Doorstroming in broedplaatsen
Tekst van het document
8%
1%
15%
17%
19%
15%
8%
6%
2%
3%
2%
1%
3%
Verschillen doelgroepen: huurders in leeftijd 41-50 jaar betalen meer dan 51-60jarigen.
Een vijfde (18%) zou meer kunnen betalen dan ze nu doen. Vier op de vijf (79%) kunnen dat niet. Van degenen die meer zouden kunnen betalen, zou de helft (52%) bereid zijn om iets meer te betalen voor wat ze nu huren, 36% is daar niet bereid toe. Ervaren aanbod Het merendeel van de creatieven ervaart het huidige aanbod als ontoereikend. 88% geeft aan dat er onvoldoende geschikte atelierruimte is in de stad. Twee procent van de huurders denkt voldoende geschikte ruimte op de vrije markt te kunnen vinden. Dat is opvallend weinig en staat op gespannen voet met kunnen doorstromen naar de vrije markt. Voor een ruime meerderheid (90%) is het essentieel om vaste ruimte te hebben om hun kunstenaarschap goed uit te kunnen oefenen. Tegelijkertijd geeft 47% aan dat zij de regio Amsterdam als werkplek zouden moeten verlaten als ze hun atelier kwijtraken. Voor 24% zou dat zelfs betekenen dat zij ook hun woonplek moeten verlaten.
34
Dat geldt voor de inclusief huurprijs per maand als de prijs per m2.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
25
5.2
Tussenbevindingen
Uit de opgehaalde gegevens kunnen de volgende conclusies getrokken worden: •
Mismatch tussen aanbod en vraag: er is structureel te weinig geschikt aanbod voor de grote en diverse vraag vanuit de creatieve sector. Dat blijkt onder andere uit het feit dat 88% van de respondenten aangeeft dat er onvoldoende atelierruimte beschikbaar is in de stad.
• •
Het beschikbare aanbod bestaat uit ateliers van gemiddeld 46 m². Behoeftes voor ruimtes zijn voldoende daglicht (als belangrijke vereiste – geldt voor 70% van de huurders). Andere veelgenoemde wensen zijn goede ventilatie, geluidsisolatie (voor podiumkunstenaars), zelfstandige bruikbaarheid en een redelijke prijs.
•
Momenteel ligt de huurprijs gemiddeld rond de € 516 per maand, of ca. €12,50 p/m2 (excl. losse kosten voor gas/water/elektra). Vier op de vijf huurders kunnen niet meer betalen dan ze nu doen.
•
Hoewel veel contracten een vaste looptijd hebben van 1, 3 of 5 jaar, blijkt uit de praktijk dat contractverlenging vrijwel altijd mogelijk is. Daardoor ontstaat een situatie waarin tijdelijke contracten niet altijd ook meer doorstroom opleveren: de ‘harde’ looptijden zijn feitelijk vrij ‘zacht’.
•
De zoektocht naar ruimte is vaak langdurig (40% zocht langer dan een jaar), en het vertrouwen om iets nieuws te vinden is laag: 78% heeft weinig tot zeer weinig vertrouwen. De selectie verloopt veelal via ateliers.amsterdam.nl (meest genoemd), website van de broedplaats zelf of via informele netwerken (‘via-via’, of voordrachten binnen bestaande collectieven). CAWA-getoetste huurders vinden de ruimte vaker via ateliers.amsterdam.nl. Overige huurders hebben de ruimte vaker gevonden via het informele netwerk.
•
Voor nieuwkomers en mensen zonder relevant netwerk binnen broedplaatsen werkt de markt hierdoor niet goed. De werving loopt veel via bestaande huurders, sociale media of beheerders. De markt lijkt dus niet optimaal als een 100% transparante en voor iedereen even toegankelijke markt te fungeren bij het eerlijk verdelen van de schaarse ruimte. Uitstroming bevorderen kan een oplossing zijn voor meer diversiteit, mits er ook gekeken kan worden naar meer transparantie en een betere toegankelijkheid. Alhoewel uit dit onderzoek niet blijkt dat het bevorderen van doorstroom op zichzelf een bijdrage zou zijn aan de oplossing van dit probleem, is het wel van belang ánder beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan meer transparantie en een betere toegankelijkheid.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
26
Portret - De huurder (< 5 jaar werkzaam & hurend)35 “Zoveel geld en zoveel onderzoeken, maar waar is de verandering? Mensen wachten al twintig jaar op ruimte. De gemeente weet misschien dat er een probleem is, maar ze praten niet met de mensen die het dagelijks ervaren en die weten hoe je het kan oplossen. En dat moet echt anders.” De geïnterviewde is creatief producent. Ze zit bijna een jaar in haar huidige werkruimte binnen een broedplaats (geen CAWA-getoetste ruimte) en leidt een team waarmee ze tentoonstellingen en stageplekken organiseert. Ze werkt vooral op haar laptop. Vrijheid, focus en eigenaarschap De werkruimte betekent voor haar autonomie, concentratie en eigenaarschap. “Ik bepaal zelf m’n tijden, m’n routine, m’n muziek. I can claim space — no one can take my space.” De ruimte: potentie, maar weinig broedplaatsgevoel Ze huurt haar ruimte in een broedplaats maar ervaart weinig sociale cohesie. “Ik ben er vier dagen per week, maar het voelt nog niet als een echte broedplaats. De ambitie is er, maar de uitvoering ontbreekt.” Er is beperkt contact met andere huurders, wat het gevoel van community belemmert. Wat is belangrijk in een werkruimte? Belangrijk voor haar zijn toegankelijkheid, fatsoenlijke sanitaire voorzieningen en veiligheid. De buurt moet veilig en sociaal aanvoelen, en horecagelegenheid in de buurt. Ook moet het bereikbaar zijn met OV en auto.
“Geen afgeraffelde kranen, rare sloten of rotzooi. Het moet gewoon kloppen.” Van rattenplaag naar werkplek De zoektocht naar haar huidige ruimte begon na negatieve ervaringen bij een andere broedplaats, maar ze heeft niet lang moeten zoeken: minder dan een jaar. “Bij mijn vorige broedplaats was er een rattenplaag. Echt nasty. Toen deze oproep op Instagram voorbij kwam, heb ik meteen gereageerd.” Over tijdelijke contracten en doorstroom Een contract van vijf jaar is voor haar voldoende: “Tien jaar voelt te vast. Vijf jaar is beweeglijk. Maar ik snap ook de oudere mensen die na twintig jaar hun atelier niet wéér willen opbouwen.” Over CAWA en toegang Het atelier verkrijgen ging niet via CAWA, inmiddels kent ze CAWA wel. “CAWA voelt als een sprookje — als je het kent, dan weet je het, maar veel mensen hebben geen idee dat het bestaat. De communicatie is te hoog-over en sluit hele groepen uit.” Ze is kritisch op het gebrek aan structureel beleid en het steeds opnieuw voeren van dezelfde gesprekken. “Waarom blijven we zoveel praten, terwijl iedereen allang weet dat er te weinig ruimte is?”
35
Dit portret komt voort uit de verdiepende interviews, toegelicht in hoofdstuk 2: Methode.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
27
6. Doorstroom in de praktijk In dit hoofdstuk bespreken we de natuurlijke doorstroom binnen broedplaatsen en de gevolgen van gedwongen doorstroom.
