CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

20230705-RIS314990 Voorstel van de Rekenkamer Den Haag inzake het rekenkameronderzoek ‘Meer doen met meedoen’ van 6 april 2023

Gemeenteraad 5 juli 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van de Rekenkamer Den Haag inzake het rekenkameronderzoek ‘Meer doen met meedoen’, onderzoek naar bewonersparticipatie in de energietransitie (RIS314990)4.000 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RIS314990 Raadsvoorstel naar aanleiding van het rekenkameronderzoek ‘Meer doen met meedoen’. Onderzoek naar bewonersparticipatie in de energietransitie.

Voorstel van de Rekenkamer Den Haag inzake het rekenkameronderzoek ‘Meer doen met meedoen’ van 6 april 2023

Inleiding De rekenkamer heeft onderzocht in hoeverre de gemeente bewonersparticipatie mogelijk maakt in de energietransitie. In het onderstaande overzicht zijn de aanleiding, vraagstelling en aanpak van het onderzoek kort op een rij gezet. Meer informatie is te vinden in het rapport ‘Meer doen met meedoen’.

Waarom deden we dit onderzoek? In het Klimaatakkoord staat dat Nederland de komende jaren minder CO2 mag uitstoten.1 De energietransitie is een meerjarige opgave van grote omvang. In Den Haag moet een groot deel van de huizen (Den Haag telt ruim 260.000 woningen) aangepast worden om een overstap naar 'schone energie' te realiseren.2 De gemeente heeft hierbij een regierol, maar heeft hiervoor nog niet de wettelijke instrumenten.3 Voor een succesvolle energietransitie is de gemeente onder andere afhankelijk van ideeën en voorstellen van bewoners en is het belangrijk dat er een breed draagvlak onder bewoners is.4 De gemeente zet daarom in op bewonersparticipatie in de energietransitie.5 Wij hebben onderzocht hoe de gemeente deze participatie organiseert en uitvoert.

Wat waren onze hoofd- en deelvragen? Hoofdvraag: Maakt de gemeente het mogelijk dat bewoners kunnen participeren in de energietransitie? Deelvraag 1: Heeft de gemeente tijdig duidelijke beleids- en uitvoeringskaders uitgewerkt voor bewonersparticipatie? 1

Klimaatwet juli 2019, https://wetten.overheid.nl/BWBR0042394/2020-01-01

2

RIS310442 Commissiebrief Bijlage 'Transitievisie warmte', College van Burgemeester en Wethouders, 3 november 2021, p.1-2,6-7.

3

De gemeente heeft, zoals beschreven in het Klimaatakkoord, een regierol toebedeeld gekregen in de transitie naar aardgasvrije wijken. Dat betekent dat de gemeente o.a. 'in een zorgvuldig proces [...] per wijk een afweging moet maken wat de beste optie is, als huizen niet langer met de traditionele cv-ketel worden verwarmd.' Bronnen: Klimaatakkoord, D5 Bevordering draagvlak, p.218-219; 'Gemeenten en het klimaatakkoord', website VNG, (datum onbekend), https://vng.nl/artikelen/gemeenten-en-het-klimaatakkoord, geraadpleegd op: 6 september-2022. 4

Klimaatakkoord, D5 Bevordering draagvlak

5

Klimaatakkoord, D5 Bevordering draagvlak

1

Deelvraag 2: Geeft de gemeente bewoners de ruimte om te participeren?6

Wat verstaan we onder participatie? Situaties waarin burgers, partners in de wijk en (sociaal) ondernemers zelf initiatieven nemen óf door het gemeentebestuur worden uitgenodigd om mee te denken, mee te praten of mee te beslissen over gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan.7 De ‘participatieladder’ is een manier om aan te geven op welk niveau bewoners meedenken of beslissen. Er is sprake van een laag niveau van participatie als de mate van invloed van bewoners klein is ten opzichte van die van de gemeente. Er is sprake van een hoog niveau als de mate van invloed van bewoners gelijk is aan die van de gemeente. Zie de figuur hieronder.

Figuur 1: Participatieladder, Afbeelding van Rekenkamer Den Haag. Bron: RIS293550 Commissiebrief ‘Hoofdlijnenbrief Burgerparticipatie 2016-2020 – pijlers en aanpak’, College van Burgemeester en Wethouders, 5 april 2016.

