Bijlage raadsvoorstel KIA (versie 20-03-2025)
Tekst van het document
Bijlage Raadsvoorstel Klimaatimpactanalyse (KIA)
Voorwoord wethouder We gaan samen voor een klimaatneutraal ’s-Hertogenbosch in 2045. Met inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen werken we aan een overgang van fossiele naar schone energie en creëren zo een duurzame toekomst voor volgende generaties. Het rapport ’s-Hertogenbosch Klimaatneutraal van onderzoeksbureau CE Delft toont aan dat de gemeenteraad op korte termijn scherpe keuzes moet maken om op koers te blijven om deze opgave op tijd te realiseren. Zonder die keuzes kiezen we feitelijk ook. In dat geval kiezen we er namelijk voor dat we niet klimaatneutraal zijn in 2045. Daarnaast loopt de verduurzaming van de gebouwde omgeving zonder die keuzes vertraging op, waardoor de verschillen tussen de energierekeningen van huishoudens toenemen. Huishoudens die niet kunnen of willen verduurzamen houden dan een fors hogere energierekening dan huishoudens die wel verduurzamen. Bovendien loopt de eerste groep een groter risico om harder geraakt te worden door prijsschokken van fossiele brandstoffen als gevolg van geopolitieke onrust. Wij begrijpen dat dit lastige keuzes zijn, die belangrijke consequenties hebben voor inwoners en ondernemers en leiden tot minder vrijblijvendheid. Tegelijkertijd werken we hiermee aan een betaalbare, toekomstbestendige energievoorziening en bieden we onze inwoners, ondernemers en partners duidelijkheid.
Duidelijkheid die zij nodig hebben om de nodige stappen op tijd en geleidelijk te kunnen zetten. Zo voorkomen we dat de energievoorziening op termijn voor grote groepen onbetaalbaar wordt en we, onder steeds grotere tijdsdruk, steeds ingrijpender maatregelen moeten nemen. In deze Klimaatimpactanalyse (KIA) doet het college voostellen die de raad in staat stellen om deze keuzes te maken. Keuzes die de basis vormen voor toekomstige uitvoeringsprogramma’s, zoals het Warmteprogramma en het Programma Duurzame Mobiliteit en richting geven aan de Nota Duurzaam. Mike van der Geld wethouder Energie
–2–
Inleiding In deze bijlage bij het raadsvoorstel gaan we nader in op drie onderwerpen: Onze CO2-opgave We geven antwoord op twee deelvragen: Welke CO2-uitstoot wordt aan een gemeente toegerekend? en Welke aan ons toegerekende CO2-uitstoot is beïnvloedbaar door een gemeente? Het antwoord op beide vragen bepaalt de omvang van onze CO2-opgave en maakt duidelijk waar de focus van onze inspanningen moet liggen. Daarnaast geven we aan welk reductietempo het college voorstelt en hoe we dit willen monitoren. Voorgestelde beleidsmaatregelen We geven een toelichting op de beleidsmaatregelen die in het dictum van het raadsvoorstel zijn benoemd en noodzakelijk zijn om onze CO2-opgave te realiseren. Ook geven we een toelichting op de principes voor de uitvoering die hierbij leidend zijn. Financiële consequenties We geven de raad zoveel als mogelijk inzicht in de financiële consequenties van de voorgestelde beleidsmaatregelen voor de gemeente. Het college geeft hiermee invulling aan de motie Op weg naar een stappenplan voor een klimaatneutraal ’s-Hertogenbosch. Naar aanleiding van deze motie heeft het college de raad toegezegd om op hoofdlijnen een financiële doorkijk te geven van de onderliggende beleidslijnen in de KIA.
–3–
1.
Onze CO2-opgave
1.1
Welke CO2-uitstoot wordt aan de gemeente toegerekend?