6.1
Natuurlijke doorstroom
Met de beschikbare gegevens kunnen we het natuurlijke verlooppercentage niet keihard kwantitatief vaststellen. Wel kunnen we een inschatting maken op basis van alle opgehaalde data. Zo geven verhuurders aan in gesprekken dat er gemiddeld 10-15% jaarlijkse doorstroom is (ook wel ‘mutatie’ genoemd).36 Het lijkt hier wel uit te maken om wat voor ruimtes het gaat: volgens sommige beheerders ligt de doorstroom van niet-gedeelde ruimtes een stuk lager dan bij gedeelde ruimtes. Ook wordt er niet altijd bijgehouden hoeveel van het doorstroompercentage eigenlijk gaat om wisseling binnen de broedplaats zelf (ruilen van atelierruimte e.d.), waardoor de genoemde 10-15% geen keihard getal is. De coronatijd heeft ook invloed gehad op doorstroompercentages, alleen verschilt het per broedplaats of het percentage gestegen is, of juist gedaald. Het percentage van 10-15% natuurlijke doorstroming per jaar wordt bevestigd door wat er in beleidsstukken staat: een aantal broedplaatsen geeft aan ‘van nature een doorstroompercentage van boven de 10% te hebben’ (Gemeente Amsterdam 2024, Het genoemde P. 26). Het percentage verschilt wel per broedplaats: ‘sommigen halen dit percentage bij lange na niet en op sommige plekken is het huurdersbestand praktisch statisch’ (ibid.).
Hoewel een heel exact doorstroompercentage dus om diverse redenen niet te geven valt, wijzen zowel gesprekken met verhuurders als data van (voormalige) huurders en beleidsstukken erop dat de natuurlijke jaarlijkse doorstroom in broedplaatsen gemiddeld zo rond de 10-15% ligt, met aanzienlijke variatie tussen typen ruimtes en locaties en variatie in de tijd. Situatie na vertrek broedplaats Verhuurders hebben de indruk dat hun huurders meestal vrijwillig vertrekken. Men schat in dat dit in 78% van de gevallen het geval is. Wanneer huurders vertrekken, is dat volgens verhuurders vaak naar een ruimte buiten de regio Amsterdam: 62% van de verhuurders noemt dit als veel voorkomende nieuwe situatie. Een kwart (24%) van de verhuurders noemt dat huurders ook vaak stoppen met professionele creatieve activiteiten. Financiële redenen (13%), contractbeëindiging (5%), ziekte of overlijden (4%) en pensioen (1%) zijn volgens verhuurders minder voorkomende vertrekredenen.
Dit is op basis van interviews met verhuurders die samen 26 broedplaatsen vertegenwoordigen. Er werd niet vaak bijgehouden wat het verschil was tussen door de CAWA-getoetste ruimtes en niet door CAWA-getoetste ruimtes. 36
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
28
Figuur 6.1 – Wat is doorgaans de nieuwe situatie voor huurders die vertrekken? Kunt u de belangrijkste noemen? (maximaal 3 antwoorden) (n=21) Antwoorden van verhuurders Vertrek naar een ruimte buiten de regio Amsterdam
62%
Vertrek naar een andere broedplaats in de regio Amsterdam
43%
Vertrek naar een (creatieve, culturele, sociaal maatschappelijke, etc.) ruimte in de regio Amsterdam
43%
Geen nieuwe plek (kunstenaar / creatieve professional zonder eigen ruimte)
43%
Stoppen met professionele creatieve activiteiten Anders Weet ik niet
24% 5% 14%
Geen enkele verhuurder heeft de indruk dat creatieven doorgaans makkelijk ruimte kunnen vinden in de regio Amsterdam. Vier op de vijf schatten in dat dit moeilijk is (43% moeilijk; 38% zeer moeilijk). Verhuurders denken dat het vinden van ruimte de afgelopen vijf jaar alleen maar lastiger is geworden: 38% denkt dat het veel moeilijker is dan vijf jaar geleden en ook 38% schat het moeilijker (maar niet veel moeilijker). Geen enkele verhuurder schat in dat het makkelijker is dan vijf jaar terug. Ervaren doorstroming Over de doorstroming zoals huurders die direct om zich heen zien, lopen de meningen uiteen: •
36% van de huurders is het oneens met de stelling dat er weinig doorstroom is in hun
•
broedplaats (23% neutraal, 29% eens). 46% is het oneens met de stelling dat broedplaatsen gesloten gemeenschappen zijn waar moeilijk tussen te komen is. Zoekers ervaren dit anders. 50% van de zoekers is het eens met de stelling dat broedplaatsen gesloten gemeenschappen zijn waar moeilijk tussen te komen is.
Er zijn zorgen over schaarste, tegelijkertijd ervaren veel huurders wel degelijk beweging en openheid binnen broedplaatsen. Het beeld is dus gemengd: er is beperkte doorstroom op de markt als geheel, maar binnen specifieke broedplaatsen lijkt er wél dynamiek te zijn.
6.2 Gedwongen doorstroom Het doorstroombeleid - bedoeld om de dynamiek op de kunstenaarswerkplekken te vergroten en meer ruimte te creëren voor nieuwkomers - roept gemengde reacties op. Zowel onder verhuurders als huurders overheerst echter de zorg dat de nadelige effecten zwaarder wegen dan de potentiële voordelen. Waar de beleidsintentie gericht is op vernieuwing, wijzen betrokkenen op risico’s voor continuïteit, betaalbaarheid en de vitaliteit van bestaande gemeenschappen. Onduidelijkheid Het eerste wat opvalt aan de antwoorden van huurders en verhuurders op vragen over de verplichte doorstroomregeling, is dat er veel onduidelijkheid heerst. Veel huurders en verhuurders weten niet of het beleid op hen van toepassing is. De toelichtingen bij de enquêtevragen maken duidelijk dat deze onzekerheid bij veel mensen speelt. Bij het in werking treden van het doorstroombeleid geeft een
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
29
derde van de verhuurders (33%) aan niet te weten hoeveel huurders zouden moeten vertrekken naar een niet-CAWA- ruimte. Dit wijst op onduidelijkheid over de praktische werking van het beleid. Wanneer het verplichte doorstroombeleid door zou gaan: •
Denkt 36% van de verhuurders dat geen huurders hoeven te vertrekken.
• •
Bij anderen moet mogelijk tot een derde van de huurders vertrekken. Gemiddeld ligt volgens de verhuurders het gedwongen vertrekpercentage op 12% (174 van 1.449 huurders).
