20221201-RIS313614 Voorstel van de voorbereidingscommissie Dreven Gaarden en Zichten
Tekst van het document
999
Registratienummer 10418293 RIS313614 Datum 7 november 2022
Voorstel van de voorbereidingscommissie raadsonderzoek Dreven, Gaarden en Zichten
Op 19 mei 2022 heeft de gemeenteraad de voorbereidingscommissie raadsonderzoek Dreven, Gaarden en Zichten ingesteld en tot leden benoemd Barker (voorzitter), Van der Helm (plaatsvervangend voorzitter), Martini en Partiman1. Op 31 mei 2022 is de commissie met haar werkzaamheden gestart. In dit stuk legt de commissie verantwoording af over de uitgevoerde werkzaamheden en legt de commissie op grond van de Verordening op de raadsonderzoekscommissie een raadsvoorstel aan u voor. Uitvoering van de motie en onderzoeksopzet In de gemeenteraadsvergadering van 10 februari 2022 heeft de raad de motie Onderzoek Dreven, Gaarden en Zichten aangenomen (RIS312785). De motie luidt: Overwegende, dat: ▪ er veel vragen zijn rond het (proces rondom) de opheffing van het beschermde stadsgezicht en de informatievoorziening aan de raad hierover; ▪ er ook veel vragen zijn over de gekozen constructie met betrekking tot staatsteun en aanbesteding; ▪ de omvang van dit project vragen oproept over de beheersbaarheid van de financiële risico’s. Besluit: ▪ een voorbereidingscommissie in te stellen ten behoeve van een vooronderzoek, conform de Verordening op de raadsonderzoekscommissie, naar de risico’s die spelen bij Dreven, Gaarden en Zichten en de informatievoorziening naar de raad bij dit project.
▪ dit traject beperkt te houden en snel af te ronden zodat de resultaten gebruikt kunnen worden voor het verder versterken van de raadsrol bij dit lopende project. Om aan het dictum en de overwegingen van de motie te voldoen, is het vooronderzoek opgesplitst in drie deelonderzoeken:
1 Per 16 september 2022, is de heer Partiman geen lid meer.
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 19157 2500 CD Den Haag
T 070 - 3532917 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
1. 2. 3.
Beschermd stadsgezicht Dreven en de informatievoorziening naar de raad; Staatsteun en aanbesteding; Financiële risico’s.
Deze deelonderzoeken zijn door uitgevoerd door verschillende partijen. Deelonderzoeken 1 en 2 zijn tot stand gebracht door respectievelijk onderzoeksbureau KWINK Groep en advocatenkantoor NautaDutilh. Deelonderzoek 3 heeft de Gemeentelijke Accountantsdienst (GAD) uitgevoerd. Bij dit raadsvoorstel zijn gevoegd de openbare delen van het rapport van Kwink Groep en NautaDutilh. Voor deze rapporten is ook gebruik gemaakt van informatie die in een eerder stadium door het college onder geheimhouding aan de raad is overgelegd en waarvan de geheimhouding al door de raad is bekrachtigd. De rapporten, voorzien van de geheime informatie, zijn integraal opgenomen in de geheime module op het RIS. Het rapport van de GAD is op dit moment in het geheel geheim en is ook in de geheime module van het RIS geplaatst. 2 De commissie heeft bij dit vooronderzoek voornamelijk documenten betrokken die al aan de raad zijn overgelegd. Deze stukken zijn in het Raadsinformatiesysteem of fysiek bij de griffie voorhanden. Het gaat hier ook om stukken die onder geheimhouding aan de raad beschikbaar zijn gesteld, daarom hebben de leden van de externe onderzoeksbureaus die de commissie ondersteunen een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Voor deelonderzoeken twee en drie is bij het college daarnaast aanvullende informatie opgevraagd.
In de raadsmededeling van 6 juli 2022 heeft de commissie alle fracties uitgenodigd om, indien zij dat wensen, hun visie op het onderwerp van het onderzoek per mail te delen. Van deze mogelijkheid hebben twee fracties, de SP en de Haagse Stadspartij, gebruik gemaakt. In de volgende paragrafen zal per deelonderzoek de bevindingen en adviezen nader worden toegelicht. Vervolgens volgen per deelonderzoek de conclusies van de commissie. Deze zijn in de omkadering opgenomen. Het raadsvoorstel eindigt met het dictum. Deelonderzoek 1: Bescherm stadsgezicht Dreven en de informatievoorziening naar de raad Deelonderzoek 1 is uitgevoerd door KWINK-groep. Dit onderzoek richt zich op de informatievoorziening naar de gemeenteraad. De centrale onderzoeksvraag is: hoe is gekomen tot het opheffen van het beschermd stadsgezicht en hoe was de informatievoorziening naar de raad? Deze vraag is beantwoord door de bestaande raadsdocumenten en vergaderingen van de commissie Ruimte en de gemeenteraad te analyseren. De onderzoekers van KWINK stellen dat de Haagse gemeenteraad vroeg bij het besluitvormingsproces over Dreven, Gaarden en Zichten is betrokken.