Bij het bepalen van de CO2-uitstoot die aan ons wordt toegerekend gaan we uit van de nationale rekenmethode: scope 1- en 2-emissies en de zogenaamde verbruiksbenadering. In de rapportage van CE Delft1 worden de scope-emissies en de verbruiksbenadering toegelicht. Kort samengevat:
Scope 1-emissies hebben betrekking op de CO2-uitstoot op het grondgebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch (i.c. verbruik van aardgas, motorbrandstoffen en landbouwemissies). Scope 2-emissies hebben betrekking op CO2-uitstoot door het verbruik van elektriciteit in onze gemeente. Scope 3-emissies hebben betrekking op CO2-uitstoot die samenhangt met de productie en transport van bouwstoffen, consumptiegoederen en voedsel (voorbeelden: beton, afvalverwerking, vliegvakanties, voedselconsumptie en de aanschaf van kleding, meubels en elektrische apparaten).
De verbruiksbenadering sluit aan bij scope 1 en 2 en gaat uit van de locatie waar het energieverbruik plaatsvindt (woning of bedrijfsgebouw) en niet op de locatie waar de fysieke CO2-uitstoot plaatsvindt (elektriciteitscentrale). Dit betekent dat scope 3-emissies niet aan een gemeente worden toegerekend en daarmee ook niet zichtbaar (en meetbaar!) zijn in de Klimaatmonitor 2. 1.2
Welke CO2-uitstoot is beïnvloedbaar door de gemeente?
De KIA gaat over de aan ons toegerekende CO2-uitstoot die kan worden beïnvloed met gemeentelijk beleid. Hierbij geldt: hoe actiever de rol van de gemeente in de realisatie van een beleidsmaatregel, hoe groter de invloed op de CO2-uitstoot. Zo is de invloed het grootst als de uitvoering volledig bij onszelf ligt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het verduurzamen van ons eigen vastgoed. Onze invloed is gering zodra de uitvoering bij anderen ligt en wij deze niet of nauwelijks kunnen reguleren. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het verduurzamen van mobiliteit op snelwegen, de landbouw en de industrie. CO2-uitstoot die aan ons wordt toegerekend, maar die niet of nauwelijks met gemeentelijk beleid te beïnvloeden is, krijgt geen aandacht in de KIA. Het gaat hier immers om CO2-uitstoot waarbij het ‘bevoegd gezag’ bij de provincie, het Rijk en/of Europa ligt. De belangrijkste voorbeelden zijn:
CO2-uitstoot op snel- en provinciale wegen CO2-uitstoot industrie en landbouw CO2-uitstoot van elektriciteitsgebruik
CO2-uitstoot snel- en provinciale wegen In het Klimaatakkoord is afgesproken dat het Rijk verantwoordelijk is voor de CO2-uitstoot op de snelwegen. Het Rijk kan hiertoe regels opstellen, zoals een maximumsnelheid en uitstootnormen voor voertuigen. De provincie kan hetzelfde doen op provinciale wegen. De gemeente heeft geen bevoegdheden op snel- en provinciale wegen. Wel zullen emissiemaatregelen op gemeentelijk wegen leiden tot zogenaamde uitstralingseffecten, waardoor de CO2-uitstoot op snel- en provinciale wegen zal afnemen. De effecten hiervan zijn echter niet meetbaar.
