Raadsvoorstel Belastingvoorstellen 2026 Gewijzigd
Tekst van het document
Raadsvoorstel Registratienummer Raadsvergadering
17958943 13 november 2025
Onderwerp
Belastingvoorstellen 2026 We willen de begrote belastingopbrengst realiseren om daarmee onze gemeentelijke taken en voorzieningen te bekostigen. Daarnaast willen we een goede juridische basis voor belastingheffing. Daarvoor is het nodig dat wij de belastingverordeningen wijzigen.
Voorgesteld besluit Het college van Burgemeester en Wethouders stelt de gemeenteraad voor het volgende te besluiten: 1.
De 15 gewijzigde belastingverordeningen voor belastingjaar 2026 vast te stellen.
Bevoegdheid raad
De gemeenteraad is bevoegd lokale verordeningen vast te stellen op basis van artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet. Aanleiding en doel Aanleiding Elk jaar stelt uw raad de belastingverordeningen vast op basis van het begrotingsbeleid. Het is de verwachting dat u op 13 november 2025 de begroting vaststelt en daarmee ook de belastingopbrengsten. Met de vaststelling van de belastingverordeningen formaliseren we het vastgestelde begrotingsbeleid. De daaruit voortvloeiende tarieven hebben we verwerkt in de belastingverordeningen. Ook hebben we de belastingverordeningen getoetst en waar nodig aangepast conform de modelverordeningen van de VNG of jurisprudentie. Daarnaast hebben we in enkele verordeningen (tekstuele) aanpassingen doorgevoerd.
2
Doel Om de geraamde belastingopbrengsten te realiseren wijzigen we de verschillende belastingtarieven. Door de nieuwe tarieven vast te stellen, behalen we de begrote belastingopbrengst. Met deze belastingopbrengst kunnen we het vastgestelde beleid uitvoeren. De doelstelling van de lokale belastingen is dat inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en bezoekers van onze stad een rechtvaardige bijdrage leveren voor de gemeentelijke voorzieningen. Relevante besluitgeschiedenis Raadsvoorstel Bestuursakkoord, waarin de ambities van het college zijn geformuleerd. Motie Inzicht in de Afvalstoffenheffing
3
Argumentatie voorgestelde politieke keuzes 1.
Het toegepaste inflatiepercentage wijkt af van het inflatiepercentage dat is opgenomen in de uitgangspunten bij de begroting. In de uitgangspunten bij de begroting 2026 is opgenomen dat voor gemeentelijke belastingen een inflatiepercentage van 2,96% zal worden toegepast. Nu blijkt dat op basis van de nieuwe CAO de personeelslasten lager uitvallen dan dat de verwachting was. Daardoor kan een inflatiepercentage van 1,54% worden toegepast. Hiermee heffen we niet meer belasting dan noodzakelijk. Voor de afvalstoffenheffing en het reinigingsrecht voor bedrijven geeft dit een minderopbrengst van ruim € 285.000, -. Voor de onroerendezaakbelasting betekent dit een minderopbrengst van ruim € 840.000, -. De parkeerbelasting geeft een minderopbrengst van € 363.208, -. Voor deze drie belastingen is de begroting aangepast. Voor de overige belastingen heeft het geen gevolgen.
2.
De tarieven voor de onroerendezaakbelasting indexeren we met 1,54% en we verwerken de waardestijging van de woningen en niet-woningen in het tarief. Voor de jaren 2024 en verder is in het bestuursakkoord afgesproken dat de OZB-tarieven niet anders worden verhoogd dan met een inflatiecorrectie. Om dat te realiseren zullen de waardeontwikkelingen van de woningen en nietwoningen in de tarieven gecompenseerd worden. Bij de berekening van de (voorlopig) nieuwe tarieven voor 2026 is uitgegaan van de WOZ-waarden op het prijspeil van 1 januari 2025. Hier komt een gemiddelde waardestijging uit voor de woningen van 12%. We verwerken deze waardestijging in het tarief. We verlagen het tarief met 100/112=10,71%. Vervolgens passen we de inflatiecorrectie toe van 1,54%. Dat betekent dat het tarief voor de woningen wordt verlaagd met 9,31%. Voor de niet-woningen is een gemiddelde waardestijging berekend van 2%. De waardestijging wordt in het tarief gecompenseerd. Ook hier passen we de inflatiecorrectie van 1,54% toe. Dat betekent dat het tarief voor niet-
4
woningen in totaal wordt verlaagd met 0,45%. We hebben bij de bovenstaande berekeningen rekening gehouden met de te honoreren WOZ-bezwaarschriften en vrijstelling van woningdelen van niet-woningen. In de stijging van de opbrengst is rekening gehouden met nieuwbouw. Op basis van deze gegevens zijn de onderstaande voorlopige OZBtarieven voor 2026 berekend. De WOZ-waardeontwikkeling is namelijk geanalyseerd uit de gerealiseerde verkoopcijfers tot voorjaar 2025. De herwaardering voor 2026 start in het derde kwartaal van 2025. Indien de ontwikkeling van de WOZ-waarden afwijkt van bovenstaande verwachte waardeontwikkeling, zal in de raadsvergadering van december 2025 een voorstel worden ingediend met gewijzigde tarieven.
Begroting 2022
Begroting 2023
Begroting 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
a. woningen: eigenaren
0,0731%
0,0712%
0,0757%
0,0763%
0,0692%
b. niet-woningen: eigenaren
0,3136%
0,3257%
0,3447%
0,3490%
0,3474%
c. niet-woningen: gebruikers
0,2512%
0,2609%
0,2761%
0,2795%
0,2782%
Opbrengst woningen € 18.349 € 21.254 € 23.052 (x € 1.000) Opbrengst niet-woningen € 25.766 € 28.571 € 32.303 (x € 1.000) Totaal opbrengst OZB € 44.115 € 49.825 € 55.355 (x € 1.000) Voor de berekening van de OZB-tarieven verwijzen wij u naar bijlage 1.
