Over het schone en passende (definitief)
Tekst van het document
OVER HET SCHONE EN PASSENDE Een discussienotitie over de esthetiek van onze Bossche bouw.
Inhoud Managementsamenvatting .................................................................................................................... 3 Inleiding.................................................................................................................................................. 5 I.
Het belang van architectonische schoonheid............................................................................... 7
II.
Traditionele bouwkunst: kenmerken en deugden. ................................................................. 8
1.
Menselijke maat en schoonheid ................................................................................................ 9
2.
Oog voor traditie ..................................................................................................................... 10
3.
Oog voor omgeving .................................................................................................................. 11
III.
Argumenten tegen de traditionele bouwkunst ...................................................................... 13
IV.
Het Bossche beleid: uitgangspunten en voorstellen .............................................................. 21
Bibliografie ........................................................................................................................................... 24
2
Managementsamenvatting Er komt een nieuwe Omgevingswet, waarmee de grondslag voor het huidige beleid ten aanzien van het uiterlijk van gebouwen komt te vervallen. Dit betekent dat de gemeente opnieuw bij zichzelf te rade zal moeten gaan over de toekomst van de Bossche architectuur: wat voor stad willen we nalaten? Om tot een discussie over deze vraag te komen is de volgende discussienotitie opgesteld. In dit stuk beargumenteer ik allereerst de noodzaak van architectonische kwaliteit en het belang van schoonheid in de publieke ruimte. Waarom zouden we ons ermee bezighouden? Mijn antwoord is: mensen worden gelukkig van schoonheid en ongelukkig van lelijkheid. Elke stad die bouwprojecten serieus neemt, moet, om jaren ’60-taferelen te voorkomen, ook kijken naar de stilistische kwaliteit van wat er gebouwd wordt in plaats van alleen naar de functie en kwantiteit. Vervolgens is het dus de vraag wat voor type bouw het meest begerenswaardig is voor onze stad. In dit stuk bepleit ik de sterke kanten van traditionele bouwstijlen in bredere zin.
Als ‘traditioneel in bredere zin’ definieer ik: gebouwen die zijn gericht op de menselijke maat en algemeen onderkende veroorzakers van schoonheid, zoals symmetrie, proportie en ornamenten; die zich daarom conformeren aan een aantal beginselen zoals die in een eeuwenlange en ononderbroken traditie zijn gevonden; en die ten slotte worden ingepast in een al bestaande omgeving, waardoor het unieke lokale karakter van een gemeenschap wordt behouden. Door zo te bouwen, is het idee, krijgen we zowel schoonheid als passendheid in wat we toevoegen aan onze nu al prachtige stad. Maar men zou natuurlijk, zoals bij alles, bedenkingen kunnen hebben bij een dergelijke insteek. Ik ben van mening dat zulke bedenkingen, hoewel begrijpelijk, uiteindelijk niet steekhoudend zijn. Daarom zal ik ze één voor één langsgaan en zal ik aantonen: 1. Dat ‘traditioneel’ bouwen niet gebonden is aan een specifieke tijd en niets te maken heeft met een eng opgevatte ‘historische’ stijl, maar integendeel iets is dat voor alle tijden en plekken een geldigheidswaarde heeft; 2. Dat traditioneel bouwen op korte termijn niet duurder hoeft te zijn en op lange termijn zelfs met zekerheid goedkoper is dan niet-traditioneel bouwen; 3. Dat met traditioneel bouwen nog steeds mogelijk is om ‘massa te maken’ in het bijbouwen van woningen en zelfs in het beramen van eventuele hoogbouw; 4.
Dat traditioneel bouwen meer dan genoeg kunstmiddelen aan architecten biedt om hun ware creativiteit en genie kwijt te kunnen; 5. Dat de bevolking in overweldigende mate voorkeur geeft aan traditioneel bouwen, zoals blijkt uit onderzoek na onderzoek, en dat dit zelfs uit Bossche resultaten blijkt; 6. Dat het, gegeven de vele initiatieven en projecten in landen en steden om ons heen, prima mogelijk is om anno 2021 traditioneel te bouwen – en dat er dus geen reden is om dit nog langer uit te stellen! Na deze dingen te hebben uitgewerkt, zal ik in het laatste onderdeel ingaan op de concrete aanleiding wat betreft de beleidskaders. Ook de nieuwe Omgevingswet geeft gemeenten namelijk de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels op te nemen over ‘het uiterlijk van een bouwwerk’ (art. 4.19 Ow). Aangezien de welstand haar wettelijke grondslag zal 3
verliezen, is het hoog tijd om tot een nieuwe lijn te komen, waaromtrent ik een viertal prikkelende voorstellen aan u voorleg: Voorstel 1: Maak de huidige welstandsnota, stammend uit 2011, up-to-date voor de Omgevingswet en benut deze kans om een expliciete voorkeur voor traditionele bouwstijlen onderdeel te maken van toekomstige (nieuw)bouw. Voorstel 2: Geef de bevolking significante inspraak in een zo vroeg mogelijk stadium van de plan- en ontwerpfase, niet pas als er al een conceptplan ligt; neem haar wensen serieus mee. Voorstel 3: Maak het gebruik van traditionele bouwstijlen de standaard en een expliciet onderdeel in de aanbesteding van publieke en prominente gebouwen. Voorstel 4: Zorg voor een permanente feedback-loop in de esthetiek van onze stad door inwoners en bezoekers de gelegenheid te geven het uiterlijk van gebouwen te beoordelen. Dit zijn slechts ideeën die ik nu heb bij de toekomst van ons architectuurbeleid. Belangrijker voor de discussie zijn echter de vragen waarmee ik u de gelegenheid bied om uw visie op dit vraagstuk naar voren te brengen. Die zijn hieronder alvast opgenomen, zodat u ze in het achterhoofd kunt houden bij het lezen, maar ze zullen ook op het einde nog eens worden herhaald.
Discussievragen: 1. Bent u het ermee eens dat de gemeente, als politiek en democratisch verband van alle Bossche burgers, een rol zou moeten hebben in de kwaliteit van de publieke ruimte en daarmee van de architectuur? 2. Deelt u, na het lezen van de argumenten hieronder geschetst, de observatie dat traditionele bouwwijzen bevorderlijk zijn voor het woon- en leefgenot van de bevolking en voor haar beleving van de publieke ruimte? 3. Deelt u de observatie dat het bouwen voor een periode van eeuwen uiteindelijk duurzamer en goedkoper is dan het bouwen voor een afschrijftermijn van enkele decennia, waarna weer gesloopt en opnieuw gebouwd moet worden? 4. Deelt u het uitgangspunt dat we de esthetische voorkeuren van inwoners, die volgens onderzoek overwegend uitgaan naar traditionele bouwwijzen, serieus moeten nemen in het inrichten van hun stad? 5. Deelt u de insteek dat we de komst van een nieuwe Omgevingswet moeten aangrijpen om de grondslagen van ons architectuurbeleid te herijken, en dat we de breed gedeelde wens voor meer traditionele bouwwijzen een plek moeten geven in dat beleid?
4
‘’ Het gaat erom wat al gebouwd is te verbeteren en wat nog gedaan moet worden niet te bederven. ‘’ ~ Leon Battista Alberti
Inleiding Sinds de mensheid is begonnen met bouwen, heeft ze er tegelijk naar gestreefd om mooi te bouwen. Naar welke cultuur of welk tijdperk je ook kijkt: je zult de pogingen van mensen aantreffen om het aangezicht van hun huizen, tempels, markten, gerechtshoven, straten en steden – kortom, van de gewichtigste zaken tot het gewoonste leven – te voorzien van een zekere schoonheid en geordendheid. Dit feit is het in zichzelf waard om bij stil te staan: hoe is het te verklaren dat er overal ter wereld een verband lijkt te bestaan tussen bouw en esthetiek? Nader inzien leert ons dat dit niets verbazends is. Mensen worden gelukkig van schoonheid en ongelukkig van lelijkheid. Alle mensen geven de voorkeur aan een mooie omgeving om in te wonen en te werken. Het is dan ook niet zonder reden dat architecten zich eeuwenlang hebben gebogen over vragen van proportie, symmetrie, harmonie, beeldtaal, ornamentatie, inpassing, imitatie en emulatie. Sacrale en publieke gebouwen zijn lang uitgedachte en statig uitgevoerde composities – denk in onze stad aan respectievelijk de Sint-Jan of het Zwanenbroedershuis of de gevel van het Stadhuis. In een gebouwde omgeving komen de hoogste waarden van een gemeenschap tot uitdrukking: de belangrijkste bouwsels van een stad of dorp tonen ons waaraan die gemeenschap belang hecht.