’s-Hertogenbosch Klimaatneutraal, CE Delft, 2023 (blz. 5-6). De Klimaatmonitor voorziet decentrale overheden van informatie met betrekking tot (o.a.) de CO2-uitstoot op hun grondgebied. De Klimaatmonitor laat cijfers zien tot 1-2 jaar terug. 1 2
–4–
CO2-uitstoot industrie en landbouw In het Klimaatakkoord is afgesproken dat – naast Europa – het Rijk verantwoordelijk is voor het terugdringen van de CO2-uitstoot in de landbouw en industrie. Dit gebeurt vooral door middel van het beprijzen van CO2-uitstoot en subsidiëring van duurzame productietechnieken. De invloed van de gemeente is zeer beperkt. In theorie kan een gemeente landbouw- en industriële bedrijven via ruimtelijk beleid proberen te weren. Dat zou kunnen leiden tot een beperkte daling van de CO 2uitstoot in onze gemeente, maar zal in de praktijk vooral leiden tot verplaatsing van de CO 2-uitstoot naar andere gemeenten. CO2-uitstoot elektriciteitsgebruik De elektriciteit die uit de stopcontacten in onze gemeente komt, bestaat uit een mix van stroom die is opgewekt uit kolen, gas, kernenergie, wind en zon. De CO2-uitstoot van elektriciteit – ook wel emissiefactor genoemd – is afhankelijk van de samenstelling van deze ‘energiemix’. De energiemix wordt bepaald door het Rijk en is niet of nauwelijks te beïnvloeden door gemeenten. In 2020 bedroeg de CO2-emissiefactor van elektriciteit als gevolg van onze nationale energiemix 0,29 kg CO2/kWh. Op grond van Europese en nationale wet- en regelgeving is het Rijk ervoor verantwoordelijk om de emissiefactor van elektriciteit vóór 2050 terug te brengen tot nul.
De gemeente ’s-Hertogenbosch levert hier via de RES NOB een bijdrage aan met een lokale opwekopgave van 0,35 TWh aan duurzame elektriciteit.
1.3
Wat is onze CO2-opgave?
Als we klimaatneutraal willen zijn in 2045, dan moeten we ervoor zorgen dat we de aan ons toegerekende en door ons beïnvloedbare CO2-uitstoot (peiljaar 2020) eind 2045 tot nul hebben teruggebracht. O.b.v. het voorgaande kunnen we concluderen dat:
scope 1-emissies die het gevolg zijn van fossiele mobiliteit op snel- en provinciale wegen, industrie en landbouw in onze gemeente niet door ons te beïnvloeden zijn (verantwoordelijkheid en bevoegdheid ligt bij provincie en Rijk); scope 2-emissies die het gevolg zijn van elektriciteitsgebruik in onze gemeente niet door ons te beïnvloeden zijn (verantwoordelijkheid en bevoegdheid ligt bij het Rijk); scope 3-emissies niet aan ons worden toegerekend (verantwoordelijkheid en bevoegdheid liggen bij het Rijk en Europa).
“De voornaamste invloed van de gemeente zit op de reductie van aardgas en motorbrandstoffen.”3 Aangezien we hier als gemeente het verschil kunnen maken, zien we dit als onze CO 2-opgave. Deze emissies staan centraal in de KIA. Berekening van onze CO2-opgave (peildatum 1-1-2022) Aan ons toegerekende CO2-emissies Niet of nauwelijks beïnvloedbare CO2-emissies Onze CO2-opgave
680 kton 400 kton 280 kton
Verdeling CO2-opgave over de twee sectoren? Aardgasgebruik gebouwde omgeving Brandstofgebruik wegverkeer gemeentelijke wegen
3
’s-Hertogenbosch Klimaatneutraal, CE Delft, 2023 (blz. 10). –5–
187 kton (67%) 93 kton (33%)
1.4
Tempo CO2-reductie en monitoring
Voor wat betreft het tempo van onze CO2-reductie en de monitoring hiervan, gaan we uit van onderstaande S-curve. Deze curve leidt tot een uitstoot van nul in 2045 met een tussendoel van 50% reductie in 2035. Van de jaarlijks beoogde CO2-reductie wordt ongeveer twee derde gerealiseerd in de sector gebouwde omgeving en een derde in de sector mobiliteit. We monitoren jaarlijks in hoeverre wij erin slagen om deze lijn te volgen. Hiervoor gebruiken we de meest actuele informatie uit de Klimaatmonitor.
–6–
2.