€ 24.336
€ 24.998
€ 33.726
€ 35.439
€ 58.062
€ 60.437
5
Eind februari 2026 ronden wij de algehele herwaardering van de onroerende zaken naar de nieuwe waardepeildatum 1 januari 2025 af. Het overgrote deel van de eigenaren en gebruikers van (on) roerende zaken ontvangt eind februari 2026 de WOZ-beschikkingen met de nieuwe vastgestelde waarden, gecombineerd met de OZBaanslag, hondenbelasting en riool- en afvalstoffenheffing. De rest volgt in de loop van het eerste half jaar. Om aan te sluiten bij de modelverordening van de VNG worden twee extra vrijstellingen toegevoegd. Deze zien op:
-
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen die dienen als woning.
-
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen die dienen als woning.
De derving van OZB is nihil omdat voor deze objecten nu ook al geen OZB wordt geheven. De tarieven voor de roerende-zaakbelasting zijn gelijk aan die van de onroerendezaakbelasting. Dat betekent dat het tarief daalt.
6
3. Afvalstoffenheffing In 2026 werken we verder aan de lange termijn doelstellingen uit het integraal verbeterplan “Blik naar voren”. Ook gaan we aan de slag met de doorontwikkeling van de Afvalvisie 2020 en de nog resterende maatregelen. Deze zijn gericht op het scheiden van het huishoudelijk afval en het verminderen van de hoeveelheid restafval aangeboden door de inwoners van de gemeente ’s-Hertogenbosch. In de afvalstoffenheffing 2026 is het effect van het raadsvoorstel “Afvalstoffendienst verder op orde” verwerkt naast de indexering. De gemiddelde afvalstoffenheffing 2026 stijgt daardoor met € 14,77 en wordt € 307,56. In de afvalstoffenheffing 2026 zijn onderstaande structurele effecten verwerkt: Inflatiecorrectie van 1,68% (€ 4,92); Afvalstoffendienst verder op orde € 9,85 Gegevens: Gemiddeld tarief
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
2021
2022
2023
2024
2025
2026
€ 224,08
€ 232,90
€ 261,70
€ 280,77
€ 292,79
€ 307,56
€ 188,40
€ 199,80
€ 228,72
€ 245,52
€ 255,96
€ 265,68
€ 244,92
€ 252,36
€ 282,24
€ 302,76
€ 315,72
€ 334,32
26.780
26.285
27.185
27.461
28.085
29.636
afvalstoffenheffing Tarief eenpersoonshuishouden Tarief meerpersoonshuishouden Aantal betalende eenpersoonshuishoudens
7
Aantal betalende
45.584
44.572
43.785
44.094
44.948
46.367
€ 16.138
€ 16.500
€ 18.575
€ 20.091
€ 21.379
€ 23.374
meerpersoonshuishoudens Totaal opbrengst (x €
1.000) Voor de kostenonderbouwing van Afvalstoffenheffing wordt verwezen naar de bijlage 2. 4.
Reinigingsrechten We stellen voor om een eigen bijdrage te vragen voor het op verzoek legen en doorzoeken van een ondergrondse container. Wekelijks haalt de Afvalstoffendienst gratis waardevolle spullen uit ondergrondse containers die inwoners er per ongeluk in hebben laten vallen. Dit loopt aardig in kosten op. Er moet namelijk een lege kraanwagen beschikbaar zijn voordat deze bij de betreffende container komt. De kraanwagen hijst de container uit de grond en rijdt vervolgens naar de overslaghal. In de overslaghal gaat de medewerker van de overslaghal (met persoonlijke beschermingsmiddelen) door het afval heen om het voorwerp te zoeken. Gemiddeld komt het twee keer per week voor dat de Afvalstoffendienst hiermee te maken heeft. De kosten worden nu niet doorberekend. Het gaat om de volgende kosten: inzet van de kraanwagen en personeel (€240 voor 2 uur) en ureninzet van de medewerker van de overslaghal (€60 voor 1 uur). In totaal gaat het dan om €300,- per keer, dus €600,- per week. Op jaarbasis gaat het om gemiddeld 52 x €600 = €31.600. Omdat het nu gratis wordt aangeboden is de drempel voor de inwoner laag om voor elk voorwerp dat ze per ongeluk kwijt zijn te bellen met de Afvalstoffendienst. Niet altijd is het voorwerp het waard, of heeft men de sleutels toch per ongeluk in huis teruggevonden. Daarnaast worden de kosten nu indirect door alle inwoners betaald.
Daarom stellen wij voor om een eigen bijdrage van € 100,- te vragen voor het op aanvraag ledigen en doorzoeken van de ondergrondse container. Puur bedoeld als noodzakelijke vergoeding voor de inzet van onze wagens en personeel. Met dit tarief zitten we in lijn met wat overige gemeenten vragen voor deze dienst en is het bedrag schappelijk voor de inwoner.
8
5. Rioolheffing De kosten van de gemeentelijke taken op het gebied van inzameling en transport van afvalwater, de verwerking van hemelwater en overtollig grondwater in het bebouwd gebied kan de gemeente op haar inwoners verhalen middels de rioolheffing. In de rioolheffing worden de kosten van kwijtscheldingen opgenomen om tot daadwerkelijke kostendekking te komen. De begrote kosten in 2026 zijn lager dan in 2025. Dit wordt veroorzaakt door: •
Lagere kosten elektriciteit.
•
Hogere stelpost lagere kapitaallasten (verwachting dat niet alle investeringen gerealiseerd gaan worden).
•
Correctie overdekking BTW op overhead. De tarieven van de rioolheffing mogen maximaal 100% kostendekkend zijn. Gegevens: Begroting Begroting Begroting 2022 2023 2024 € 68,76 € 74,64 Tarief eigenaren (per object) € 65,88
Begroting 2025 € 77,24
Begroting 2026 € 75,40
Tarief kleinverbruikers (per object)
€ 64,48
€ 67,76
€ 73,56
€ 75,48
€ 75,24
Aantal aansluitingen
78.534
79.155
80.267
81.339
81.921
Totaal opbrengst (x € 1.000)
€ 11.627
€ 12.251
€ 13.343
€ 13.692
€ 13.459
Voor de kostenonderbouwing van Rioolheffing wordt verwezen naar de bijlage 3.