Maar ook in simpele en alledaagse gebouwen, in de meest elementaire woonhuizen en winkelpanden heeft men door de eeuwen heen verfraaiing en een gracieuze sier willen aanbrengen. De smalle straatjes van onze Bossche binnenstad zijn hier een prachtig voorbeeld van; zo ook de grachten van Amsterdam en Utrecht; het Hollands classicisme te Leiden; de gemoedelijkheid van een eindeloosheid nietszeggende dorpjes in Toscane; de romantische elegantie van een gemiddelde wijk in Parijs of Praag. De voorbeelden zijn eindeloos. Maar de vruchten van deze inspanningen zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn het resultaat van doelbewuste pogingen van gemeenschappen om hun stedelijke omgeving naar de normen der schoonheid vorm te geven. Per gebouw moeten we ons uiterste best doen om het tot iets te maken dat onze medeburgers nu en het nageslacht later waardig is. Beschouwt men de wijze waarop er in recente jaren over nieuwbouw en aanbesteding wordt gesproken, dan lijkt dit basale element bij het inrichten van een stad – de schoonheid die mensen gelukkig maakt – vaak uit het oog, soms zelfs uit het hart te zijn verloren. Deze discussienotitie is een poging om de esthetische dimensie terug te brengen in ons denken over bouw en architectuur in ’s-Hertogenbosch, opdat we in waarde kunnen laten waar we zo trots op zijn en iets kunnen toevoegen dat recht doet aan de stad die er al staat.
Dit stuk zal een lans breken voor traditionele wijzen en stijlen van bouwen, als iets dat uiteindelijk een natuurlijker, menselijker, duurzamer, meer lokaal en meer Bosch karakter voor onze gebouwen oplevert – kortom, iets schoons en passends. Na allereerst nader te hebben uiteengezet waarom dit vraagstuk van monumentaal belang is, zal ik toelichten wat zoal dient te worden verstaan onder ‘traditioneel’ en in welk perspectief men dat moet bezien. Vervolgens zal ik ingaan op een aantal mogelijke bedenkingen die men 5
zou kunnen hebben bij het hernieuwen van onze traditionele bouwkunst – en waarom die bedenkingen uiteindelijk op ontoereikende redeneringen zijn gestoeld. Tenslotte zal u een aantal prikkelende beleidsvoorstellen en vragen worden voorgelegd, naar aanleiding waarvan de discussie een concretere wending kan nemen – al moet men zich niet vergissen in het belang van de fundamentele uitgangspunten en de discussie die óók daaromtrent zal moeten plaatsvinden.
Ruischepoort en Van Lanschot Bankiers.
Ten slotte een noot over de aanleiding. Het is de bedoeling dat een dezer jaren de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Daarmee zal de grondslag voor het huidige beleid ten aanzien van het uiterlijk van gebouwen komen te vervallen en is het nodig dat de Bossche samenleving – en in het bijzonder de gemeenteraad – bij zichzelf nagaat, wat voor stad het is die we achter willen laten voor de generaties na ons. Er is dus geen beter moment om na te denken over de grondslagen van het Bossche architectuurbeleid dan nu we er nog tijd voor hebben: het is immers, net als natuur en groen, een integraal onderdeel van de nieuwe omgevingsvisie. Ik hoop daarom we een vruchtvolle gedachtewisseling kunnen hebben over de staat van onze Bossche bouwkunst en dat we de voortdurende schoonheid en schittering ervan kunnen bewerkstelligen door de toekomst opnieuw te verbinden met onze traditie.
Mikhael Hack VVD-fractielid.
6
I.
Het belang van architectonische schoonheid.
De eerste vraag die zal moeten worden behandeld, is een basale: waarom zouden we ons hier überhaupt druk over maken? In onze moderne, technisch-rationele, op effectiviteit en efficiency gerichte maatschappij ligt het weinig voor de hand om je bezig te houden met zoiets ongrijpbaars als schoonheid – laat staan er in het publieke debat iets mee te doen. Is het niet slechts iets overbodigs, iets pretentieus, iets dat afleidt en waarover je geen uitspraken kan (of zelfs mag) doen? Er zijn legio argumenten te geven voor het feit dat schoonheid een objectief bestaan heeft, maar die zouden te omstreden zijn en hier bovendien niet onmiddellijk ter zake doen. De volgende twee constateringen volstaan daarom om het belang van schoonheid in onze bouwkunst over te brengen: 1.) mensen zijn levende wezens met sociale, emotionele en spirituele behoeften, 2.) de architectuur is een publieke en daarmee onvermijdelijk politieke kunst. Allereerst zijn mensen geen machines. De mens heeft behoefte aan een bevallige omgeving die hij tot zijn thuis kan maken en waarin hij zich met vreugde beweegt. Dezelfde reden die ons ertoe brengt om meer groen aan te brengen in anders kille en industrieel aandoende wijken, is ook de reden dat traditionele bouwwijzen al van oudsher zijn afgestemd op de menselijke maat en het menselijk oog.
Niet te groot, niet te hoog, geordend en gestructureerd, gebouwd uit natuurlijke en warm aandoende materialen, aangepast aan de omgeving, Het Rapenburg te Leiden en de Smalle Haven te ’s-Hertogenbosch: typisch Hollandse en typisch Bossche bouw! elegant geornamenteerd en gedecoreerd, ondergebracht in samenhangende straten en pleinen die een gevoel van menselijke bewoning en gezelligheid overbrengen: dit zijn slechts enkele van de principes die een stad of dorp tot een coherente en leefbare plek maken – denk bijvoorbeeld aan onze eigen Markt, Parade en Korte Putstraat; de Lange Voorhout in Den Haag; de Piazza del Campo in Siena; de Piazza Navona in Rome; de Altstädter Ring in Praag. De Engelse filosoof Roger Scruton schaarde de architectuur daarom niet onder de schone kunsten, maar onder design: het gaat erom iets ‘netjes’ in te richten en het aanvaardbaar te maken voor het leven van alledag, aangezien je er ook daadwerkelijk alle dagen mee te maken krijgt. Deze ‘aesthetics of everyday life’ zijn daarom een onmisbaar element in het beoordelen van een architectonisch ontwerp.
Men moet niet alleen kijken naar de koude functionaliteit, rationaliteit of efficiëntie, maar zich de vraag stellen: hoe zou het zijn om met dit bouwwerk te leven? Om erin of ertegenover te wonen, om er elke dag langs te moeten lopen, om een bezoeker in jouw stad ermee te confronteren? Elke stadsgemeenschap moet deze vragen serieus beantwoorden als zij zich bekommert om het levensgeluk van haar inwoners.
7
Dit wordt des te meer benadrukt door de tweede constatering: de architectuur is een publieke kunst. In tegenstelling tot niet-publieke kunsten wordt namelijk iedereen in een bepaalde stad geconfronteerd met het resultaat van een architectonisch ontwerp. Andere kunst is meestal een besloten ervaring die naar keuze beleefd kan worden: je kunt naar dit of dat museum gaan, wel of niet naar een concert, een bepaald boek aanschaffen of laten liggen. De architectuur is anders: als iemand een afgrijselijk gedrocht in jouw buurt opricht, heb je weinig meer te kiezen en zul je er hoe dan ook mee geconfronteerd worden. De inrichting van de publieke ruimte is een zaak van ons allen en moet dus – net als andere zaken van algemeen belang – door ons allen publiek en politiek bediscussieerd worden, met argumenten voor en tegen bepaalde wijzen van doen.