Voorgestelde beleidsmaatregelen
2.1
Leidende principes voor de uitvoering
Het raadsvoorstel Klimaatimpactanalyse is richtinggevend voor toekomstig beleid dat de uitvoering van de gekozen maatregelen mogelijk maakt. Het college stelt voor hierbij steeds te werken vanuit drie uitgangspunten (leidende principes). Iedereen moet mee kunnen doen Iedereen kan bij de gemeente terecht voor informatie en advies en gebruik maken van de verduurzamingsregelingen die het Rijk en de gemeente aanbieden. Inwoners die niet in staat zijn om op eigen kracht te verduurzamen bieden we extra ondersteuning. Wij zijn duidelijk, consistent en voorspelbaar Een betrouwbare gemeente voert een duidelijk, consistent en voorspelbaar beleid. Inwoners, ondernemers en partners moeten weten waar ze aan toe zijn, zodat zij hun keuzes hierop kunnen baseren. Voorlopers moeten niet de dupe worden van tussentijdse beleidswijzigingen die hen op achterstand zetten of extra kosten laten maken. Wij werken kostenefficiënt Bij de uitvoering van maatregelen gaan we altijd na hoe de kosten hiervan zich verhouden tot de te realiseren CO2-reductie. Hierbij kijken we ook steeds naar de maatschappelijke kosten en baten voor de samenleving als geheel, de ontwikkeling van nationale en internationale wet- en regelgeving en bewezen innovaties.
2.2
Opstellen buurtuitvoeringsplannen
In een buurtuitvoeringsplan (BUP) beschrijft de gemeente samen met bewoners, ondernemers, andere gebouweigenaren in een buurt en professionele partners, hoe een buurt aardgasvrij wordt. Het maken van een BUP is wettelijk niet verplicht, maar heeft een aantal belangrijke voordelen. Een BUP biedt: extra duidelijkheid en handelingsperspectief voor bewoners, ondernemers, andere gebouweigenaren in het gebied en uitvoerende partners; een manier om samen met inwoners, ondernemers en partners een samenhangend plan op te stellen met duidelijke verantwoordelijkheden, rollen en taken: wie doet wat en wanneer; informatie voor politieke besluitvorming; onderbouwing van het besluit om de aanwijsbevoegdheid te gebruiken. In een BUP wordt de inzet van maatregelen uit de Bossche Besparingsaanpak in de betreffende buurt geregeld. De Besparingsaanpak is gericht op het ondersteunen en ontzorgen van Bossche huishoudens om energie te besparen en ‘aardgasvrijgereed’ te worden. De maatregelen in de Besparingsaanpak staan beschreven in hoofdstuk 3 van de Transitievisie Warmte 2.0 en het Jaarverslag Warmtetransitie 2024.
Deze maatregelen zijn: het Energieloket Brabant Woont Slim, het Bossche Energieadvies, Energiecoaches, de Straataanpak, de VvE aanpak, de Aanpak Gespikkeld bezit, het Isolatieprogramma, Hulp Bij Isoleren, Ondersteuning Beginnende Buurtinitiatieven, Bossche Energieadvies voor Monumenten en de Aanpak Particuliere Huur.
