Advies JPH Donner 23 mei
Tekst van het document
1 Den Haag, 23 mei 2022 Op vrijdag 13 mei werd ik benaderd met de vraag vanuit de Raad of ik bereid zou zijn om te adviseren over het proces van vorming van een college van B&W en de daarin ontstane impasse. De vraag werd mij namens de fractievoorzitters gesteld ingevolge de door de Raad aanvaarde motie Bredemeijer waarin werd geconstateerd dat na het stranden van twee verkenningsrondes er nog geen zicht is op de vorming van een meerderheidscoalitie. Aangezien men bij een dergelijke vraag slechts nee kan zeggen indien daar een dwingende reden voor is en ik een dergelijke reden niet terstond kon bedenken, heb ik mij bereid verklaard. Na eerst te hebben gesproken met de heer Sneller over het rapport van de verkenners in de vorige ronde en over hun persoonlijke bevindingen en inzichten, heb ik vervolgens alle fractievoorzitters uit uw Raad uitgenodigd voor een gesprek. Die gesprekken1vonden plaats op maandag en dinsdagochtend. Mijn gesprekspartners bevestigden het beeld dat uit de eerdere verkenningsrondes en het debat op 12 mei naar voren kwam, dat een meerderheidscoalitie op basis van de voorkeuren van de onderscheiden fracties niet mogelijk is. De gesprekken bevestigden ook het beeld dat er op hoofdlijnen overeenstemming bestaat over de thema’s die een toekomstig college zal moeten adresseren, zij het dat de opvattingen over de invulling daarvan verschilden.
Dinsdagmiddag heb ik vervolgens afzonderlijk verder gesproken met de vertegenwoordigers van de fracties van D66, VVD, GL, PvdA en CDA. De keuze om vooreerst met deze fracties verder te spreken, vloeit voort uit de voorgaande gesprekken en de bevindingen van de twee verkenningsrondes. Ook mij is gebleken dat een coalitie met HvDH niet mogelijk is. Een combinatie van de grootste drie partijen stuit op de weigering van D66 om, hangende het strafrechtelijk onderzoek, tot een dergelijke coalitie toe te treden. Andere mogelijke combinaties waar HvDH mij op wees, zijn evenmin realiseerbaar bij gebrek aan bereidheid daaraan mee te werken bij een of meer van de daarvoor nodige partijen. Hoewel de tweede verkenning concludeerde dat een coalitie van zes of zeven partijen tot de mogelijkheden behoort, heb ik moeten vaststellen zo’n coalitie, zeker ook voor D66 en het CDA, slechts denkbaar zou worden indien geen alternatief mogelijk zou zijn.
Bevinding en tussenconclusie Gegeven deze bevindingen en het feit dat, zo lang er geen nieuw college wordt gevormd, bedoelde vijf partijen gezamenlijk het college blijven vormen, lag een voortgezet gesprek met deze vijf partijen voor de hand. Daarbij was ik mij bewust dat de tweede verkenning is gestuit op een verschil van inzicht of een coalitie van vier partijen die getalsmatig een kleinst mogelijke meerderheid heeft daarbij de voorkeur verdient boven samenwerking tussen vijf partijen. In het bijzonder één partij zag bezwaren tegen het zonder dwingende reden verbreden van een coalitie indien daardoor ook de potentiële beleidsmatige tegenstelling tussen de coalitiepartners zou toenemen. Ander partijen meenden echter dat de getalsmatige basis in de Raad van een vier partijencoalitie te smal zou zijn. Op woensdag heb ik met deze vijf partijen gezamenlijk gesproken over mijn conclusie:
1
De fractievoorzitter van de PVV gaf aan geen gebruik te zullen maken van de uitnodiging voor een gesprek.
2 -
dat de stad gelet op de niet geringe opgaven wat betreft wonen en werken, leefbaarheid en (sociale) zekerheid, bereikbaarheid en duurzaamheid, gevoegd bij een minder benijdenswaardige financiële situatie en minder florissante vooruitzichten, een degelijk en stabiel bestuur behoeft;
-
dat een coalitie van vier partijen weliswaar theoretisch denkbaar is, maar dat dit niet de door voorstanders daarvan gedachte combinatie zal opleveren, nog afgezien van de getalsmatig zeer smalle basis daarvan in de Raad;
-
dat een coalitie van vijf aanwezige partijen onder de gegeven omstandigheden mitsdien het beste perspectief op een stabiel en goed gemeentebestuur biedt, maar dat dit met zich meebrengt dat ieder daartoe bereid en in staat zal moeten zijn om over de eigen schaduw heen te springen;
-
dat mede in het licht van de praktijk in de afgelopen drie jaren, een prealabel gesprek tussen deze partijen nodig zou zijn over samenwerking, werkwijze, inzet en de wijze waarop ook degene met grote aarzelingen jegens een dergelijke samenwerking toch het vertrouwen krijgt dat ook op hun prioritaire punten, een goed resultaat haalbaar is.
Prealabel overleg Op donderdag en vrijdag heeft vervolgens het bedoeld prealabel overleg plaatsgevonden. Daarbij is op donderdag begonnen met een uiteenzetting door de directeur Financiën over de staat van de Financiën. Op donderdag en vooral op vrijdag heeft daarop een indringend gesprek plaatsgevonden over wat wordt beoogd met een mogelijke samenwerking en wat men daarvan wil en kan verwachten. Daarbij is het niet gegaan over de programmatische inhoud of kaders van een coalitieakkoord, maar over waar de onderlinge samenwerking aan moet voldoen. Daarnaast is gesproken over hoe in deze samenstelling een stabiel en evenwichtig bestuur kan worden geborgd, zowel bij initiële afspraken als bij nog niet voorziene ontwikkelingen gedurende de raadsperiode.
Conclusie, advies en aanpak Dit prealabele gesprek heeft op zichzelf niet tot concrete inhoudelijke afspraken geleid. Het leidt mij echter wel tot de conclusie dat de intenties, bereidheid en inzet van de betrokken partijen zodanig wederzijds zijn verduidelijkt dat ieder daaraan het vertrouwen kan ontlenen dat de inzet is om tot een resultaat te komen dat ieder in eigen kring en naar buiten kan verdedigen als een goed resultaat, met name ook op de voor ieder aangelegen punten. Op die basis adviseer ik de fracties van D66, VVD, GroenLinks, PvdA en CDA om met elkaar onderhandelingen te starten over een nieuwe samenwerking, beleidsprogramma en bijbehorend financieel kader. Deze samenstelling is niet alleen voorshands de meest haalbare coalitie om tot een stabiel stadsbestuur te komen, maar biedt ook gegeven de strekking en de intenties van het prealabel overleg uitzicht op een akkoord dat nodig is voor de stad en dat ieder ook met opgeheven hoofd zal kunnen verdedigen als een goed resultaat.