II.
Traditionele bouwkunst: kenmerken en deugden.
Mijn stelling is dat de traditionele bouwkunst beter voldoet aan onze menselijke woon- en leefbehoeften dan wat ervoor in de plaats pretendeert te komen. Maar wat is traditioneel? Iedereen zal erkennen dat de term ‘traditioneel’ iets vaags en onbegrensbaars in zich heeft: Wanneer begon die traditie dan? Wat behoort er wel en niet meer toe? Welke criteria gebruik je om (nieuw)bouw wel of niet traditioneel te noemen? Tegelijk is het echter onmiskenbaar dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen traditionele en anti-traditionele bouw. Dit onderkennen we bijvoorbeeld wanneer we in het dagelijks taalgebruik refereren aan ‘historische’ binnensteden: de wijze waarop men de gebouwen in zo’n binnenstad heeft ontworpen, is kennelijk niet meer in overeenstemming met de vigerende praktijk en wordt op grond daarvan historisch genoemd. Dezelfde indruk gaat schuil achter de frase ‘historiserend bouwen,’ wat weinig anders wil zeggen dan ‘volgens traditionele methoden bouwen.’ Daarnaast is de ‘moderne’ architectuur – op zichzelf al een betekenisvolle term – ooit ontstaan als bewuste reactie op de theorie en praktijk van wat traditioneel altijd werd gedaan.
Dit blijkt ook uit de zogenoemde ‘eigentijdse statements’ die architecten zich soms aanmatigen – dikwijls met ontwrichtende gevolgen voor het al bestaande, zoals duidelijk wordt in een dystopisch vernieuwingsplan voor de Sint-Catharinakerk in Eindhoven.1 Het wordt dus door zowel het publiek als de praktijk onderkend dat er een scheidslijn bestaat tussen traditionele bouw en wat zich daar bewust tegen afzet, hoe vaag die scheidslijn uiteindelijk ook zal moeten blijven. Toch vereist de term ‘traditioneel’ een nadere karakterisering om als zinvol uitgangspunt te kunnen dienen. Traditionele architectuur definieer ik daarom als architectuur die zich richt op de menselijke maat en algemeen onderkende veroorzakers van esthetische welgevalligheid; die zich daarin baseert op een theoretische en praktische traditie die uiteindelijk teruggaat op de Oudheid, maar in de vele eeuwen sindsdien (inclusief de onze) vele verschillende vormen en stijlen heeft aangenomen; en die zich qua inpassing voegt naar de reeds bestaande structuur van een lokale gemeenschap.
1
https://www.rtlnieuws.nl/editienl/artikel/5203735/eindhoven-wil-sint-catharina-kerk-optillen-nietsonmogelijk
8
1. Menselijke maat en schoonheid Het is opzienbarend dat traditionele culturen overal ter wereld tot soortgelijke verhoudingen, technieken en patronen komen om hun gebouwen te voorzien van een aangenaam karakter. Dit heeft er naar alle waarschijnlijkheid mee te maken dat de mens een evolutionaire predispositie heeft om volmaakte, symmetrische en regelmatige vormen mooi te vinden – wat bijvoorbeeld terugkomt in onze voorliefde voor deze kenmerken in landschappen of liefdespartners.2 Op basis van Het voorhof van het paleis van Quetzalpapalotl in Mexico gebruikt algemeen geliefde praktijken is het dus mogelijk dezelfde vormen, verhoudingen, en esthetische technieken als Griekse bouwwerken: zo is het bijvoorbeeld een ‘distyle in antis’ met om tot een aantal kenmerken van traditionele een wijdere centrale doorgang. De beginselen van proportionaliteit bouw te komen en een (uiteraard niet uitputtende) en regelmatigheid lijken iets algemeen menselijks. opsomming te maken, om een indruk te geven van het type gebouwen waaraan hier moet worden gedacht. De traditionele architect benadert zijn gebouw als een compositie. Het voorvoegsel com- geeft aan dat het gebouw bestaat uit meerdere delen en de restant -positie dat die delen in een bepaalde relatie tot elkaar staan.
Het doel is om een voor het oog aangename eenheid te verwezenlijken door lijnen en vlakken goed met elkaar te laten stroken: mensen houden namelijk, net als in de muziek, van harmonie en ritme – waarbinnen uiteraard ruimte bestaat voor variatie. Om dat te bereiken zijn er een aantal technieken die in je in vrijwel alle traditionele architectuur terugziet. Een daarvan is het gebruik van een zogenoemde grondmaat (modula), zodat alle delen in een organische grootteverhouding ten opzichte van elkaar staan. Net als in een mooi lichaam moet niets te groot zijn of juist onverwachts ontbreken. Daarmee samenhangend is het beginsel van de symmetrie: wat aan de ene kant gebeurt, moet (meestal) aan de andere kant gespiegeld worden. Dit vinden wij waarschijnlijk zo aangenaam en herkenbaar omdat ons eigen gezicht ook zo gestructureerd is: twee ogen betekent ook twee wenkbrauwen met grofweg dezelfde intervallen Twee (verschillende!) traditionele stijlen, het neoclassicisme van het daartussen. Stadhuis en de neogotiek van het Zwanenbroedershuis, vertonen allebei dezelfde grondbeginselen van compositie: symmetrie, proportie, herkenbare en rustige vormen, ornamentatie en natuurlijke materialen. 2
Zie voor een overzicht van de empirische literatuur hieromtrent: Pinker, Steven. The Blank Slate: The Modern Denial of Human Nature, pp. 400-420.
9
Een ander gegeven is dat er herkenbare geometrische vormen worden gebruikt, en wel in voorspelbare patronen. Mensen vinden rust in wat zelf ook rust uitstraalt, en iets dat regelmatig is, geeft vanwege de vloeiendheid waarmee het ene in het andere overgaat geen aanstoot. Zijn er daarentegen rare, excentrieke, totaal uit de toon vallende onvoorspelbaarheden aanwezig, dan schept dat juist onrust in de ziel, net zoals een valse noot de beleving van een muziekstuk ruw onderbreekt. Ten slotte – en misschien wel het belangrijkste om in onze tijd te benadrukken – is er in alle traditionele architectuur een organische vormentaal van ornamentatie te ontdekken. Het ornament is de finishing touch van het gebouw: zonder die versierende glazuurlaag blijft het een kale taart. De motiefjes met bloemenkransen, schelpen, reliëflijnen enzovoort geven ons het gevoel dat we niet kijken naar mechanische fabrieksproductie, maar naar een ambachtelijk staaltje mensenwerk, uit natuurlijke en duurzame materialen opgericht en verzorgd. Al met al gebruikt de traditionele architectuur deze en andere beproefde methoden om een resultaat te bereiken waarbij we ons allemaal prettig voelen – zowel onze voorouders als wijzelf als ook onze nakomelingen. Dit raakt aan het tweede element dat de traditionele architectuur kenmerkt: het begrip ‘traditie’ zelf.
Detail van een ornament op een gevel.
Het Eccles Building in Washington, zetel van de Federal Reserve. Hoewel het proportioneel fraai is vormgegeven, mist er toch iets: de warmte van het ornament.