–7–
2.3
Inzet aanwijsbevoegdheid aardgasvrije buurten
Gemeenten hebben een regierol bij het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Dit is afgesproken in het Klimaatakkoord. Uit de evaluatie van de Proeftuinen Aardgasvrije Wijken (PAW), komt naar voren dat gemeenten zoekende zijn naar de invulling van hun regierol. Zij worstelen met de vraag hoe zij als regisseur kunnen sturen op duidelijkheid, kosten en snelheid. Daarom heeft een groot aantal proeftuingemeenten gevraagd om een wettelijke aanwijsbevoegdheid die hen in staat stelt om buurten aan te wijzen die binnen een redelijke termijn van het aardgas worden afgesloten 4. Met de Wet gemeentelijke instrumenten warmte (Wgiw) heeft de wetgever gehoor gegeven aan deze oproep. Het is de bedoeling dat deze wet per 1 januari 2026 van kracht wordt. 2.4
Verduurzaming eigen vastgoed
In principe kan het terugdringen van de CO2-uitstoot van ons eigen vastgoed gelijklopen met de plannen voor het aardgasloos maken van de gebouwde omgeving. In dat geval is verduurzaming van gemeentelijk vastgoed aan de orde als er een BUP wordt opgesteld voor de buurt waar dat vastgoed staat. De gemeente kan er ook voor kiezen om vooruitlopend op BUP’s, versneld haar eigen vastgoed te verduurzamen. Op die manier geeft de gemeente het goede voorbeeld en laat zij zien dat verduurzaming mogelijk en haalbaar is. Daarnaast biedt verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed kansen om duurzame warmteoplossingen voor een buurt mogelijk te maken. Zo kunnen de voor een warmtenet benodigde warmteoverdrachtstations (WOS) deels in of bij gemeentelijk vastgoed worden gerealiseerd. 2.5
Blijvende prioritering handhaving besparings- en labelplicht
Alle bedrijven die meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m 3 gas verbruiken vallen onder de energiebesparingsplicht o.g.v. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ook maatregelen die geen energie besparen, maar wel CO2-uitstoot verminderen zijn sinds 2023 verplicht. Bedrijven moeten hierover één keer in de vier jaar rapporteren via de Informatieplicht energiebesparing en/of via de Onderzoeksplicht energiebesparing. Daarnaast moeten kantoorgebouwen vanaf 1 januari 2023 minimaal energielabel C hebben. Voldoet het gebouw niet aan deze eis, dan mag het niet meer als kantoor gebruikt worden. Deze verplichting staat in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Om de CO2-uitstoot die het gevolg is van aardgasgebruik van dienstverlenende bedrijven te verlagen, handhaaft de Omgevingsdienst Brabant Noord (in opdracht van de gemeente) zowel de energiebesparingsplicht als de label C-plicht voor kantoren. Op dit moment heeft deze handhaving hoge prioriteit binnen het Uitvoeringsprogramma Toezicht & Handhaving. Dit heeft ertoe geleid dat op dit moment alle bij ons bekende bedrijven en kantoren die onder de verplichtingen van het Bal het Bbl vallen, onder toezicht van de ODBN staan. Als bedrijven of eigenaren van kantoorpanden niet aan hun verplichtingen voldoen, vindt handhaving plaats. 2.6
4
Zero-emissie-zone gemeentelijke wegen
Monitor proeftuinen aardgasvrije wijken – Voortgang & leerervaringen proeftuinen 2022, (blz. 43) –8–
Europese en nationale maatregelen moeten leiden tot nul CO2-uitstoot van mobiliteit in 20505. Onderstaande figuur laat zien dat zelfs zonder deze maatregelen de verkoop van nieuwe auto’s met een elektromotor zeer snel stijgt: in 2023 had 70% van de nieuw verkochte auto’s een niet-fossiele aandrijfmogelijkheid. Om deze redenen gaat het college er vooralsnog van uit dat de beoogde CO 2reductie van fossiele mobiliteit in 2045, ook zonder de invoering van een zero emissie-zone op alle gemeentelijke wegen en voor alle vormen van mobiliteit haalbaar is. Daarom stellen we voor om de ontwikkeling van de CO2-uitstoot van mobiliteit de komende jaren te volgen en de besluitvorming over het al dan niet uitbreiden van de huidige ZE-zone uit te stellen tot uiterlijk 2035. Bij de besluitvorming hierover houden we in ieder geval rekening met de ontwikkeling van nationale en Europese wet- en regelgeving en de eventuele invoering of uitbreiding van ZE-zones door gemeenten in onze regio.
2.7
Werkgeversaanpak duurzame mobiliteit
Het college stelt voor om afspraken te maken met werkgevers gericht op CO2-reductie in zakelijk en woon-werkverkeer van hun werknemers. Hierbij sluiten we aan bij de Coalitie Anders Reizen, een samenwerking van werkgevers om hun CO2-uitstoot van werk-gerelateerd reizen te halveren. Op dit moment valt ongeveer 7% van de werknemers in Nederland onder werkgevers die aangesloten zijn bij deze coalitie. De gemeente kan door middel van afspraken proberen om deze groep in onze gemeente te vergroten. CE Delft schat in dat een vertegenwoordiging van 25% van de werknemers een realistische ambitie is.