Vanuit verhuurders: beleid mist aansluiting op praktijk Bij verhuurders van broedplaatsen leeft breed de opvatting dat het doorstroombeleid vooral een administratieve oplossing is, ingegeven door de wens om ‘het rendement van het bestaande budget kunstmatig te verhogen’. Volgens verhuurders leidt de maatregel zelden tot daadwerkelijke ‘ruimtewinst’, zolang het aanbod van betaalbare werkruimte achterblijft. Ze waarschuwen dat waardevolle gemeenschappen worden verstoord, kennis verloren gaat, en kunstenaars noodgedwongen hun praktijk beëindigen of de stad verlaten. Verhuurders pleiten daarom voor een pandgericht beleid met ruimte voor inhoudelijk beheer en maatwerk, in plaats van een generieke, extern opgelegde regeling. Volgens hen is het essentieel om eventueel bestaande misstanden zoals ongeoorloofd onderverhuur of oneigenlijk gebruik gericht aan te pakken, maar zonder collectieve sancties voor goed functionerende plekken. Tabel 6.1 Verwachte effecten van doorstroombeleid volgens verhuurders Thema
Genoemde voordelen
Genoemde nadelen
Ruimtegebruik
Meer ruimte voor nieuw talent
Geen betaalbare alternatieven; vertrek of stopzetting als gevolg
Vernieuwing
Nieuwe energie en netwerkvorming
Verlies van kennis en continuïteit; verzwakte gemeenschapsstructuur
Sociale cohesie
Potentieel frisse dynamiek
Verstoorde gemeenschappen; verlies van betrokkenheid en buurtbinding
Artistieke kwaliteit
Impuls aan jong/experimenteel talent
Verlies van ervaren kunstenaars; verlies van diversiteit en kwaliteit
Beleidsvoering
Duidelijk kader voor gesprek
Rigide externe verplichting; ondermijning van lokaal bestuur in de broedplaats en autonomie
Financieel/praktisch
Effectievere benutting van ruimte (indirect)
Alternatieven onbetaalbaar; druk richting commercie; stress voor kunstenaars
Langetermijneffecten
Ruimte voor instroom als
Afnemende bestaanszekerheid; uitholling van broedplaatsen als
systeemdoel
functie; minder artistiek risico kunnen nemen
Volgens verschillende verhuurders zijn broedplaatsen in de praktijk vaak al actief bezig met vernieuwing en natuurlijke doorstroom. Zij ervaren het generieke beleid dan ook als een grof instrument dat de eigen context van elke plek negeert: “Je zou kunnen zeggen dat doorstroming bijdraagt aan de gezondheid van een plek, maar panden zijn zich hier al bewust van en proberen dit intern te waarborgen. Elk collectief is echter zó verschillend dat een algemene regel geen enkel positief gevolg heeft.”
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
30
Vanuit huurders: structurele onzekerheid en verlies aan investeringszekerheid Ook onder huurders van werkruimte klinkt scherpe kritiek op het doorstroombeleid. De maatregel zorgt voor structurele onzekerheid en maakt het moeilijk om langetermijninvesteringen te doen in de werkruimte of in het eigen kunstenaarschap: “Ik durf niet in mijn plek te investeren omdat ik er straks misschien weer uit moet.” Een groot deel van de huurders stelt dat hun beroepspraktijk direct afhankelijk is van een stabiele, betaalbare werkplek. 90% noemt een vaste werkruimte essentieel. Vooral oudere of gevestigde kunstenaars, waarvan er velen al 10 jaar of langer huren, geven aan zich kwetsbaar te voelen in het licht van het doorstroombeleid. Zo zegt een huurder in de enquête: ‘’De kunstsector is genadeloos voor 'oude' kunstenaars. De kans is dan ook aanzienlijk dat ik dan minder opdrachten krijg, en dus minder kan betalen. Als ik dan bv over 10 jaar mijn atelier uit moet, zullen betaalbare plekken een jonge kunstenaar prefereren. Ik acht de kans klein dat ik daar nog tussen kom. We letten in onze broedplaats bij de selectie van nieuwe kandidaten er ook op dat we niet vergrijzen en kiezen dus vaak voor jonge kandidaten. Ik denk dan ook steeds vaker dat ik over moet naar een plan B voor het zover is, d.w.z.
ander beroep of verhuizen en een atelier aan huis maken, maar dan zou ik de input van collega's erg missen.’’ Daarnaast benoemen huurders van verschillende leeftijden, dat juist de huurders die al van voor 2016 een atelier huren, zouden moeten blijven vanwege de vaak belangrijke rol die ze hebben gespeeld in het behoud en de opbouw van de broedplaatsen. Het zou oneerlijk zijn om hen die veel geïnvesteerd hebben in de totstandkoming van een broedplaats eruit te zetten. Daarnaast noemen huurders in interviews dat naast de wat oudere generatie, de huurders die al tien jaar een CAWAgetoetst atelier huren ook vaak jonge gezinnen hebben. Voor hen zou een aanvullende toetsing maatwerk kunnen bieden. Zo kunnen zij – indien nog passend – blijven zitten. Concrete gevolgen die uit de enquête naar voren komen voor huurders: • •
47% verwacht Amsterdam te moeten verlaten bij verlies van hun huidige ruimte. 22% zegt dat wanneer ze hun huidige werkruimte moeten verlaten, ze buiten de regio
•
Amsterdam zouden gaan wonen. Velen ervaren stress, tijdsdruk en mentale belasting, met negatieve impact op hun kunstenaarschap.
Het doorstroombeleid leidt er bovendien toe dat sommige huurders hun creatieve potentieel niet kunnen benutten, zo is een muziekcollectief verhuisd naar een meer commerciële plek, omdat ze door tijdelijke contracten niet konden investeren in goede geluidsisolatie (zie ook portret aan het einde van dit hoofdstuk). Een andere huurder beaamt dit: “We zouden dolgraag een vide bouwen en een gedeelde werkplaats starten, maar door de onzekerheid zien we daarvan af.”
6.2 •
Tussenbevindingen Natuurlijke doorstroom is aanwezig (geschat op 10–15% per jaar), met wisselend verloop per broedplaats. Veel huurders vertrekken vrijwillig, vaak richting plekken buiten Amsterdam (volgens verhuurders).
• •
Doorstroombeleid roept brede zorgen op bij zowel verhuurders als huurders. Verhuurders ervaren de gedwongen doorstroom als een generieke maatregel die niet aansluit op de praktijk.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
31
•
Huurders ervaren structurele onzekerheid en stress door het doorstroombeleid, wat investeringen en artistieke ontwikkeling belemmert.
•
Volgens huurders en verhuurders is door het gebrek aan betaalbare alternatieve doorstroom vaak een papieren oplossing zonder echte ruimtewinst. De mensen die de ruimte uit moeten, gaan weer op zoek naar nieuwe ruimtes, waardoor de vraag naar ruimtes evenveel toe- als af
•
kan nemen. Beide groepen pleiten voor maatwerk, betere communicatie en structurele uitbreiding van het atelieraanbod.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
32
Portret - de voormalig CAWA huurder (> dan 5 jaar hurend)37 De geïnterviewde is onderdeel van een klassiek muziekensemble. In een broedplaats huren zij een repetitieruimte en kantoor. “We hebben de organisatie vanaf de basis opgebouwd. Dat vraagt tijd, toewijding en een stabiele plek.” Huisvestingsproblemen Een maand voor afloop van het huurcontract werd duidelijk dat verlenging niet mogelijk was. Geschikte nieuwe ruimte vinden was moeilijk: geluidsisolatie is duur en musici worden vaak geweigerd. “Zonder geluidsisolatie is repeteren onmogelijk — maar wie investeert €30.000 als je elk jaar je contract kunt verliezen?” Zoektocht naar ruimte Via een netwerkcontact kwamen ze in contact met een commerciële ontwikkelaar. Die bood ruimte in een nieuwbouwpand in Amsterdam-Noord. Het biedt stabiliteit, maar is duurder en mist de creatieve dynamiek van een broedplaats. “We hebben niet veel andere opties. Het is niet onze voorkeur, maar we kiezen voor bestaanszekerheid.” Reflectie op de broedplaatsfunctie Ondanks alles blikt hij positief terug op de menging van culturele en buurtinitiatieven. “We werkten samen met een Surinaamse kok, hielpen een buurtorganisatie professionaliseren — dat was waardevol.” Toekomstvisie en behoeften Hij benadrukt het belang van stabiliteit voor klassieke musici: “Je kunt geen kwaliteit leveren zonder vaste ruimte.
