Ontwerpbestemmingsplan De Groote Wielen - Broekland - Indigoweg (Toelichting en Regels)
Tekst van het document
5.7
Externe veiligheid
5.7.1 Beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. 36
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Activiteitenbesluit Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. 5.7.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied (buiten de 325 meter van het spoor en wegen). Nieuwe kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan.
Beschouwing risicobronnen De verschillende risicobronnen zijn in het kader van dit bestemmingsplan geïnventariseerd. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er zich in of nabij het plangebied geen relevante risicobronnen bevinden.
Verantwoordingsplicht 37
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
Uit bovenstaande informatie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in het invloedsgebied van risicobronnen. Het is dan ook niet noodzakelijk om een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico op te stellen. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
Omdat de ontwikkeling niet binnen de invloedssfeer van risicobronnen ligt en (ver) buiten een afstand van 325 meter van spoor en wegen, is geen advies gevraagd van de Veiligheidsregio. Dit is conform de afspraken met de Veiligheidsregio welke zijn opgenomen in het gemeentelijk 'Uitvoeringskader externe Veiligheid'. 5.7.3 Conclusies en restrisico Aangezien het planvoornemen niet is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Lucht
5.8.1 Beleidskader Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. 5.8.2 Onderzoek Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 8,2 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 222 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
38
Figuur 5.3 - Uitslag NIBM-tool (versie 24-03-2021, bron: infomil.nl) Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied (Woongebied De Groote Wielen) onder respectievelijk 19 en 19 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12 microgram/m³. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. 5.8.3 Conclusie Het planvoornemen draagt NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van goede kwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.
5.9
Bodem
5.9.1 Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.
39
5.9.2 Onderzoek Het plangebied is op basis van het geldende bestemmingsplan al bestemd voor 'Wonen'. De gronden zijn dus al eerder geschikt bevonden voor deze functie. Toch is de bodemkwaliteit door middel van een actualiserend bodemonderzoek opnieuw beoordeeld (Diverse actualiserende onderzoeken, 6 locaties plangebied De Groote Wielen, Verhoeven Milieutechniek B.V., 7 december 2016). Het betreffende bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. In dit onderzoeksrapport is het plangebied ter plaatse van de beoogde woningbouw aangeduid als 'Locatie 5'. Ter plaatse van het plangebied zijn geen sterke grondverontreinigingen aangetroffen. Wettelijk zijn er dan ook geen sanerende maatregelen van toepassing. Met de uitgevoerde actualiserende onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate onderzocht en vastgelegd. Het bodemonderzoek dateert van eind 2016, echter hebben in de periode hierna geen bodemverontreinigende activiteiten meer plaatsgevonden. Het plangebied heeft sindsdien enkel nog braak gelegen en heeft gefungeerd als groenstrook. Geconcludeerd kan worden dat er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen bestaan voor de herontwikkeling en onroerend goed transactie.
Als er door graafwerkzaamheden grond moet worden afgevoerd van de locatie gelden de voorwaarden uit de Nota Bodembeheer 2019-2024 van de omgevingsdienst Brabant Noord. Ook moet er rekening worden gehouden met het "tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie". Dit tijdelijk handelingsperspectief van 8 juli 2019 is op 28 november 2019 geactualiseerd. 5.9.3 Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.10
Geur
Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook eventueel gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen of geur producerende bedrijven) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.
Gezien de afwezigheid van agrarische bedrijven, alsook industriële geur-producerende bedrijven in de nabijheid van het plangebied, is geur hier geen relevant aspect.
40
5.11
Hoogspanningslijnen
5.11.1 Advies Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla. 5.11.2 Onderzoek Het Rivm beheert een kaart met daarop de Nederlandse hoogspanningslijnen.