9
6. De tarieven voor de hondenbelasting, precariobelasting, (water) toeristenbelasting, marktgelden, de haven en liggelden en de leges verhogen met het inflatiepercentage. De inflatiecorrectie voor het jaar 2026 is vastgesteld op 1,54%. Deze verhoging is gebaseerd op de loon- en prijsontwikkelingen. Alle hierboven genoemde belastingen zijn verhoogd met dit inflatiepercentage. De begroting hondenbelasting treft u aan in bijlage 4. Legesverordening Voor een overzicht van de wijzigingen in de legesverordening (was/wordt tabel) verwijzen wij u naar bijlage 5. Hierin staan alle wijzigingen in de legesverordening toegelicht. De wijzigingen betreffen redactionele aanpassingen als nieuwe legesbepalingen in verband nieuwe aan te vragen vergunningen zoals een organisatievergunning van een markt of het aanvragen van een deelauto-parkeerplaats. Precariobelasting Voor wat betreft de betalingstermijnen is in artikel 10 een onderscheid gemaakt tussen de precariobelasting die via de jaarlijkse belastingaanslag wordt opgelegd en de precariobelasting die via een nota wordt opgelegd. Omdat dit twee verschillende processen zijn gelden er verschillende betalingstermijnen. In de praktijk wordt al op deze twee manieren gefactureerd of aangeslagen. De verordening sluit nu aan bij deze praktijk.
10
Liggeld woonboten We stellen voor een vrijstelling voor het liggeld toe te voegen in haven- en liggeld verordening. Deze vrijstelling ziet op woonboten die op basis van erfpacht een ligplaats toegewezen hebben gekregen. Op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet kan een gemeente rechten heffen voor: “het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.” In het geval van woonboten die zijn gelegen op grond of water waarvoor een erfpachtovereenkomst met de gemeente is gesloten, is er geen sprake meer van gemeentelijk beheer of onderhoud van de betreffende voorziening. De juridische relatie tussen de gemeente en de gebruiker is in dat geval privaatrechtelijk van aard. Daarmee ontbreekt een van de essentiële voorwaarden voor het kunnen heffen van een gebruiksretributie zoals bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet. Het heffen van liggeld in deze gevallen zou juridisch onhoudbaar zijn. Om deze reden wordt voorgesteld om in de verordening expliciet op te nemen dat geen liggeld wordt geheven van woonbootbewoners die gebruikmaken van een ligplaats op basis van een erfpachtovereenkomst met de gemeente. Op dit moment is hier alleen sprake van aan de Van Veldekekade.
Deze aanpassing verduidelijkt de reikwijdte van de verordening en voorkomt onduidelijkheid en onterechte heffing. Artikel 6 wordt als volgt aangepast: Artikel 6 Vrijstellingen Haven- en liggeld worden niet geheven ter zake van: - vaartuigen waarmee van het gemeentelijke vaarwater gebruik wordt gemaakt ten behoeve van het onderhoud van de gemeentelijke havens of havenwerken;
-
hospitaalschepen of schepen die als zodanig dienst doen; vaartuigen uitsluitend voor de openbare dienst in gebruik bij het rijk, provinciën of gemeenten, mits geen lading tegen betaling vervoerende;
11
-
vaartuigen, die ten gevolge van ijsgang of andere weersomstandigheden gedwongen zijn langer dan strikt noodzakelijk voor het laden en lossen te blijven liggen;
-
Pleziervaartuigen; Woonboten die op basis van een erfpachtovereenkomst een ligplaats innemen.
12
Havengeld In de haven- en liggeldverordening van 2025 is het tarief voor nachtschuttingen vastgesteld op € 210,- excl. btw. Dit tarief is voor nu kostendekkend omdat we gebruik kunnen maken van onze eigen sluiswachters. In de nieuwe CAO voor gemeenten vervallen per 1 januari 2026 de buiten venster uren voor medewerkers van 55 jaar en ouder. Dat is van toepassing op onze sluiswachters. Concreet houdt dit in dat naast een oproep bij een externe partij, wij standaard een bindingsdienst en calamiteitendienst moeten gaan inrichten waardoor het tarief verhoogd moet worden om het kostendekkend te houden. De kosten van de nachtschuttingen kunnen in drie onderdelen verdeeld worden: Calamiteitendienst door een medewerker van de gemeente ’s-Hertogenbosch; Bindingsdienst door een externe medewerker (momenteel Blue Amigo); De daadwerkelijke oproep van een xterne medewerker (momenteel Blue Amigo). Het bedrag zou, uitgaand van prijspeil 2025, op € 360,- excl. btw moeten worden vastgesteld. Verder is aan de tarieventabel bij onderdeel 8 een blokhutboot toegevoegd bij het tarief voor woonschepen. Deze blokhutboten zien we steeds vaker varen en zijn te vergelijken met de woonschepen. De blokhutboten worden in tegenstelling tot woonschepen als vakantieverblijf gebruikt. Het tarief is gelijk aan dat van een woonboot.
Daarnaast zijn de begrippen sleep- en duwboot en pleziervaartuig aangepast, omdat hier in de haven wel eens discussie over ontstaat. Door de aangepaste begrippen is nu duidelijker wat hieronder wordt verstaan.