We zijn geen flexwerkers.” Hij pleit voor langere looptijden (minimaal 10 jaar) en betere aansluiting van subsidie- en huisvestingsbeleid. “Subsidies zijn kortlopend, huisvesting onzeker. Alles staat op losse schroeven als kunstenaar.”
37
Dit portret komt voort uit de verdiepende interviews, toegelicht in hoofdstuk 2: Methode.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
33
7. Conclusie 7.1
Beschikbaarheid van CAWA-getoetste ruimtes in relatie tot doorstroom en vraag
De beschikbaarheid van CAWA-getoetste ruimtes in Amsterdam staat onder druk. Hoewel het aanbod in de afgelopen jaren is gegroeid (van 42 broedplaatsen in 2009 naar zeker 80 broedplaatsen in 2024), blijft het tekort aan betaalbare en passende werkruimte groot, en sluit het vrijkomende aanbod door natuurlijke of gedwongen doorstroom slechts beperkt aan op de vraag. •
Er zijn momenteel ongeveer 2.550 werkplekken waar een positieve CAWA-toets voor nodig is in
•
Amsterdam, waaronder ateliers, atelierwoningen en kunstenaarswoningen. De natuurlijke doorstroming binnen broedplaatsen wordt door verhuurders geschat op gemiddeld 10–15% per jaar, met grote variatie in de tijd (corona) en per locatie. Deze
•
doorstroom ontstaat grotendeels vrijwillig. Het aandeel huurders dat in 2027 volgens verhuurders hun ruimte moet verlaten, loopt per broedplaats sterk uiteen. Een derde van de verhuurders geeft aan dat niemand hoeft te vertrekken. Maar er zijn ook grotere broedplaatsen waar een op de drie huurders volgens de verhuurder zou moeten vertrekken. Het totale percentage ‘gedwongen vertrek’ ligt op 12% (berekend als aantal huurders dat moet vertrekken als het totale aantal huurders die de verhuurders in het onderzoek vertegenwoordigen).
•
Tegelijkertijd verdwijnt er in deze beleidsperiode (2023-2036) naar verwachting ook circa 13.000 m² broedplaatsruimte door aflopende huurcontracten, veel broedplaatsen zijn gevestigd in vastgoed dat tijdelijk deze functie krijgt. Het plan is dat er netto 27.000 m² bijkomt aan broedplaatsruimte in de beleidsperiode 2023-2026.
Mismatch tussen aanbod en vraag: •
De vraag is structureel hoger dan het aanbod: 88% van de respondenten ervaart het huidige
•
aanbod als onvoldoende. De gemiddelde zoekduur naar een ruimte is lang (40% langer dan een jaar op zoek, 17% één jaar op zoek, 18% binnen één tot 3 maanden, 11% binnen een maand), het vertrouwen in het vinden van een nieuwe plek is laag (78% heeft weinig tot zeer weinig vertrouwen), en de markt functioneert sterk via informele netwerken.
•
Vooral voor creatieven zonder relevant netwerk, bijvoorbeeld mensen buiten de ‘incrowd’ is de toegang tot ruimtes waar een CAWA-toetsing nodig is, beperkt.
•
De ruimtes die vrijkomen zijn bovendien niet altijd geschikt voor de diversiteit aan disciplines en behoeften (zoals geluidseisen, omvang of locatie), wat de effectiviteit van doorstroom als beleidsinstrument verkleint.
Effect van doorstroombeleid: •
Het beoogde doel van het doorstroombeleid ‘meer divers, dynamisch en toegankelijk Broedplaatsenaanbod’ wordt met de regeling niet bereikt. Doorstroom vindt plaats binnen het eigen netwerk en is weinig transparant. Het beleid leidt niet tot een meer divers en toegankelijk aanbod.
•
Het 10-jaarsbeleid roept brede zorgen op over continuïteit, bestaanszekerheid en investeringsbereidheid.
•
Door het ontbreken van voldoende alternatieve werkruimte kan verplichte doorstroom zorgen voor het verdringen van creatieven die een waardevolle betekenis hebben binnen de lokale
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
34
en/of landelijke kunsten (of: culturele sector), en/of binnen het sociale weefsel van de buurt en de stad. •
Zowel verhuurders als huurders pleiten daarom voor maatwerk, meer transparantie – ook bijvoorbeeld voor nieuwe creatieven - en structurele uitbreiding van het aanbod, in plaats van generieke doorstroomregels.
7.2
Aanbevelingen
Uit dit onderzoek blijkt dat er binnen de Amsterdamse broedplaatsenstructuur sprake is van een natuurlijke doorstroming (10-15%) en dat dit, samen met de groei van het aanbod onvoldoende is om aan de hoge vraag naar werkruimte tegemoet te komen. De invoering van het 10-jaars doorstroombeleid heeft als doel die doorstroom verder te stimuleren, maar de impact op hoeveel huurders het raakt, verschilt per broedplaats en heeft veel negatieve effecten op huurders. De effecten per broedplaatsen variëren sterk afhankelijk van beheerstructuur en schaalgrootte, maar de precieze cijfers daarover zijn niet beschikbaar. Daarnaast blijkt dat één van de belangrijke doelstellingen van het doorstroombeleid ‘meer divers, dynamisch en toegankelijk broedplaatsenaanbod’ beter te bereiken is door zicht op instroom centraal te stellen in plaats van gedwongen uitstroom. Op grond van ons onderzoek en bovenstaande conclusies komen we tot de volgende aanbevelingen om te verkennen voor verder onderzoek: 1. Maak actief wervingsbeleid meer verplicht Veel verhuurders rekruteren nieuwe huurders via bestaande netwerken binnen het culturele veld. Daarmee wordt de toegang voor creatieven met een minder groot netwerk (zij die niet tot de ‘incrowd’ behoren) in het culturele veld van Amsterdam beperkt. Adviezen zijn: •
•
Om dit te doorbreken, kan actief werven (bijvoorbeeld via brede kanalen of open calls) als voorwaarde worden opgenomen bij gesubsidieerd ruimtebeheer. En daarbij dus ook de verplichting om elke ruimte op ateliers-amsterdam.nl te zetten. Een online overzichtsplatform – vergelijkbaar met Funda voor de woningmarkt – zou kunnen bijdragen aan een eerlijker en inclusiever systeem. Er bestaat al ‘ateliers-amsterdam.nl’ maar lang niet elke ruimte die leeg en vrij komt staat daarop. Dat zou idealiter wel het geval moeten zijn omdat dit transparantie van het aanbod vergroot. Dit gaat zowel over gesubsidieerde ruimtes als ruimtes op de commerciële markt. De markt lijkt deels te werken als een ‘closed shop’ waarin insiders beter geïnformeerd zijn en makkelijker aan een ruimte komen dan nieuwkomers.