Conclusies, reactie college en nawoord rekenkamer Conclusies Het onderzoek naar bewonersparticipatie in de energietransitie heeft geleid tot een hoofdconclusie en 3 deelconclusies. Hieronder volgt een toelichting op deze conclusies. De hoofdconclusie op basis van dit onderzoek is:

De gemeente heeft zich actief ingespannen voor bewonersparticipatie in de energietransitie, maar heeft de participatie onvoldoende vormgegeven. 6

Zie ook bijlage 1

7

RIS297284 Raadsbesluit ‘Voorstel van het college inzake Actieplan Burgerparticipatie 2016-2020: Samen leven is samen kiezen en samen doen’, Gemeenteraad, 21 september 2017, p.1.

2

De ambitie van de gemeente om draagvlak voor de energietransitie te versterken door bewoners te mee te laten doen en beslissen, is onvoldoende gelukt. De gemeente heeft zich ingespannen om bewoners te laten participeren, maar heeft dit niet goed voorbereid en uitgevoerd. Mede hierdoor zijn verwachtingen bij bewoners gewekt die uiteindelijk niet zijn uitgekomen. Uit ons onderzoek blijkt dat de gemeente in de energietransitie actief heeft ingezet op bewonersparticipatie. De gemeente heeft op tal van manieren bewoners geïnformeerd over en betrokken bij de energietransitie. Ook heeft de gemeente bewonersinitiatieven op het gebied van de energietransitie actief ondersteund. Door de actieve inzet van de gemeente ontstonden bij bewoners verwachtingen over de invloed die ze hadden op het proces en op de besluitvorming. Deze verwachtingen kon de gemeente niet waarmaken. Dit komt omdat de gemeente zich onvoldoende heeft voorbereid op de bewonersparticipatie en omdat de gemeente zich bij de uitvoering van de bewonersparticipatie te weinig heeft gehouden aan uitgangspunten die ze zelf heeft vastgesteld. Het ontbrak bijvoorbeeld aan duidelijkheid over kaders die golden voor bewonersparticipatie, duidelijke afspraken met participerende bewoners en een systematische aanpak om te leren van opgedane ervaringen.

Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat weinig bewoners in de energietransitie hebben kunnen meebeslissen. Ook is het voor bewoners niet duidelijk geworden hoe hun inbreng door de gemeente is gebruikt. Tot slot heeft de gemeente in een aantal gevallen tussentijds de koers van de energietransitie gewijzigd. De gemeente heeft hiermee de, bij bewoners gewekte, verwachtingen niet waargemaakt. Dit leidde bij bewoners tot verwarring en frustratie, wat niet heeft bijgedragen aan het draagvlak voor de energietransitie. De hoofdconclusie is gebaseerd op de volgende deelconclusies: 1. De gemeente heeft zich actief ingespannen voor bewonersparticipatie in de energietransitie. 2. De gemeente heeft de bewonersparticipatie in de energietransitie niet goed voorbereid. 3. De gemeente heeft zich in de uitvoering beperkt gehouden aan de eigen uitgangspunten voor bewonersparticipatie in de energietransitie.

Algemene reactie van het college op het onderzoek Op 21 februari 2023 heeft de Rekenkamer Den Haag een bestuurlijke reactie op de conclusies en aanbevelingen ontvangen van het College van Burgemeester en Wethouders. Hieronder is door de rekenkamer de reactie van het college op de conclusies samengevat. De volledige reactie van het college is te vinden in het rapport ‘Meer doen met meedoen’. Het college onderkent dat in de onderzochte periode zaken niet goed gingen en verwachtingen van bewoners niet zijn waargemaakt. Tegelijkertijd geeft het college aan dat de rekenkamer bij het formuleren van de conclusies te weinig oog heeft gehad voor de fase waarin de bewonersparticipatie in de energietransitie zich bevond. Ook stelt het college dat ‘al te strakke kaders’ niet wenselijk waren, omdat het geen ‘one-size fits all’ aanpak voor bewonersparticipatie wilde hanteren. Het college neemt de aanbevelingen ter harte en is van mening dat de aanbevelingen grotendeels aansluiten op hoe het participatie sinds het onderzoek oppakt en verder wil oppakken. Het verwijst hierbij onder andere naar het programmateam ‘Haags Samenspel’. Dit programmateam heeft volgens het college sinds 2020 een aantal bruikbare documenten, zoals de Haagse Participatiewerkwijze en het Haags Participatiekompas, opgeleverd, met als doel de kwaliteit van 3

participatie te verbeteren. Het college geeft ten slotte aan de aanbevelingen van de rekenkamer te agenderen in de duale Werkgroep Participatie en Democratie, die aan de slag gaat met het formuleren van een nieuwe Inspraak- en Participatieverordening.