2. Oog voor traditie Een traditie is een bepaalde wijze van denken en doen die door de generaties heen van hand tot hand wordt doorgegeven. Onze voorvaderen erkenden dat er een bijzondere soort wijsheid schuilt in de trial and errormethodiek van een traditie. Door de eeuwen heen ontdekken mensen ‘wat werkt’ en wordt dat simpelweg doorgezet. Dit is mogelijk omdat de menselijke natuur een constante is. Wij zijn geen radicaal andere wezens geworden, maar zijn nog altijd mensen met dezelfde levensvragen en aspiraties als onze voorgangers en als degenen die na ons zullen komen. Daarom heeft men óók in de architectuur middels trial and error kunnen ontdekken ‘wat werkt’ om mensen in gelukkig te maken in hun gebouwde omgeving. Deze traditie gaat voor ons in het Westen uiteindelijk terug op de Oudheid, waar in de eerste plaats de Grieken maar toch vooral de Romeinen de kunst van het mooi bouwen voor 10
Een campuslocatie van de Universiteit Utrecht (Janskerkhof 13) illustreert levendig de kracht van het ornament: dit voelt als een menselijk gebouw!
Ik loop in Amsterdam weleens langs deze Atlantes die een balkon stutten. En dit is niet eens een publiek gebouw, maar zomaar een grachtenpand. Prachtig!
ons hebben geperfectioneerd. Vitruvius heeft er zelfs een heel werk over nagelaten: de tien boeken De architectura. In zijn kielzog hebben Romeinse bouwmeesters in een spanne van eeuwen de stad opgericht die we nog steeds kunnen bewonderen – sommige delen in ruïnes, andere tot op de dag van vandaag in gebruik, zoals het Pantheon en de Curia Julia. Ook in de middeleeuwen was er zo’n traditie. Die was minder theoretisch en meer praktisch georiënteerd: van stad tot stad onderwezen verschillende bouwgildes hun eigen ambachtelijke technieken om tot een mooi, lokaal resultaat te komen. Dit week dus weliswaar stilistisch af van de Antieken – wier bouwkunst verloren was gegaan – maar niettemin zijn de mensen, juist omdat het mensen zijn, altijd bezig gebleven met het zoeken naar ideale verhoudingen, plezierige vormen, Wie de ingang tot de kathedraal van Chartres bekijkt, kan niet passende ornamenten en algemene ontkennen dat ook de middeleeuwers meesterlijke bouwer waren met schoonheid – vooral bij godshuizen, waar gevoel voor proportie, harmonie en detail. die schoonheid immers een weerspiegeling van de schoonheid Gods moest zijn. Dit bleef niet zonder vruchten: wij hebben er ‘onze ouwe Sint-Jan’ aan te danken.
In de Renaissance is men uiteindelijk weer gaan teruggrijpen op de Antieken, en het is die beweging die zich ononderbroken heeft doorontwikkeld in allerlei traditionele stijlen die vandaag onze straten sieren. Onze traditie is dus tweeledig: een ‘klassiek’ deel dat zich oriënteert op de Grieken en Romeinen, en een meer ambachtelijk en lokaal deel dat volgens middeleeuwse en gotische recepten te werk gaat. Deze hebben elkaar dan ook regelmatig in verschillende samenstellingen afgewisseld en aangevuld, daarbij een schitterend resultaat als ’s-Hertogenbosch achterlatend. Het belangrijke aan traditie is dan ook niet dat een specifieke stijl uit een specifieke periode de norm der normen zou moeten zijn, maar het simpele feit dat er zoiets bestaat als een organische traditie met voorschriften die we allemaal in acht nemen. Traditioneel bouwen betekent: onze eigen onwetendheid bekennen en vertrouwen op het oordeel der eeuwen. We moeten ervan uitgaan dat onze individuele expressiviteit ondergeschikt is aan het belang van de stad als geheel, en dat de universele principes van eerder – proportie, symmetrie enzovoort – het uiteindelijk altijd zullen winnen van de waan van de dag. Dit brengt mij bij het laatste onderdeel: passendheid. 3.
Oog voor omgeving De erkenning dat er een tijdloze en beproefde traditie bestaat die onze eigen vluchtige rages te boven gaat, leidt ook tot de nederigheid die traditionele gebouwen meestal kenmerkt. Nederigheid is een deugd. In plaats van zichzelf een centrale en unieke plek aan te matigen, het grote ‘ik’ waarom de hele stad draait, moet een gebouw zich negen van de tien keer gewoon voegen om aangenaam te zijn. Vandaar ook de link tussen architectuur en design die ik eerder aanhaalde: het ‘absolute meesterwerk’ is de uitzondering, het normale rijtjespand de regel. 11
In zo’n stad vol normale gebouwen is het van groot belang dat ze op de een of andere manier met elkaar samenhangen en naar elkaar verwijzen. Ze moeten echter niet te veel op elkaar gaan lijken of te eentonig worden: wie nieuwsgierig is waar dat toe leidt, moet eens in de Bijlmer of wat resteert van het oude Oostblok gaan kijken. Hoe schipper je dan tussen te veel eentonigheid en te veel chaos? Juist daarvoor is de traditie in het leven geroepen! Door ons te voorzien van universele beginselen die áltijd werken en waarmee toch een zeer grote variatie mogelijk is, maakt de traditie het mogelijk om tot in eindeloosheid iets aangenaams en unieks neer te zetten binnen dezelfde bandbreedte. Door op zo’n manier te werk te gaan, valt een gebouw nooit uit de toon en kan het toch ‘eigen’ zijn.
Er is veel ruimte voor variatie en eigenheid van compositie binnen het raamwerk van traditionele bouwbeginselen, zoals deze sets fraaie huizen aan de Oranje-Nassaulaan weergeven.
Daarentegen kun je ook volledig uit de toon vallen...
...al bewijst Amsterdam dat het altijd nóg erger kan.
De vernieuwbouw voor het Theater aan de Parade mist elke vorm van bevalligheid. Het voldoet aan geen enkel traditioneel voorschrift voor een goede compositie: proportie, symmetrie, herkenbare vormen, ornamentatie en algemene samenhang zijn nergens te bekennen. Daarnaast voegt het zich totaal niet in het bestaande. Het faalt esthetisch op alle fronten.
12
Men neme als contrast het kleine maar charmante Statentheater in Praag.
III.
Argumenten tegen de traditionele bouwkunst
Het is in het voorgaande duidelijk geworden dat er een enorme kracht schuilt in de traditionele bouwkunst. Niet alleen zorgt het voor intrinsiek mooie gebouwen, maar vanwege de diversiteit in stijlaccenten en de organische aanpassing aan wat er al staat, zorgt het ook nog eens voor een lokale eigenheid die van elke stad een eigen ‘thuis’ maakt. Als dat zo is, waarom zijn we er dan mee gestopt? Ik heb in het vorige hoofdstuk al gerefereerd aan het ‘modernisme’ en daarbij gesteld dat er een gepercipieerd verschil bestaat tussen onze ‘hedendaagse’ bouw en de door traditionele voorschriften geleide bouw. Er zijn verschillende redenen die mensen geven om de traditionele voorbeelden en voorschriften terzijde te schuiven en alles op een volstrekt eigen manier aan te pakken. Een discussienotitie zou de naam niet waardig zijn als ik niet ook de andere kant van het verhaal zou belichten: ik zal daarom naar mijn vermogen de meest gehoorde argumenten tégen de traditionele bouwkunst weergeven. Ik zal echter ook een standpunt innemen, want ik hoop uiteindelijk aan te tonen dat de meeste van die argumenten slechts de schijn van geldigheid om zich hebben, en uiteindelijk toch onjuist zijn. 1.