2. Stimuleer maatwerk in plaats van generiek beleid Hoewel het 10-jaarsbeleid bedoeld is om beweging te stimuleren, komt uit ons onderzoek naar voren dat de situatie per pand sterk verschilt. In sommige broedplaatsen is doorstroom al structureel ingebed, terwijl in andere weinig verloop plaatsvindt. Een generieke maatregel kan daardoor onevenwichtig uitpakken. Adviezen zijn: •
Hanteer een meer maatwerkgerichte benadering, met jaarlijkse of tweejaarlijkse rapportages op pandniveau over in- en uitstroom (in personen en m²).
•
Maak onderscheid tussen soorten gebruikers: hanteer flexibel beleid voor creatieven met jonge gezinnen of bij huurders met langdurige inzet voor de broedplaats.
• •
Koppel verlenging aan actuele beroepspraktijk, niet automatisch aan contractduur. Laat pandspecifieke toetsing leidend zijn, en geef ruimte aan beheerders om doorstroom zelf vorm te geven binnen heldere kaders.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
35
3. Versterk zicht op functioneren van broedplaatsen Regelmatige ‘visitatie’-achtige bezoeken of lichte evaluaties kunnen bijdragen aan beter inzicht in hoe broedplaatsen functioneren, en of de gewenste sociale, culturele en ruimtelijke doelen worden gerealiseerd. Adviezen zijn: •
•
Stel een ‘doorstroomthermometer’ in als tegenprestatie voor subsidie – een lichte verantwoordingsvorm waarmee beheerders laten zien wat er in het pand gebeurt, hoe het zit met in- en uitstroom en hoe de samenstelling verandert. Monitor en stuur actief op data en dynamiek: registreer beter en verzamel systematisch data over werkruimtegebruik, doorstroompercentages en verhuisbewegingen binnen én buiten
•
broedplaatsen. Maak onderscheid tussen typen ruimtes (bijv. individueel atelier versus gedeelde broedplaatsruimte) om beleid gerichter toe te passen.
4. Vergroot duidelijkheid en communicatie over beleid Een groot deel van zowel de huurders als verhuurders blijkt niet goed op de hoogte van het doorstroombeleid. Dit gebrek aan duidelijkheid leidt tot onzekerheid en belemmert betrokkenen in het maken van toekomstplannen. Vooral creatieven met een langere beroepspraktijk voelen zich kwetsbaar, omdat ze verwachten moeilijk aan een nieuwe ruimte te kunnen komen. •
Advies: zorg voor goede communicatie over (nieuw) beleid, met duidelijke uitleg over gevolgen, uitzonderingen en ondersteuning.
5. Investeer in duurzame uitbreiding van het ruimteaanbod Het blijft een structureel knelpunt dat de vraag naar werkruimte structureel groter is dan het aanbod. Doorstroombeleid kan bestaande ruimte beter verdelen, maar kan het tekort aan ruimte niet oplossen. Duurzame verbetering vraagt om investering in behoud én groei van het aantal fysieke plekken voor kunst en cultuur. •
Advies: blijf inzetten op uitbreiding en behoud van betaalbare werkruimte, en verken mogelijkheden buiten het CAWA-kader, om de diversiteit aan praktijken beter te bedienen.
Zo zegt een huurder die in 2028 haar atelier zou moeten verlaten: ‘’Ik zou willen dat de stad structureel investeert in panden of locaties binnen, maar ook buiten de ring waarin een vruchtbare toekomstige visie kan worden neergezet van een creatief kloppend hart waar kunstenaars en makers kunnen werken en wonen. Dit vergt een visie waarin investeringen niet tijdelijk zijn maar duurzaam.‘’ 6. Kijk vooruit Veel broedplaatsen zijn van tijdelijke aard en deze tijdelijkheid heeft veel invloed op hoelang een huurder kan blijven zitten op een plek. De tijdelijkheid beïnvloedt het aanbod, plots kunnen er opeens tal van ateliers niet meer bestaan. Maar het beïnvloed ook de vraag, alle huurders moeten ook weer een nieuwe plek vinden. •
Advies: maak een meerjarenplan met een prognose: kijk 10-20 jaar vooruit en zet op een rij hoeveel broedplaatsen en atelierruimtes er komen en gaan. hiermee kan er inzicht worden gegeven aan het fluctuerende aanbod en kan hier op ingespeeld worden, door bijvoorbeeld een contract te verlengen.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
36
Tot slot Het streven naar doorstroming lijkt waardevolle kanten te hebben: het kan zorgen voor vernieuwing, diversiteit en rechtvaardige verdeling van schaarse ruimte. Het is echter ook een generieke beleidsmaatregel die met weinig nuance effect heeft op een sector waar veelal al sprake is van doorstroming (10-15% per jaar) en waar maatwerk per broedplaats wel eens effectiever zou kunnen zijn. Dit onderzoek laat bovendien zien dat niet alleen de maatregel zelf, maar vooral de condities waaronder doorstroming plaatsvindt, bepalend zijn voor het uiteindelijke effect. Bijvoorbeeld, zonder inclusief en transparant wervingsbeleid lijkt doorstroming niet vanzelf tot meer vernieuwing binnen de huurders. In plaats van vernieuwing kan het resulteren in een herhaling van bestaande structuren, waarbij de samenstelling van huurders grotendeels gelijk blijft. Vrijkomende plekken dragen dan nauwelijks bij aan bijvoorbeeld meer makers buiten de ‘incrowd’, zoals startende makers (één van de doelen van het doorstroombeleid). Transparantie, inclusie en maatwerk zijn dan ook essentiële pijlers: zij vormen de sleutel tot een eerlijk, veerkrachtig en toekomstbestendig broedplaatsenbeleid waarin gestreefd wordt naar ruimte voor iedereen.
Daarbij is er weldegelijk een belangrijke rol voor de gemeente om in de uitvoering richting de individuele broedplaatsen te eisen dat er daar op in- en uitstroom bewust gestuurd wordt en daarover ook periodiek richting gemeente gerapporteerd wordt zodat de gemeente politiek, bestuurlijk en uitvoerend de vinger aan de broedplaatspols kan houden.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
37
Bijlage 1 - Literatuurlijst Blaker, N., Poort, J., & Burema, F. (2022, september). Broedplaatsen in de Metropoolregio Amsterdam. Atlas Research. CAWA. (2023). Jaarverslag 2023. DSP-groep. (2009). Vraagmonitor broedplaatsen Amsterdam: Eindrapport (p. 37). In opdracht van Bureau Broedplaatsen, Gemeente Amsterdam. Gemeente Amsterdam. (2016). Herzien Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015 – 2018. Gemeente Amsterdam. (2024, maart). Atelier- en broedplaatsenbeleid 2023–2026 (Versie 032024).