Nawoord bij algemene reactie In algemene zin constateren wij dat het college de conclusies onderschrijft. Hoewel het college de aanbevelingen ook zegt te onderschrijven, constateert de rekenkamer wel een verschil van inzicht. Dit betreft het punt in hoeverre de aanbevelingen aansluiten op hoe de gemeente participatie sinds het onderzoek oppakt. De rekenkamer wijst erop dat wij het programmateam ‘Haags Samenspel’ en de door het college aangehaalde documenten in ons onderzoek hebben betrokken. Op basis van een analyse van deze (en andere) documenten, heeft de rekenkamer de conclusies van het onderzoek en vervolgens de aanbevelingen geformuleerd. De huidige aanpak van de bewonersparticipatie door het gemeentebestuur vraagt op basis van de analyse van de rekenkamer om een beter uitgewerkt en gemeentebreed geldend beleidskader voor bewonersparticipatie en in aansluiting daarop een gemeentebrede uitvoering van dit beleid. Hoewel met het opstellen van de documenten van Haags Samenspel stappen zijn gezet in het verder vormgeven van bewonersparticipatie, zien we tegelijkertijd dat deze documenten nog te weinig concreet zijn om voldoende richting te geven aan de praktische uitvoering (zie Deelconclusie 2 en bijlage 9). Zo bestaat de Haagse Participatiewerkwijze vooral uit vragen die de ambtenaren zelf in kunnen vullen.

De rekenkamer is van mening dat het college nog een stap extra kan zetten om (de kaderstelling voor) bewonersparticipatie nader uit te werken. In onze aanbevelingen geven we aan dat dat bijvoorbeeld kan door voort te borduren op documenten over participatie voor gebieds- en planontwikkeling. Wanneer het college – met de aanbevelingen en periodieke evaluaties – stappen blijft zetten in de verbetering van bewonersparticipatie, werkt het college aan draagvlak en het behalen van zijn doelen binnen de energietransitie. De energietransitie is, zoals het college beschrijft, een nieuw beleidsterrein. Bewonersparticipatie (in zijn algemeenheid) is dat echter niet. Om deze reden mag worden verwacht dat alle (minimale) voorwaarden voor participatie, waaronder de voorwaarden uit de Inspraak- en Participatieverordening 2012, in één kader zijn belegd en in aansluiting daarop zijn uitgewerkt om de bewonersparticipatie ook voor de energietransitie vorm te kunnen geven. De toepassing van minimale voorwaarden voor bewonersparticipatie is immers maar beperkt afhankelijk van de aard en dynamiek van een bepaald beleidsterrein waarbinnen deze participatie wordt toegepast. Minimale voorwaarden (kaders, zoals beschreven in onze aanbevelingen) voor participatie hoeven maatwerk (het afstemmen van participatie op de wijk en haar bewoners) niet in de weg te zitten.

Ook, of misschien wel juist, bij maatwerk moet vooraf duidelijk zijn welk gewicht de gemeente toekent aan de inbreng van bewoners en achteraf hoe de gemeente hun inbreng heeft meegenomen in besluiten. Deze voorwaarden zijn zo universeel dat ze in elke situatie kunnen worden toegepast, ongeacht het thema, het soort wijk of bewoners.

Aanbevelingen, reactie college en nawoord rekenkamer Op basis van het onderzoek doet de rekenkamer zes aanbevelingen die in het dictum van het conceptraadsbesluit (zie hierna) zijn opgenomen. Een toelichting op de aanbevelingen is hieronder te vinden. Onder elke aanbeveling staat ook de reactie van het college daarop (samengevat door de

4

rekenkamer) en het nawoord van de rekenkamer. De volledige reactie van het college is in het rapport ‘Meer doen met meedoen’ opgenomen.

Aanbeveling 1 Draag het college op een voorstel uit te werken voor een gemeentebreed kader voor bewonersparticipatie en dit ter besluitvorming aan de raad voor te leggen, waarin tenminste is vastgelegd: a) aan welke minimale voorwaarden bewonersparticipatie te allen tijde moet voldoen, zoals het voorafgaand aan een participatietraject duidelijk maken van het doel, de doelgroep, de onderwerpen waar participatie zich op richt, welke invloed bewoners krijgen op besluitvorming en hoe de gemeente de inbreng van bewoners meeneemt in (bestuurlijke) besluitvorming; b) hoe de gemeente meer en moeilijk bereikbare groepen bewoners wil bereiken; c) dat het gemeentebrede kader periodiek wordt geëvalueerd en herijkt, onder meer op basis van lessen uit eerdere participatietrajecten. Toelichting aanbeveling Dit gemeentebrede kader vervangt de reeds bestaande kaders voor bewonersparticipatie en leidt ertoe dat alle voorwaarden voor bewonersparticipatie overzichtelijk in één kader zijn opgenomen. Zo ontstaat voor zowel bewoners als de ambtelijke organisatie duidelijkheid over hoe de gemeente participatietrajecten vormgeeft. Hierbij kan de gemeente voortbouwen op een recent kader dat voor participatie in gebieds- en planontwikkeling is gemaakt. Minimale voorwaarden waaraan bewonersparticipatie zou moeten voldoen zijn opgenomen in de tabel in bijlage 10 van het rapport.

Met een aanpak om te komen tot het bereiken van meer en moeilijk bereikbare groepen bewoners kan de gemeente werken aan haar eigen uitgangspunt om meer bewoners bij de participatie te betrekken. Reactie college Het college stelt dat minimale voorwaarden voor bewonersparticipatie al staan vermeld in de Inspraak- en Participatieverordening uit 2012. Die is leidend tot een nieuwe verordening wordt vastgesteld. De nieuwe verordening zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2024 gereed zijn. Nawoord rekenkamer In de Inspraak- en Participatieverordening uit 2012 worden passende voorwaarden voor participatie genoemd. Deze zijn echter niet compleet en zijn onvoldoende uitgewerkt. Zo is niet benoemd dat en hoe het college de gemeenteraad meeneemt in participatietrajecten. Ook staat in de verordening bijvoorbeeld niet dat rollen en verantwoordelijkheden voor alle betrokken partijen duidelijk moeten zijn. Daarnaast is in de verordening niet vastgelegd dat per participatietraject wordt vastgelegd hoeveel participanten (bijvoorbeeld een percentage van totaal aantal bewoners van een wijk) minimaal moeten meedoen. De rekenkamer adviseert daarom om de voorwaarden zoals genoemd in aanbeveling 1 (zie ook bijlage 10) op te nemen in een nieuwe Inspraak- en Participatieverordening en/of een gemeentebreed participatiebeleid.

5

Aanbeveling 2 Draag het college op de ambtelijke organisatie duidelijkheid te geven over de uitgangspunten voor bewonersparticipatie en de wijze waarop deze praktisch toegepast moeten worden en daartoe: a) een handleiding op te stellen waarin duidelijk wordt aan welke voorwaarden en andere kaders participatietrajecten moeten voldoen (gebaseerd op het kaderstellend document), hoe dit moet worden uitgevoerd en deze handleiding breed onder de aandacht te brengen binnen de organisatie; b) een centraal punt binnen de ambtelijke organisatie verantwoordelijk te maken voor het actief communiceren van de kaders en uitgangspunten naar ambtenaren. Toelichting aanbeveling Door het opstellen van een handleiding kan de ambtelijke organisatie participatietrajecten beter voorbereiden en gestructureerder uitvoeren. Hierbij kan de gemeente voortbouwen op handleidingen en stappenplannen die ze voor participatie in gebieds- en planontwikkeling heeft gemaakt.8 Reactie college Het college is van mening dat het een goede stap heeft gezet om de ambtelijke organisatie duidelijkheid te geven over de uitgangspunten voor bewonersparticipatie. Zo heeft Haags Samenspel al een aantal bruikbare instrumenten opgeleverd voor een goede en duidelijke participatieaanpak, zoals het Haags Participatiekompas en de Haagse Participatiewerkwijze.

