20210701-RIS306342 Geamendeerd Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw Eyeline en Skyline
Tekst van het document
Datum
Registratienummer
6 oktober 2020
DSO/2019.765 RIS306342
Voorstel van het college inzake Tussentijdse evaluatie nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline Inleiding De nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline (E&S) is op 25 januari 2018 vastgesteld door de Raad (RIS298448). De nota E&S stelt kwaliteitseisen en ambities aan hoogbouwontwikkelingen en creëert daarmee een Haagse identiteit en een eigen signatuur. E&S besteedt veel aandacht aan architectonische kwaliteit, leefbaarheid, duurzaamheid en groen en biedt een kader dat ervoor zorgt dat hoogbouwontwikkelingen voldoen aan de gewenst kwaliteitseisen. Hiermee sluit E&S goed aan bij de eisen uit het coalitieakkoord 2019-2022 op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. In de nota E&S is de intentie uitgesproken om het hoogbouwbeleid na een periode van anderhalf jaar te evalueren en zonodig aan te passen op basis van praktijkervaringen. In de periode na vaststelling van de nota zijn de meeste hoogbouwinitiatieven in Den Haag - gezien het korte tijdsbestek - nog niet tot realisatie gekomen. Dit betekent dat alleen in de planvormingsfase ervaring is opgedaan met toepassing van de regels en ambities uit de nota E&S. Daarom moet dit als een tussentijdse evaluatie worden gezien met een beknopt karakter. 1.
Tussentijdse evaluatie hoogbouw (gebouwen van 50 meter en hoger) Deze tussentijdse evaluatie heeft plaatsgevonden aan de hand van 16 plannen en projecten, die zijn getoetst in hoeverre ze al dan niet voldoen aan de regels en ambities uit de nota E&S. De evaluatie geeft antwoord op de vraag of de voorlopige resultaten aansluiten op de beoogde doelstellingen, of dat er nu al aanleiding is voor aanpassingen. De evaluatie richt zich op de generieke regels, die gelden voor de stad als geheel. Het kan zijn dat in sommige gebieden specifieke regels gelden, afhankelijk van de stedelijke context. Deze zijn niet meegenomen in deze evaluatie, maar krijgen hun beslag in bijvoorbeeld Nota’s van Uitgangspunten (NvU’s), Planuitwerkingskaders (PUK’s) of Beeldkwaliteitsplannen. In het verlengde van de nota E&S is een aantal vervolgstappen gedefinieerd, die in het kader van deze evaluatie nader zijn uitgewerkt, of waar nog een vervolg op komt. 2. Bevindingen en conclusies Sinds vaststelling van de nota E&S hebben zich in Den Haag veel nieuwe initiatieven aangediend voor het realiseren van hoogbouw. De meeste locaties liggen in de intensiveringsgebieden CID en Binckhorst. Een groot aantal kansrijke initiatieven is opgenomen in de gebiedsagenda’s voor de gebieden rond de drie hoofdstations, vastgesteld eind 2018. Als vervolg daarop zijn NvU’s vastgesteld voor de hoogbouwlocaties nabij station HS.
Voor andere hoogbouwlocaties uit de gebiedsagenda’s zijn ook NvU’s of PUK’s in de maak. Voor al deze hoogbouwplannen is de Nota E&S kaderstellend geweest. Het overall beeld is dat de regels voldoende sturing geven aan ontwikkelaars en architecten. Maar ook de flexibiliteit bieden die nodig is om in te spelen op locatiespecifieke kenmerken en vragen vanuit de markt, op basis waarvan er ruimte is om andere afwegingen te kunnen maken. Zo ontstaat er een herkenbare Haagse aanpak van de hoogbouwopgave. Op grond daarvan is er op dit moment geen aanleiding tot fundamentele aanpassing van de nota E&S.
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
T 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
In de evaluatie is ook gekeken naar de vraag of de kwaliteitseisen uit de nota E&S financieel haalbare plannen mogelijk maakt. Deze vraag is relevant, maar op dit moment nog niet afdoende te beantwoorden, omdat de onderhandelingen over de financiële uitgangspunten nog lopen. Er is dan ook te weinig referentie is met betrekking tot de gerealiseerde projecten. Gezien de nauwe samenhang tussen de kwaliteitseisen E&S en de verschillende programma’s die in hoogbouw moeten worden gerealiseerd, moet dit in een bredere context worden bezien. Daarom stellen we voor om de hoogbouwontwikkelingen te monitoren, inclusief de uitwerking van een aantal factoren die van invloed zijn op de (financiële) uitvoerbaarheid, en pas in brede zin te evalueren wanneer er meer gegevens beschikbaar zijn op basis van gerealiseerde bouwproductie. Pas dan is er een volledig beeld op basis waarvan we goed onderbouwd kunnen rapporteren aan de raad. Naar verwachting kunnen we eind 2021 een dergelijke brede integrale beleidsmatige evaluatie opstellen, inclusief financiële haalbaarheid. Als in de praktijk mocht blijken, dat de realisatie van de hoogbouwprojecten lijkt te gaan stagneren als gevolg van de hoogbouweisen en/of door de combinatie van eisen vanuit de verschillende beleidsvelden tezamen, dan zal daarover meteen gerapporteerd worden richting college/raad en oplossingen worden aangedragen. 3.
Aanpassing regels Op dit moment is er geen aanleiding tot fundamentele aanpassing van de nota E&S. Er is nu slechts aanpassing van een beperkt aantal regels wenselijk, op basis van de opgedane praktijkervaringen tot nu toe, aan de hand van reacties vanuit de markt en als gevolg van gewijzigd beleid. Op een aantal onderdelen bieden de voorgestelde aanpassingen meer flexibiliteit, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van kantoorprogramma’s. In bijlage 1 staat per thema aangegeven hoe de huidige regels luiden en welke aanpassingen worden voorgesteld. Hieronder is een nadere toelichting gegeven op de belangrijkste van de voorgestelde aanpassingen (de volgorde is conform de opbouw van de nota E&S). a) Stedelijke laag Om zoveel mogelijk te voorkomen dat mitigerende maatregelen voor windhinder afgewenteld worden op de buitenruimte, is toegevoegd dat dit bij voorkeur op de eigen kavel moet worden opgelost. Dit kan niet als harde eis worden opgenomen, omdat de vigerende normen voor windhinder en bezonning (RIS170509) de mogelijkheid openlaten van oplossingen buiten de eigen kavel. b) Plint De regel over een overgangszone in geval van woningen in de plint is geschrapt in verband met juridische onhoudbaarheid.
Toegevoegd is dat de overgang van openbaar-publiek-privaat moet worden meegenomen in het ontwerp, omdat juist dit gebied van groot belang is voor het karakter en de kwaliteit van de plint en de openbare ruimte en van het publieke functioneren. Verder zijn er enkele aanvullingen voorgesteld ter verduidelijking. c) Toren en kroon Deze zijn aangepast naar aanleiding van veranderingen in de kantorenmarkt. Tevens zijn ‘kleine kavels’ nader gedefinieerd naar aanleiding van ervaringen in de planvorming en onduidelijkheid over de omvang. Aanleiding voor aanpassing was de ruimtevraag vanuit de kantorenmarkt Sinds vaststelling van de nota E&S is de kantorenmarkt drastisch veranderd en is er een krapte ontstaan voor centrum-stedelijke locaties. Voor de economische structuur van Den Haag is het van
2/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
belang nieuwe kantoorlocaties te ontwikkelen, in een setting met hoge dichtheden en hoog niveau van functiemenging. De (hoogbouw)locaties rondom de grote stations zijn daarvoor bij uitstek geschikt. Uit ervaringen van het afgelopen jaar blijkt, dat grotere (kantoor)gebruikers veelal vragen om vloeroppervlaktes van 1.200 tot 1.600 m2 bvo. In de categorie hoogbouw tot 70 meter levert dit een knelpunt op. Bij de maximale diagonaal van 45 meter zijn vloeroppervlaktes van deze omvang niet te realiseren. Bij hoogbouw hoger dan 70 meter geldt voor het onderste deel van de toren een grotere diagonaal (van 56 meter) en doet het knelpunt zich alleen voor boven de 70 meter. Om dit beter te kunnen faciliteren, wordt voorgesteld om in geval van kantoren te mogen werken met afwijkende regels voor de diagonaal. De voorgestelde aanpassing (zie bijgevoegde tabel) betekent dat kantoortorens qua omvang enkele meters dikker mogen worden. Deze aanpassing is ruimtelijk acceptabel en draagt bij aan de mogelijkheden voor functiemenging. Als kantoren in de torens kunnen worden gerealiseerd, neemt de druk op de stedelijke laag af. Daarom is functiemenging in de stedelijke laag benoemd als ambitie voor het mogen toepassen van de voorgestelde afwijkende regels.
Aanleiding voor nadere definiëring ‘kleine kavels’ E&S geeft aan dat voor kleine kavels aanvullende specifieke eisen gesteld kunnen worden, maar geeft geen nadere definitie van een kleine kavel. De voorgestelde formulering komt hieraan tegemoet en dient ter verduidelijking naar aanleiding van vragen vanuit de markt. Op kleine kavels kan vaak niet worden voldaan aan alle uitgangspunten uit de nota E&S. Toch zijn er kleine kavels waar hoogbouw van positieve betekenis kan zijn voor de ontwikkeling en het functioneren van het gebied. Om bij dergelijke kavels toch een kwalitatief goede stedenbouwkundige inpassing mogelijk te maken, kan de gemeente afwijkende eisen stellen, die nader worden vastgelegd in een PUK of NvU voor de betreffende locatie. Aanleiding voor aanpassing tekst kroon Uit gesprekken met ontwikkelaars en architecten blijkt dat er soms verwarring bestaat over wat precies wordt bedoeld met de kroon. Daarom zijn ter verduidelijking tekstuele aanpassingen gedaan in de toelichtende tekst en de regels. d) Groen- en natuurinclusief gebouw en gebied In juli 2019 is het puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen vastgesteld (RIS301953). De afspraken over groen- en natuurinclusief bouwen worden gefaseerd ingevoerd, te beginnen met toepassing bij de categorie grootschalige projecten (bij tenders en gronduitgifteovereenkomsten).
Hoogbouw valt onder de definitie grootschalig. In 2020/2021 volgt een evaluatie van het puntensysteem en wordt zonodig de lijst met maatregelen aangepast en/of het ambitieniveau bijgesteld. In de praktijk blijkt de regel, dat minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag terug moet komen als horizontale buitenruimte, vragen op te roepen. Deze regel is nu zodanig aangepast, dat duidelijk is dat horizontale buitenruimtes in de brede zin van het woord worden bedoeld, mits ingericht voor verblijf, groen of energiemaatregelen. e) Klimaatbestendige gebouwen en buitenruimte Om ervoor te zorgen dat Den Haag beter bestand is tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering, is het onder meer nodig om klimaatadaptief te bouwen. Hiervoor zijn - ter aanvulling op de regels - ambities geformuleerd, die voortkomen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen in Zuid-Holland en de uitwerking daarvan. De gemeente Den Haag heeft dit convenant op 4 oktober 2018 medeondertekend, samen met een aantal andere partijen, waaronder gemeentes,
3/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
waterschappen, projectontwikkelaars, financiers en de provincie. De maatregelen zijn als ambities geformuleerd en niet als regels, omdat ze juridisch gezien (nog) niet afdwingbaar zijn vanuit de bouwregelgeving, maar wel privaatrechtelijk kunnen worden meegegeven bij planvormingsprocessen, tenders en grondovereenkomsten. Om kwetsbaarheden bij weersextremen in Den Haag in beeld te brengen heeft de gemeente stresstesten uitgevoerd. Deze zijn te vinden op https://denhaag.klimaatatlas.net/ f) Wonen De regels voor wonen zijn aangepast op basis van nieuw beleid, dat door de Haagse gemeenteraad is vastgesteld in de geactualiseerde Woonagenda 2020-2030 (RIS305711). Conform het coalitieakkoord 2019-2022 (RIS304121) wordt voor nieuwbouw de norm gehanteerd van minimaal 30 procent sociale huur en 20 procent middeldure huur. Voor sociale woningbouw hebben woningcorporaties het primaat. Voor nieuwbouw streven we ook naar 20 procent betaalbare koop. Dit realiseren we per project of per gebied, overal in de stad. Waar de norm in een betreffend gebied onverhoopt niet wordt gehaald, wordt dit elders in de stad gecompenseerd. De gemeenteraad heeft het college in het debat over de Woonagenda 2019-2023 verzocht te onderzoeken in hoeverre de bouwproductie aansluit bij de woonbehoefte op dit moment.
Achterliggende motivatie is dat bij de tot nu ontwikkelde plannen voor hoogbouw het ingewikkeld blijkt om te voldoen aan de eisen voor een gedifferentieerd en betaalbaar woningaanbod in de woonagenda (zowel de nieuwe als de voorgaande), maar daarnaast ook eenzijdigheid in woonprogramma dreigt voor wat betreft de grootte van de woningen. De tendens is dat veel kleine woningen worden gerealiseerd voor betrekkelijk hoge huurprijzen. De vraag is in hoeverre hiermee wordt aangesloten bij de vraag naar woonruimte in de stad, de koopkracht van de woningzoekende en in hoeverre in de kwalitatieve vraag (bijvoorbeeld gewenste oppervlakte, woonbehoefte gezinnen, doelgroepen, etc.) wordt voorzien. Deze analyse is in de maak en zal worden gebruikt bij doorontwikkeling van de nota E&S. g) Bergingen en afval Omdat afval(verwerking) een steeds groter probleem wordt en ook de inzichten over dit onderwerp inmiddels gewijzigd zijn, is aanscherping van de regels nodig. Het doel is het optimaliseren van het scheiden van afval en het bevorderen van hergebruik, zonder de openbare ruimte te belasten (dit geldt met name voor het aanbieden van afval). Het landelijk streven is naar minimaal 50% hergebruik van grondstoffen (afval) in 2030.
h) Parkeren De regels uit het geldende parkeerbeleid zijn van toepassing op hoogbouwontwikkelingen: de nota Parkeernormen Den Haag (RIS181571) en de beleidsregels Fietsparkeernormen (RIS294386). Zodra nieuw parkeerbeleid is vastgesteld, dan wordt dit van kracht door middel van het Paraplubestemmingsplan (fiets)parkeren. Aandachtspunt: De nota parkeernormen CID-Binckhorst vervangt, zodra deze is vastgesteld, in dit specifieke gebied de nota Parkeernormen Den Haag. 4.
Vervolgacties
In de nota E&S is een aantal vervolgacties benoemd, die nader zijn uitgewerkt of waarvoor meer praktijkervaring nodig is om op dit moment hieraan conclusies te kunnen verbinden. Hieronder is de stand van zaken weergegeven. Over de nog lopende acties wordt de raad separaat geïnformeerd zodra de voortgang daar aanleiding toe geeft.
4/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
In ieder geval wordt de stand van zaken opnieuw gemeld bij de volgende evaluatie van de nota E&S (eind 2021). a) Het realiseren van collectieve (groene) ruimtes en gemeenschappelijke voorzieningen in de toren (en in de buitenruimte) is van groot belang in verband met het sociale aspect (ontmoeten en recreëren) en om vereenzaming te voorkomen. Het geeft een impuls aan de woonkwaliteit en de leefbaarheid in (middel)hoogbouw. Daarom moet nagedacht worden over de manier waarop dergelijke ruimtes kunnen worden ingepast in het ontwerp. Aan de hand van praktijkervaringen zal nagedacht worden of het wenselijk is om hiervoor specifieke regels te formuleren. b) Er is onderzoek gedaan naar zogeheten sunspots. Sunspots zijn ontmoetings- en verblijfsplekken, die intensief gebruikt worden en waar het aantal zonuren belangrijk is. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport: ‘Haagse methodiek sunspots’. In dit rapport is een aantal aanbevelingen gedaan voor het vervolg. Momenteel wordt hiermee ervaring opgedaan bij lopende (middel)hoogbouwontwikkelingen. Op basis van deze praktijkervaringen kunnen we bij een volgende evaluatie aangeven of er extra eisen aan hoogte, massa en vorm moeten worden gesteld op generiek, danwel op locatiespecifiek niveau.
c) Natuurinclusief bouwen (NIB): in juli 2019 is het puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (NIB) vastgesteld (RIS301953). Het puntensysteem wordt toegepast op een selectie van bouwplannen, waar gebouwgebonden groen het hardst nodig is. We gaan expertise en ervaringen delen met andere steden, ontwikkelaars, ecologen en architecten. In 2020/2021 volgt een evaluatie en wordt zonodig de lijst met maatregelen aangepast en/of het ambitieniveau bijgesteld. d) Bij volledig particuliere projectontwikkeling kunnen de duurzaamheidsregels en ambities alleen worden afgedwongen als de Omgevingswet van kracht wordt (2022?) via opname van de doelstellingen uit de nota E&S in het Omgevingsplan. Tot die tijd is de borging van duurzame prestatie-instrumenten bij volledig particuliere projectontwikkelingen een punt van aandacht. Dit wordt tot die tijd met privaatrechtelijke instrumenten gestimuleerd, zoals via de beoordelingscriteria in een tender. Verder is het toezicht op het presteren conform GPR of BREEAM een aandachtspunt. Naast het schaalniveau van een gebouw wordt in de nota E&S ook op gebiedsniveau vergelijkbare ambities gevolgd. De ervaringen daarmee zijn nog pril. De voorlopige conclusie is dat deze ambities realiseerbaar zijn en instrumenten BREEAM-gebied en GPRStedenbouw stuurinformatie bieden voor integrale buitenruimtekwaliteit.
Voor de genoemde aandachtspunten zijn de ervaringen nog te pril om hieraan conclusies te verbinden. Dit krijgt een nadere uitwerking en komt bij de volgende evaluatie terug. e) Het is nog te vroeg om in dit stadium iets te zeggen over een mix van functies met verschillende financieringscategorieën en beheervormen. Het gaat dan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, om sociale woningbouw en markthuur. Hiervoor zullen in de praktijk hanteerbare en kostenefficiënte oplossingen ontwikkeld moeten worden met een gemeenschappelijke entree, trap en lift. Verder is ook de inpasbaarheid van de hoogbouwregels binnen de voor de woningcorporaties geldende weten regelgeving een belangrijk uitgangspunt om te komen tot haalbare plannen. Een ander aandachtspunt zijn de beheeraspecten tijdens de exploitatie. Te denken valt aan bergingen en afval, beheer en onderhoud van (semi) openbare ruimten. Samen met de sociale verhuurders moet worden gezocht naar creatieve oplossingen, die zowel tegemoetkomen aan de betaalbaarheid van de sociale huurwoningen als de kwaliteit van de stad, rekening houdend met de regels en ambities uit de nota E&S. Dit krijgt een nadere uitwerking.
5/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
f)
Plintmanagement: Er is een projectopdracht in ontwikkeling om een economische visie voor Laakhavens op te stellen. Onderdeel hiervan is onder meer de onderbouwing van een optimale integrale programmering van de plinten. Dit kan als pilot dienen om te komen tot meer generieke uitgangspunten voor de mogelijke aanstelling van een plintmanager bij bepaalde (middel)hoogbouwontwikkelingen. Op basis van de uitkomsten uit dit rapport wordt hieraan een vervolg gegeven. Er is hiervoor een plan van aanpak in ontwikkeling.
g)
Leefbaarheidseffecten: Bij de vaststelling van de nota E&S is een amendement ingediend, dat als volgt luidt: “In de planfase voor hoogbouw de leefbaarheidseffecten (waaronder voorzieningen) in de buurt te inventariseren en bij negatieve effecten voorafgaand (eventueel als onderdeel van het bouwproject) mitigerende maatregelen te nemen.” Inmiddels zijn er stappen gemaakt bij het opstellen van een LeefbaarheidsEffectRapportage (LER) en is het instrument met betrokkenen nader onderzocht op bruikbaarheid en inzetbaarheid. In de commissiebrief van 9 juli 2019 (RIS303058) is over dit onderwerp geadviseerd om - vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet - een proeftuin te starten en te experimenteren met de LER in het investeringsgebied Laan van NOI binnen het CID en op gebiedsniveau voor Den Haag Zuidwest. Genoemde proeftuin start binnenkort; de raad ontvangt daarover separaat nadere informatie. Verder is er in het kader van de Structuurvisie CID door een extern bureau een onderzoek gedaan naar de behoefte aan voorzieningen in relatie tot de beschikbare ruimte in het gebied. Dit is vastgelegd in een zogeheten Voorzieningenkaart. Hierover moet nog bestuurlijke besluitvorming plaatsvinden. Beide instrumenten kunnen te zijner tijd mogelijk ook als instrument worden ingezet bij intensiveringsgebieden waar substantiële (middel)hoogbouwinitiatieven plaatsvinden.
Deze vervolgactie is hiermee afgerond.
h)
Aanvullend kader middelhoogbouw (gebouwen van 25 tot 50 meter). Bij de vaststelling van de nota E&S zijn vijf moties ingediend, die alle zijn afgedaan. De motie ‘criteria bij lagere hoogbouw’ vroeg om een nadere uitwerking. De strekking van deze motie is de vraag of de regels en ambities uit E&S ook toepasbaar zijn voor gebouwen tussen de 25 en 50 meter hoogte, of dat een aanvullend kader gewenst is. Het voorstel is om pas op het moment dat de resultaten van de brede integrale beleidsmatige evaluatie van de nota E&S bekend zijn, een aanvullend kader voor middelhoogbouw door de raad te laten vaststellen. Dit traject kan immers gevolgen hebben niet alleen voor de gestelde eisen/ambities voor hoogbouw maar ook voor middelhoogbouw.
6/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
Gezien het vorenstaande stelt het college de raad voor het volgende besluit te nemen: De raad van de gemeente Den Haag, Gezien het voorstel van het college van 6 oktober 2020. Besluit: I. de tussentijdse evaluatie van de nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline vast te stellen; II.
de voorgestelde aanpassing van de regels en ambities vast te stellen en deze te beschouwen als aanvulling op de nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline, het betreft: a. de stedelijke laag; b. de plint; c. de toren, inclusief de regels over de kroon en een nadere definitie van kleine kavels; d. groen- en natuurinclusief gebouw en gebied; e. klimaatbestendige gebouwen en buitenruimte; f. wonen; g. bergingen en afval; h. parkeren;
III.
de volgende onderwerpen in samenwerking met betrokken partijen nader uit te werken: a. collectieve (groene) ruimtes en gemeenschappelijke voorzieningen; b. sunspots; c. puntensysteem Natuurinclusief bouwen (NIB); d. afdwingbaarheid en borging duurzaamheidsregels; e. mix van functies met verschillende financieringscategorieën en beheervormen; f. plintmanagement.
IV.
De hoogbouwontwikkelingen te monitoren, inclusief de uitwerking van een aantal factoren die van invloed zijn op de (financiële) uitvoerbaarheid.
V.
Een brede integrale beleidsmatige evaluatie van de nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline eind 2021 uit te voeren, inclusief de genoemde vervolgacties, en het hoogbouwbeleid zonodig op basis van de conclusies te actualiseren en bij deze evaluatie en eventuele toekomstige evaluaties ook het periodieke verloop van de bewoners van deze appartementen te betrekken.
VI.
Op basis van de uitkomsten van de evaluatie nota Eyeline en Skyline een aanvullend kader Middelhoogbouw op te laten stellen.
VII. Onder 6.1 van de Hoogbouwnota aanvullend op het voorgaande de volgende regel
op te nemen: Er moet voldaan worden aan de door de raad vastgestelde beeldkwaliteitsplannen. Deze beeldkwaliteitsplannen bevatten ten minste duidelijke en toetsbare criteria met betrekking tot materiaaltoepassing en herkenbare stijlkenmerken als versterking van de betreffende wijk voor de verschillende lagen van het gebouw.*
7/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/2019.765
VIII.
Om alvorens een bouwplan definitief vast te stellen ervoor te zorgen dat voor het betreffende project de hiervoor beschreven beeldkwaliteitsplannen of documenten zijn vastgesteld, zodat het plan hieraan getoetst kan worden, bijvoorbeeld voor wat betreft materialisering en verschijningsvorm in verhouding tot de omgeving.*
IX.
Om onder paragraaf 2.2 van de bijlage van het raadsvoorstel de volgende wijzing aan te brengen: ■ De tekst ‘toepassing van maatregelen op basis van het puntensysteem NIB (juli 2019, RIS301953)’ die de tekst uit de nota ‘toepassing van maatregelen op basis van een puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (in ontwikkeling), zodra deze is vastgesteld.’ vervangt te verwijderen. ■ Deze tekst te vervangen door: ‘verplicht toepassen van maatregelen op basis van een puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen waar dat juridisch mogelijk is.’*
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 1 juli 2021 De griffier,
De voorzitter,
* geamendeerd in de raadsvergadering van 1 juli 2021
8/8