Dit is de zogenaamde 'netkaart'. Deze netkaart is in juli 2018 geactualiseerd en geeft voor elke individuele hoogspanningslijn (of een deel daarvan) de breedte van de 'indicatieve magneetveldzone'. De breedte van de 'indicatieve magneetveldzone' bedraagt hier 60 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn. De breedte van deze magneetveldzone dient bij ontwikkelingen te worden aangehouden, tenzij uit een specifiek onderzoek een kleinere afstand blijkt. Dit betekent dat nieuwe gevoelige objecten (inclusief buitenruimten) er buiten dienen te liggen. Voor de realisatie van dit planvoornemen is een onderzoek uitgevoerd naar de specifieke magneetveldzones voor de 150kV hoogspanningslijn Den Bosch Noord - Oss, ter plaatse van de masten 18, 19 en 20 en aanvullend ook masten 22 en 23 (ter hoogte van het plangebied) in de Groote Wielen. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting. Berekend is dat voor het vaksegment M22 – M23 een specifieke magneetveldzone van 45 meter geldt, zowel voor het noordelijke (witte) circuit als het zuidelijke (zwarte) circuit.
41
Figuur De berek ende specifieke magneetveldzones tussen de masten 22 en 23 met plangebied rood omlijnd.
5.4:
Geadviseerd wordt om binnen de specifieke magneetveldzone van 45 meter geen woningen en bijbehorende percelen mogelijk te maken. Het plangebied van dit bestemmingsplan is gelegen buiten de specifieke magneetveldzone van 45 meter en maakt dus geen woningen en bijbehorende percelen mogelijk binnen de zone. Daarmee voldoet het plan aan het advies van het rijk uit 2005 en het daarin geformuleerde voorzorgsbeleid. 5.11.3 Conclusie Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een woonbestemming op 59 meter van hoogspanningslijnen. Uit het specifieke onderzoek blijkt dat de zone 45 meter bedraagt, hierdoor is er geen sprake van langdurige blootstelling en daarmee heeft het planvoornemen geen invloed op de gezondheid. Daarmee wordt gehoor gegeven aan het advies om geen nieuwe woningen, inclusief bijbehorende tuinen, binnen deze zone te realiseren.
5.12
Water
5.12.1 Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Op 31 januari 2017 heeft de gemeenteraad het Waterplan 2016 vastgesteld. Dit plan beoogt een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem in 's-Hertogenbosch. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties.
42
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Voorkom vervuiling van (regen)water; Houd vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houd rekening met waterschapsbelangen, bijvoorbeeld ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van waterkeringen of watergangen; Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties, bijvoorbeeld een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald in dit bestemmingsplan.
5.12.2 Wateropgave en waterberging Het potentieel extra verhard oppervlak binnen het plangebied (bestemming 'Wonen') bedraagt (worst-case) circa 1.500 m². Om invulling te geven aan het aspect klimaat-adaptatie geldt volgens het gemeentelijke hemelwaterbeleid en de Keur van het Waterschap Aa en Maas een bergingsopgave van ten minste 60 mm per m² oppervlak dat wordt verhard. In deze situatie komt dat neer op een worst-case bergingsopgave van 90 m³. Voor het totale plan van De Groote Wielen is een waterhuishoudingsplan van toepassing. Dit is afgestemd met het Waterschap Aa en Maas. Voor meer informatie over dit plan wordt verwezen naar de actualisatie van het gehele bestemmingsplan De Groote Wielen uit 2011. In dit waterhuishoudingsplan is rekening gehoouden met de invulling van het plangebied aan de Indigoweg met woningbouw. In het totale waterhuishoudingspan is rekening gehouden met het extra verhard oppervlak dat de beoogde woningen genereren. Gezien de opgave voor berging op eigen terrein vanuit de Verordening Hemelwater (2021) volstaat hier een berging van 10 mm op eigen terrein; de Watermachine voorziet in de rest van de opgave. Overigens voorziet het planvoornemen in een kleiner oppervlak aan verharding dan het geldende bestemmingsplan. Het plangebied wordt, naast de nieuwe woningen, ook voorzien van een mandelige tuin.