Het kompas biedt volgens het college kaders om kwalitatief goede participatie te realiseren. Daarnaast stelt het college dat Haags Samenspel in de organisatie al is geborgd als centraal expertisecentrum. Ten slotte laat het college in zijn reactie weten dat het dit jaar een leer- en implementatieprogramma gaat opzetten om samen met de raad, college, ambtenaren en de stad te oefenen met nieuwe participatieregels en werkwijzen. Nawoord rekenkamer De rekenkamer constateert dat de gemeente de afgelopen periode stappen heeft gezet in het verder vormgeven van bewonersparticipatie. De documenten van Haags Samenspel dragen daaraan bij. Tegelijkertijd zien we dat deze documenten nog te weinig concreet zijn om voldoende richting te kunnen geven voor de praktische uitvoering (zie ook bijlage 9). Zo bestaat de Haagse Participatiewerkwijze vooral uit vragen die de ambtenaren zelf in kunnen vullen. De rekenkamer ziet dat er – naast het Haagse Participatiekompas en de Haagse Participatiewerkwijze – voor gebieds- en planontwikkelingen recent participatiedocumenten zijn opgesteld. De inhoud van deze documenten zijn meer in de richting van onze aanbevelingen. Deze documenten zijn echter niet algemeen geldend.

De rekenkamer adviseert de gemeente op deze documenten voort te borduren bij het opstellen van algemeen geldende kaders en documenten die de ambtelijke organisatie moeten helpen om die kaders in de praktijk te brengen. Wij onderschrijven dat er met de oprichting van Haags Samenspel een centraal expertisecentrum geborgd is. Het expertisecentrum is echter op dit moment binnen de gemeentelijke organisatie nog niet voldoende bekend en functioneert daarom in de praktijk nog onvoldoende als een centraal punt van kennis voor gemeenteambtenaren en bewoners.

8

Intern document 'Haags Participatiekompas'; Intern document 'Trap van eigenaarschap'; Intern document 'De Haagse Participatiewerkwijze'; Intern document 'De Participatiegids voor grote ruimtelijke ontwikkelingen', najaar 2022; Intern document 'Het Participatiewerkboek', najaar 2022; Intern document 'Samenspel per stap', najaar 2022.

6

De inzet van het college op een leer- en implementatieprogramma is in lijn met onze aanbeveling. De rekenkamer beveelt aan om in dit programma ook de rol van het centraal expertisecentrum goed toe te lichten aan betrokken ambtenaren.

Aanbeveling 3 Draag het college op in alle voorstellen voor besluitvorming door het college of de raad waarbij bewoners in de voorbereiding hebben geparticipeerd, een passage op te nemen waarin uiteen wordt gezet hoe bewoners hebben geparticipeerd en hoe hun inbreng inhoudelijk is verwerkt in het betreffende voorstel. Draag het college op deze werkwijze in het gemeentebrede kader op te nemen. Toelichting aanbeveling Wanneer het college de onderbouwing van zijn voorstel voor of na besluitvorming openbaar maakt, wordt voor zowel bewoners als raadsleden duidelijk wat er met de inbreng van bewoners is gebeurd. Daarnaast draagt dit bij aan de bestuurlijke inbedding van participatie in de besluitvorming. Reactie college Het college stelt dat het maken van een participatieverslag in de Inspraak- en Participatieverordening wel is geborgd (door het formuleren van een eindverslag), maar in de praktijk niet systematisch wordt toegepast. Het start daarom met het eerdergenoemde leer- en implementatieprogramma. Nawoord rekenkamer Een leer- en implementatieprogramma kan bijdragen aan het in de praktijk gaan toepassen van het participatieverslag. Ook het implementeren van een paragraaf ‘Participatie en Communicatie’ als vast onderdeel in raadsvoorstellen draagt daaraan bij.

Uit de Inspraak- en Participatieverordening van 2012 blijkt dat in dit verslag inhoudelijk wordt gereageerd op de geleverde inbreng van bewoners en dat in dit verslag het participatieproces wordt beschreven, in lijn met aanbeveling 3.