De eerste documentatie dateert van oktober 2018 wanneer de toenmalig wethouder van Stadsontwikkeling, Wonen en Scheveningen de raad informeert over de aanpak gebiedsontwikkeling Den Haag Zuidwest.3 Over het algemeen is de schriftelijke informatievoorziening van het college goed te begrijpen. Wel merken de onderzoekers op dat niet altijd duidelijk is waarom informatie vertrouwelijk wordt gedeeld. De onderzoekers geven verder aan dat de communicatie tussen raadsleden en collegeleden tijdens debatten in commissie- en raadsvergaderingen minder duidelijk is. 2
Voor het GAD-onderzoek is initieel alleen een geheime versie beschikbaar.
3 Brief van wethouder van Stadsontwikkeling, wonen en Scheveningen inzake Aanpak gebiedontwikkeling
Den Haag Zuidwest: De Gaarden, De Dreven en De Zichten, d.d. 9 oktober 2018, RIS300674
2/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
De onderzoekers zijn daartegen kritischer over de informatievoorziening rond het opheffen van het beschermd stadsgezicht Dreven. Zij concluderen op basis van de juridische normen, de artikelen 60, 155, en 169 van de Gemeentewet en het Reglement van Orde, dat de handelswijze van het college op punten twijfelachtig is als het gaat om de informatievoorziening en daaropvolgende besluitvorming. De onderzoekers benoemen als eerste het feit dat het ambitiedocument uit 2020 niet actief met de raad is gedeeld. De onderzoekers concluderen dat gegeven het politieke belang niet getwijfeld had moeten worden over het belang van het delen van dit document met de raad. Een tweede moment is wanneer het preadvies van de Welstandscommissie op 1 maart 2021 naar het college wordt verstuurd. Ondanks meerdere verzoeken van de voorzitter van de Welstandscommissie is het preadvies niet direct met de raad gedeeld en belandt het advies pas in oktober 2021 op het RIS als bijlage bij het collegebesluit ‘Vrijgave voordracht tot intrekking besluit aanwijzing van De Dreven tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht’. De onderzoekers geven aan dat het preadvies eerder gedeeld had moeten worden zeker gezien het politieke belang, de gestelde vragen van raadsleden in juni 2021 en het feit dat de Welstandscommissie aandrong op het delen ervan met de raad.
Daarnaast is met de vaststelling van de Nota’s van Uitgangspunten (NvU’s) op dat moment impliciet het opheffen van het beschermd stadsgezicht in gang gezet, terwijl deze relevante informatie op het moment van bespreking niet beschikbaar was gesteld aan de raad. De onderzoekers van KWINK stellen dan ook dat ten tijde van de behandeling van de NvU’s de raad over het preadvies had moeten beschikken: ‘we vinden de volgorde niet correct, namelijk dat besluitvorming plaatsvond voordat de informatie beschikbaar was. Het proces is onvoldoende duidelijk geschetst door het college’.4 De onderzoekers bestempelen het niet actief delen van het preadvies dan ook als ongelukkig en noemen het bespreken door de raad van de NvU’s zonder beschikking hebben tot het preadvies discutabel.5 Ook plaatsen de onderzoekers vraagtekens bij de manier waarop het preadvies later alsnog met de raad is gedeeld. Dat het preadvies zelf door de raadsleden is gevonden op het RIS zonder dat het actief is gedeeld, heeft volgens de onderzoekers geresulteerd in een toename van wantrouwen tussen het college en de raad.
4 KWINK Groep, Deelonderzoek 1: Beschermd stadsgezicht en informatievoorziening, 5,6. 5 Idem, 5, 25.
3/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
De commissie onderschrijft de conclusies van de onderzoekers dat de formele regelingen met betrekking tot de relatie tussen raad en college vaak op open normen is gebaseerd. Het is daardoor moeilijk waardevrij vast te leggen of aan de juridische norm van informatievoorziening aan de raad is voldaan. Wel is het duidelijk dat het college altijd kan kiezen om meer en sneller informatie te delen. Bij het preadvies had het college gezien de politieke situatie, de gestelde vragen van raadsleden en het feit dat de Welstandscommissie aandrong op het delen van het preadvies dit stuk eerder én actief naar de raad dienen te sturen. Dit ook omdat een vergelijkbare situatie eerder plaatsvond met de bespreking van het ambitiedocument. Ook dit ambitiedocument is niet actief met de raad gedeeld. Door het niet actief verstrekken van informatie kon, zoals de onderzoekers aangeven, het beeld ontstaan dat informatie is weggestopt of is achtergehouden. Tevens is de commissie van mening dat bij de bespreking van de NvU’s het college zich bewust had moeten zijn dat het preadvies voor de raad relevante en noodzakelijke informatie was. De raad had in de gelegenheid gesteld moeten worden om dit in haar afweging mee te nemen.
De commissie ziet bovendien, net als de onderzoekers, dat in het debat tussen college en raad te veel aandacht is uitgegaan naar formaliteiten, zoals de juridische status van het preadvies. Het eerder en actief delen van het preadvies met de raad had bijgedragen aan het vertrouwen tussen de raad en het college. Het is, zoals onderzoekers aangeven, onwenselijk dat bij de informatievoorziening tussen college en raad telkens de vraag rijst of de informatie volledig is. De kwaliteit van het democratisch besluitvormingsproces wordt hierdoor geschaad, terwijl juist van belang is dat college en raad met respect voor elkaars rollen een gedegen stadsbestuur vormen. Om de informatievoorziening naar de raad te verbeteren doen de onderzoekers van KWINK een aantal aanbevelingen. Zo stellen zij dat het bevorderlijk zou zijn om in documenten naar de raad ‘een nadere toelichting te geven op het reeds doorlopen proces en aan te geven wat de gevolgen zijn voor instemming/besluit van de raad met voorstellen’.6 Het belangrijkste punt is dat een actieve informatieplicht altijd het uitgangspunt moet zijn in de informatievoorziening naar de raad. Dus het college zou documenten liever wel met de raad moeten delen en liever eerder dan later.7 Het eerder en tijdig ontvangen van stukken komt dan ook ten goede aan de kwaliteit van de beraadslagingen en uiteindelijke besluitvorming.
Tot slot bevelen de onderzoekers aan om de bestaande afspraken met de Welstandscommissie te verduidelijken. Over de vraag of er op basis van het KWINK-onderzoek vervolgonderzoek zou moeten plaatsvinden, zijn de onderzoekers van mening dat het huidige onderzoek een goed en volledig beeld geeft van de feiten. Volgens hen is het niet te verwachten dat er bij een aanvullend onderzoek nieuwe informatie naar boven komt. De commissie onderschrijft de aanbevelingen van KWINK. De commissie is van mening dat de toekomstige informatievoorziening rond het project Dreven, Gaarden en Zichten moet worden verbeterd en dat een actieve informatieplicht altijd het uitgangspunt dient te zijn bij het delen van informatie aan de raad. De commissie is bovendien van mening dat gezien de volledigheid van het onderzoek en het dictum van de motie, ‘het traject beperkt te houden en snel af te ronden zodat de resultaten gebruikt kunnen worden voor het verder versterken van de raadsrol bij dit lopende project’, verder onderzoek naar dit deelonderwerp weinig meerwaarde heeft.
6 KWINK Groep, Deelonderzoek 1, 6.
7
Idem, 6, 27.
4/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
Deelonderzoek 2: Staatssteun en aanbesteding Deelonderzoek 2 is een juridische risicoanalyse op het gebied van staatssteun en aanbesteding. Dit onderzoek is uitgevoerd door NautaDutilh. De centrale vraagstelling van dit onderzoek is: in hoeverre is er een juridisch risico rond staatsteun en aanbesteding? In de buurten Dreven, Gaarden en Zichten is vrijwel de gehele grond in erfpacht uitgegeven aan Staedion. De gemeente heeft met Staedion afgesproken dat deze erfpacht tegen vergoeding wordt beëindigd en dat de gemeente de woningen sloopt en de grond bouwrijp oplevert. Voor de eerste fase van deze ontwikkeling draagt de gemeente naast rijksgelden 26,7 miljoen euro bij. De vraag ontstaat of sprake is van ongerechtvaardigde staatssteun. Vervolgens heeft de gemeente de gronden in erfpacht aan Staedion en Heijmans uitgegeven. Hier ontstaat de vraag of het mogelijk is deze gronden onderhands uit te geven gezien het Didam-arrest. Op beide vragen wordt hieronder ingegaan. Staatssteun Bij de vraag of sprake is van staatssteun geeft NautaDutilh aan dat voor staatssteun een aanmeldingsplicht en een opschortingsplicht geldt. De steunmaatregel kan niet ten uitvoer worden gebracht voordat de Europese Commissie (EC) bij beschikking heeft vastgesteld dat er geen sprake is van staatsteun of dat sprake is van verenigbare staatssteun.