2.8
Verduurzaming gemeentelijke voertuigen
Onder het gemeentelijke wagenpark vallen personenauto’s die ingezet worden als poolauto maar ook vuilniswagens, bestel- en vrachtauto’s die in bezit zijn van de gemeente. Binnen de gemeentelijke organisatie is ruim 80% van de CO2-uitstoot door mobiliteit afkomstig van de Afvalstoffendienst. De overige 20% is verdeeld over vier organisatie-onderdelen: WeenerXL, Beheer
Belangrijkste maatregel is dat EU blijft afkoersen op een volledig CO2-vrije verkoop van nieuwe wagens in 2035. Daarnaast wordt vanaf 2027 een Europese heffing op fossiele brandstoffen ingevoerd, bovenop de bestaande accijnzen. 5
–9–
en Programmering, Facilitair en Sport & Recreatie. O.b.v. de huidige planning is in 2034 een groot deel van het wagenpark van de Afvalstoffendienst verduurzaamd (lees: geëlektrificeerd). 2.9
Duurzame opwek
De gemeente ’s-Hertogenbosch wil in 2045 klimaatneutraal zijn; dat is vijf jaar eerder dan het Rijk en Europa. Daardoor kunnen wij in de periode 2045-2050 niet profiteren van Rijks- en Europees beleid gericht op CO2-reductie op de door ons beïnvloedbare sectoren. Om dit nadeel te beperken, is het redelijk om het deel van onze CO2-opgave dat we niet kunnen realiseren, te compenseren met de extra opwek met wind en zon bovenop de RES-opgave6. Deze extra opwek is immers meer dan het Rijk van ons vraagt. Als alle geplande wind- en zon-initiatieven in ’s-Hertogenbosch worden gerealiseerd, dan wekken we in 2030 0,45 TWh aan duurzame energie op7. Dat is 0,1 TWh meer dan onze RES-opgave, wat resulteert in een CO2-compensatie van 7,0 kton8.
In de RES NOB 1.0 is afgesproken dat de gemeente ’s-Hertogenbosch 0,35 TWh bijdraagt aan de nationale RES-opgave van 35 TWh. 7 Bron: 5e Monitor Voortgang RES NOB. 8 0,1 TWh = 100.000.000 kWh x 0,07 kg CO2 = 7,0 kton CO2. 6
– 10 –
3.
Financiële consequenties
3.1
Investeringen en kosten
In dit hoofdstuk maken we onderscheid tussen investeringen en kosten. Investeringen Met investeringen bedoelen we uitgaven die binnen een redelijke termijn worden terugverdiend. Wat ‘redelijk’ is verschilt per investering. Zo is het redelijk om te veronderstellen dat een investering in een warmtenet binnen 30 jaar wordt terugverdiend, terwijl een redelijke terugverdientijd voor een investering in de verduurzaming van een woning of bedrijfspand 8-12 jaar bedraagt. Kosten Met kosten bedoelen we hier uitgaven die niet worden terugverdiend. Een voorbeeld zijn de kosten van personeel voor het aardgasvrij(gereed) maken van buurten. 3.2
Eén buurt aardgasvrij
Gemeente ’s-Hertogenbosch Bij het aardgasvrij maken van buurten maakt de gemeente vooral kosten voor het opstellen en uitvoeren van buurtuitvoeringsplannen (BUP) samen met inwoners, verhuurders, ondernemers en professionele partners. Hier ligt het zwaartepunt van het participatietraject om een buurt aardgasvrij te maken. De kosten hiervan bedragen (3,2 tot 3,5 fte9 x € 120.000 =) € 400.000 per buurt, per jaar. Inclusief een werkbudget van € 50.000 per jaar, bedragen de totale kosten € 450.000 per jaar per buurt, met een doorlooptijd van zes tot acht jaar. Ongeacht of in die buurt een warmtenet wordt gerealiseerd of de buurt overstapt op een individuele, duurzame warmteoplossing (warmtepomp). Om het noodzakelijk tempo te kunnen halen, zal de gemeente op termijn met een BUP actief zijn in 12 tot 18 buurten tegelijk. Gemeentelijk warmtebedrijf (indien buurt wordt aangesloten op warmtenet) Een warmtenet wordt in principe kostendekkend aangelegd. Dit betekent dat alle investeringen en kosten (uitvoeringskosten, kapitaallasten en personeel) worden verdisconteerd in de warmteprijs en in een periode van 30 jaar terugverdiend. Een warmtebedrijf investeert gemiddeld €7.500 per aangesloten huishouden10 in geval van de aanleg van een warmtenet in een buurt met bestaande bouw.