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
38
Bijlage 2 - Onderzoeksverantwoording Betrouwbaarheid Verhuurdersonderzoek: 21 van de 77 aangeschreven verhuurders reageerden (27%), goed
•
voor ten minste 49 van de 77 broedplaatsen. De foutenmarge bedraagt circa 8%. 38 Huurdersonderzoek: 554 respondenten, waarvan 364 huidige huurders. Op basis van een geschatte populatie van 3.000 huurders, levert dit foutenmarges op van:
•
Tabel 1 Foutenmarges per doelgroep Doelgroep
Foutenmarges
Huurders
5%
Voormalig huurders
12%
Potentiële huurders (op zoek naar ruimte)
9%
Totaal
4%
De enquête was openbaar toegankelijk. De dataset is geschoond op onregelmatigheden (zoals invulsnelheid en tegenstrijdige antwoorden). Er zijn geen aanwijzingen voor beïnvloeding door meervoudige deelname. Representativiteit en betrouwbaarheid onderzoeken Betrouwbaarheid In het verhuurdersonderzoek zijn er 21 deelnames 77 uitnodigingen. Samen vertegenwoordigen ze ten minste 49 broedplaatsen. Bij deze vertegenwoordiging van broedplaatsen hoort een foutenmarge39 van 8%, foutmarge gebaseerd op het aantal deelnames is 18%. In het huurdersonderzoek zijn er 554 deelnames waarvan 364 deelnames van huurders. Het is niet exact bekend hoe groot de verschillende doelgroepen in de populatie zijn. Maar op basis van de antwoorden van verhuurders, mag verwacht worden dat er tenminste 3.000 huurders zijn. Op basis daarvan komen we tot de volgende foutenmarges. Tabel 2 Foutenmarges per doelgroep Doelgroep
Foutenmarges
Huurders
5%
Voormalig huurders
12%
Potentiële huurders (op zoek naar ruimte)
9%
Totaal
4%
De vragenlijsten waren via een open link in te vullen. Dit betekent dat mensen meerdere keren mee konden doen als ze wilden. De uitkomsten zijn geanalyseerd op snelheid, invulpatronen en onlogisch antwoordcombinaties (bijv. jonge kunstenaar die al heel lang in ruimte zou zitten). Op basis hiervan is de data geschoond. Er zijn geen aanwijzingen dat men heeft geprobeerd het onderzoek te beïnvloeden door meer dan één keer mee te doen.
De foutmarge is een bereik van waarden rondom de onderzoeksresultaten. Als bijvoorbeeld 60% het antwoord 'ja' kiest met een foutmarge van 8% bij een betrouwbaarheidsniveau van 95%, is de kans 95% dat 52% tot 68% van de populatie 'ja' zou kiezen. 39 De foutmarge is een bereik van waarden rondom de onderzoeksresultaten. Als bijvoorbeeld 60% het antwoord 'ja' kiest met een foutmarge van 8% bij een betrouwbaarheidsniveau van 95%, is de kans 95% dat 52% tot 68% van de populatie 'ja' zou kiezen. 38
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
39
Representativiteit Representativiteit betekent in hoeverre de responssamenstelling overeenkomt met de populatie. Het responspercentage zegt daarbij niet alles. Een onderzoek kan een hoge respons hebben (bijv. 80%), maar dan nog steeds kan een bepaalde groep – bijvoorbeeld jongeren – sterk ondervertegenwoordigd zijn. In dit onderzoek is het lastig om de representativiteit volledig vast te stellen. Zo zijn veel populatiegegevens van huurders en verhuurders niet volledig bekend. We weten bijvoorbeeld niet hoeveel creatieven in totaal in broedplaatsen huren, de leeftijdsopbouw van de huurderspopulatie en het aantal huurders per broedplaats. Daardoor weten we niet of er sprake is van over- of ondervertegenwoordiging van bepaalde leeftijdsgroepen en kleinere en grotere broedplaatsen gemeten naar omvang van het huurdersbestand. Om toch enig inzicht te krijgen in de representativiteit, hebben we gekeken naar de cijfers die wel beschikbaar zijn. Bij de verhuurders is een redelijk groot deel van de broedplaatsen vertegenwoordigd (64%). Maar het is onbekend of het deel dat niet meedeed, verschilt van het deel dat wel meedeed. Het zou kunnen dat de niet deelnemende verhuurders vaker kleinere/grotere of nieuwere/oudere broedplaatsen zijn. Dit kan invloed hebben op de uitkomsten.
Wel is er relatief weinig spreiding in de antwoorden, wat het niet aannemelijk maakt dat de uitkomsten anders zouden zijn als meer verhuurders aan het onderzoek mee zouden hebben gedaan. Voor huurders hebben we de stadsdelen waar ze huren (als ze dat wilden zeggen) afgezet tegen spreiding van broedplaatsen in de stad. De respons vormt een goede benadering van de verdeling van broedplaatsen in de stad. Dit geeft een indicatie dat de respons representatief is op dit kenmerk. Maar van andere achtergrondkenmerken (leeftijd, taal, discipline, etc.) weten we niet of er sprake is van een over- of ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen ten opzichte van de populatie. Ook bij de stadsdelen is dit niet exact vast te stellen, omdat we niet het aantal huurders van elke broedplaats kennen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat er in een stadsdeel een aantal hele grote broedplaatsen zijn waardoor het aandeel van dit stadsdeel eigenlijk groter is. Samengevat: de respons lijkt representatief te zijn voor de stadsdelen en van andere kenmerken weten we dit niet. Tabel 3 Aantal deelnames en aantal broedplaatsen Aantal deelnames
% 14%
Aantal broedplaatsen 10
Stadsdeel Centrum
47
Stadsdeel Noord Stadsdeel West
13%
54
16%
11
14%
53
16%
8
10%
Stadsdeel Nieuw-West
57
17%
14
18%
Stadsdeel Oost
77
23%
15
19%
Stadsdeel Zuid
15
4%
4
5%
Stadsdeel Zuidoost
13
4%
6
8%
Weesp
1
0%
1
1%
Zaanstad
6
2%
2
3%
Halfweg
1
0%
1
1%
Anders
16
5%
5
6%
Totaal
340
100%
77
100%
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
%
40
De uitkomsten zijn wel zoveel mogelijk op basis van de achtergrondkenmerken geanalyseerd. Wanneer er statistisch significante (en relevante) verschillen zijn – bijvoorbeeld tussen jongere en oudere kunstenaars – dan hebben we deze in de tekst benoemd.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
41
Bijlage 3a - Figuren Figuur 1: Hoe ben je aan je huidige atelierruimte gekomen? (huurders; n=364) Via ateliers.amsterdam.nl
21%
Via huurders die al op deze locatie huurden
18%
Via-via (bijv. via een kennis of een vriend)
17%
Via een website van een broedplaats
9%
Ik heb de broedplaats/verhuurder direct benaderd
9%
Via bemiddeling door de gemeente
6%
Vanuit de buurt / via een buurtorganisatie
1%
Via een website van een commerciële aanbieder
1%
Via een woningcorporatie
1%
De broedplaats/verhuurder heeft mij direct benaderd
1%
Ik huur het anti-kraak
1%
Anders
17% 0%
10%
20%
30%
Figuur 2: In hoeverre bent u het eens met de volgende stellingen? (huurders; n=364) Het is goed dat een deel van betaalbare ruimten bestemd is voor kunstenaars en dat dit getoetst wordt
39%
In mijn broedplaats/ atelierverzamelgebouw vindt professionele uitwisseling plaats
31%
Ik ben onzeker over of ik in de toekomst in mijn werkruimte mag blijven
30%
39%
12% 3%4% 2%
37%
17%
28%
18%
6%3%6%
12%
6% 6%
Als ik mijn huidige ruimte moet verlaten, moet ik de regio Amsterdam verlaten (als plaats om te werken).
20%
27%
19%
10% 5%
18%
Als ik mijn huidige ruimte moet verlaten, blijf ik in de regio Amsterdam wonen.