In het vastgestelde projectdocument wordt door het college aangegeven dat het deel van het exploitatietekort dat aan het Staedion is toegewezen vrijgesteld is van melding bij de EC en dat het tekort, dat is toe te wijzen aan het marktprogramma ‘zekerheidshalve’, gemeld zal worden. Om tot dit oordeel te komen heeft de gemeente externe juridische ondersteuning ingehuurd. Verder geeft het college aan dat binnen een relatief kort tijdsbestek de benodigde zekerheid van de EC zal worden verkregen. Het college verwacht dat de EC de voorgestane handelwijze zal goedkeuren.8 Recent heeft het college bij de beantwoording van schriftelijke vragen aangegeven dat er nog geen melding heeft plaatsgevonden bij de EC en dat een standpunt van de EC in 2023 wordt verwacht. 910 NautaDutilh geeft een andere analyse dan het college. Het lijkt NautaDutilh aannemelijk dat de maatregelen ten aanzien van Heijmans te kwalificeren zijn als staatssteun. Wat betreft Staedion geeft NautaDutilh aan dat een deel van de steun aan Staedion eveneens als staatssteun te kwalificeren zou kunnen zijn. Dit gaat dan op voor de ontwikkeling van het niet-DAEB vastgoed.11 Het gaat daarbij om commercieel vastgoed dat door Staedion wordt ontwikkeld. NautaDutilh benoemt daarom dat ook het deel van de ontwikkeling van commercieel vastgoed van Staedion bij de EC gemeld zou moeten worden.
NautaDutilh adviseert de gemeente om in ieder geval in de besluitvorming en kostenberekeningen een duidelijker onderscheid te maken tussen ‘welk deel van de steun aangewend wordt voor het DAEBgedeelte van het project en welk deel (indirect) wordt aangewend voor het niet-DAEB-gedeelte’.12
8
Beantwoording technische vragen met betrekking tot het Projectdocument Dreven Gaarden Zichten, RIS311419. 9 Antwoord van het college op de schriftelijke vragen: ‘Ontwerpbestemmingsplan Steenzicht en Ruimzicht’, RIS313051. 10 Op 1 november 2022 heeft de raad vervolgens een brief (RIS313573) ontvangen waarin verder wordt ingegaan op de stand van zaken. 11
DAEB staat voor Diensten van Algemeen Economisch Belang en is de kerntaak van woningcorporaties, voor meer informatie zie: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/daeb 12 NautaDutilh, Juridische risicoanalyse Voorbereidingscommissie Dreven, Gaarden en Zichten, 54.
5/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
Daarbij adviseert NautaDutilh om de groep waarvoor de commerciële huur wordt ontwikkeld duidelijker te omschrijven en daarbij duidelijker de motiveren waarom bepaalde kosten volgens de gemeente vallen onder de uitzonderingsregel van DAEB-besluit. De EC dient volgens NautaDutilh dus sowieso te toetsen of de staatssteun gerechtvaardigd is. NautaDutilh beschrijft hiervan kort de procedure en benoemt daarbij dat het onwaarschijnlijk is dat er aanspraak kan worden gemaakt op een algemene groepsvrijstelling. Dit betekent hoogstwaarschijnlijk dat de EC het project individueel zal beoordelen. NautaDutilh beschrijft daarbij een tijdspanne van circa 3 maanden voor een eenvoudige zaak tot een periode van 26 maanden of meer waarbij de EC ernstige twijfels heeft over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt. 13 Of de EC akkoord gaat is echter niet te voorspellen, maar NautaDutilh geeft daarbij aan dat het kan zijn dat de EC de vraag stelt of de staatssteun niet meer bedraagt dan noodzakelijk en kritische kanttekeningen plaats bij de afwijkingen van het grondprijsbeleid en vragen stelt over hoe eventuele aanvullende exploitatieverliezen worden betaald. De commissie ziet dat er onzekerheid is, gelet op de staatssteunregels, of het project in de huidige vorm mogelijk is.