Een buurt in ’s-Hertogenbosch kent gemiddeld 700 huishoudens, zodat de investering voor de aanleg van een warmtenet zo’n €5,3 miljoen per buurt bedraagt. Het warmtebedrijf kan hiervoor deels subsidie aanvragen bij het Rijk en deels een bijdrage vragen aan de aangesloten woningeigenaren, verhuurders en bedrijven. Het resterende bedrag zal moeten worden geleend bij (op de publiek sector gerichte) financiële instellingen of de gemeente. Daarnaast heeft het warmtebedrijf te maken met personeelskosten en uitvoeringskosten voor beheer, onderhoud en facturatie door derden. 3.3
Handhaving besparings- en labelplicht dienstverlenende bedrijven
De jaarlijkse kosten voor het op peil houden van het bestaande niveau van (risicogerichte) toezicht en handhaving bedragen € 85.000 (deze kosten zijn reeds begroot). De jaarlijkse kosten voor controles op werkgebonden personenmobiliteit bedragen € 30.000 (deze kosten zijn reeds begroot). 9
Onderzoek kosten decentrale uitvoering van het klimaat- en energiebeleid (Rob) Review kostenkentallen warmtenetten (Nplw).
10
– 11 –
3.4
Verduurzaming gemeentelijke organisatie
De gemeente bezit zo’n 175 panden. Op basis van een eerste doorrekening van de afdeling Maatschappelijk Vastgoed bedragen de gemiddelde kosten van het volledig aardgasvrij maken van een gemeentelijk pand gemiddeld € 1,5 miljoen. In hoeverre deze kosten via lagere energiekosten en hogere huuropbrengsten kunnen worden terugverdiend is bij het schrijven van de KIA niet duidelijk. De aanpak en financiële onderbouwing voor verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed wordt later dit jaar aan de raad voorgelegd. In de aankomende Voorjaarsnota neemt de gemeenteraad een besluit over de noodzakelijke investeringen onze Afvalstoffendienst, waaronder verduurzaming van het wagenpark. Financiële haalbaarheid verduurzaming gemeentelijke organisatie De CO2-uitstoot van de gemeentelijke organisatie (gebouwen en mobiliteit) is, als onderdeel van de totale opgave, zeer klein. Dat betekent dat maatregelen gericht op CO2-reductie van de eigen organisatie een zeer beperkte invloed op onze klimaatopgave hebben. Wel willen we als gemeente het goede voorbeeld geven en daar waar financieel haalbaar (of zelfs wenselijk), sneller verduurzamen dan het tempo dat wij van de Bossche samenleving vragen. Lukt dat niet, dan sluiten we tenminste aan bij dit tempo.
In de praktijk betekent dit dat wij gemeentelijke panden in ieder geval aardgasvrij maken in buurten waarvan de gemeente heeft besloten dat deze aardgasvrij worden. Als wij afspraken maken met lokale werkgevers om de CO2-uitstoot van het zakelijk en woon-werkverkeer in 2035 te halveren, dan sluiten wij hierbij aan.
– 12 –