Het inrichtings- en beplantingsplan zoals bescherven in paragraaf 3.2 geeft hier inzicht in. Ten opzichte van de geldende planologische situatie zal het verhard oppervlak derhalve eerder afnemen. 5.12.3 Oppervlaktewater Parallel aan Het Hooghemaal ligt een A-watergang. Het planvoornemen voorziet niet in werkzaamheden in of nabij deze A-watergangen. Het planvoornemen is wel gelegen tegen het oppervlakte van een zijtak van De Groote Wielen. Ter plaatse zijn, op basis van het geldende bestemmingsplan, vlonders reeds toegestaan. Het planvoornemen voorziet ter plaatse ook in de realisatie van vlonders maar deze zijn buiten het plangebied van dit bestemmingsplan gesitueerd en zullen ook op afstand tot het open water worden gerealiseerd. Verder heeft het planvoornemen geen invloed op het oppervlakte water. Het hemelwater van de waterzijde van de woningen wordt geloosd op open water. Aan de straatzijde en de platte daken zal het hemelwater door middel van een infiltratiesysteem in de bodem worden geïnfiltreerd.
43
5.12.4 Waterkwaliteit Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt geadviseerd om bij het ontwerp (en de bouw) af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. In de uitwerking van de plannen, c.q. het ontwerp van de nieuwe woningen, zal invulling worden gegeven aan het hemelwaterbeleid. Het planvoornemen voldoet hieraan. 5.12.5 Vuilwaterverwerking In de Indigoweg is een vuilwaterriool aanwezig. Via een vuilwatergemaal zal het huishoudelijk afvalwater getransporteerd worden naar dit vuilwaterriool. Het is niet mogelijk en toegestaan om hemelwater aan te sluiten op dit vuilwaterriool. In verband met eventuele geurhinder afkomstig van het rioolgemaal, heeft een overleg plaatsgevonden tussen de gemeente 's-Hertogenbosch en waterschap Aa en Maas. In paragraaf 5.3.2 wordt nader ingegaan op de uitkomsten van deze bespreking. Geconcludeerd wordt in ieder geval dat het rioolgemaal geen belemmering vomt voor de realisatie van de nieuwe woningen binnen het plangebied. De realisatie van de nieuwe woningen heeft ook geen invloed op de bedrijfsvoering van het betreffende rioolgemaal. 5.12.6 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.
In het waterhuishoudkundig plan voor De Groote Wielen is rekening gehouden met de hemelewaterberging die noodzakelijk zal zijn voor (onder andere) de invulling van het plangebied met woningen. Daarmee wordt dus aan het beleid voldaan. Het planvoornemen heeft geen nadelige invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
5.13
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).
Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) CO2 neutrale omgeving (energie) Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Duurzame mobiliteit Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. 44
Ten aanzien van het plan is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven:
1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening) Het planvoornemen voorziet in een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving. De gezonde, groene leefomgeving wordt vorm gegeven door de realisatie van een gemeenschappelijke tuin aan de voor- en zijkant van de woningen. Hiermee worden bewoners aangezet tot bewegen en kunnen omwonenden samen komen. De klimaat bestendige leefomgeving wordt vormgegeven door hemelwater te laten infiltreren in de bodem, en niet af te voeren richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hierdoor wordt verdroging en overbelasting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (met vervuiling tot gevolg) tegen gegaan. Verder zet het planvoornemen in op natuurinclusief bouwen, waarbij het groen en water wordt omarmd in het ontwerp. Voor het vergroten van de biodiversiteit is gekozen voor inheemse plantensoorten in de gemeenschappelijke tuin. Ook is er gekozen voor het gebruik van natuurlijke materialen zoals vlonders in plaats van bestrating.