‘’Traditioneel bouwen is niet (meer) van deze tijd.’’ Het argument dat ik zelf het vaakst hoor wanneer ik iemand spreek over de staat van onze architectuur, is dat het op de een of andere manier niet ‘bij de tijd zou passen’ om volgens de meer traditionele voorschriften te bouwen. De redenering gaat ongeveer als volgt. Elke tijd heeft zijn eigen kenmerken en moet in overeenstemming daarmee bouwen. De kenmerken van een ander tijdvak overnemen en op basis daarvan iets ontwerpen is op de een of andere manier ‘anachronistisch’, ‘niet authentiek’, en ‘historiserend’. We moeten eigentijdse statements toevoegen en dus op basis van de huidige trends bouwen. Deze redeneerlijn berust op een soort historisch determinisme: eerst was het zus, toen werd het zo, nu is het dit, en morgen wordt het wéér anders. Het is natuurlijk juist dat tijdperken – achteraf bekeken – als verschillend kunnen worden gekenschetst. Maar daaruit volgt niet dat iets wat in de eigen tijd een dominante praktijk is, daarmee ook ‘van’ die tijd is, noch dat we het daarom moeten navolgen. Om met het eerste te beginnen: het is evident dat door de eeuwen heen bouwmeesters hun inspiratie hebben geput uit wat het verleden hen bood. Dat is nota bene hoe de Renaissance is begonnen: mensen gingen teruggrijpen op de bouwtheorieën van de Klassieke Oudheid.
Wéér later, in de neogotiek, is men juist elementen van het middeleeuwse in de bouwkunst gaan incorporeren. In beide gevallen is het resultaat positief geweest en heeft het de ontwikkeling van onze steden verder gebracht. Maar het had niets met ‘de eigen tijd’ of ‘innovatie’ of ‘contemporain bouwen’ te maken. Sterker nog: het was juist bedoeld om ‘de eigen tijd’ te overwinnen door goede resultaten uit het verleden weer tot voorbeeld te maken.
13
Daarnaast heeft wat goed is dus niets te maken met wat actueel is. Denk maar terug aan de jaren ’60: wat toen als ‘revolutionair’ en ‘baanbrekend’ werd gezien, beschouwen we nu meestal als een afgrijselijke wond in het landschap. De eindeloze rijen betonnen flats – waarvan enkele restanten, o.a. op het Loeffplein, nog te zien zijn – hebben duidelijk de tand des tijds niet doorstaan. En toch was dat ooit de ‘eigentijdse’ mode. Waarom redeneren we dan zo vaak in termen van ‘modern’ en ‘actueel’ en Dit was ooit een ‘eigentijds statement’. Vooruitgang? ‘vernieuwend’? Dat is het gevolg van de theoretische stellingen van het modernisme, dat kort gezegd neerkomt op een totale afwijzing van de traditie die ik eerder heb omschreven. Een uitgebreide(re) weerlegging daarvan schiet mijn doel hier voorbij: men raadplege de bibliografie. Het belangrijkste punt dat ik hier wil maken, is dat onze ‘historische blik’ op bouwen uiteindelijk berust op een illusie. Er is niets inherents aan de tijd dat het noodzakelijk maakt om op een bepaalde manier te bouwen. We zijn vrij in onze keuze, en mijn stelling is dat traditionele vormen een beproefdere en juistere keuze zijn. 2. ‘’Traditioneel bouwen is niet duurzaam genoeg.’’ Iets anders dat vaak genoemd wordt, is het argument van de duurzaamheid.
Het zou niet klimaat- en milieubesbestendig en bovendien veel te duur zijn om net zo’n fraaie gebouwen ‘als vroeger’ neer te zetten. De kosten zo laag mogelijk houden om gewoon een deugdelijk en functioneel gebouw te plaatsen zou zijn waar we naar moeten streven, en ook de milieudoelstellingen zouden beter gehaald worden met wanstaltige flats dan met degelijke composities. Daarom is het beter, zegt men, om vooral niet te veel na te denken over hoe iets eruit komt te zien of over wat het met de omgeving doet, maar op gronden van efficiency zoveel mogelijk ruimte te geven voor een compact en dienstbaar ontwerp. Dit argument faalt om drie redenen. In de eerste plaats is een heel Hollands adagium op dit vraagstuk van toepassing: goedkoop is duurkoop. De ervaring wijst uit dat er twee manieren zijn om een gebouw te ontwerpen: met oog op de afschrijvingstermijn of met oog op de eeuwigheid. In het eerste geval is men elke dertig of veertig jaar aan het afbreken en opbouwen: een erg inefficiënte en uiterst on-duurzame manier van stadsplanning. Toch is dat het gevolg van de meeste nieuwbouw die sinds het modernisme gepleegd is. Bouwen we echter met de traditionele beginselen in het oog – en dus voor een periode voorbij onze eigen levens – dan zijn we verzekerd van het feit dat ons gebouw er eeuwen zal blijven staan.
Behoudens hier en daar wat renovaties, is dit veruit de duurzaamste en op lange termijn ook nog eens de goedkoopste optie om met bouwen om te gaan.3 3
Leon Krier, de broer van de architect die het prachtige Brandevoort in Helmond heeft ontworpen, heeft uitgebreid over deze problematiek nagedacht en geschreven. Hij bepleit ‘traditioneel urbanisme’ op basis van natuurlijke materialen als de meest duurzame manier om richting de toekomst te bouwen en te leven: hoge,
14
In de tweede plaats negeert dit ‘functionalisme’ dat de belangrijkste ‘functie’ van een gebouw is om ermee te leven. Zoals ik in het eerste hoofdstuk al zei: esthetische inrichting is voor mensen een essentiële vereiste voor een leefbaar thuis. De mens leeft niet van brood alleen: we zijn emotionele en spirituele wezens met een behoefte aan betekenis en zingeving. Dat doen we onder andere door onze omgeving mooi en netjes te maken. Wie de pech heeft om elke dag in een lelijk en afgeschreven gebouw naar zijn werk te moeten, begrijpt wat ik bedoel; wie het voorrecht heeft om in een ‘historisch’ (lees: traditioneel) pand te wonen of te werken, weet het ook. Goedkoop is wederom duurkoop: wie alleen bouwt voor de functie, bouwt iets dat uiteindelijk geen enkele functie kan vervullen. Ten derde is de huidige on-duurzaamheid van veel moderne gebouwen juist te wijten aan de industriële materiaalkeuze en de massaliteit van de constructie. Traditionele gebouwen, zowel van vroeger als van vandaag, zijn gebouwd uit natuurlijke materialen (zoals baksteen en hout) en zijn daarom, naast rustgevender en plezieriger voor de mens, ook meer in harmonie met de natuurlijke omgeving dan een betonnen flat waar toevallig wat plantjes op zitten. Écht ‘natuurinclusief bouwen’ begint dus bij een traditioneel ontwerp. 3.
‘’Traditioneel bouwen kan niet genoeg volume maken voor onze woningnood.’’ Een ander mogelijk punt van zorg heeft te maken met onze ‘bouwcrisis’. ‘’Het klopt weliswaar,’’ zou iemand kunnen zeggen, ‘’dat schone en traditionele architectuur ons gelukkig maakt, in de tijd kan passen, en uiteindelijk duurzaam is: maar wat doen we met de woningnood? Hebben we niet heel snel heel veel nieuwe panden nodig, zo nodig in de hoge hoogte, zodat jouw voorstel nu onmogelijk is?’’ Het is waar dat het ideaal van een traditioneel ingerichte stad zich slecht verhoudt tot glazen en stalen torens van honderden meters hoog. Het goede nieuws is: die hebben we ook niet nodig. Er zijn meer dan genoeg opties om enigszins de hoogte in te gaan, gespreid over een grotere ruimte, waardoor we met behoud van de menselijke maat toch ‘meer volume kunnen maken’. Er is geen enkele reden dat er geen gebouw van meerdere etages hoog zou kunnen zijn in een traditioneel ingerichte stad. Binnen redelijke en menselijke perken is het niet een kwestie van hoe hoog je bouwt, maar hoe je bouwt: is het een samenhangend en sierlijk geheel dat concordant is met de al bestaande stad eromheen?
De Kungstornen in Stockholm zijn de eerste twee woontorens die in die stad werden gebouwd. Ze zijn respectievelijk 61 en 60 meter hoog, en volledig in lijn met de principes van traditionele proportie en ornamentatie ontworpen.
industriële wolkenkrabbers in miljoenensteden, hoe ‘groen’ ook, kunnen uiteindelijk niet meer dan een tijdelijke oplossing zijn. Zie ook zijn essay op The Architectural Review hierover: https://www.architecturalreview.com/essays/leon-krier-on-sustainable-urbanism-and-the-legible-city.
15
4. ‘’Traditioneel bouwen is niet expressief genoeg.’’ Iets waar met name (sommige) architecten zich druk over zouden kunnen maken is de mate waarin zij hun expressiviteit kunnen tonen bij het bouwen in navolging van traditionele voorschriften en voorbeelden. Is traditioneel bouwen niet te rigide, te formalistisch? Is het nog mogelijk een maatschappelijk statement te maken binnen die kaders? Het antwoord is nee, en dat is maar goed ook. Laten we de relatie tussen architectuur en design in herinnering roepen: het doel van de architectonische esthetiek is niet om maatschappijkritisch en kunstzinnig bezig te zijn, maar om iets te maken dat zich ‘voegt’ in onze alledaagse belevingswereld en daarmee een aangenaam thuis in de publieke ruimte schept. Vergelijk het met het opruimen van je huis of het met aandacht dekken van de tafel: het doel is niet het scheppen van hoge, eigenstandige kunst, maar ervoor zorgen dat het ‘ gewoon klopt’ en voor anderen netjes en presentabel is. Kunst met een uitsluitend esthetisch en scheppend doel is voor in de musea: de architectuur is een praktische, toegepaste kunst, die per slot van rekening een te gebruiken gebouw moet opleveren – waarvan een essentiële component niettemin schoonheid is. Dit alles wil niet zeggen dat de architect zijn creativiteit niet zou kunnen tonen in een traditioneel project.
Integendeel: in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Het setje panden aan de OranjeRoger Scruton gebruikt deze schets van een bouwwerk Nassaulaan dat ik eerder aanhaalde, is een sprekend door Palladio om het concept van de ‘significant departure’ te duiden. In hoek van het gebouw vindt men voorbeeld van hoeveel er mogelijk is binnen het een stuttend standbeeld (een Atlas) in plaats van een zuil traditionele raamwerk. En ook dat is slechts één – een stilistische onregelmatigheid. ‘’The departure straat en hoeft niet een bindend ‘ideaalpatroon’ voor becomes meaningful because of the order against which it is set. It is in the context of rules and conventions that elk gebouw te worden: het Zwanenbroedershuis is such ‘free gestures’ are able to convey expressive immers anders, de Moriaan is wéér anders. Maar de intentions.’’ beginselen die aan elk van deze gebouwen ten grondslag liggen – die van de traditie, zoals eerder omschreven – dát zijn de kunstmiddelen waarmee we tot nu toe een mooie stad hebben neergezet, en dat hopelijk zullen kunnen blijven doen. 5. ‘’We moeten niet traditioneel bouwen, we moeten gewoon bouwen wat de mensen willen.’’ We komen aan bij wat volgens mij een van de belangrijkste argumenten is dat moet worden overwogen in dit vraagstuk.
Bij sommige mensen bestaat namelijk de gedachte dat architectuurpolitiek die traditionalisme bevordert op de een of andere manier repressief zou
16
zijn en iets van bovenaf zou opleggen.4 Als goede democraten moeten we uiteraard de wil van de bevolking respecteren – en dus niet traditioneel gaan bouwen. Hierop geef ik een tweevoudig antwoord. Ten eerste zou dit argument, als je het daadwerkelijk serieus neemt, leiden tot het afschaffen van alle omgevingsnormen in het bouwen. Elke norm is immers een van bovenaf opgelegde beperking van de vrijheid tot bouwen. Maar we erkennen allemaal dat we er op de een of andere manier samen uit moeten komen: de publieke ruimte is niet de optelsom van individuele huisjes, maar het geheel dat daaruit ontstaat. Elk pand heeft invloed op het woon- en leefgenot van de omgeving. Daarom is het, zoals ik in de inleiding al zei, een publieke vraag, op basis van welke normen we die omgeving inrichten. Elke publieke norm is echter het gevolg van een politieke keuze. Daarmee is het niet de vraag of er normen ‘van bovenaf worden opgelegd’ – of eerder: democratisch worden vastgesteld – maar welke. Een voorkeur voor meer traditionele bouw zou daar simpelweg een keuze in kunnen zijn. Ten tweede – en dit is echt cruciaal – is de situatie nu precies het omgekeerde van de veronderstelling die in het bezwaar zit. De overgrote meerderheid van de mensen wil namelijk geen moderne, maar juist traditionele bouw.
Dit blijkt uit onderzoek na onderzoek.5 De volkssmaak is overwegend vóór het traditionele en gemoedelijke, en tégen het absurde en industrieel-moderne. Grofweg driekwart van de respondenten geeft aan traditionele stijlen boven moderne te verkiezen, en wel dwars door verschillende regio-, inkomens- of leeftijdsgroepen heen.6 Sterker nog: in 2003 heeft men in ’s-Hertogenbosch zelf ook een soort proto-Big Data-onderzoek gedaan, dat heeft geresulteerd in het 355 pagina’s tellende boekwerk De taal van de stad: burgers, bestuurders en architecten over (ge)bouwen in ’sHertogenbosch. Blader erdoorheen en de teneur is duidelijk: het kille beton is vrijwel overal ongewenst, terwijl harmonieuze panden juist worden gewaardeerd. Dit is dan ook de oorzaak dat overal waar de bevolking significante inspraak en participatie krijgt op architectonisch gebied, de resultaten ogenblikkelijk een stuk traditioneler worden. Mensen hebben een natuurlijke aantrekking tot het regelmatige, harmonieuze en charmante. Richtlijnen die ons helpen meer traditioneel te bouwen zouden de volkssmaak dus niet onderdrukken, maar haar juist beter tot uitdrukking Een van de beoordelingen uit het boek De taal van de stad. brengen. 4
In zijn meest extreme vormen kan deze gedachtevorm leiden tot (overigens historisch misleidende) parallellen met totalitaire regimes. Denk hierbij aan de veelzeggende titel van een artikel als ‘The Non-Fascist Case for Classical Architecture’ (https://newrepublic.com/article/156530/non-fascist-case-classicalarchitecture). Feit is echter dat de totalitaire regimes meestal juist een vorm van modernisme voorstonden, bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie. 5 Begin vorig jaar nog heeft een onderzoek aan de Norwegian University of Life Sciences (NMBU) dit bevestigd (https://partner.sciencenorway.no/architecture-nmbu/traditional-architecture-gives-better-sense-of-wellbeing-than-contemporary-glass-and-steel-buildings/1631355). Kort daarop ook een onderzoek in de Verenigde Staten (https://www.bloomberg.com/news/articles/2020-10-14/classical-buildings-beat-modern-ones-in-u-spoll?fbclid=IwAR3JtLSmifFPISLFKMH6_tGoJycvLC-APTYUYSEAxrG7ZOoKOUGNFU-WnlE&utm_source=url_link). 6 Ook dit blijkt uit onderzoek: https://adamarchitecture.com/wp-content/uploads/2019/04/YouGovsurvey_Oct09_resultsfollowup.pdf
17
6. ‘’Het is technisch onmogelijk om nog zo te bouwen’’ Gesteld dat het bovenstaande allemaal juist is, zou er nog één potentieel onoverkomelijke moeilijkheid kunnen zijn die ons toch afbrengt van het idee om meer traditioneel te gaan bouwen. Wat als dat namelijk helemaal niet meer kan? Is het mogelijk dat we simpelweg verleerd zijn om harmonieuze gebouwen te ontwerpen met compositie en ornament; dat we geen er architecten meer voor opleiden, of dat we de technieken in de technische uitvoering zijn vergeten? Gelukkig niet. Internationale ervaring toont ons dat we het nog kunnen. Met name in het Verenigd Koninkrijk lopen ze voorop in de ambitie om hun gebouwde omgeving met meer schoonheid – én meer bevolkingsinspraak, overigens – gestalte te geven.
In 2019 werd daar bijvoorbeeld de Building Better Building Beautiful Commission ingesteld, die ten doel had 1.) tot een betere stijl voor nieuwbouw te komen gebaseerd op lokale ervaring en traditie; 2.) de bevolking meer te betrekken in het ontwerpen daarvan, en 3.) het plannings- en aanbestedingsproces daarop in te richten.7 Enkele van de adviezen die zij aan zowel nationale als lokale overheden hebben uitgebracht zijn: Om schoonheid vragen: Het creëren van een thuisgevoel (‘placemaking’) en het scheppen van schoonheid in de openbare ruimte (‘beautiful places’) zou een expliciete doelstelling moeten zijn, niet slechts een leuke bijkomstigheid. Lelijkheid afwijzen: Het afschieten van overduidelijk lelijke en ongepaste projecten blijft uiteindelijk makkelijker dan vaststellen wat schoonheid is. Het voorkomen van lelijkheid kan daarom terecht als doelstelling worden gezien. Ook kunnen we van eerdere afwijzingen en flaters leren wat kennelijk niet gewenst is en wat we bij voorbaat moeten uitsluiten. De schoonheid lokaal zoeken: Een doelstelling zou moeten zijn om in de geest van de lokale gemeenschap te bouwen. Dit kan bijvoorbeeld door aan de ene kant empirisch onderzoek te doen en aan de andere kant in samenspraak met inwoners te komen tot een definitie van die ‘spirit of the place’, van de stijlen en bouwwijzen die daarbij passen.
Een voorbeeld hiervan uit Zweden geef ik verderop in dit document (p. 22). Zorg voor brede, vergaande en vooral vroege publieke betrokkenheid: Met name codesign, een planvorm waarin de professionals samenwerken met lokale leken om tot een breed gedragen ontwerp te komen, wordt hier genoemd. Het idee is dat de inwoners zelf goed weten wat er ‘past’ en wat prettig wonen oplevert, en dat je bovendien vroege participatie nodig hebt om voldoende draagvlak te creëren 7
Voor meer informatie over de BBBB-commissie en hun volledige eindrapportage: https://www.gov.uk/government/groups/building-better-building-beautiful-commission. Daaruit voortvloeiende initiatieven als het Create Streets-platform (https://www.createstreets.com/) maken het mogelijk om dergelijke ideeën in de praktijk om te zetten.
18
voor het uiteindelijke ontwerp. Ook kan het helpen om inwoners meerdere ontwerpen voor te leggen en ze een voorkeur te laten uitspreken voordat het uiteindelijke besluit wordt genomen. Het zij hier overigens in herinnering geroepen dat ‘traditioneel’ bouwen meer betekent dan een eng opgevatte historische stijl, maar veeleer betekent dat er in overeenstemming met bepaalde fundamentele beginselen van compositie, natuurlijke materiaalkeus en ornament wordt gebouwd – en dat kan ook in contemporaine gebouwen. Veel onlangs gerealiseerde projecten in binnen- en buitenland getuigen van het feit dat het nog altijd mogelijk is om anno 2020 traditioneel te bouwen, hetzij in renovatie hetzij in daadwerkelijke nieuwbouw. Hieronder enkele voorbeelden die ik bij elkaar gesprokkeld heb:
Hausvogteiplatz 10/Jerusalemer Straße, Berlin-Mitte. Bouwjaar: 2004.
Maybachufer 36-38, Berlin-Neuköln. Bouwjaar: 2018.
Ontwerp voor een woonhofje, Milaan. Project momenteel in de bouwfase.
Kronenpalais, Berlin-Mitte. Bouwjaar: 1998.
Herstel van de Korenbeurs, Orthenstraat 209. Bouwjaar: 2017. (Ook hier kan het!)
19
Hans Place, Kingwood. Bouwjaar: 2017. Herstel van een appartementencomplex in Warschau.
Inzending voor een aanbestedingscompetitie in Upplands Väsby, Zweden.
Champs-Philippe, commune La Garenne-Colombes. Bouwjaar: 2013.
Brandevoort, Helmond. Bouwjaar: 2000-nu.
20
IV.
Het Bossche beleid: uitgangspunten en voorstellen
Ter afsluiting zal ik mij in dit laatste onderdeel, waarin ik u een aantal voorstellen en vragen wil voorleggen over de toekomst van het Bossche architectuurbeleid, baseren op de (hopelijk) spoedig in werking tredende Omgevingswet.8 In die wet komt het zogenoemde ‘omgevingsplan’ centraal te staan, waarin alle regels over de fysieke leefomgeving in samenhang zullen zijn opgenomen voor een bepaald gebied. Om de overgang te versoepelen zal bij de invoering van die wet eerst een tijdelijk omgevingsplan van kracht zijn (de zogenoemde ‘bruidsschat’), waarvan het de bedoeling is dat gemeenten er in 2029 een definitief omgevingsplan van hebben gemaakt Een expliciete doelstelling van de omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een goede ‘omgevingskwaliteit’, wat betrekking heeft op het belang van cultuurhistorie, stedenbouw, architectuur, landschap en natuur.9 Om dat te bereiken, is het in de Omgevingswet ook mogelijk gemaakt om in het omgevingsplan regels op te nemen over ‘het uiterlijk van een bouwwerk’ (art. 4.19 Ow). Het vaststellen van zulk beleid is het prerogatief van de gemeenteraad. Uit de memorie van toelichting blijkt dit betrekking te hebben op de vormgeving, de maatvoering en het kleurgebruik, waaraan men eventueel ook kleurstelling, materialisering en gevelindeling kan toevoegen als nadere uitwerking.
Net zoals nu zal er dus de mogelijkheid bestaan om gezamenlijke afspreken te maken over het type stad waarin we willen leven en de esthetische ruimte die we willen nalaten. Het blijkt echter zo te zijn dat de wettelijke basis voor de huidige welstandscommissies met het intreden van de Ow zal vervallen bij gebrek aan overgangsrecht.10 Dit feit geeft ons de kans en het aanknopingspunt om in dialoog met de stad nieuw beleid te formuleren over het type architectuur dat we zouden willen, en op basis daarvan een adviescommissie of stadsbouwmeester aan te stellen die in de geest van zulke kaders kan oordelen. Een gedetailleerde uitwerking van zulke kaders zou in dit stadium voorbarig zijn, maar dit is wel het moment om alvast na te denken over de grondslagen daarvan. Nu ik dus heb betoogd dat traditionele bouwwijzen beter zijn voor het woon- en leefgenot van onze inwoners, en nu ik de wettelijke grondslag en gelegenheid voor een hernieuwd architectuurbeleid heb laten zien, wil ik u een aantal eigen voorstellen en vragen voorleggen, in de hoop dat deze de discussie in een goede richting kunnen sturen.
Voorstel 1: Maak de huidige welstandsnota, stammend uit 2011, up-to-date voor de Omgevingswet en benut deze kans om een expliciete voorkeur voor traditionele bouwstijlen onderdeel te maken van toekomstige (nieuw)bouw. Krachtens de omgevingswet zal de gemeenteraad in zijn beleid kunnen vastleggen hoe onze gebouwen eruit komen te zien. Ik heb in het voorgaande uiteengezet waarom traditioneel bouwen gelukkiger maakt, duurzamer en goedkoper is, net zoveel ‘massa kan maken’, en 8
Ik baseer mij in het volgende vooral op S. Koopmans ‘Het uiterlijk van de welstand onder de Omgevingswet’, PRO 2020/03, pp. 12-18. Te raadplegen op: https://stab.nl/wp-content/uploads/2020/06/PraktijkOmgevingsrecht-PRO.pdf. 9 http://romagazine.nl/houdt-welstand-wel-stand-onder-de-omgevingswet/23607. 10 Koopmans, ‘Het uiterlijk van de welstand onder de Omgevingswet’, p. 16.
21
beter in het lokale, Bossche karakter past dan de anti-traditionele bouwstijlen die haaks staan op het al gebouwde. Het is dus heel goed mogelijk en mijns inziens ook zeer wenselijk om hier in ons beleid een actieve voorkeur voor uit te spreken. Dat kan in concreto betekenen dat we van nieuw- of vernieuwbouw verwachten dat hij voldoet aan elementaire normen als natuurlijk materiaalgebruik, evenwichtige compositie, traditionele ornamentatie en aansluiting op het al bestaande weefsel van onze stad. Zulke criteria zouden vervolgens door een adviescommissie of stadsbouwmeester, die onze welstandscommissie zal opvolgen, worden bewaakt. Je kunt dit in specifieke gevallen ook nóg concreter maken: zo heeft men in Upplands Väsby (Zweden) men naar aanleiding van een ‘burgerdialoog’ besloten om in het structuurplan vier stijlen de voorkeur te geven bij aanbesteding: jugendstil, neorenaissance, 20e eeuws classicisme en ‘nationalromantik’.11 Een dergelijke dialoog met bijbehorende keuzes in de finesses zou ’s-Hertogenbosch mijns inziens ook ten goede komen, wat mij brengt bij het volgende voorstel: de inspraak van burgers.
Voorstel 2: Geef de bevolking significante inspraak in een zo vroeg mogelijk stadium van de plan- en ontwerpfase, niet pas als er al een conceptplan ligt; neem haar wensen serieus mee. Zoals uit talloze onderzoeken blijkt – waarvan ik er in het voorgaande al enkele heb aangehaald – geeft de bevolking, zodra zij erom gevraagd wordt, overduidelijk de voorkeur aan traditionele wijzen en stijlen van bouwen. Het wordt dan ook tijd dat we haar er voortaan om gaan vragen. Dit betekent dat we niet, zoals nu weleens gebeurt, omwonenden moeten presenteren met een uitgekookt plan waarvan – als ze geluk hebben – slechts in de marge kan worden gekrabbeld. Veeleer moeten we, zodra we iets van enige betekenis willen neerzetten, onmiddellijk met de bevolking in gesprek over de esthetische uitgangspunten van het te maken ontwerp. Hun wensen voor het project moeten serieus worden meegenomen.
Voorstel 3: Maak het gebruik van traditionele bouwstijlen de standaard en een expliciet onderdeel in de aanbesteding van publieke en prominente gebouwen. Gebouwen die een belangrijke publieke functie vervullen en zich vanwege hun prominente profiel onderscheiden in het blikveld – met name maar niet uitsluitend overheidsgebouwen – verdienen onze bijzondere aandacht, omdat zij iets vertolken over de waarden van onze stad. Niet zonder reden heeft men in de Verenigde Staten vrijwel alle overheidsgebouwen – denk aan het Capitool, het Witte Huis, de zetel van het Supreme Court, enzovoort – in een neoklassieke stijl ontworpen, omdat zij de ‘tempels’ van republikanisme en publieke deugd moeten zijn. Het feit dat ze dit in hun uiterlijk ook uitstralen legt gewicht in de schaal van hun statuur en autoriteit. Als contrast wordt iedereen die het gebouw van Brabant Wonen aan de Graafseweg binnenwandelt meteen bedrukt door het zware beton van die brutalistische bunker. Buildings matter. 11
https://via.tt.se/pressmeddelande/vasbyborna-ges-mojlighet-att-paverka-tavling-om-framtidabostader?publisherId=3045332&releaseId=3291611. Voor de duidelijkheid: ik lees niet vloeiend Zweeds, maar met de Google Translate-functie kom je een heel eind.
22
We doen er dus goed aan om onszelf ten doel te stellen, dat publieke en betekenisvolle gebouwen iets uitstralen dat hun bedoeling waardig is. Dit wordt het beste bereikt door een traditionele stijl te kiezen waarin we het voorlopig ontwerp graag uitgewerkt zouden zien, wellicht door al in de vroegste stadia van de aanbesteding de bevolking een keuze uit dergelijke stijlen voor te leggen. Vervolgens moeten we dat ook expliciet kenbaar maken in de functionele kaders van de aanbesteding.
Voorstel 4: Zorg voor een permanente feedback-loop in de esthetiek van onze stad door inwoners en bezoekers de gelegenheid te geven het uiterlijk van gebouwen te beoordelen. Onze stad is een levend organisme, dat door de jaren heen verandert en van inrichting verandert. De sleutel hierbij is de continuïteit van een traditie die het beste behoudt en het minder goede afstoot om het te vervangen door iets beters. Om dit goed te doen moeten we echter wel weten wat geslaagd en wat minder geslaagd is. Het oordeel van een groot aantal mensen door de jaren heen kan ons daarbij helpen. We zouden dus een systeem in het leven moeten roepen om inwoners en bezoekers een esthetische rating te laten geven van de gebouwen in onze stad. Waarschijnlijk zou zoiets goed te koppelen zijn aan de ambitie om een Big Data-stad te worden en op het gebied van cultuurhistorie iets te doen met een digitale beleving van ons erfgoed. Laten we dit idee dus overnemen voor de esthetische ruimte in het algemeen, en bijvoorbeeld een app ontwerpen waarin mensen hun oordeel kunnen vellen over de esthetische kwaliteit van het gebouw. Zo kunnen we na verloop van tijd een duidelijk beeld krijgen van wat we moeten imiteren en wat juist niet.
Discussievragen: 1. Bent u het ermee eens dat de gemeente, als het politieke en democratische verband van alle Bosschenaren, een rol zou moeten hebben in de kwaliteit van de publieke ruimte en daarmee van de architectuur? 2. Deelt u, na het lezen van de argumenten hierboven geschetst, de observatie dat traditionele wijzen van bouwen bevorderlijk zijn voor het woon- en leefgenot van de bevolking en voor haar beleving van de publieke ruimte? 3. Deelt u de observatie dat het bouwen voor een periode van eeuwen uiteindelijk duurzamer en goedkoper is dan het bouwen voor een afschrijftermijn van enkele decennia, waarna weer gesloopt en opnieuw gebouwd moet worden? 4. Deelt u het uitgangspunt dat we de esthetische voorkeuren van inwoners, die volgens onderzoek overwegend uitgaan naar traditionele bouwwijzen, serieus moeten nemen in het inrichten van hun stad? 5. Deelt u de insteek dat we de komst van een nieuwe Omgevingswet moeten aangrijpen om de grondslagen van ons architectuurbeleid te herijken, en dat we de breed gedeelde wens voor meer traditionele bouwwijzen een plek moeten geven in dat beleid?
23
Bibliografie Ik heb getracht deze notitie zoveel mogelijk op hoofdlijnen te houden en niet te veel in de esthetiek of architectuurtheorie te vervallen – deels omdat dat de discussie ten goede komt, deels omdat ik daarvoor nu niet de aangewezen persoon ben. Achter de hier uitgedrukte zienswijzen gaan echter vele aanvullende argumenten en lezenswaardige werken schuil, waarvan ik voor de geïnteresseerde een kort overzicht geef:
Alberti, Leon Battista. The Ten Books of Architecture, vert. Giacomo Leoni. Mineola: Dover Publications, 1986. Palladio, Andrea. I quattro libri dell’architettura. Milaan: Ulrico Hoepli Editore S.p.A., 1990. Scruton, Roger. The Aesthetics of Architecture. Princeton: Princeton University Press, 2013. Vitruvius, De architectura libri decem, ed. Curt Fensterbusch. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1964. Von Hildebrand, Dietrich. Aesthetics, vert. Brian McNeil. Steubenville: Hildebrand Project, 2016. Wittkower, Rudolf. Grondslagen van de architectuur in het tijdperk van het humanisme, vert. Kees van Dooren. Nijmegen: Uitgeverij SUN, 1996.
24