TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Verwijderen mogelijkheid verkoop LPG Jan Heijmanslaan_vastgesteld_toelichting en regels
Tekst van het document
Conclusie Gelet op de aard, omvang en ligging van de voorgenomen ontwikkeling van het wegbestemmen van het LPG-deel, is het opstellen van een milieueffectrapport gekoppeld aan het TAM-omgevingsplan niet aan de orde. De voorgenomen wijziging heeft namelijk geen nadelige gevolgen voor het milieu. Ook op het gebied van duurzaamheid en gezonde leefomgeving is er geen sprake van nadelige gevolgen. Het TAM-omgevingsplan leidt hiertoe juist tot een theoretische verbetering: de verkoop (en opslag daarvoor) van LPG wordt voor de toekomst onmogelijk gemaakt.
36
Hoofdstuk 6 Planbeschrijving 6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke toegestane functionele mogelijkheden. Het TAM-omgevingsplan is opgebouwd uit: - Regels: deze zijn gebaseerd op de regels van het bestemmingsplan 'Verplaatsing LPG-opslagtank Jan Heijmanslaan'. Bij de formulering is aangesloten bij de terminologie van de Omgevingswet. - Verbeelding: de verbeelding van het TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/ - Motivering: de motivering onderbouwt dat er als gevolg van de beoogde juridisch-planologische wijziging sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
6.2
TAM-omgevingsplan
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit: - Voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen (in geval van onderhavig TAM-omgevingsplan: het bestemmingsplan 'herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk'); - Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater); - Bruidsschat; 37
- Bijzondere ruimtelijke besluiten (zie artikel 4.6 Invoeringswet) De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan voor de gemeente 's-Hertogenbosch.
Hiervoor is gekozen omdat het wegnemen van een bestemming niet mogelijk is via een Bopa-procedure (buitenplanse omgevingsplan activiteit). Het TAM-omgevingsplan komt voor het betreffende plangebied in de plaats van het oude bestemmingsplan. De regels uit het TAM-omgevingsplan vervangen voor die 'pons' dus de regels uit het oude bestemmingsplan. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.
38
6.3
Opbouw regels en toepassingsbereik
De regels zijn opgenomen in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. Artikel 1 omvat het toepassingsbereik. Dit is specifiek opgesteld voor het TAM-omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente 's-Hertogenbosch. Dat betekent dat de regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige 'ontwikkeling' aan de Jan Heimanslaan 82 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan is niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn in dit plan bepalingen opgenomen die dit borgen. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Jan Heijmanslaan 92 en een deel van het perceel, kadastraal bekend als RML00-E-5935, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002004 op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In artikel 2 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 3 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
In de bouw- en gebruiksregels zijn de toegestane functies en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. Deze zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze regels worden in paragraaf 6.4 nader uitgewerkt. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere toegestane functies gelden. Het betreffen onder andere de afwijkingsregels en de algemeen geldende aanduiding regels. De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze 39
afwijkingen zijn niet specifiek op één functie gericht. In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.
6.4
Verklaring overige regels
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod Artikel 4 omvat een algemeen gebruiksverbod. Dit geeft aan dat de gronden alleen gebruikt mogen worden voor de toegestane functies en activiteiten. Voor overige activiteiten dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Artikel 5 Bedrijf Het tankstation aan de Jan Heijmanslaan is bestemd als "Bedrijf". Binnen deze functie zijn bedrijven toegestaan die passen binnen de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging die als "Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging" onderdeel van de regels is. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding is ook een aanduiding "verkoopverkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" opgenomen, waarmee de verkoop van motorbrandstoffen met bijbehorende voorzieningen en de verkoop van een weggebonden assortiment aan goederen, rookartikelen en kleine etens- en drinkwaren mogelijk is. De verkoop van LPG wordt hierbij uitgesloten. Artikel 6 Groen Relatief grote groenvoorzieningen (grote perken en plantsoenen, parken) zijn geduid met de functie "Groen". Kleinere groenvoorzieningen (bermen, kleine perken en plantsoenen) zijn onderdeel van de functie "Verkeer". Ook fiets- en voetpaden ondergeschikte voorzieningen zoals speel- en sportvoorzieningen waaronder wijkspeelplaatsen maken deel uit van de functie.
Artikel 7 Verkeer Deze gronden zijn primair bedoeld voor voorzieningen van verkeer en verblijf. Wegen, fiets- en voetpaden en bouwwerken ten behoeve van de functie zijn binnen deze functie toegestaan.
40
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan (zijnde een wijziging van het omgevingsplan) moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd. Participatie met burgers, maatschappelijke organisaties, bestuursorganen en ketenpartners In gezamenlijkheid tussen de Woningbouwcorporatie JOOST en de gemeente 's-Hertogenbosch is gestart met een visieontwikkeling voor het gebied van de 3 Hinthamflats (De Engstoep, Fort Prins Willem en Hoogveld). Dit ligt ten noorden en direct aansluitend op de locatie van het TAM-omgevingsplan. Er is sprake van een inhoudelijke relatie tussen de gebiedsontwikkeling en het tankstation. Door het wegnemen van de mogelijkheid van de verkoop van LPG bij het bestaande tankstation, kan in de toekomst op kortere afstand van het tankstation gebouwd worden. Daarnaast wordt de kwaliteit van de woon- en leefomgeving verbeterd. Er hoeft geen rekening gehouden te worden met de externe veiligheidsrisico's die aan LPG-verkoop en -opslag verbonden zijn. In 2014 is reeds een melding gemaakt dat er geen verkoop van LPG meer plaatsvindt.
Via het TAM-omgevingsplan wordt dit ook voor de toekomst onmogelijk gemaakt. De juridisch-planologische situatie wordt in overeenstemming gebracht met het feitelijke gebruik.
In verband met de aangrenzende gebiedsontwikkeling en de participatie in het kader daarvan, is de omgevingsdialoog voor het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de participatie in het kader van de gebiedsontwikkeling. Als onderdeel hiervan vinden op verschillende momenten tijdens het visievormingsproces bijeenkomsten met omwonenden plaats. Naast deze sessies is ook een bijeenkomst georganiseerd met vertegenwoordigers van sociaal maatschappelijke partijen en andere relevante betrokken partijen, denk aan de wijkagent, wijkraad, GGD en Seniorenplatform. Tijdens de verschillende bijeenkomsten wordt specifiek aandacht gevraagd voor onderhavig TAM-omgevingsplan. Deelnemers aan de diverse bijeenkomsten zijn voorstander van het voor de toekomst onmogelijk maken van de verkoop van LPG.
41
Daarnaast is op 10 april en 2 juni 2025 gesproken met de exploitant van het tankstation (DHMO). Op 7 juli 2025 gesproken met de eigenaar van het tankstation (BP Europe). Beide partijen zijn van de wijziging van de gebruiksmogelijkheden als gevolg van de wijziging van het omgevingsplan op de hoogte gesteld. De eigenaar beschouwt deze stap als een formalisering van de melding die door de eigenaar in 2014 gedaan is. Er wordt ingestemd met het toesnijden van de planologisch-juridische situatie op de werkelijke situatie.
Omdat er geen provinciale en waterschapsbelangen in het geding zijn bij deze ontwikkeling, heeft er als onderdeel van de planvorming geen overleg met de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas plaatsgevonden. Zij zijn wel op de hoogte gebracht van het voornemen.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt voor een ieder ter inzage gelegd. Zienswijzen Het TAM-omgevingsplan heeft van 27 oktober 2025 tot en met 8 december 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn er geen reacties ingediend. Dit betekent dat op basis van de inspraakperiode er geen aanleiding is om het TAM-plan aan te passen. Het TAM-plan wordt voorgelegd aan de gemeenteraad ter vaststelling.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Met dit TAM-omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er zijn dan ook geen andere kosten dan de gebruikelijke plan- en procedurekosten.
42
Hoofdstuk 8 Overkoepelende ETFAL
afweging
Het TAM-omgevingsplan is gericht op het wegnemen van de mogelijkheid tot verkoop van LPG bij een bestaand tankstation aan de Jan Heijmanslaan. In de praktijk vindt reeds jaren geen verkoop van LPG meer plaats. In 2014 is reeds melding gemaakt van het staken van de verkoop van LPG. Dit betekent dat met het TAM-omgevingsplan de juridisch-planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de werkelijke situatie. Het plan maakt geen ruimtelijke- of functionele ontwikkelingen mogelijk die nadelige effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Deze motivering toont aan dat de juridisch-planologische wijziging waarop dit TAM-omgevingsplan gericht is, leidt tot een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het TAM-omgevingsplan leidt tot een theoretische verbetering: de verkoop van LPG wordt voor de toekomst onmogelijk gemaakt.
43
44
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Jan Heijmanslaan 92 en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22a' gelezen worden. De geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002004-1401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
45
46
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1
Toepassingsbereik
1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid; 2. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Jan Heijmanslaan 92 en een deel van het perceel, kadastraal bekend als RML00-E-5935, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002004-1401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
47
Artikel 2
Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen daarvan is afgeweken.
48
Artikel 3
Aanvullende begripsbepalingen
In deze regels wordt verstaan onder: 3.1 plan: Het Omgevingsplan gemeente 's-Hertogenbosch. 3.2 TAM-omgevingsplan het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Verwijderen mogelijkheid verkoop LPG Jan Heijmanslaan van de gemeente 's-Hertogenbosch. 3.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 3.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 3.5 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 3.6 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, functieaanduiding of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden. 3.7 bijgebouw: een aanbouw, een uitbouw en een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 3.8 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 3.9 bouwgrens: de grens van een bouwvlak.