2. CO2 neutrale omgeving (energie) Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Woningen gebouwd volgens het tegenwoordige BENG zijn optimaal geisoleerd met onder meer betere kierdichting en als ontwerpopgave een verminderde energievraag. Daarbij moeten BENG-woningen ook voor een deel in hun eigen nodige energie voorzien. Alle woningen in het planvoornemen worden dan ook gerealiseerd zonder gasaansluiting. De woningen worden verwarmd door gebruik te maken van bodemwarmte. Daarnaast voorziet het planvoornemen alle 7 woningen van zonnepanelen op het dak. Op deze manier voorzien de woningen in hun eigen energiebehoefte. Verder wordt ingezet op energiebesparing, zo voorziet het planvoornemen in goed geïsoleerde woningen. Doordat de woningen half zijn ingegraven, blijven de woningen koeler in de zomer en warmer in de winter. Hierdoor wordt eveneens energie bespaard. Met bodemwarmte wordt in de winter gebruik gemaakt van de opgeslagen warmte in de bodem en in de warme zomers wordt gebruik gemaakt van de koelte uit de bodem. Dit scheelt tevens in energieverbruik voor koeling.
Verder dienen nieuwe woningen - tesamen met BENG - te voldoen aan een eis om oververhitting in woningen (mede door de warmere zomers en betere isolatie) te voorkomen. Koeling via de bodem levert hierbij een deel van een duurzame oplossing.
3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Het planvoornemen voorziet in het gebruik van natuurlijke en duurzame materialen. Andere materialen die gebruik worden, zoals beton, kunststof etc. zijn te recyclen waardoor ook deze impact op de grondstoffenvoorraad beperkt is.
4. Duurzame mobiliteit Het planvoornemen betreft de bouw van 7 woningen. Elke woning krijgt de beschikking over voorzieningen voor de aanschaf van duurzame mobiliteit, zoals een eigen parkeerplaats voor de deur voor het opladen van een elektrische auto. De laadinfrastructuur en voertuigen zullen door de bewoners zelf moeten worden ingezet. Uit vooronderzoek is dan ook gebleken dat er geen wensen zijn voor gemeenschappelijke mobiliteitsoplossingen.
45
5.14
Ecologie
5.14.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artik el 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). 46
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.14.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland of andere beschermde natuurgebieden. De afstand tot het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is circa 6 kilometer, dit is weergegeven in figuur 5.4
Figuur 5.4 - Afstand Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied (rode cirkel)
Omdat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op het Natura 2000-gebied, zijn berekeningen uitgevoerd, de resultaten zijn samengevat in de rapportages (Aerius berekening Indigoweg te Rosmalen, d.d. 25-01-2021 en de aanvullende memo, d.d. 23-02-2021) zoals opgenomen in bijlage 1 en 2. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het onderhavige plan zal geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hierdoor vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor de realisatie van het plan. 47
Soortenbescherming Het plangebied is momenteel braakliggend en wordt gekenmerkt door een groene invulling. Deze groene invulling bestaat uit een trapveldje (huidig gebruik). Door het regelmatig maai-onderhoud dat plaatsvindt bevat het plangebied geen geschikte habitats voor beschermde soorten. Hierdoor kan gesteld worden dat in het plangebied geen natuurwaarden aanwezig zijn. Het riet en de flauwe oever vallen dan ook ruim buiten het plangebied. In figuur 5.5 en 5.6 zijn een vooraanzicht en een bovenaanzicht weergegeven, hieruit blijkt dat het plangebied met regelmaat wordt gemaaid, er geen natuurwaarden voorkomen en de oever en rietkraag buiten het plangebied vallen.
Figuur 5.5 - Vooraanzicht trapveldje en arcering plangebied
48
Figuur 5.6 - Bovenaanzicht en arcering plangebied Het planvoornemen voorziet niet in het verwijderen van bomen of struiken en de afstand tot de oever van het water is enkele meters. Wel zullen in deze oever, conform het geldende bestemmingsplan, vlonders worden aangelegd. Dat heeft echter geen invloed op de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Gezien het huidige gebruik en de beoogde ontwikkeling met woningbouw en tevens een gemeenschappelijke tuin op basis van het Inrichtings- en beplantingsplan, kan geconcludeerd worden dat er in de bestaande situatie geen natuurwaarden aanwezig zijn en dat er in de toekomstige situatie meer ruimte komt voor de natuur. 5.14.3 Conclusie Het planvoornemen geeft geen stikstofdepositie ter plaatse van het Natura 2000-gebied. Vanwege het ontbreken van geschikte habitats voor beschermde soorten, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het planvoornemen.
5.15
Archeologie en cultuurhistorie
5.15.1 Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
49
5.15.2 Onderzoek Uit bestemmingsplan De Groote Wielen volgt dat het merendeel van de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones in het plangebied van dat plan is onderzocht. Daarbij zijn de belangrijkste archeologische resten gedocumenteerd en is de informatie veiliggesteld. Voor het plangebied van De Groote Wielen geldt dus dat het grotendeels 'archeologievrij' is. Omdat ook het plangebied van dit bestemmingsplan binnen dat gebied valt, is geen archeologisch onderzoek nodig. 5.15.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.
50
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1
Algemeen
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
6.2
Toelichting op bestemmingen
6.2.1 'Wonen' Op basis van het geldende bestemmingsplan was het plangebied reeds bestemd voor 5 woningen. Dit bestemmingsplan sluit aan bij het huidige bestemmingsplan en voorziet in de realisatie van 7 woningen. De typologie van de betreffende woningen wordt ook vastgelegd, namelijk 'twee aaneen' ter plaatse van de 6 twee-onder-een-kapwoningen en 'vrijstaand' ter plaatse van de vrijstaande woning. 51
In de regels is vastgelegd dat de hoofdgebouwen moeten zijn voorzien van een kap. Ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' zijn uitsluitend platte daken toegestaan. Daarnaast zijn de maximale goot- en bouwhoogten op de verbeelding en in de regels vastgelegd. Het bouwplan zoals toegelicht in paragraaf 3.2 is verwerkt op de verbeelding en in de regels en daarmee planologisch- juridisch vastgelegd. 6.2.2 'Groen' Om de doorzichten van en naar het aangrenzende water ook juridisch-planologisch te verankeren krijgt de mandelige tuin de bestemming 'Groen'. Het is hier niet toegestaan om gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen te realiseren. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeren'is de realisatie van parkeervoorzieningen toegestaan. Verder sluit de groenbestemming aan op de groenbestemming zoals opgenomen in het aangrenzende bestemmingsplan.
52
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
De gronden zijn in het bezit van een ontwikkelende partij. Zij is, samen met de gemeente 's-Hertogenbosch initiatiefnemer van onderhavige bestemmingswijziging. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. Tussen de ontwikkelende partij en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de plankosten en planschadeverhaalskosten.
De plankosten maar ook de kosten voor het bouwrijp maken en de bouw van de woningen worden gedekt uit de opbrengsten van de verkoop van de woningen of de bouwpercelen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht.
De kosten voor de openbare parkeerplaats binnen de groenbestemming neemt de gemeente 's-Hertogenbosch voor eigen rekening.
53
54
Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg 8.1
Omgevingsdialoog
In het kader van de inspraak hebben inmiddels meerdere informatieavonden plaatsgevonden met omwonenden. De geplande ontwikkeling is de derde keer verspreid huis-aan-huis bij de omwonenden waarbij het ruimtelijk plan is gepresenteerd en stakeholders inspraak hadden. Een verslag van de laatste omgevingsdialoog d.d. 19 november 2020 is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting.
8.2
Vooroverleg en inspraak
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan voorafgaand aan de terinzagelegging ervan toegezonden aan: Provincie Noord-Brabant Waterschap Aa en Maas Tennet
8.3
Zienswijze
Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven.
8.4
Vaststelling
Het bestemingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan. Over het plan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden. Ook zal in deze fase het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden.
55