CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en planregels bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Herziening bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen16.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De voorzieningen als bedoeld in lid 2 dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden. 5. De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. Onderzoek Het perceel is aangesloten op drukriolering. Hierop mag alleen vuilwater worden aangesloten, geen hemelwater. Hemelwater dient dan ook op eigen terrein te worden verwerkt. Er wordt 80 m2 aan extra bebouwing gerealiseerd. Hoewel de grond waar deze bebouwing op komt te staan al verhard is (nu bedrijfsterrein), verandert de bebouwing en daarom dient getoetst te worden aan de normen. 32

Feitelijk wijzigt er niets omdat het hemelwater van dat gebied nu ook al op eigen terrein afwatert. De verordening vraagt echter 80 m2 x 0,06 = 4,8 m3 berging. Dat kan bijv. in een greppel of poel of naar het aanliggende groene perceel en de onderdelen van de landschappelijke inpassing, gelegen binnen het plangebied worden afgevoerd. Conclusie Het aspect 'water' zorgt niet voor belemmeringen. Er wordt 80 m2 aan extra bebouwing gerealiseerd. Hoewel de grond waar deze bebouwing op komt te staan al verhard is (nu bedrijfsterrein), verandert de bebouwing en daarom dient getoetst te worden aan de normen. Feitelijk wijzigt er niets omdat het hemelwater van dat gebied nu ook al op eigen terrein afwatert. De verordening vraagt echter 80 m2 x 0,06 = 4,8 m3 berging. Dat kan bijv. in een greppel of poel of naar het aanliggende groene perceel en de onderdelen van de landschappelijke inpassing, gelegen binnen het plangebied worden afgevoerd. Conclusie Het aspect 'water' zorgt niet voor belemmeringen.

5.9

Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Ook is het plangebied vanwege de schaalgrootte en het feit dat het gaat om een relatief beperkte functie, niet aan te merken als 'stedelijk ontwikkelingsproject'.

Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. Een milieueffectrapportage of aanmeldingsnotitie zijn niet nodig.

5.10

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming 33

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek In de uitgevoerde quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016.

Uit de quickscan blijkt dat negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van de beschermde flora- fauna en natuurwaarden op voorhand uitgesloten kunnen worden, mits aan de voorwaarden 34

zoals opgenomen in de conclusie wordt voldaan. Daar de voorgenomen ontwikkeling de beperkte uitbreiding van een bedrijf betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Echter gezien de afstand tot het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (6,3 km.) en omdat het slechts om de realisatie van een bijgebouw gaat is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.

5.11

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Onderzoek Het plangebied is aangeduid met een hoge archeologische verwachting, zoals te zien is in figuur 5.3. Hierbinnen geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m² en meer dan 50 cm beneden maaiveld. Bij onderhavige ontwikkeling zullen alleen bodemingrepen worden verricht ten behoeve van de bouw van het bedrijfsgebouw (maximaal 80 m2) en voor de bestrating. Bij de bestrating wordt niet dieper dan 50 cm. gegraven dan het maaiveld. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

De bestaande dubbelbestemming (uit het vigerende bestemmingsplan) wordt gehandhaafd.

35

Figuur 5.3: Archeologische verwachtingskaart

Conclusie Er worden geen archeologische waarden aangetast en het archeologiebeleid vorm daarom geen belemmering voor de ontwikkeling.

36

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld. Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op de standaardregels van onze gemeente em het bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat'. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte 37

begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd.

In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een be-stemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van overschrijding van de bouwgrenzen en ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

38

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Er geldt vanuit afdeling 6.4 van de Wro geen verplichting tot kostenverhaal, omdat geen sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. De gemeentelijke kosten worden gedekt door leges. De initiatiefnemer heeft de wens zijn bedrijf uit te breiden. Er zijn geen gronden om te twijfelen aan de economische uitvoerbaarheid van dit plan.

39

40

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg Omgevingsdialoog Het is belangrijk om bij plannen in een vroegtijdig stadium de omwonenden en gebruikers van de gronden/ bouwwerken in de omgeving te betrekken. Vandaar dat een omgevingsdialoog is gevoerd, waarbij de initiatiefnemer de omwonenden/ gebruikers binnen een straal van 500 à 600 meter heeft uitgenodigd. Tijdens de dialoog heeft de initiatiefnemer zijn voornemen om te komen tot een herziening van het bestemmingsplan toegelicht, waaronder het verdwijnen van de containers op het terrein, de bouw van een nieuw gebouw van 80 m2 en het landschappelijke inrichtingsplan. Over het algemeen is door de betrokkenen positief gereageerd op het voorgestelde plan, omdat het wordt ervaren als een vooruitgang ten opzichte van de huidige situatie. Ze wensen de initiatiefnemer dan ook succes met de uitvoering hiervan. Eén van de betrokken personen heeft in beginsel geen problemen met de wijziging, maar vreest voor zijn plan om 3 woningen te bouwen, waarvan één van de woningen binnen de cirkel van 30 meter vanaf de bedrijfswoning komt te liggen. Bij de uitwerking van het bestemmingsplan is hier rekening mee gehouden door de begrenzing van de bestemming bedrijf naar 'achteren' te verplaatsen en op het voorste deel de bestemming tuin te leggen.

Over het plan wordt, gezien de aard van het plan en de zorgvuldig en voortijdig gevoerde omgevingsdialoog, geen gelegenheid tot inspraak geboden. Vooroverleg Bij de voorbereiding van het plan is tevens het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gevoerd met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties. Door de volgende betrokkenen is een vooroverlegreactie ingediend: Provincie Noord-Brabant. De provincie heeft aangegeven dat het provinciaal belang 'redelijk in het bestemmingsplan is vertaald'. De provincie verlangt een nadere motivering van de uitbreiding van het autoreparatiebedrijf aan de hand van art. 3.71 van de Interim omgevingsverordening (IOV). Verder verzoekt de provincie om in te gaan op art. 3.29 van de IOV (werkingsgebied Cultuurhistorische waarden). Deze nadere motiveringen zijn in par. 4.2 van deze toelichting opgenomen. Tot slot geeft de provincie aan dat de aanvullende benodigde investering in ruimtelijke kwaliteit (conform art. 3.9 IOV) onvoldoende inzichtelijk was in het voorontwerpplan. Hiertoe is het landschappelijk inpassingsplan aangepast, is een berekening van de kwaliteitsverbetering toegevoegd en is in par. 4.2 van de toelichting nader gemotiveerd hoe de vereiste kwaliteitsverbetering wordt behaald, mede aan de hand van een gebiedsanalyse. Waterschap Aa en Maas.

Het waterschap geeft aan dat er geen waterhuishoudkundige belangen van toepassing zijn en heeft enkel één tekstuele opmerking gemaakt omtrent de waterparagraaf. Deze opmerking is verwerkt (par. 5.8). 41

Het bestemmingsplan is met inachtneming van deze wijzigingen aangepast. Ontwerpbestemmingsplan en vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan is op de wettelijk voorgeschreven wijze gepubliceerd en is gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon door eenieder zienswijzen worden ingediend. Er is één zienswijze ontvangen. Voor de inhoud van deze zienswijze en de gemeentelijke reactie wordt verwezen naar de bijlage 'Nota zienswijze bestemmingsplan 'Herziening bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen'. Deze zienswijze hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De ingebrachte zienswijzen worden ongegrond verklaard.

Vaststelling Het bestemmingsplan wordt 4 oktober 2022 ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het plan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen dit besluit.

42

Regels

43

44

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Herziening bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002453-1401 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.7 achtererfgebied een erf aan de achterkant en de niet naar een openbaar toegankelijk gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het

hoofdgebouw; 45

1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.10 bedrijfswoning een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting; 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.16 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

46

1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.22 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.23 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.24 extensief medegebruik een vorm van medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden; 1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht; 1.27 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°; 1.28 landschappelijke waarden en kenmerken

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten; 1.29 lessenaarsdak een eenzijdige kapconstructie waarbij het hoogste punt over de gehele, of nagenoeg de gehele lengte in één gevel is gelegen; 1.30 nok het snijpunt van twee hellende vlakken: daknok: hoogste punt van een schuin dak; dakvoet: laagste punt van een schuin dak;

47

1.31 publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis: een beroeps of bedrijfsactiviteit, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan. 1.32 voorerfgebied erf dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied; 1.33 voorgevellijn de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.34 voorgevelrooilijn a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a.

bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg; 1.35 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten; 1.36 zijgevellijn de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

48

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; b. de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap. 2.4 de hoogte van een dakopbouw: vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. 2.5 de hoogte van een kap: vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap. 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 2.9 peil: a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

49

50

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3

Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing', tevens voor een goede landschappelijke inpassing conform bijlage Landschappelijk inrichtingsplan; d. aan de hoofdfunctie ondergeschikte paden, wegen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. in of op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b. in of op deze gronden mag niet ondergronds worden gebouwd. 3.3 Specifieke gebruiksregels a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. b. Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gehandhaafd. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a.

het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,50 meter wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd; b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld; c. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling; d. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren; 51

e. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie; f. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, anders dan containervelden, voorzover groter dan 100 m² per perceel. 3.4.2 Uitzonderingen Het verbod onder 3.4.1 geldt niet voor de werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 3.4.3 Toelaatbaarheid a. De in lid 3.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.

52

Artikel 4

Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autoherstelinrichting' uitsluitend één bedrijf gericht op de reparatie/herstel van auto's; b. maximaal één bedrijfswoning per bouwperceel; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing', tevens voor een goede landschappelijke inpassing; d. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals verkeers- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, erven, tuinen, terreinen en dergelijke. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen: a. Er mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd; b. parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gerealiseerd conform de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets, vastgesteld op 21 september 2016 of een daarop volgend gemeentelijk parkeerbeleid; c. de bebouwde oppervlakte van een bouwvlak (bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gebouwen inclusief bedrijfswoning en bijgebouwen bij de bedrijfswoning) mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' is aangegeven; d. de inhoud van een bedrijfswoning mag, inclusief bijgebouwen, niet meer bedragen dan 600 m3. 4.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter, met dien verstande dat, als de goothoogte op de verbeelding is aangegeven, die hoogte als maximum aangehouden dient te worden; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter, met dien verstande dat, als de bouwhoogte op de verbeelding is aangegeven, die hoogte als maximum aangehouden dient te worden. 4.2.3

Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter. 4.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d.

bijgebouwen bij een bedrijfswoning zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; bijgebouwen bij een bedrijfswoning dienen achter de voorgevel van de bedrijfswoning te worden gebouwd; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn, met uitzondering van erfafscheidingen, uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; 53

b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag, met uitzondering van het bepaalde in sub c, ten hoogste 3 meter bedragen; c. terrein- en erfafscheidingen mogen van af de voet gemeten maximaal 1 meter hoog zijn, tenzij de afscheiding achter de voorgevelrooilijn wordt geplaatst. In geval de plaatsing achter de voorgevelrooilijn geschiedt, mag de hoogte niet meer dan 2 meter bedragen. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. 4.4

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Afwijken met betrekking tot de parkeervoorzieningen Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.1 b, mits: a. de noodzakelijke parkeervoorzieningen op eigen terrein in onvoldoende mate kunnen worden gerealiseerd en op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien; en b. de situering van de parkeerplaatsen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving, de verkeersveiligheid en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast; c. voldaan wordt aan de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets, vastgesteld op 21 september 2016 of een daarop volgend gemeentelijk parkeerbeleid; d. als de beleidsregels als bedoeld onder c wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden 4.4.2 Afwijken met betrekking tot bouwwerken geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.5 sub c met betrekking tot de voorgeschreven hoogtemaat voor erfafscheidingen bij bedrijfsgebouwen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de hoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; b. de erfafscheiding dient transparant/een open constructie te zijn; c. de bezonning en het uitzicht van naastgelegen bouwpercelen mogen niet onevenredig zwaar worden aangetast; d. de verkeersveiligheid mag niet worden aangetast; e. de stedebouwkundige opzet van de omgeving mag niet worden aangetast. 4.5

Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Algemeen a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. b. Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gehandhaafd conform de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets, vastgesteld op 21 september 2016 of een daarop volgend gemeentelijk parkeerbeleid. 4.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Tot een met deze bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voorwaardelijke verplichting' voor doeleinden omschreven in artikel 4.1, zonder de aanleg en duurzame instandhouding van de landschapsmaatregelen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' in de overige bestemmingen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan is gevoegd. b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming 54

worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan de aanleg en duurzame instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag wijkt met een omgevingsvergunning af van het bepaalde in lid 4.5 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

55

Artikel 5

Tuin

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen die als deel van het bouwperceel horen bij het aangrenzend gelegen hoofdgebouw; b. in- en uitritten, met dien verstande dat geen in- en uitritten zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing', tevens voor een goede landschappelijke inpassing conform bijlage 1; met daarbijbehorende: d. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. groen- en speelvoorzieningen. 5.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. op de gronden zijn geen gebouwen toegestaan; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter. 5.3

Specifieke gebruiksregels

5.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik als parkeerterrein voor één of meerdere auto's.