23%
23%
19%
12%
10%
14%
10%
13%
17%
8%
Er is weinig doorstroom in de broedplaats waar ik huur Broedplaatsen/ atelierverzamelgebouwen zijn gesloten gemeenschappen waar nieuwe huurders moeilijk tussenkomen
13% 6%
16% 15%
Veel ruimten in mijn broedplaats/ atelierverzamelgebouw 3% 10% worden niet gebruikt waar ze voor bedoeld zijn Het maakt voor mijn kunstenaarschap niet uit of ik een vaste 1% 2% 5% ruimte heb of niet Er is voldoende betaalbare atelierruimte voor kunstenaars in 1% 1% 4% de regio Amsterdam Op de vrije markt is voldoende atelierruimte waar ik naartoe 2% 1% 4% zou kunnen
0% Helemaal mee eens
DSP-groep
Mee eens
Neutraal
Mee oneens
23%
26%
26% 15%
29% 27%
34%
16% 23% 17%
74%
2%
65%
5%
69%
25% Helemaal mee oneens
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
50%
11%
8%
75%
100%
Weet ik niet / niet van toepassing
42
Figuur 3 – Had u het afgelopen jaar te maken met structurele leegstand? (n=21) (We bedoelen hier niet de leegstand mee doordat een huurder vertrekt en een ruimte korte tijd leegstaat totdat de volgende huurder er is.)
Ja, 40% tot 59%
5%
Ja, 20% tot 39%
5%
Ja, 1% tot 19%
24%
Nee, geen structurele leegstand (0%)
67%
0%
DSP-groep
25%
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
50%
75%
43
Bijlage 3b - Tabellen Tabel 140 Overzicht broedplaatsen inclusief verwacht einde Naam broedplaats
Einde broedplaats
Stadsdeel
1. Muziekstraat
2021
Noord
2. ACTA
2027
Nieuw-West
3. A-Lab
Permanent
Noord
4. Amstelstation
2043
Oost
5. Baggerbeest
2032
Oost
6. Basjesdorp
Permanent
Oost
7. Beatfabriek
2028
West
8. Biotoop
2030
Nieuw-West
9. BOGOTÁ
Permanent
MRA
2032
West
Permanent
West
12. Brug
2043
Oost
13. Care Design Lab
2028
Nieuw-West
14. Chasseestraat
2029
West
15. Cinetol
Permanent
Zuid
16. Concertgemaal
Permanent
Noord
2027
West
18. Costa Rica
Permanent
Centrum
19. De 1800 Roeden
Permanent
Nieuw-West
20. De Centrale
2043
MRA
21. De Ceuvel
2024
Noord
22. De Heining
Permanent
Nieuw-West
2028
MRA
24. De IJsbrand
Permanent
Noord
25. De Kazerne
2029
Zuidoost
26. De Kempenaerstudio
Permanent
West
27. De Remise
Permanent
Centrum
28. De Sloot
2026
Nieuw-West
29. De Vlugt
2027
Nieuw-West
30. De Wittenplaats
2025
West
31. Echtenstein
2030
Zuidoost
32. Flat Florijn
2028
Zuidoost
33. Fort Knox
2024
Oost
34. GinDS
2027
MRA
Permanent
Zuidoost
36. Hellema
2029
MRA
37. Helling X
Permanent
Noord
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
44
10. Bonte Zwaan 11. BOUW
17. Contact
23. De Hoop
35. Heesterveld Creative Community
40
Data uit 2024: Broedplaatsenbeleid 2023-2024: P44.
DSP-groep
Naam broedplaats
Einde broedplaats
Stadsdeel
38. Het Domein
Permanent
Weesp
39. HW10
Permanent
Nieuw-West
2029
West
Permanent
Centrum
2026
Oost
Permanent
West
44. Lely
2024
Nieuw-West
45. Lizzy
Permanent
Zuid
46. LTS
2026
West
47. Lutke
Permanent
Nieuw-West
48. Lycka
2040
Nieuw-West
49. MACA
2031
Noord
50. Marci Panis
Permanent
Centrum
51. Mediamatic
Permanent
Centrum
2027
Noord
53. NDSM
Permanent
Noord
54. OT301
Permanent
West
55. Oud Nico
Permanent
Centrum
56. P/////AKT
2024
Oost
57. Pakhuis De Zwijger
Permanent
Centrum
58. Pakhuis Wilhelmina
Permanent
Centrum
2026
Zuid
Permanent
Centrum
2025
West
62. Quarantainegebouw
Permanent
Centrum
63. Rietwijker
Permanent
Noord
64. Ruigoord
Permanent
Nieuw-West
65. Splendor
Permanent
Centrum
66. Stuart
2029
MRA
67. SUP
2025
West
Permanent
Zuid
69. Treehouse
2028
Noord
70. Tugela 85
Permanent
Oost
2026
Oost
72. Vondelbunker
Permanent
West
73. VWWO
Permanent
Centrum
74. Westerdok
2029
West
75. Wijk 7
2024
Zuidoost
Permanent
Centrum
2029
West
Permanent
West
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
45
40. ISO 41. De Kweek 42. KOCH 43. Lab 111
52. Modestraat 2.0
59. Petersburg 60. Plantage Dok 61. Podium Mozaïek
68. Tempel
71. VKG
76. Witte Bijl 77. WOW 78. Xpositron
DSP-groep
Naam broedplaats
Einde broedplaats
Stadsdeel
2029
Zuidoost
-
Zuidoost
79. ZO Jazz 80. Kruitberg
Tabel 2 Overzicht ruimten, broedplaatsen en huurders per verhuurder van broedplaatsruimte Ruimten
M2
Huurders
M2 per huurder
26
1.380
20
69,0
170
12.000
300
40,0
60
5.300
110
48,2
150
5.000
170
29,4
21
1.200
60
20,0
12
420
18
23,3
60
2.500
70
35,7
16
900
16
56,3
16
800
40
20,0
3
120
8
15,0
14
638
28
22,8
89
-
220
-
2
65
2
32,5
100
15.000
120
125,0
500
40.000
600
66,7
105
2.000
105
19,0
12
800
12
66,7
88.123
1.899
46,4
Totaal: 1.356
Tabel 3 Overzicht ruimten, broedplaatsen en huurders per verhuurder van andere ruimte Ruimten
M2
Huurders
M2 per huurder
400
20.000
450
44,4
58
1.800
52
34,6
53
1.949
47
41,5
27
2.500
27
92,6
-
576
-
26.249m
1.152
45,6
Totaal: 538
2
Tabel 4 Hoeveel contracten zijn er per jaar aan CAWA ruimtes in gemeentelijk vastgoed afgegeven? Jaar
‘07
‘10
‘11
‘13
‘14
‘15
‘16
‘17
‘18
‘19
‘20
‘21
‘22
‘23
‘24
‘25
Tot
41
Contracten
1
41
5
4
1
2
4
6
21
33
5
22
70
55
60
79
47
415
Incompleet: 2025 is nog niet afgelopen op het moment dat dit rapport verschijnt.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
46
Tabel 5 Hoelang hebben voormalig huurders in hun ruimte gezeten? N=64, voormalig huurders Aantal
%
3 tot 6 maanden
2
3,1
6 maanden tot 1 jaar
6
9,4
1 tot 3 jaar
20
31,3
3 tot 5 jaar
12
18,8
5 tot 10 jaar
8
12,5
10 jaar of langer
16
25,0
Totaal
64
100,0
Tabel 6 Waar de huurders wonen t.o.v. totaal aantal broedplaatsen in Amsterdam Aantal deelnames
% 14%
Aantal broedplaatsen 10
Stadsdeel Centrum
47
Stadsdeel Noord
% 13%
54
16%
11
14%
Stadsdeel West
53
16%
8
10%
Stadsdeel Nieuw-West
57
17%
14
18%
Stadsdeel Oost
77
23%
15
19%
Stadsdeel Zuid
15
4%
4
5%
Stadsdeel Zuidoost
13
4%
6
8%
Weesp
1
0%
1
1%
Zaanstad
6
2%
2
3%
Halfweg
1
0%
1
1%
Anders
16
5%
5
6%
Totaal
340
100%
77
100%
Tabel 7 Aantal aanmeldingen afgezet tegen huidig aantal huurders Aantal huurders
Jaarlijks aantal aanmeldingen
Aanmeldingen t.o.v. huurders
52
35
67%
47
0
0%
620
60
10%
40
12
30%
12
50
417%
8
5
63%
105
125
119%
0
.