Aanbeveling 4 Draag het college op voorafgaand aan elk participatietraject een plan van aanpak op te stellen waarin onder andere: a) de bewonersparticipatie concreet en in overeenstemming met de voorwaarden uit het gemeentebrede kader is uitgewerkt; b) heldere afspraken zijn opgenomen over rollen en verantwoordelijkheden tussen bewoners en de gemeente en over de planning. Draag het college op deze werkwijze in het gemeentebrede kader op te nemen. Toelichting aanbeveling Op deze manier wordt voor bewoners duidelijk wat zij van het participatietraject kunnen verwachten. Ook kan de wijze waarop de gemeente de participatie organiseert, binnen de voorwaarden, worden afgestemd op de specifieke situatie (maatwerk). Reactie college Het college stelt dat het maken van een plan van aanpak voor elk participatietraject in Inspraak- en Participatieverordening wel is geborgd, maar in de praktijk niet systematisch wordt toegepast. Het start daarom met het eerdergenoemde leer- en implementatieprogramma. Daarnaast is vorig jaar gestart met het maken van een Participatiegids voor grote gebieds- en bouwontwikkelingen.

7

Afspraken over rollen en verantwoordelijkheden zullen in de nieuwe verordening worden opgenomen. Nawoord rekenkamer De rekenkamer verwacht dat de inzet op een leer- en implementatieprogramma ertoe zal bijdragen dat bij elk participatietraject een plan van aanpak wordt gemaakt. Ook het feit dat het college afspraken over rollen en verantwoordelijkheden wil opnemen in de nieuwe Inspraak- en Participatieverordening geeft duidelijkheid over wat bewoners van een participatietraject kunnen verwachten.

Aanbeveling 5 Draag het college op om lessen uit de uitvoering van bewonersparticipatietrajecten mee te nemen in verbetering van die uitvoering door: a) tussentijds en na afronding van trajecten van bewonersparticipatie deze te evalueren; b) deze evaluaties te baseren op de voorwaarden voor bewonersparticipatie, zoals die zijn opgenomen in het gemeentebrede kader voor bewonersparticipatie; c) de uitkomsten van deze evaluaties vast te leggen en te gebruiken voor verbetering van de uitvoering en herijking van het gemeentebrede kader voor bewonersparticipatie. Draag het college op deze werkwijze in het gemeentebrede kader op te nemen. Toelichting aanbeveling Het doel van deze aanbeveling is om bij te dragen aan het structureel verbeteren van het proces en de uitvoering van bewonersparticipatie. Reactie college Het college stelt dat er gedurende de eerste jaren veel is geleerd van diverse aanpakken van bewonersparticipatie. Daarnaast geeft het aan dat de nieuwe Inspraak- en Participatieverordening periodiek zal worden geëvalueerd, bijvoorbeeld met een Participatiejaarverslag. Ook stelt het college dat evaluatie van participatie nu al op verschillende niveaus plaatsvindt. Zo is volgens het college evaluatie geborgd in het Haagse Participatiekompas en in de Haagse Participatiewerkwijze. Elk participatietraject wordt volgens het college geëvalueerd met een participatieverslag.

Nawoord rekenkamer: Het college stelt dat het veel heeft kunnen leren van bewonersparticipatie. De rekenkamer heeft echter niet kunnen constateren hoe de lessen op een systematische wijze zijn geborgd in de organisatie. Het is niet inzichtelijk welke lessen zijn getrokken en hoe hier vervolg aan is gegeven. De ambitie van het college om de nieuwe Inspraak- en Participatieverordening periodiek te evalueren sluit aan op onze aanbeveling, al geeft het college niet aan wanneer dit concreet zal plaatsvinden. Het college geeft daarnaast in haar reactie aan dat evalueren al geborgd is in het Haagse Participatiekompas en in de Haagse Participatiewerkwijze. Daarin verschilt de rekenkamer van inzicht met het college. Ten eerste is in deze documenten onvoldoende uitgewerkt hoe de evaluatie moet worden vormgegeven. De rekenkamer beveelt aan dit beter uit te werken (zie ook bijlage 9). Ten tweede zien we dat evalueren in de praktijk niet altijd is gebeurd. Het college erkent ook dat het opstellen van een eindverslag niet systematisch wordt toegepast in de praktijk. De rekenkamer verwacht dat het voorgestelde leer- en implementatieprogramma de toepassing van kaders in het vervolg kan bevorderen. 8