Tegelijkertijd is nog steeds onduidelijk wanneer de EC een oordeel gaat vellen en of dit een positief oordeel zal worden. De tijdspanne die voor een goedkeuring gebruikelijk is loopt uiteen van 3 tot meer dan 26 maanden. Het streven van de EC is om in de regel binnen twee jaar na pre-notificatie tot een besluit te komen. De pre-notificatiefase is echter nog niet begonnen. De onzekerheid rond het toestaan van staatsteun brengt voor het project extra risico’s met zich mee, dat al onder grote tijdsdruk wordt uitgevoerd. De commissie is van oordeel dat in de documentatie van het college deze risico’s niet voldoende worden onderkend. De commissie vindt het verstandig dat het college scenario’s uitwerkt waarin wordt ingegaan op het traject van goedkeuring door de EC en wat de gevolgen zijn als er geen goedkeuring volgt of als dit nog lang op zich laat wachten. Aanbesteding Bij de vraag of sprake is van een overtreding van de aanbestedingsregels is van belang te melden dat op 26 november 2021 de Hoge Raad in het Didam-arrest geoordeeld heeft dat ‘een overheidslichaam dat een onroerende zaak wil verkopen, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen. Dat houdt in dat het overheidslichaam de koper moet selecteren in een selectieprocedure aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria.
Ook moet het overheidslichaam hierover vooraf informatie bekend maken. Deze verplichtingen volgen uit het gelijkheidsbeginsel, waaraan overheidslichamen zijn gebonden’.14 Het college ziet dat deze uitspraak gevolgen heeft voor dit project. In het projectdocument Herstructurering Dreven, Gaarden en Zichten, reageert het college op de uitspraak van het Didamarrest en stelt daarbij ‘naar verwachting verzet de uitspraak van de Hoge Raad zich niet tegen het sluiten van de SOK […] Staedion is niet gebonden aan het bestuursrechtelijke gelijkheidsbeginsel.’15 Het college meent dat er een beroep kan worden gedaan op een uitzondering.
13
Idem, 29.
14 https://www.hogeraad.nl/actueel/nieuwsoverzicht/2021/november/hoge-raad-overheid-gelijke-kansen-
bieden-uitgifte-grond/ 15 Project document Herstructurering Dreven, Gaarden en Zichten, december 2021, 38, https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/10974998/1/RIS311092_Bijlage_1a_Projectdocument_DG Z_fase_I_mv
6/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
Alhoewel de precieze gevolgen van het Didam-arrest nog niet zijn uitgekristalliseerd, geeft NautaDutilh wel aan dat zij het aannemelijk lijkt dat de gemeente is gehouden een selectieprocedure te organiseren voor het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst en eventuele daaruit voortvloeiende grondreserveringsovereenkomsten. Volgens hen is het duidelijk ‘dat de Gemeente met betrekking tot de Samenwerkingsovereenkomst niet een selectieprocedure conform het Didam-arrest heeft toegepast of een beroep heeft gedaan op de uitzonderingsregel door het aangaan van de Samenwerkingsovereenkomst vooraf bekend te maken. Dit brengt met zich mee dat de Samenwerkingsovereenkomst in beginsel in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is aangegaan.’16 NautaDutilh merkt daarbij op dat dit een juridische beoordeling is en dit niet gelijk betekent dat er in politieke zin sprake is van onbehoorlijk bestuur. Hoewel NautaDutilh meent dat de gemeente goede argumenten heeft om te onderbouwen dat de uitgifte van erfpachtrechten aan Staedion valt binnen de uitzonderingsregel van het Didam-arrest, stellen zij dat dit niet op gaat voor het onderdeel van Heijmans.