.
2
.
.
110
120
109%
220
100
45%
300
50
17%
18
20
111%
16
20
125%
20
21
105%
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
47
Aantal huurders
Jaarlijks aantal aanmeldingen
Aanmeldingen t.o.v. huurders
120
.
.
60
75
125%
28
15
54%
27
300
1.111%
600
700
117%
70 Totaal: 2.475
20
29%
1.728
70%
Tabel 8 Geschat aantal huurders dat moet vertrekken ten opzichte van het aantal huurders van broedplaatsruimte per verhuurder Aantal huurders broedplaatsruimte
Aantal gedwongen vertrek
% gedwongen vertrek
170
35
21%
8
4
50%
70
10
14%
16
0
0%
20
.
.
28
.
.
220
.
.
2
2
100%
300
100
33%
120
0
0%
600
20
3%
60
.
.
105
3
3%
12
.
.
18
0
0%
40
0
0%
110
.
.
174
12%
Totaal (alleen complete antwoorden meegerekend) 1.449
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
48
Bijlage 4 Klankbordgroep In deze bijlage een overzicht van de leden van de klankbordgroep in alfabetische volgorde: •
Arthur Kneepkens zit in de klankbordgroep namens Platform Beeldende Kunst (www.platformbk.nl). Daar is hij co-directeur samen met Hilda Moucharrafieh. Daarnaast werkt als sociaal-artistiek maker, dramaturg, curator en docent, in collectieven, communities en coöperaties. Hij heeft een achtergrond in theater, aanvankelijk met (nieuw) dramatisch repertoire en autofictie, en steeds meer met praktijken die site-specific en communitysensitive zijn. Zo is zijn werk op een organische manier meer interdisciplinair geworden.
•
Fouad Lakbir is een verhalenverteller, cultureel ondernemer en fotograaf. Hij maakt, vertelt en cureert verhalen via podcasts, fotografie en culturele programmering. Als medeinitiatiefnemer van MAQAM, een creatieve ruimte in de Kolenkitbuurt, geeft hij richting aan nieuwe narratieven en ontmoetingen. Zijn werk was te zien bij onder andere De Appel, Stichting NDSM, Nationale Opera&Ballet en het Amsterdam Museum.
•
Frans van Tartwijk, beeldend kunstenaar, zet zich namens de vereniging 2e Nassaustraat 8 in voor het behoud en de betaalbaarheid van kunstenaarsateliers in Amsterdam.
•
Hay Schoolmeesters is cultureel aanjager en organisator van o.a. maatschappijkritische kunstfestivals is Schoolmeesters al sinds jaar en dag speler in het Amsterdamse culturele veld en is hij een grootvoorvechter van het scheppen van maximale vrije ruimte voor mensen met vrije geesten. Hij beweegt zich op het vlak tussen politiek, kunst en activisme en presenteert met reflecterende noties en statements onverwachte maar ook mogelijke leef- & zienswijzen binnen de maatschappelijke verhoudingen. Hij werkte tot 2021 als hoofd financiën en programmamaker bij stichting Urban Resort. Behalve beleidsmaker bij de Culturele Stelling van Amsterdam, is hij momenteel projectleider van Het Groene Veld, trekker van de Belangengroep Broedplaatsen Metropoolregio Amsterdam en nauw betrokken bij de Ma.akbank Stek.
•
Isis van der Wel is dj en producer. Sinds 2000 is Van der Wel daarnaast actief als curator en heeft ze verschillende multidisciplinaire programma’s gerealiseerd voor diverse clubs, podia, festivals en musea. Naast haar werkzaamheden als artiest en curator heeft Van der Wel zich ontwikkeld als coach en adviseur in, met name, de creatieve sector. Van 2010 tot en met 2012 was ze Nachtburgemeester van Amsterdam. In die hoedanigheid stond ze aan de wieg van de huidige Amsterdamse 24-uursvergunningen. Sinds haar Nachtburgemeesterschap maakt ze onderdeel uit van het creatieve expertteam van de gemeente Amsterdam. Per 2019 is Isis actief als bestuurslid voor de Amsterdamse Kunstraad. Sinds 2020 adviseert Van der Wel het Amsterdamse gemeentebestuur over het hoofdstedelijk broedplaatsenbeleid als commissielid van de CAWA, vanaf 2023 vanuit de hoedanigheid als voorzitter.
•
Karien van Assendelft, theaterschrijver, mede-oprichter van Cultuurgebouw Tugela85 (https://www.tugela85.nl/) en initiator van Ma.akbank Stek waar kunstenaars, bewonersinitiatieven, gemeente, maatschappelijke organisaties en bedrijven samenwerken aan meer plek voor maatschappelijke en culturele initiatieven in Amsterdam (https://ma.ak020.nl/maakbank-Stek).
•
Peter van den Bunder, belangenbehartiger zzp en beeldende kunst, Kunstenbond.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
49
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
50
DSP-groep BV Van Diemenstraat 410 1013 CR Amsterdam +31 (0)20 625 75 37 dsp@dsp-groep.nl KvK 33176766 www.dsp-groep.nl Als onafhankelijk bureau ondersteunen wij ministeries, provincies en gemeenten en maatschappelijke organisaties met toegankelijke en toepasbare onderzoeksresultaten en adviezen. Wij moedigen onze medewerkers aan om te doen waar zij goed in zijn en zich hierin te blijven ontwikkelen. Waar mogelijk werken wij samen met vaste freelancers en organisaties met aanvullende expertise en kwaliteiten. Om nieuwe perspectieven en positieve energie te bieden, leggen wij verbinding tussen de verschillende thema’s waarop wij werken en bewegen wij ons voortdurend tussen verschillende werelden. Goed beleid is inclusief en neemt verschillende soorten kennis mee. Onze kracht ligt in onze gedrevenheid, betrokkenheid en een frisse, onafhankelijke blik. Wat we doen DSP-groep zorgt voor gedegen kennis, nieuwe perspectieven en positieve energie in complexe maatschappelijke opgaven. Wij ontwikkelen advies en beleid vanuit en voor de mensen om wie het gaat. Advies en beleid waar onze opdrachtgevers graag mee verder gaan. Advies en beleid dat werkt. Meer weten Neem vrijblijvend contact met ons op voor meer informatie of om een afspraak te maken. Bezoek onze website www.dsp-groep.nl voor onze projecten.