13
Grafrechten Met betrekking tot een aantal begraafplaatstarieven en tarieven voor verstrooiing stellen we voor af te wijken van de algemene indexering van 1,54%. Als we de tarieven niet aanpassen en mee laten lopen in de indexering is de verwachting dat de vraag naar beneden gaat en de opbrengsten gaan dalen. Door de tarieven nu aan te passen en niet te laten indexeren gaan we er van uit dat de vraag licht gaat stijgen zodat de opbrengstenraming gehandhaafd blijft. Het doorvoeren van deze wijzigingen heeft geen invloed op de kostendekkendheid van de grafrechten. De wijzigingen die we voorstellen betreffen de onderstaande activiteiten, alle overige activiteiten wordt geïndexeerd met 1,54%. As verstrooiing Tarief 2025 Voorstel tarief 2026 Toelichting In aanwezigheid van € 168,00 € 168,00 We kiezen ervoor dit tarief nabestaanden niet te indexeren, het tarief wordt anders te duur, nabestaanden kiezen deze optie niet, omdat het duurder wordt. Een duurder tarief is daarnaast niet in verhouding met het werk dat we ervoor moeten doen. € 78,50 Zonder aanwezigheid van €52,50 + index Hiermee wordt tarief nabestaanden en zonder aantrekkelijk voor Dela om bericht gebruik te maken van het strooiveld van de gemeente, tarief is
14
hiermee ook nog kostendekkend. Gedenkplaatje Kleine plaquette voor 5 jaar
Verlenging kleine plaquette voor 5 jaar Grote plaquette voor 5 jaar Verlenging grote plaquette voor 5 jaar
€ 103,50
€ 103,50
€ 63,00
€ 63,00
We kiezen ervoor dit tarief niet te indexeren, tarief wordt anders te duur, nabestaanden kiezen deze optie niet, omdat het duurder wordt. Een duurder tarief is daarnaast niet in verhouding met het werk dat we ervoor moeten doen. idem
€ 248,50
€ 248,50
idem
€ 186,00
€ 186,00
idem
Marktgelden Verlagen marktgeld Rosmalen met € 0,12 In het tarief voor de markten op woensdag, vrijdag en zaterdag in de binnenstad en op donderdag in Rosmalen is een bedrag van € 0,12 opgenomen voor het promoten van de markten. Dit marktpromotiegeld wordt geïnd in het marktgeld en wordt na ontvangst van een jaarrekening en inhoudelijke verantwoording van het geld, uitgekeerd naar
15
daarvoor opgerichte stichtingen marktpromotie. De stichting marktpromotie Rosmalen maakt sinds 2021 geen gebruik van dit budget (niet opgevraagd en uitgekeerd gekregen). Daarom wordt voorgesteld om het marktgeld zoals opgenomen in artikel 3, lid 1 onder a van de marktgeldenverordening met € 0,12 te verlagen en in Rosmalen te stoppen met het reserveren van geld voor marktpromotiegeld. Het reeds gereserveerde geld houden we gereserveerd voor eventuele toekomstige promotie-uitgaven. Geen restitutie op kwartaalabonnementen bij beëindiging van de vergunning gedurende het kwartaal. Voorgesteld wordt om in de marktgeldenverordening op te nemen dat stoppende ondernemers tot het eind van het lopende kwartaal betalen, tenzij ze vóór aanvang van dat kwartaal hebben aangegeven te stoppen. Op dit moment is het zo dat veel ondernemers kort voordat ze stoppen verzoeken de marktvergunning in te trekken. Als wij op dat moment de schaarse vergunning beschikbaar moeten stellen volgens de daarvoor geldende procedure, hebben we enkele weken leegstand op de markt. Als een ondernemer dat ruim van tevoren aangeeft, verkorten we die periode van leegstand. Door ondernemers te belonen als ze ruim van tevoren verzoeken om vergunningen in te trekken, kunnen we frictieleegstand (tussen vertrekkende en nieuwe kooplieden) op de markt beperken.
Een ondernemer die voornemens is te stoppen, weet dit doorgaans wel een tijd van tevoren en kan ook vóór aanvang van het kwartaal aangeven dat hij nog een x aantal weken staat. Dan kan aan de voorkant een juiste factuur worden opgemaakt voor die weken. Een opzegtermijn is daarnaast vaak gebruikelijk (denk aan huurcontracten, arbeidscontracten, etc.). Dit verlaagt de uitvoeringskosten en dat verhoogt de mate van kostendekkendheid. Voorgesteld wordt om na artikel 2 een nieuw artikel 3 en 4 in te voegen en de overige artikelen te vernummeren. Artikel 3 en 4 worden dan als volgt gelezen: 3. Een kwartaalabonnement gaat in vanaf de eerste dag van het lopende kwartaal (1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober). Als een vergunninghouder gedurende een kwartaal begint op de markt geldt het dagtarief zoals bedoeld in lid 1.
16
4.
7.
Als een vergunning wordt ingetrokken gedurende een kwartaal, dan moet voor dat gehele kwartaal worden betaald, tenzij vóór de eerste dag van dat kwartaal door de vergunninghouder is verzocht om de vergunning in te trekken. In die gevallen wordt het aantal in te nemen weken in rekening gebracht.
De tarieven voor de reclamebelasting Rosmalen en Binnenstad en de BIZ-bijdrage verhogen we met een inflatiepercentage. BIZ In 2023 is voor het eerst de BIZ-bijdrage geheven. De BIZ-bijdrage wordt geheven van vastgoedeigenaren met objecten die een publieksgerichte functie hebben. Deze leveren de grootste bijdrage aan het behalen van de doelstellingen zoals geformuleerd in het door de uw raad vastgestelde Economisch Perspectief Brede Binnenstad. Op basis van de uitvoeringsovereenkomst wordt de jaarlijkse opbrengst na aftrek van de uitvoeringskosten aan de Stichting BIZVastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch beschikbaar gesteld. De BIZ-tarieven worden verhoogd met het consumentenprijsindexcijfer van augustus van het lopende belastingjaar. Dit percentage bedraagt 2,8%. Daarnaast zijn de hotelboten toegevoegd aan de lijst met belastingplichtige objecten. Deze stonden ten onrechte niet in de lijst maar vallen wel binnen het belastbare gebied. Reclamebelasting De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de uitvoeringskosten doorgegeven aan het CMR en SOCH. Met deze twee ondernemersfondsen is afgesproken om elk jaar de tarieven te verhogen met een inflatiepercentage. Daarvoor wordt het consumentenprijsindexcijfer van augustus van het lopende belastingjaar gebruikt. Dit indexcijfer bedraagt 2,8%.
Daarnaast zijn de hotelboten toegevoegd aan de lijst met belastingplichtige objecten. Deze stonden ten onrechte niet in de lijst maar vallen wel binnen het belastbare gebied.