De redenering van de gemeente dat zonder Staedion de Herstructurering überhaupt niet mogelijk is en dat de handen van de gemeente gebonden zijn gaat volgens NautaDutilh niet op vanwege de rol en bepalende invloed van de gemeente binnen de samenwerking met Staedion.17 NautaDutilh stelt na onderzoek van de beschikbare stukken dat gemeente een leidende rol heeft gehad en met Staedion en Heijmans een gelijkwaardige samenwerking is aangegaan.18 Dit ondermijnt de stelling van de gemeente dat zij gebonden zou zijn aan Heijmans. Aangezien de samenwerkingsovereenkomst volgens NautaDutilh in beginsel in strijd is met het Didam-arrest is denkbaar dat als derden zich hiertegen verzetten dat daaraan geen uitvoering zou mogen worden gegeven. Hetzelfde geldt volgens NautaDutilh voor grondreserveringsovereenkomsten die uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeit. Om de juridische risico’s te mitigeren zou de gemeente volgens NautaDutilh daarom een selectieprocedure voor de uitgifte van erfpachtrechten aan een commerciële partij kunnen organiseren. NautaDutilh merkt daarbij op dat zij niet kunnen inschatten in hoeverre er een reëel risico bestaat dat een derde zich juridisch hiertegen zal weren. De commissie ziet dat het Didam-arrest nog verder in rechtszaken vorm zal krijgen en dat de uiteindelijke juridische gevolgen moeilijk volledig zijn te overzien.
Het kan daardoor een uitdaging zijn om te weten wat er precies mogelijk is. De commissie ziet echter dat de keuze die de gemeente maakt de nodige risico’s kent. De commissie is op basis van de eerdergenoemde juridische analyse van oordeel dat in de documenten van het college de aanbestedingsrisico’s niet voldoende zijn onderkend. Het lijkt de commissie verstandig om de hieruit voortvloeiende juridische risico’s te toetsen en de mogelijke gevolgen in kaart te brengen. Deelonderzoek 3: Financiële risico’s Voor het laatste deelonderzoek is de commissie ondersteund door de GAD. De GAD onderzocht de geprognosticeerde financiële raming van het grondexploitatieproject Dreven Gaarden Zichten fase 1. Daarbij is nader onderzoek gedaan naar het risicoprofiel, geprognotiseerde kosten, geprognotiseerde opbrengsten en voorziening nadelig saldo. De werkzaamheden die zijn uitgevoerd, zijn soortgelijk als de GAD doet bij de controle van de jaarrekening. De GAD geeft aan dat de risico’s op hoofdlijnen door het college zijn onderbouwd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is de omvang van het risicoprofiel mogelijk groter dan het risico zoals verwoord
16 NautaDutilh, 43. 17 Idem, 45.
18 Idem, 46.
7/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
in de grondexploitatie. De GAD geeft aan dat er twee risico’s zijn met mogelijk substantieel tegenvallende grondopbrengsten waarbij de benchmarks van de GAD afwijken van de door de gemeente gehanteerde prognose. Deze twee risico’s kunnen leiden tot een herziening van het risicoprofiel. Het gaat daarbij om de opbrengsten van vrije- en midden sector huurwoningen en om de bouwkosten gebouwd parkeren. Deze mogelijke te laag ingeschatte risico’s kunnen uiteindelijk zorgen voor overschrijdingen als deze zich materialiseren. Daarnaast benoemt de GAD een zevental niet (of lastig) te kwantificeren risico’s die in de grondexploitatie kunnen worden aangevuld. Het gaat om de stikstofruimte, de ondergrondse situatie, het betaald parkeerregime, de exploitatie van deelauto’s, de starttermijn van de laatste woningen, het bezwaar en beroep beschermd stadsgezicht en de parkeerbalans in de eerste fase van het project. De GAD geeft aan dat deze zaken gerepareerd kunnen worden in het MPG. De beide kwantificeerbare risico’s alsmede verslagtechnische bevindingen zouden nog in de jaarrekening 2022 gerepareerd kunnen worden aldus de GAD. In de bestuurlijke reactie geeft het college aan dat zij niet alle conclusies van de GAD deelt. Het college benoemt daarbij dat zij in de jaarrekening niet alle bevindingen zal verwerken.
Wel geeft het college aan dat in de toen nog te publiceren MPG2022 aanpassingen zal worden gedaan aan het risicoprofiel van dit project als generiek voor alle projecten. Hierdoor zal er een aanvullende reservering worden opgenomen. Aan dit project kleven veel moeilijk te kwantificeren risico’s. De commissie ziet dat bepaalde financiële risico’s niet voldoende in kaart zijn gebracht. De commissie vindt het wenselijk dat ook die risico’s worden benoemd met een duiding waarbij ook wordt ingegaan op wat de gevolgen zijn als de risico’s materialiseren. Daarnaast zijn er een tweetal belangrijke risico’s die te rooskleurig ingeschat lijken te zijn. De commissie is van oordeel dat in de documentatie van het college de hiervoor genoemde negen risico’s niet voldoende op het moment van besluitvorming zijn erkend. Gezien de marktomstandigheden en strakke planning van het project acht het de commissie verstandig dat de raad alsnog nader zicht krijgt op deze risico’s. De bestuurlijke reactie van het college op het GAD-rapport biedt daar handvatten voor, maar is nog niet voldoende om een volledig beeld te krijgen van het hogere risicoprofiel en de gevolgen hiervan voor dit project. Verder is verstandig dat het college in overleg met de rekeningencommissie invullingen geeft aan de verslagtechnische bevindingen en aanpassingen van de huidige verordening.