Aanbeveling 6 Draag het college op binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen. Reactie college: Het college reageert dat het de aanbevelingen zeer ter harte neemt en de aanbevelingen agendeert in de duale werkgroep Participatie en Democratie. Nawoord rekenkamer: Het college reageert hiermee niet op de aanbeveling om binnen 2 maanden een planning naar de raad te sturen over de opvolging van bovenstaande aanbevelingen. Het is van belang dat het college de opvolging van de aanbevelingen planmatig oppakt en dat het voor de raad duidelijk is op welke wijze en wanneer het college invulling hieraan geeft. Daarnaast constateert de rekenkamer dat het college veel voornemens heeft. Het is van belang dat het college deze voornemens ook concreet uitvoert. Het is aan de raad om hier toezicht op te houden.

9

RAADSBESLUIT Gezien het vorenstaande stelt de rekenkamer de raad voor het volgende besluit te nemen: De raad van de gemeente Den Haag, Gelet op artikel 185, tweede lid Gemeentewet en de aanbevelingen van de Rekenkamer Den Haag uit het rapport ‘Meer doen met meedoen’ van 6 april 2023, Besluit het college het volgende op te dragen: 1. een voorstel uit te werken voor een gemeentebreed kader voor bewonersparticipatie en dit ter besluitvorming aan de raad voor te leggen, waarin tenminste is vastgelegd: a) aan welke minimale voorwaarden bewonersparticipatie te allen tijde moet voldoen, zoals het voorafgaand aan een participatietraject duidelijk maken van het doel, de doelgroep, de onderwerpen waar participatie zich op richt, welke invloed bewoners krijgen op besluitvorming en hoe de gemeente de inbreng van bewoners meeneemt in (bestuurlijke) besluitvorming; b) hoe de gemeente meer en moeilijk bereikbare groepen bewoners wil bereiken; c) dat het gemeentebrede kader periodiek wordt geëvalueerd en herijkt, onder meer op basis van lessen uit eerdere participatietrajecten. 2.

de ambtelijke organisatie duidelijkheid te geven over de uitgangspunten voor bewonersparticipatie en de wijze waarop deze praktisch toegepast moeten worden en daartoe: a) een handleiding op te stellen waarin duidelijk wordt aan welke voorwaarden en andere kaders participatietrajecten moeten voldoen (gebaseerd op het kaderstellend document), hoe dit moet worden uitgevoerd en deze handleiding breed onder de aandacht te brengen binnen de organisatie; b) een centraal punt binnen de ambtelijke organisatie verantwoordelijk te maken voor het actief communiceren van de kaders en uitgangspunten naar ambtenaren. 3. in alle voorstellen voor besluitvorming door het college of de raad waarbij bewoners in de voorbereiding hebben geparticipeerd, een passage op te nemen waarin uiteen wordt gezet hoe bewoners hebben geparticipeerd en hoe hun inbreng inhoudelijk is verwerkt in het betreffende voorstel. En deze werkwijze in het gemeentebrede kader op te nemen. 4. voorafgaand aan elk participatietraject een plan van aanpak op te stellen waarin onder andere: a) de bewonersparticipatie concreet en in overeenstemming met de voorwaarden uit het gemeentebrede kader is uitgewerkt; b) heldere afspraken zijn opgenomen over rollen en verantwoordelijkheden tussen bewoners en de gemeente en over de planning. en deze werkwijze in het gemeentebrede kader op te nemen.

10

5. om lessen uit de uitvoering van bewonersparticipatietrajecten mee te nemen in verbetering van die uitvoering door: a) tussentijds en na afronding van trajecten van bewonersparticipatie deze te evalueren; b) deze evaluaties te baseren op de voorwaarden voor bewonersparticipatie, zoals die zijn opgenomen in het gemeentebrede kader voor bewonersparticipatie; c) de uitkomsten van deze evaluaties vast te leggen en te gebruiken voor verbetering van de uitvoering en herijking van het gemeentebrede kader voor bewonersparticipatie. en deze werkwijze in het gemeentebrede kader op te nemen. 6. binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 5 juli 2023. De griffier

De voorzitter

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12565794/5