17
8.
Parkeerbelasting Voor 2026 worden alle straat- en vergunningstarieven geïndexeerd met 2,8%, dit betreft het landelijke consumentenprijsindexcijfer van het CBS (augustus 2025). Het tarief van de digitale bezoekersregeling blijft ongewijzigd: € 0,05 per uur. Een naheffingsaanslag bedraagt per 1 januari 2026 € 82. Daarnaast worden voor 2026 tariefwijzigingen voor deelmobiliteitsbedrijven doorgevoerd. Vanuit het mobiliteitsbeleid zien we de deelauto als een van de middelen om de mobiliteitstransitie vorm te geven, waarbij we nadrukkelijk kunnen sturen op duurzaam en schoon vervoer en ook het beperken van de parkeerruimte in het openbare gebied. De vraag naar deelauto’s in de gemeente neemt toe en aanbieders vragen om nieuwe locaties. In het verleden zijn verschillende afspraken gemaakt over parkeervergunningen. Om de groei van de relatief nieuwe markt van deelauto’s verder te stimuleren is het nodig om vaste tarieven te hanteren. Voor een vergunning voor deelauto aanbieders voor een vaste parkeerplaats op kenteken waarmee op de aangewezen plek geparkeerd kan worden wordt het tarief per 1 januari 2026 per kwartaal € 27,50 en per jaar € 110. Deze vergunning maakte voorheen geen onderdeel uit van de verordening. Voor een vergunning voor deelauto aanbieders waarmee in aangewezen gebieden geparkeerd kan worden wordt het tarief per 1 januari 2026 per kwartaal € 23,75 en per jaar € 95.
9.
Woonlasten: We blijven in de top 10 van gemeenten met lage woonlasten staan. Onder woonlasten wordt in dit verband verstaan: OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing. De ontwikkeling van de woonlasten blijkt uit de bijlage 6. Wij hebben in ons bestuursakkoord 2022-2026 aangegeven dat ’s-Hertogenbosch een financieel gezonde gemeente is. Met een solide financieel beleid hebben we een sterke basis gelegd voor de toekomst. Dat houden we zo in het belang van onze inwoners, instellingen en ondernemers. In combinatie met verschillende gemeentelijke regelingen en het kwijtschelden van heffingen voor de laagste inkomens houden we de woonlasten
18
betaalbaar en de lastendruk in vergelijking tot andere steden laag en onder het gemiddelde. Met betrekking tot de woonlasten staat ’s-Hertogenbosch onafgebroken in de top 10 van gemeenten met lage woonlasten. Dit is terug te zien in het vergelijkingsoverzicht van de COELO (bijlage 6). Hierin vergelijken we de woonlasten van 39 vergelijkbare gemeenten (provinciehoofdsteden en 90.000+ gemeenten). Dit is op basis van de tarieven zoals die gelden in 2025. Uit deze benchmark blijkt dat er in 2025 één gemeente (Tilburg) is met lagere woonlasten dan de gemeente ’s-Hertogenbosch. Risico’s en risicobeheersing De belastingverordeningen dienen voor 1 januari 2026 vastgesteld te worden, om per 1 januari 2026 de nieuwe belastingtarieven in rekening te kunnen brengen. Financiën Door het vaststellen van de belastingverordeningen realiseren we de begrote belastingopbrengst. De gemeente voert een actief en maximaal kwijtscheldingsbeleid. Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen verlenen we op basis van 100% van de bijstandsnorm. De gemeente heeft namelijk de keuze om kwijtschelding te verlenen op basis van 90, 95 of 100% van de bijstandsnorm. Een hoger percentage leidt tot een ruimere kwijtschelding. De ruimte die we vanuit het Rijk krijgen om het kwijtscheldingsbeleid te verruimen pakken we.
Denk hierbij aan het buiten beschouwing laten van de energietoeslag en het toepassen van de hogere vermogensnorm. We kennen namelijk een traditie van een zo ruimhartig mogelijk kwijtscheldingsbeleid. Om het kwijtscheldingbeleid voort te kunnen zetten is voor 2026 een bedrag van € 1. 485.000, -- begroot. Een overzicht met daarin de kostendekkendheid van de verschillende leges en rechten treft u aan in bijlage 7.
19
Duurzaamheid n.v.t.
20
Participatie en communicatie Participatie n.v.t. Communicatie Op het gebied van de gemeentelijke belastingen communiceert de gemeente met de burgers en bedrijven via overheid.nl en via de internetsite van de gemeente. Via de Digitale Belastingbalie op de internetsite kunnen de belastingplichtigen de aanslag, de beschikking en het taxatieverslag inzien en een bezwaarschrift indienen. Ook kunnen zij hier automatische incasso aanvragen, een hond aan- of afmelden en kwijtschelding aanvragen. Daarnaast horen we op verzoek, personen die bezwaar maken tegen een belastingaanslag of beschikking. Bij de bezwarenafhandeling zoeken we persoonlijk contact met de belastingplichtige. Ook verzoeken wij de belastingplichtige nadrukkelijk om bij vragen c.q. bezwaren via een speciaal opengesteld contactformulier contact op te nemen met de Afdeling Belastingen. Via deze informele procedure kunnen we eventuele fouten snel oplossen en voorkomen we formele procedures (die meestal langer duren en kostbaarder zijn). De vastgestelde verordeningen worden gepubliceerd op www.overheid.nl.
21
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch, De gemeentesecretaris,
De burgemeester,
drs. B. van der Ploeg
drs. J.M.L.N. Mikkers
22
Bijlagen 1.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van reinigingsheffingen 2026 ................................................................................................................ 28
2.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch 2026 .......................................... 38
3.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente 's-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van begraafplaatsrechten voor het gebruik van algemene begraafplaatsen 2026 ............................ 53
4.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van haven- en liggeld 2026 .................................................................................................................... 80
5.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van een belasting op honden 2026 ....................................................................................................... 91
6.