Conclusies en aanbevelingen Met dit voorliggende raadsvoorstel denkt de voorbereidingscommissie te hebben voldaan aan de opdracht van de raad om de raad inzicht te bieden in de drie deelonderwerpen, zoals benoemd in de motie. De commissie is gevraagd specifiek in te gaan op de risico’s die spelen bij Dreven, Gaarden en Zichten en de informatievoorziening naar de raad bij dit project. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden gebruikt bij het versterken van de raadsrol bij dit project en in het algemeen. De commissie gaat derhalve in op haar conclusies met betrekking tot de informatievoorziening en de risico’s en geeft hier enkele aanbevelingen op. De commissie concludeert dat de raad op momenten actiever door het college had moeten worden geïnformeerd. Dit speelt met name rond het preadvies van de Welstandscommissie over het opheffen van het beschermd stadsgezicht. Er waren genoeg gronden om dit preadvies eerder met de raad te delen. Het college had moeten beseffen dat het preadvies voor de besluitvorming door de raad van belang was. Naast het preadvies had ook het ambitiedocument volgens de commissie actief aan de raad verstrekt moeten worden. In het politieke debat over het preadvies, vindt de commissie daarnaast dat
8/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
er te veel aandacht is uitgegaan naar de juridische status van het advies. Dit terwijl proactieve informatievoorziening van het college juist had kunnen bijdrage aan versterking van het vertrouwen. De commissie ziet bovendien dat de raad ook beter door het college geïnformeerd had moeten worden. Op momenten van besluitvorming door de raad was namelijk niet altijd alle informatie beschikbaar. Dit speelt op alle drie de deelonderwerpen. Zo had bij bespreking van de Nota van Uitgangspunten het preadvies bij de raad beschikbaar moeten zijn. Ook het zicht op de staatsteunrisico’s, aanbestedingsrisico’s en financiële risico’s bij de bespreking van het Projectdocument had beter gemoeten. De commissie beveelt aan om de informatievoorziening rond het project Dreven, Gaarden en Zichten te verbeteren. Een actieve informatieplicht van het college aan de raad dient daarbij altijd het uitgangspunt te zijn. Daarbij past dat het college bij twijfel documenten a priori wel met de raad deelt en liever eerder dan later. Desnoods wordt de raad op vertrouwelijke wijze geïnformeerd. Het tweede onderwerp naast de informatievoorziening zag op de risico’s. De commissie ziet dat deze risico’s wat betreft staatsteun, aanbesteding en financiën groter lijken te zijn dan raadsleden op basis van de stukken vanuit het college konden inschatten.
Van belang is dat het college de raad hier nader over informeert. Daarbij zou het ten eerste voor de raad inzichtelijk moeten worden wat de consequenties zijn van het risico dat de rechter vanwege het Didam-arrest de samenwerkingsovereenkomst of daaruit voortvloeiende overeenkomsten vernietigd. Daarnaast zou wenselijk zijn om te bezien of verstandig is om met de commerciële partij de samenwerkingsovereenkomst verder uit te voeren gezien de juridische risico’s die daarmee samenhangen. Ten tweede zou inzichtelijk moeten worden gemaakt wat de risico’s zijn rond staatssteun. De commissie beveelt aan dat scenario’s worden uitgewerkt indien de goedkeuring voor staatssteun een jaar op zich laat wachten en wat de gevolgen zijn als er geen goedkeuring volgt. Ten derde ziet de commissie dat bepaalde financiële risico’s niet voldoende in kaart zijn gebracht. De commissie adviseert het college om dit alsnog te doen en daarbij aan te geven wat eventuele financiële gevolgen zijn van deze aangepaste risicoanalyse. De commissie acht het verstandig dat het college de raad hierover separaat informeert. Tot slot, wil de commissie benadrukken dat formele regels tussen raad en college maar een deel van de relatie tussen raad en college vormgeven. Het is van belang dat college en raad met respect voor elkaars rollen met elkaar omgaan en zo een gedegen stadsbestuur vormen.
Het is onwenselijk dat het politieke debat steeds meer in een sfeer van wantrouwen naar elkaar wordt gevoerd. De commissie sluit zich dan ook aan bij de woorden van de Commissie Integriteit19 die benadrukt dat het van groot belang is dat alle leden van de gemeenteraad, over dezelfde informatie beschikken en het college adviseert om het gesprek met elkaar aan te gaan op welke wijze de raad het beste van informatie kan worden voorzien. Ook stelt de Commissie Integriteit dat de raad het hoogste bestuursorgaan is van de gemeente en dat daarom blijvend moet worden geïnvesteerd in de relatie tussen college en raad. De commissie wil gegeven de uitkomsten van het onderzoek deze adviezen onderstrepen. Voor de relatie tussen college en raad is het onwenselijk als bij het beschikbaar stellen van informatie telkens de vraag rijst of de informatie volledig is. De commissie ziet de recente start van het nieuwe college als een goed moment om aan de relatie tussen het college en de raad te werken.
19
Raadsmededeling inzake screening integriteit kandidaat-wethouders, RIS313186.
9/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
Wenselijkheid verder onderzoek De commissie is van oordeel dat met dit vooronderzoek een analyse is gegeven van de drie in de motie benoemde onderwerpen. De onderzoeken geven de raad meer verdieping en inzicht over het lopende project. Daarmee stelt het de raad in de gelegenheid om haar raadsrol bij dit lopende project te versterken. Het is echter wel zo dat de conclusies en aanbevelingen de nodige uitwerking vergen. De raad en het college dienen daar nadrukkelijk in gezamenlijkheid invulling aan te geven. Het is wenselijk dat de raad hier separaat over spreekt. De commissie is van oordeel dat een vervolg in de vorm van raadsonderzoek niet veel meer inzicht of nieuwe informatie zal kunnen geven om de raadsrol te versterken. De commissie adviseert de raad daarom om geen raadsonderzoek naar Dreven, Gaarden en Zichten te starten. Dictum Gelet op het bovenstaande, stelt de voorbereidingscommissie de raad voor het volgende besluit te nemen: De raad van de gemeente Den Haag, Gezien artikel 155a-f Gemeentewet Gezien de Verordening op de raadsonderzoekscommissies, Besluit I.
II.
geen raadsonderzoek, op basis van de Verordening op de raadsonderzoekscommissie, op te starten naar de risico’s die spelen bij Dreven, Gaarden en Zichten en de informatievoorziening naar de raad bij dit project; de volgende aanbevelingen van de commissie over te nemen: a. een actieve informatieplicht door het college dient altijd het uitgangspunt te zijn. Daarbij past dat het college bij twijfel documenten wel met de raad deelt en liever eerder dan later. Het college wordt opgedragen hieraan uitvoering te geven en aan te geven hoe het voor het traject Dreven, Gaarden en Zichten hier invulling aan geeft; b. de raad nader proactief en separaat wordt geïnformeerd over de risico’s die spelen rond staatssteun. Het college wordt opgedragen scenario’s uit te werken indien de goedkeuring voor staatssteun een jaar op zich laat wachten en wat de gevolgen zijn als er geen goedkeuring volgt. c. de raad nader proactief en separaat wordt geïnformeerd over de risico’s die spelen rond aanbesteding. Het college wordt opgedragen de juridische risico’s nader te toetsen en de gevolgen in kaart te brengen. d. de financiële risico’s beter in kaart worden gebracht. Het college wordt opgedragen deze risico’s nader uit te werken en separaat aan de raad te rapporteren over de financiële gevolgen van deze aangepaste risicoanalyse.
Verder wordt de rekeningencommissie, het college en de GAD gevraagd om in overleg te treden over de verslagtechnische bevindingen van de GAD en aanpassingen van de huidige verordening. e. gegeven het feit dat de raad het hoogste bestuursorgaan is van de gemeente, blijvend moet worden geïnvesteerd in de relatie tussen college en raad. Het college wordt
10/11
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
10418293
opgedragen daarbij de adviezen van de Commissie Integriteit over te nemen die hierop zien.
Aldus besloten in de raadsvergadering van 1 december 2022.
De voorzitter,
De griffier,
11/11