdeel i, onder vermelding van het tijdstip van openbaarmaking en de openbaar te maken documenten. De mededeling wordt gelijkgesteld met een besluit. 8. Het bestuursorgaan doet mededeling van een gedeeltelijke niet-openbaarmaking gelijktijdig met de openbaarmaking. Van een gehele niet-openbaarmaking doet het bestuursorgaan mededeling op de wijze en het tijdstip waarop het niet-openbaar gemaakte stuk openbaar zou zijn gemaakt. 9. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen over de wijze waarop in dit artikel genoemde documenten actief openbaar worden gemaakt. Artikel 4.1 Verzoek 1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. 2. Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze. 3.
De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen. 4. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. 5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam. 6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 7. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5. Artikel 5.1 Uitzonderingen 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
JBN.2025.01114.001
9
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt; e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt. 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfsen fabricagegegevens; g.
de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. 3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. 4. Openbaarmaking kan tijdelijk achterwege blijven, indien het belang van de geadresseerde van de informatie om als eerste kennis te nemen van de informatie dit kennelijk vereist. Het bestuursorgaan doet mededeling aan de verzoeker van de termijn waarbinnen de openbaarmaking alsnog zal geschieden. 5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden. 6.
Het openbaar maken van informatie blijft in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade. 7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Artikel 5.2 Persoonlijke beleidsopvattingen
JBN.2025.01114.001
10
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. 2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid wordt uit documenten opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door een minister, een commissaris van de Koning, Gedeputeerde Staten, een gedeputeerde, het college van burgemeester en wethouders, een burgemeester, een wethouder, het dagelijks bestuur van een waterschap of een lid van dat bestuur, informatie verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad. 4.
In afwijking van het eerste lid wordt bij milieu-informatie het belang van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen afgewogen tegen het belang van openbaarmaking. Informatie over persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Artikel 8.8 Verhouding met andere wetten De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet. Bijlage De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden. (…) Gemeentewet: de artikelen 23, vierde, vijfde en zesde lid, tweede volzin, 60, derde lid, tweede volzin, 61c, 87, 88, 89 en artikel 185, eerste, derde en zesde lid. (…) Gemeentewet Artikel 87 De raad, het college, de burgemeester en een commissie als bedoeld in hoofdstuk V kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.