Verordening op de heffing en de invordering van leges ‘s-Hertogenbosch 2026................................................... 96
6.1
Tarieventabel Legesverordening 2026 ................................................................................................................... 102
7.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van marktgeld 2026 ............................................................................................................................. 154
23
8.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2026 ................................................................................................ 158
9.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van een precariobelasting 2026 .......................................................................................................... 165
9.1
Tarieventabel 2026 .................................................................................................................................................. 173
10.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van reclamebelasting Binnenstad 2026 .............................................................................................. 188
11.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van reclamebelasting Rosmalen 2026................................................................................................. 201
12.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van rioolheffing 2026 ........................................................................................................................... 208
13.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 .......................................................... 216
14.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van een toeristenbelasting 2026 ......................................................................................................... 223
15.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen ’s-Hertogenbosch 2026 .............................. 232
24
15.1
Bijlage bij Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen ’s-Hertogenbosch 2026 ............. 241
Registratienummer Portefeuillehouder Commissie Sector/Afdeling Inlichtingen
17958943 Craste Bestuur: 27 oktober 2025 DB/B L Kabbouti - Bentohami l.kabbouti@s-hertogenbosch.nl 06-46971142
25
Besluit van de raad Registratienummer 17958943 Raadsvergadering 13 november 2025 Onderwerp
Belastingvoorstellen 2026
De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch, gezien het voorstel van, van het college, van 30 september 2025 besluit: De 15 gewijzigde belastingverordeningen voor belastingjaar 2026 vast te stellen. Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch- van datum 13 november 2025, De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch, De Griffier,
De voorzitter,
ValidSigned door drs. W.G. Amesz op 14-11-2025
drs. W.G. Amesz
drs. J.M.L.N. Mikkers
26
27
1. Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van reinigingsheffingen 2026 Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a. een afvalstoffenheffing; b. reinigingsrechten. Artikel 2 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: “gebruik maken” in hoofdstuk II. Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel 3 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt; a. De onroerende zaak, bedoeld in artikel 16 onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; b. De roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. Een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
28
d.
e.
Een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. Het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoelde gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Hoofdstuk II. AFVALSTOFFENHEFFING Artikel 4 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven terzake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene, die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
29
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting bedraagt voor het verwijderen van afvalstoffen, niet afkomstig uit een bedrijfspand, per jaar per perceel: a. indien het perceel wordt gebruikt door één persoon € 265,68 b. 2. 3. 4.
indien het perceel wordt gebruikt door twee of meer personen de belasting als bedoeld in lid1 a en b wordt vermeerderd, voor het in bruikleen hebben van een extra grijze container, per container met de belasting als bedoeld in lid 1 a en b wordt vermeerderd, voor het in bruikleen hebben van een extra groene container, per container met De belasting als bedoeld in lid 1 a en b wordt vermeerderd met € 0,50 per extra storting in een ondergrondse container met een maximum van 30 extra stortingen per jaar.
€ 334,32 € 240,00 € 120,00
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing 1. De belasting als bedoeld in artikel 6 lid1 a en b wordt geheven bij wege van aanslag. 2. De belasting als bedoeld in artikel 6 lid 2, 3 en 4 wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
30
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsbelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en daar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt.
31
Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder bedraagt dan € 5.000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in twaalf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De belasting bedoeld in artikel 6, lid 2,3 en 4 wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden voldaan op het tijdstip waarop de extra container of extra storting wordt aangevraagd. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden genoemde termijnen. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de belasting bedoeld in artikel 6 lid 2, 3 en 4 wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Vrijstelling medisch afval De belastingplichtige die als gevolg van een chronische ziekte of handicap noodgedwongen extra afvalstoffen aanbiedt, kan vrijstelling krijgen voor de kosten van een extra 240 liter grijze container.
32
Hoofdstuk III. REINIGINGSRECHTEN Artikel 13 Belastbaar feit Onder de naam "reinigingsrechten" worden rechten geheven zowel voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn. Artikel 14 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, gebruik maakt. Artikel 15 Maatstaf van heffing en belastingtarief jaarlijkse tarieven 1. Het recht voor het verwijderen van afvalstoffen afkomstig uit een bedrijfspand, bedraagt per jaar: a indien gebruik wordt gemaakt van een restafvalcontainer met een inhoud van 240 liter € 395,40 b. c. d.
indien bij gebruik van een ondergrondse afvalcontainer gemiddeld niet meer dan twee stortingen per week worden gedaan indien bij gebruik van een ondergrondse afvalcontainer gemiddeld meer dan twee doch niet meer dan gemiddeld vier stortingen per week worden gedaan indien bij gebruik van een ondergrondse afvalcontainer gemiddeld meer dan vier doch niet meer dan gemiddeld tien stortingen per week worden gedaan
33
€ 395,40 € 791,05 € 1.978,20
e. f. g.
indien bij gebruik van een ondergrondse afvalcontainer gemiddeld meer dan tien doch niet meer dan gemiddeld vijftien stortingen per week worden gedaan indien bij gebruik van een ondergrondse afvalcontainer gemiddeld meer dan vijftien doch niet meer dan gemiddeld twintig stortingen per week worden gedaan indien bij gebruik van een ondergrondse afvalcontainer meer dan 20 stortingen per week worden gedaan plús een bedrag van € 4,80 voor elke storting boven de 20 stortingen per week.
€ 2.967,85 € 3.956,40 € 3.956,40
2. Het ophalen van papier uit bedrijfspanden bij gebruik van een ondergrondse container voor uitsluitend papier en karton in de binnenstad: a. bij minder dan 50 kg papier per maand € 8,60 per maand b. bij 50 kg of meer per maand € 15,80 per maand 3. De tarieven in lid 1 en 2 zijn exclusief BTW. Artikel 16 Maatstaf van heffing en belastingtarief overige tarieven Het recht bedraagt voor: 1. Het op verzoek verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen en grof huisvuil bij particuliere huishoudens: een vast bedrag van € 17,00 vermeerderd met € 0,17 per kilogram; 2. Het door particuliere huishoudens, die aantoonbaar woonachtig zijn in de gemeente ’s-Hertogenbosch, achterlaten van de zogenaamde betaalde huishoudelijke afvalstoffen (puin, grof huisvuil, restafval, hout, harde kunststoffen, vuile matrassen, dakleer, gips, vloerbedekking en grond (waaronder graszoden)) op de daarvoor aangewezen gemeentelijke milieustations:
34
3.