3.10 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder. 3.11 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
49
3.12 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel. 3.13 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 3.14 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 3.15 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 3.16 dakopbouw: een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw. 3.17 erf: de grond deel uitmakende van een bouwperceel, behorende bij één woning, waarop geen hoofdgebouw is of mag worden opgericht krachtens de vigerende omschrijving van de functie wonen. 3.18 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 3.19 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de functieomschrijving is of wordt ondergebracht. 3.20 kap: de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°.
3.21 kwetsbaar object: een object als bedoeld in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' zoals deze is vastgesteld op 27 mei 2004 en bekendgemaakt in de staatscourant nummer 250 op 10 juni 2004. 3.22 ondergeschikte functie: functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte als zodanig mag worden gebruikt. 3.23 voorerfgebied: erf dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. 3.24 voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen.
50
3.25 voorgevelrooilijn: a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a. bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg. 3.26 wijkspeelplaats: speel- en ontmoetingsvoorzieningen voor alle leeftijden (jonge kinderen, schoolkinderen, jongeren en volwassenen). 3.27 zijgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen.
51
Artikel 4
Wijze van meten
de meet- en rekenbepalingen uit de overige hoofdstukken van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.8. 4.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 4.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 4.3 de hoogte van een dakopbouw: vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. 4.4 de hoogte van een kap: vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap. 4.5 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 4.6 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
4.7 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 4.8 peil: a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.
52
Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten Artikel 5
Bedrijf
5.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Bedrijf. 5.2 Functieomschrijving Een als Bedrijf aangewezen locatie kan gebruikt worden voor de volgende functies: a. bedrijven zoals genoemd in de bij deze regels als bijlage behorende Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden; b. ter plaatse van de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' een verkooppunt voor motorbrandstoffen (met uitzondering van LPG) met bijbehorende voorzieningen, het daarmee samenhangend gebruik van de grond en bouwwerken en de met deze activiteiten samenhangende verkoop van weggebonden assortiment goederen alsmede rookartikelen en kleine etens- en drinkwaren; c. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen; d. met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen. Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende functie en de daarop betrekking hebbende regels. 5.3
Ruimtelijke regels over bouwwerken
5.3.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie Bedrijf uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken ten behoeve van de functies als bedoeld lid Functieomschrijving 5.3.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de functieaanduiding 'bouwvlak'. b. het bouwvlak mag worden bebouwd tot het ter plaatse van de functieaanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte en maximum bebouwingspercentage' aangegeven maximum 'bebouwingspercentage'. c. als maximale bouwhoogte geldt hetgeen ter plaatse van de functieaanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte 53
en maximum bebouwingspercentage' aangegeven is als 'maximale bouwhoogte'. d. als goothoogte geldt hetgeen ter plaatse van de functieaanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte en maximum bebouwingspercentage' aangegeven is als 'goothoogte'. e. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen gebouwen van ondergeschikte aard, zoals een fietsenberging en dergelijke, buiten het bouwvlak worden opgericht tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 per bouwperceel; de bouwhoogte van deze gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter. 5.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen; b. in afwijking van het gestelde onder a mag de hoogte van terrein- en erfafscheidingen vanaf de voet gemeten niet meer dan 2 meter bedragen 5.4 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. 5.5
een samenhangend straat en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Ruimtelijke regels over afwijken van bouwen en gebruik
a. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in Functieomschrijving 4.2 ten behoeve van bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving, gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd van de bij deze regels behorende 10.1.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, mits het geen geluidszoneringplichtige inrichtingen betreft zoals die golden ten tijde van de Wet Geluidhinder (voor inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024) b. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in Functieomschrijving 4.2 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
54
Artikel 6
Groen
6.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen. 6.2 Functieomschrijving Een als Groen aangewezen locatie kan gebruikt worden voor de volgende functies: a. b. c. d. e.
groen(voorziening); park; plantsoen; een beplantingsstrook, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - structureel randgroen' aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals sportvoorzieningen, speelvoorzieningen (waaronder wijkspeelplaatsen), openbare verblijfsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke;
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende functie en de daarop betrekking hebbende regels. 6.3
Ruimtelijke regels over bouwwerken
6.3.1 Gebouwen a. Binnen gebieden aangeduid met de functie Groen mogen alleen gebouwen gebouwd worden ten dienste van deze functie, met inachtneming van de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte mag ten hoogste 3 meter bedragen; 2. de oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 30 m2 bedragen. 6.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen gebieden aangeduid met de functie Groen mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden ten dienste van deze functie, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5 meter bedragen; b. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mogen maximaal 10 meter hoog zijn;
55
Artikel 7
Verkeer
7.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer. 7.2 Functieomschrijving Een als Verkeer aangewezen locatie kan gebruikt worden voor de volgende functies: a. b. c. d.
parkeervoorzieningen; wegverkeer; verblijfsgebied; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, groenvoorzieningen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende functie en de daarop betrekking hebbende regels. 7.3
Ruimtelijke regels over bouwwerken
7.3.1 Gebouwen Binnen gebieden aangeduid met de functie Verkeer mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van deze functie worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte mag ten hoogste 3 meter bedragen; b. de oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 30 m2 bedragen. 7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen gebieden aangeduid met de functie Verkeer mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze functie worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5 meter bedragen; b. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mogen maximaal 10 meter hoog zijn;
56
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
57
Artikel 9
Algemene bouwregels
9.1 Voldoende parkeergelegenheid Er dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid en in een goede instandhouding daarvan. Aan de hand van de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat indien voornoemende beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 9.2 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functieaanduidingsgrenzen niet meer dan 2 meter bedraagt.
58
Artikel 10 10.1
Algemene aanduidingsregels
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden
10.1.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden a. Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: het uitvoeren van grondwerken (zoals uitgraven, afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) op een diepte van meer dan 1 meter beneden peil en met een oppervlakte groter dan 100 m2. b. Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: het uitvoeren van grondwerken (zoals uitgraven, afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) op een diepte van meer dan 1 meter beneden peil en met een oppervlakte groter dan 50 m2. c. Het onder a. en b. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; 2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 10.1.2 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit a.
De in lid Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden a en b genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. b. Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden 1' voor de onder 10.1.1 onder a. bedoelde werken op een diepte van meer dan 1 meter beneden peil en met een oppervlakte groter dan 100 m2 een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. c. Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden 2' voor de onder 10.1.1 onder b. bedoelde werken op een diepte van meer dan 1 meter beneden peil en met een oppervlakte groter dan 50 m2 een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. d. Een rapport als bedoeld onder b. is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Deze informatie wordt dan als een dergelijk rapport beschouwd. e. Indien onder a, danwel uit het onder b, c en d bedoelde rapport, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders in ieder geval één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
59
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels
Met een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van: a. vermeerdering dan wel vermindering van de voorgeschreven maten en normen, mits de vermeerdering of vermindering ten hoogste 10% bedraagt; b. plaats en richting van bouwgrenzen en functiegrenzen als dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waarin een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt; c. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of van kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling, tot een bouwhoogte van 10 meter; d. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter; e.
het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits: 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% bedraagt; 2. de hoogte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 4 meter mag bedragen.
60
Bijlagen regels
61
Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging SBI-Code
Omschrijving
1
LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW
14
Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. < 500 m²
15
VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN
151
Vleeswaren- en vleesconservenfabrieken, p.o. < 200 m²
1552
Consumptie-ijsfabrieken, p.o. < 200 m²
1584
Vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 200 m²
1584
Suikerwerkfabrieken zonder suiker branden, p.o. < 200 m²
1593 t/m 1595
Vervaardigen van wijn, cider, e.d.
17
VERVAARDIGING VAN TEXTIEL
174, 175
Vervaardiging van textielwaren
176, 177
Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen
18
VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT
181
Vervaardiging kleding van leer
20
HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGEN VAN ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK, E.D.
203, 204, 205
Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2
205
Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken
22
UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA
2222.6
Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen
62
2223
Grafische afwerking
2223
Binderijen
2224
Grafische reproductie en zetten
2225
Overige grafische activiteiten
223
Reproductiebedrijven opgenomen media
33
VERVAARDIGEN VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN
33
Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d.
36
VERVAARDIGEN VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.
361
Meubelstoffeerderij b.o. < 200 m²
362
Fabricage van munten, sieraden en dergelijke
363
Muziekinstrumentenfabrieken
3661.1
Sociale werkvoorziening
40
PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:
40
-< 10 MVA
40
Gasdistributiebedrijven:
40
gas: reduceer-, compressor, meet- en regekinst. cat. A
40
gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), categorie B en C
45
BOUWNIJVERHEID
45.3
Aannemersbedrijven met werkplaats, b.o. < 1000 m2
50
HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN
5020.4
Autobeklederijen
503, 504
Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires
64
POST EN TELECOMMUNICATIE
642
Telecommunicatiebedrijven
642
Zendinstallaties:
642
FM en TV
71
VERHUUR VAN GOEDEREN
714
Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g.
72
COMPUTERSERVICE - INFORMATIE TECHNOLOGIE
72
Computerservice- en informatietechnologiebureaus en dergelijke
73
SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK
732
Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek
TRANSPORTMIDDELEN,
63
MACHINES,
ANDERE
ROERENDE
74
OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING
7481.3
Foto- en filmontwikkelcentrales
7484.4
Veilingen voor huisraad, kunst en dergelijke
Bijlage 1
64
Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging