DN Atelierbeleid (Hendrickx)
Tekst van het document
Discussienotitie: Draai het nieuwe atelierbeleid terug Inleiding Vorig jaar is het nieuwe Atelierbeleid ingevoerd. Dit beleid is volledig naar Amsterdams voorbeeld gemaakt. In dit beleid is tijdelijkheid het uitgangspunt: kunstenaars kunnen maximaal 10 jaar in hun atelier zitten. Daarna is doorstroom verplicht. De gemeente Amsterdam draait dit beleid nu terug, omdat het niet werkt. In november riep de Kunstenbond de gemeente Den Bosch dan ook op om Amsterdam te volgen. De Bossche Groenen wil dat de gemeente hier zo snel mogelijk gehoor aan heeft. Verplichte doorstroom = uitstroom De Atelier Beheer Stichting, die tot 1 januari 2025 het atelierbeheer deed, waarschuwde in aanloop naar 2025 al herhaaldelijk voor een onwerkbare situatie. In Den Bosch is er een groot tekort aan ateliers. Verplichte doorstroom zou dan ook uitstroom betekenen. In Amsterdam blijkt dit inderdaad het geval. Daarom draaien ze daar de boel terug. Wat draait Amsterdam terug? * De gemeente Amsterdam wijzigt het atelierbeleid en schrapt de verplichte limiet van maximaal tien jaar huren. * In plaats van doorstroom om de doorstroom, komt er een nieuwe focus op instroom, mét een actieplan dat inzet op meer diverse en beter toegankelijke broedplaatsen. Een stap richting structurele ruimte voor kunstenaars en makers in de hoofdstad.
Onderzoek De gemeente Amsterdam voert de beleidswijziging door op basis van een onderzoeksrapport en het advies van de klankbordgroep, waarin ook de Kunstenbond deelnam. De belangrijkste inzichten: • Er is al een natuurlijke doorstroom van 10 tot 15% is als het gaat om atelierruimtes, • slechts 2% van de huurders denkt na gedwongen vertrek op de vrije markt een geschikte ruimte te vinden, • omdat er te weinig betaalbare en passende atelierruimte in de stad. De Bossche Groenen heeft de volgende vragen: 1. Hoe beoordeelt de commissie de recente beleidswijziging in Amsterdam en ziet zij aanleiding om deze ontwikkeling te betrekken bij de heroverweging van het Bossche atelierbeleid? 2. Op welke wijze kijkt de commissie naar het vraagstuk van tijdelijkheid binnen het atelierbeleid, gezien de lokale marktsituatie en de ervaringen uit andere gemeenten? 3. In hoeverre acht de commissie de onderzoeksbevindingen uit Amsterdam relevant voor de Bossche context, en hoe zouden deze inzichten volgens de commissie kunnen worden meegenomen in de verdere beleidsvorming? Judith Hendrickx, De Bossche Groenen