4.
5.
€ 0,17 per kilogram; Het door overige particuliere bezoekers achterlaten van zogenaamde betaalde huishoudelijke afvalstoffen (puin, grof huisvuil, restafval, hout, harde kunststoffen, vuile matrassen, dakleer, gips, vloerbedekking en grond (waaronder graszoden) op de daarvoor aangewezen gemeentelijke milieustations: € 0,29 per kilogram (inclusief BTW hoog); Voor het achterlaten door particuliere huishoudens op de daarvoor aangewezen gemeentelijke milieustations van de volgende huishoudelijke afvalstoffen: kringloopgoederen, asbest, KCA, elektrische en elektronische apparaten, (velgloze) autobanden, rubber, schone en droge matrassen, incontinentiemateriaal, papier en karton, snoeihout, metalen, aluminium, lood, piepschuim (tempex), textiel, schoenen, glas, glasplaten, plastic verpakkingsafval (PBD) en composteerbaar tuinafval, worden geen rechten geheven; Het op verzoek ledigen en doorzoeken van de inhoud van een ondergrondse container in verband met een verloren voorwerp: € 100,-
Artikel 17 Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 18 Wijze van heffing en tijdstip van betaling 1. De rechten, bedoeld in de artikelen 15 en 16 worden geheven door middel van een kennisgeving in de vorm van een bon, nota of andere schriftuur, waarop het verschuldigde bedrag wordt vermeld. 2. De rechten, bedoeld in artikel 15 moeten worden voldaan binnen dertig dagen na dagtekening van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
35
3.
De rechten, als bedoeld in artikel 16 moeten worden betaald op het tijdstip van uitreiking van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
Artikel 19 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De rechten bedoeld in artikel 15 zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, zijn de rechten bedoeld in artikel 15 verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de rechten bedoeld in artikel 15 aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist. 5. De rechten bedoeld in artikel 16 zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen. Hoofdstuk IV. AANVULLENDE BEPALINGEN Artikel 20 Kwijtschelding Bij de invordering van de reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
36
Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening reinigingsheffingen 2025", vastgesteld bij het besluit van de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch d.d. 13 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening reinigingsheffingen 2026".
De gemeenteraad van 's-Hertogenbosch, De griffier,
De voorzitter,
ValidSigned door drs. W.G. Amesz op 14-11-2025
Drs. W.G. Amesz
Drs. J.M.L.N. Mikkers
37
2. Verordening van de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch 2026
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: • bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart (bijlage 1) aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven; • BIZ: bedrijfsinvesteringszone; • BIZ-bijdrage: bestemmingsbelasting die op verzoek van eigenaren jaarlijks wordt geheven om met de opbrengst activiteiten te realiseren als bedoeld in artikel 1, lid 2 van de Wet; • college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente; • perceptiekosten: kosten voor heffing en invordering van de BIZ-bijdragen door de gemeente ’sHertogenbosch; • uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en Stichting Bedrijven Investeringszone – Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet; • stichting: Stichting Bedrijven Investeringszone – Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch; • wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones.
38
Hoofdstuk II Belastingbepalingen Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting 1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen (on)roerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen. 2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak of een roerende bedrijfsruimte. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Als roerende bedrijfsruimte wordt aangemerkt een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte en welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanent gebruik. Artikel 4. Belastingplicht 1. Een concreet overzicht van de objecten ter zake waarvan de BIZ-bijdrage geheven zal worden, is opgenomen in de bijlage “Belastingplichtige objecten voor de BIZ” (bijlage 2).
In de bijlage staan vermeld de objecten zoals ze zijn opgenomen in de WOZ-administratie (qua objectcode en objectomschrijving).
39
2.
3.
De BIZ-bijdrage wordt geheven van de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak. Als eigenaar wordt aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de (on)roerende zaak vastgestelde waarde zoals deze geldt voor het kalenderjaar. 2. Indien met betrekking tot de (on)roerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die (on)roerende zaak bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 6. Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
40
b. c.
d.
e.
f. g.
h.
i.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd
door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
41
j. k.
onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente; straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; Artikel 7. Tarief BIZ-bijdrage De BIZ-bijdrage bedraagt voor de eigenaar van een (on)roerende zaak, bij een WOZ-waarde van: WOZ-waarde
BIZ-bijdrage
a.
niet meer dan € 300.000
€ 274,20
b.
€ 300.001 tot en met € 600.000
€ 329,05
c.
€ 600.001 tot en met € 1.000.000
€ 383,95
d.
€ 1.000.001 tot en met € 2.000.000
€ 603,35
e.
€ 2.000.001 en hoger
€ 713,00
42
Artikel 8. Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven. Artikel 9. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder bedraagt dan € 5.000,en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in twaalf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel 10. Looptijd belastingheffing De BIZ wordt ingesteld voor een periode van maximaal 5 jaar. Artikel 11. Kwijtschelding Bij de invordering van de BIZ-bijdrage wordt geen kwijtschelding verleend.
43
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen Artikel 12. Buiten toepassing algemene subsidieverordening Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening ’s-Hertogenbosch 2021 niet van toepassing. Artikel 13. Aanwijzing stichting De Stichting Bedrijven Investeringszone – Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch wordt aangewezen als de stichting bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht. Artikel 14. Subsidieverlening 1. De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken. 2. De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen verminderd met de perceptiekosten voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen zoals opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst.
44
Artikel 15. Subsidieverplichtingen Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de stichting ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst. Artikel 16. Subsidievaststelling 1. De stichting is verplicht om binnen 6 maanden na afloop van het subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen. 2. De subsidie wordt vastgesteld uiterlijk 3 maanden na ontvangst van de in het voorgaande lid genoemde stukken. Artikel 17. Melding van relevante wijzigingen De vereniging stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van: - meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie, - een wijziging van de statuten, - verandering of beëindiging van activiteiten.