56

Artikel 6

Waarde - Archeologie 3

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden. 6.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 100 m2 en meer dan 50 cm beneden maaiveld. 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c.

een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 6.4 Specifieke gebruiksregels Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. 6.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van het bepaalde onder 6.4 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. 6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk 6.6.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden, uit te voeren of te laten uitvoeren: a. grondwerkzaamheden, groter dan 100 m2 en dieper dan 0,50 m onder het maaiveld; b. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.

6.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het onder 6.6.1 Vergunningplicht opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; 57

b. voor werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek als hierna bedoeld onder 6.6.4, mits verricht door een deskundige; d. ingeval op grond van de Monumentenwet en Monumentenverordening een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. 6.6.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 6.6.4 Onderzoeksplicht en voorwaarden omgevingsvergunning a. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de werkzaamheden betrekking hebben, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. Indien uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door de werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.

de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog; b. Het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het hiervoor. bepaalde met betrekking tot de mogelijkheid van opleggen van voorwaarden is vanovereenkomstige toepassing. 6.7 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

58

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

a. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

59

Artikel 8

Algemene bouwregels

a. Bij de toepassing van de bouwregels in dit plan worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer bedraagt dan 1 meter. b. Bouwwerken die op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan met een daartoe verleende vergunning binnen het plangebied aanwezig of opgericht zijn of kunnen worden opgericht maar die in strijd zijn met dit bestemmingsplan, worden geacht aan dit bestemmingsplan te voldoen. c. Zwembaden zijn niet toegestaan.

60

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

9.1 Strijdig gebruik a. Als met dit bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval bedoeld het gebruik van de gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. gebouwen of delen daarvan ten behoeve van een seksinrichting. b. Als met dit bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval bedoeld het gebruik van kampeermiddelen voor permanente bewoning. c. Als met dit bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval bedoeld het gebruik van bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen als zelfstandige woning. d. Als met dit bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval bedoeld het (laten) gebruiken van onbebouwde gronden/water: 1. als opslagplaats voor bagger, grond en specie; 2. als opslagplaats voor vaten kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval, puin, grind of brandstoffen; 3. als uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen; 4. voor het houden van wedstrijden met motorvoertuigen; 5. als plaats voor het (laten) landen of opstijgen van (model)vliegtuigen; 6. voor groeps- en natuurkamperen. 9.2 Afwijken van het gebruiksverbod Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.1 sub c en toestaan dat een vrijstaand bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits: a.

een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt mantelzorg; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 75 m²; d. het bijgebouw is gelegen op maximale afstand van 15 meter van het hoofdgebouw.

61

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, met een omgevingsvergunning afwijken van: a. vermeerdering dan wel vermindering van de voorgeschreven maten en normen, mits de vermeerdering of vermindering ten hoogste 10% bedraagt; b. de bestemmingsbepalingen en de verbeelding van het bestemmingsplan voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden van deze verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt; c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter; d. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits: 1.

de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het dakoppervlak bedraagt; 2. de hoogte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 4 meter mag bedragen.

62

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11

Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

63

Artikel 12

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Herziening bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen.

64

LEGENDA Plangebied

Plangebied

Enkelbestemmingen AW B T

Agrarisch met waarden Bedrijf Tuin

Dubbelbestemmingen WR-A3

Waarde - Archeologie 3

Functieaanduidingen WR-A3 (sg-li)

(sg-li)

AW

T

specifieke vorm van bedrijf - autoherstelinrichting

(sb-vv)

specifieke vorm van bedrijf - voorwaardelijke verplichting specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing

(sg-li)

Bouwvlakken

bouwvlak

Maatvoeringen (sb-vv)

B

(sg-li)

(sb-ah)

(sb-ah) h 380

h

3,5

380

5

3,5 5

maximum bebouwd oppervlak (m2) maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)

Verklaringen

ondergrond

AW

HERZIENING BESTEMMINGSPLAN HONDSBERG 13 TE ROSMALEN Gemeente 's-Hertogenbosch NL.IMRO.0796.0002453-1401 schaal:

1:1000

voorontwerp:

..-..-.... / tekenaar

projectnr. BRO:

P01869

formaat:

A4

ontwerp:

18-02-2022 / LF

projectnr. VWP:

19BROBO099

concept:

19-03-2020 / MV

vastgesteld:

oktober 2022 / rala

bestandsnaam: i_NL.IMRO.0796.0002453-1401

Bosscheweg 107 in

5282 WV Boxtel

www.bro.nl

verbeelding: Viewpoint ©

T 0411 850 400

info@bro.nl

www.viewpoint.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11681052/1