45
Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 18. Inwerkingtreding 1. De " BIZ Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch 2025", vastgesteld bij het besluit van de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch d.d. 13 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Artikel 19. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening BIZ Vastgoed Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch 2026 Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 november 2025. De voorzitter,
De griffier,
Drs. J.M.L.N. Mikkers
Drs. W. Amesz,
ValidSigned door drs. W.G. Amesz op 14-11-2025
46
Bijlage 1 behorende bij de Verordening bedrijveninvesteringszone Brede Binnenstad ’s-Hertogenbosch 2026 Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 1 van de Verordening bedrijveninvesteringszone Brede Binnenstad ’sHertogenbosch 2026 geldt het onderstaande: Wijk 1 buurt 1 t/m 5, Wijk 4 buurt 1 uitsluitend de even nummers aan de Citadellaan, Wijk 4 buurt 3 Werfpad, Vaaltweg, Vogelplein, en in de Vogelstraat uitsluitend de even nummers, Wijk 11 buurt 1 en buurt 2 en Wijk 11 buurt 10.
47
48
Bijlage 2 Belastingplichtige objecten voor de BIZ-bijdrage Objectcode
Objectomschrijving
2111
Woning-winkel
2121
Woning-cafetaria/snackbar
2122
Woning-café/bar/restaurant
2123
Woning-bar/dancing
2124
Woning-hotel/motel
3111
Winkel
3113
Toonzaal/showroom
3114
Kiosk
3116
Supermarkt
3117
Grootschalige detailhandel
3119
Overig detailhandel
3121
Cafetaria / snackbar
49
3122
Café / bar / restaurant
3123
Bar / dancing
3124
Hotel
3125
Pension/logiesgebouw
3173
Onderhoud / reparatie
3174
Productie (fabriek)
3191
Hotelboten
3637
Parkeergarage
Vrijgestelde objecten voor de BIZ-bijdrage Objectcode Objectomschrijving 2141
Woning-kantoor
2162
Woning-praktijkruimte
2357
Klooster
3141
Kantoor
3162
Praktijkruimte
3171
Werkplaats / garage
3175
Opslag / distributie
50
3176
Atelier / werkruimte
3311
Crèche / peuterspeelzaal
3312
Basisschool
3318
Dagverblijf
3319
School voor overig onderwijs
3331
Ziekenhuis
3334
Psychiatrisch ziekenhuis
3339
Medisch overig
3351
Verzorgings- / bejaardentehuis
3353
Praktijkruimte tandarts/fysiotherapie
3356
Gevangenis
3359
Overig bijz. woonfunctie zonder woning
3376
Wijk- / buurtcentrum
3411
Schouwburg / concertgebouw
3412
Congresgebouw
3413
Museum
3415
Bioscoop
3419
Overig cultureel
51
3454
Kerk vrijgesteld WOZ
3512
Sportaccommodatie
3515
Clubhuis
3621
Trafo
3634
NS-station
3635
Parkeerplaats niet-woning binnen
3636
Parkeerplaats niet-woning buiten
3638
Benzinestation
3664
Telefooncentrale
3999
Overige onroerende niet-woning
4111
Bouwterrein
4199
Overige ongebouwd
6001
Rijksmonument met woningdeel
7001
Rijksmonument zonder woningdeel
30B1
Niet-woning/bedrijfsverz. Kantoor
30B3
Niet-woning/bedrijfsverz. Bedrijfsruimte
52
3.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente 's-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van begraafplaatsrechten voor het gebruik van algemene begraafplaatsen 2026
Artikel 1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.
begraafplaats:
de begraafplaatsen in Engelen en aan de Oude Baan in Rosmalen;
b.
particulier graf:
een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: 1. het doen begraven en begraven houden van stoffelijke overschotten;
2. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
c.
algemeen graf:
een graf bij de gemeente in beheer, dat de gemeente beschikbaar stelt voor het van gemeentewege begraven van een stoffelijk overschot. De gemeente verleent geen rechten, de nabestaanden hebben geen zeggenschap over het graf.
53
d.
een enkel graf:
een particulier graf, waarin één stoffelijk overschot wordt begraven;
e.
een dubbel graf:
een particulier graf, waarin maximaal twee stoffelijke overschotten kunnen worden begraven;
f.
een kindergraf:
een graf specifiek bedoeld voor een stoffelijk overschot van een kind tot een leeftijd van 12 jaar;
g.
urn:
een voorwerp ter berging van één of meer asbussen;
h.
urnenzuil
een zuil waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon voor bepaalde tijd het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen;
54
i.
particuliere urnennis:
een nis van 35 cm x 35 cm (Rosmalen) resp. 50 cm x 50 cm (Engelen) waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van 2 asbussen met urn (bij open en gesloten nis) óf twee asbussen zonder urn (bij gesloten nis);
j.
urnenmuur:
een aaneenschakeling van particuliere urnennissen gevat in een muur of anderszins bouwwerk;
k.
verstrooiingsplaats:
een door de gemeente aangewezen plaats waarop as kan worden verstrooid;
l.
gedenkzuil:
een zuil waarop plaquettes (gedenkplaatjes) kunnen worden bevestigd;
m.
kleine plaquette:
een rechthoekig gedenkplaatje van 6 bij 13 cm;
n.
grote plaquette:
een rechthoekig gedenkplaatje van 12 bij 21 cm,
55
o.
asbus:
een bus ter berging van as van een overledene.
Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats. Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens naam dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degenen die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maken. Artikel 4 Belastingtijdvak Voor zover in de bij deze verordening behorende tabel rechten zijn opgenomen die per jaar worden geheven, is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar.
56
Artikel 5 Tarieven en maatstaven van heffing De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tabel. Artikel 6 Wijze van heffing De rechten worden geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een nota of andere schriftuur, waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald binnen achtentwintig dagen na de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in artikel 6. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de begraafplaatsrechten wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening begraafplaatsrechten 2025", vastgesteld bij het besluit van de gemeenteraad van 'sHertogenbosch d.d 8 oktober 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum