CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij brief 5 mei 2020 RES 1.0 - GROEN inZICHT

Gemeenteraad 18 mei 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Regionale Energiestrategie 1.011.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook hier benadrukt de Stuurgroep het belang van permanente aandacht voor de energie-efficiëntie van de innovaties.

Advies Stuurgroep Extra Opgave

17

6.1.3. Richting geven aan de ontwikkeling van datacenters zodat de kansen die deze bieden voor de energietransitie worden benut en kaders worden gesteld aan precieze ontwikkeling De Stuurgroep adviseert om: • Indien datacenters daadwerkelijk besluiten om zich komende jaren in Nederland te vestigen of uit te breiden, deze ontwikkeling actief richting te geven via verduurzamingsvoorwaarden bij vestiging door middel van een convenant, waaronder afspraken dat het datacenter haar volledige elektriciteitsvraag voorziet via hernieuwbare (via bijvoorbeeld PPA + GvO’s van hernieuwbare opwek in Nederland), de eigen mogelijkheden voor zonne-energieproductie op eigen dak benut, actief gewerkt wordt aan verbetering van de efficiency door voortdurende aandacht voor innovatie en implementatie van de best beschikbare technieken en bij nieuwe vestiging de hoogste energie-efficiëntie normen toe te passen, en in het geval van vestiging nabij stedelijk gebied, datacenters meewerken aan uitkoppeling van restwarmte zoals ook door TIKI geadviseerd. • Samen met de datacenters te verkennen welke rol datacenters kunnen spelen in balancering en flexibilisering van hun elektriciteitsvraag, tevens over weersgrenzen heen. 6.2.

Faciliteer de realisatie van 45 TWh extra hernieuwbare-elektriciteitsproductie in 2030 Doel: Inzetten op realisatie van extra hernieuwbare-elektriciteitsproductie van maximaal 45 TWh in 2030, gelijk aan de verwachte maximale extra elektriciteitsvraag vanuit industrie en datacenters, door vroegtijdig extra ruimte te reserveren en beschikbaar te maken (tenders) zowel op de Noordzee als indien nodig op land5 en een ketenprikkel te geven zodat extra industriële elektriciteitsvraag ook de risico’s bij aanbod vermindert. Concrete maatregelen: 6.2.1. Kiezen voor maximaal 45 TWh extra hernieuwbare opwek in 2030, dit ruimtelijk te faciliteren en de business case te versterken door kavelvergroting en opschaling (innovatie) De Stuurgroep adviseert om: • • •

In 2021 alle benodigde (ruimtelijke, wettelijke) voorbereidingen in gang te zetten om maximaal 45 TWh6 extra hernieuwbare-elektriciteitsproductie in 2030 te faciliteren (bovenkant van de bandbreedte; indicatief zo’n 10 GW wind op zee). In 2021 daarbij ook, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, een keuze te maken in de verdeling van deze extra opgave over de hernieuwbare productie op zee en op land. Voor extra productie de ruimtelijke reserveringen en uitgifte van kavels (tenders) nu in gang te zetten en de benodigde infrastructuur ontwikkelingen nu te starten. Hiertoe dient een zorgvuldige belangenafweging samen met de stakeholders zowel op zee via het Noordzeeakkoord, als op land (met decentrale overheden) vroegtijdig gestart te worden om afdoende ruimte beschikbaar te maken.

5 Aan de extra elektriciteitsvraag in 2030 zal mogelijk deels voorzien kunnen worden via autonome groei van hernieuwbaar op land (na stopzetten SDE++ voor hernieuwbaar op land zodra voldoende zekerheid is over het behalen van de doelstelling van 35 TWh in 2030). Zeker voor de bovenkant van de bandbreedte is inzet op grootschalige groei van wind op zee noodzakelijk. In het Klimaatakkoord is reeds afgesproken dat bij eventuele verhoging van het ambitieniveau voor hernieuwbaar eerst wordt gekeken naar de mogelijkheden voor wind op zee. 6 Zie tabel 1: extra elektriciteitsvraag in 2030 voor directe en indirecte elektrificatie industrie en voor datacenters, gecorrigeerd voor 12 TWh extra vraag waarvan reeds was uitgegaan bij het vaststellen van het huidige ambitieniveau voor hernieuwbare-elektriciteitsproductie.

Advies Stuurgroep Extra Opgave

18

•

•

De realisatie van additioneel maximaal 10 GW wind op zee in 2030 voor te bereiden. De Stuurgroep acht deze aanzienlijke ambitieverhoging essentieel om de gewenste en noodzakelijke transities te realiseren. De uitgifte van kavels (tenders) voor deze extra hernieuwbare-elektriciteitsproductie dient stapsgewijs en adaptief gerealiseerd te worden. Het tempo van uitgifte van de extra kavels dient onderdeel te vormen van de monitoring van het totale programma om zo het aanbod complementair te ontwikkelen in samenhang met de rest van de keten. Te borgen dat het investeringsperspectief voldoende aantrekkelijk blijft voor elektriciteitsproducenten, door blijvend in te zetten op grootschalige kostenreductie van wind op zee via innovatie gericht op kavelvergroting en opschaling, het mogelijk maken van demonstratieprojecten van directe offshore productie van waterstof en door een vangnetregeling verder uit te werken als alternatief voor de SDE++ voor hernieuwbareelektriciteitsproductie.

6.2.2 Risico’s hanteerbaar maken voor energieproducenten De ketensturing dient zodanig vormgegeven te worden dat de extra elektriciteitsvraag vanuit de industrie en datacenters een voldoende prikkel aan energieproducenten geeft om te investeren in nieuwe hernieuwbare opwekcapaciteit. Industrie, datacenters en elektriciteitsproducenten kunnen hierin zelf actief een rol spelen door langjarige stroomcontracten te sluiten voor de levering van elektriciteit en GvO’s. Grote afnemers worden nu echter niet gestimuleerd om hun elektriciteitsinkoop te verduurzamen. De Stuurgroep adviseert om: •

Dit jaar te verkennen op welke wijze prikkels gegeven kunnen worden aan de industrie en datacenters om hernieuwbare elektriciteit in te kopen en daarmee te helpen nieuwe investeringen in hernieuwbare-elektriciteitsproductie mogelijk te maken, bijvoorbeeld door: o Introductie binnen de SDE++ van een opslag op het basisbedrag voor elektrificatietechnieken indien via een PPA elektriciteit en GvO’s worden ingekocht van subsidievrije hernieuwbare opwek in Nederland; o De industrie binnen het kader van de nationale CO2-heffing extra dispensatierechten toe te kennen indien via een PPA elektriciteit en GvO’s worden ingekocht van subsidievrije hernieuwbare opwek in Nederland. Op deze wijze wordt de industrie niet alleen afgerekend op scope 1 emissies, maar wordt ook reductie van scope 2 emissies bevorderd en beloond. o Bij vestiging via een convenant afspraken te maken door decentrale overheden met industrie en datacenters over de inkoop van hernieuwbare elektriciteit uit Nederland.

6.3. Zorg dat efficiënte en tijdig gestart kan worden met realisatie van de benodigde infrastructuur Doel: zorgen voor tijdige en efficiënte realisatie van de infrastructuur zodat infrastructuur geen belemmering vormt voor (het tempo van) elektrificatie van de industrie en de beoogde extra hernieuwbare-elektriciteitsproductie en goed functioneren van het gehele energiesysteem. Concrete maatregelen:

Advies Stuurgroep Extra Opgave

19

6.3.1. Te zorgen voor tijdige realisatie door allocatie van ruimte en efficiënte procedures De Stuurgroep adviseert om: •

•

• •

•

•

Te zorgen dat de energie infrastructuur wordt uitgebreid zodanig dat de extra 45 TWh efficiënt getransporteerd kan worden in 2030. De voorbereiding van het aansluiten van extra wind op zee versnellen, zodat in 2030 maximaal 10 GW gerealiseerd en getransporteerd kan worden. Hiervoor moet met TenneT nog dit jaar afspraken worden gemaakt over de realisatie van 3x2 GW extra aansluitcapaciteit in 2030 (boven op de reeds geplande capaciteit) conform de afspraken hierover in het Klimaatakkoord. Daarnaast moet in het VAWOZ-traject verder verkend worden hoe, waar en wanneer aanvullende capaciteit (de resterende 4 GW) kan worden gerealiseerd, daarbij ook rekening houden met het potentieel van offshore elektrolyse. Indien gekozen wordt een deel van de extra hernieuwbare opwek op land te realiseren, de infrastructuurconsequenties van de grotere opgave hernieuwbaar op land voor de RESregio’s inzichtelijk te maken. Te zorgen voor tijdige ruimtelijke reserveringen en efficiënte vergunningprocedures om de aanleg en uitbreiding van de infrastructuur voor elektriciteit, waterstof en CO2 te faciliteren, zowel op land als op zee. Hiertoe dient een zorgvuldige belangenafweging samen met de relevante stakeholders zowel op zee via het Noordzee-akkoord, als op land (met decentrale overheden) vroegtijdig gestart te worden om afdoende ruimte beschikbaar te maken.

Zorg als vergunningverleners (vanuit Rijk, provincie, gemeente) dat voorgenomen plannen uit het MIEK direct en parallel worden vertaald in het programma Energie Hoofdstructuur c.q. voorgenomen plannen uit de RES in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke reserveringen en procedures, zowel op land als op zee, zodat vergunningverlening efficiënt verloopt en de tijd benodigd voor aanleg van infrastructuur waar mogelijk verkort kan worden. Het MIEK snel en tijdig uit te voeren, zodat de planning van infrastructuur(investeringen) tijdig kan anticiperen op vraagontwikkelingen in tijd en ruimte. Omdat industrie, netbeheerders, overheden en elektriciteitsproducenten wederzijds van elkaar afhankelijk zijn voor het doen van de juiste investeringen, is een zorgvuldig planningsproces voor aanleg en uitrol van de infrastructuur cruciaal zoals beoogd met introductie van het MIEK. Infrastructuurontwikkelingen kennen lange ontwikkeltijden en de industrie kent haar eigen investeringscycli. Het snel opstarten met het MIEK-proces met inachtneming van de aanbevelingen is daarmee urgent. De stuurgroep ondersteunt de ambitie vanuit PIDI/MIEK om in het najaar van 2021 met het eerste MIEK te komen. Daarbij dient een modulaire aanpak voor ontwikkeling van de infrastructuur te volgen, zoals door TIKI geadviseerd.

Op deze wijze kan vanuit het MIEK een locatieprikkel worden gegeven aan de vraagontwikkeling van de industrie. Start bij de industriële clusters, dichtbij elektriciteitsopwekking en dichtbij gebruik. Te zorgen voor tijdige realisatie van waterstof- en CO2-infrastructuur. De benodigde investeringen voor aanleg van deze infrastructuur is beperkt. Het biedt Nederland de kans om zicht te ontwikkelen tot energieknooppunt van Europa en daarmee het toekomstig verdienpotentieel te versterken. Voortvarende realisatie van deze infrastructuur geeft de industrie meer zekerheid dat investeringen in verduurzaming of elektrificatie en toepassing van groene waterstof uit elektrolyse lonen. Faciliteer de aanleg van de waterstofinfrastructuur (backbone en opslag) door nog dit jaar Gasunie aan te wijzen als netbeheerder, het vollooprisico weg te nemen én te starten met de aanleg van de waterstofinfrastructuur, gefaseerd vanuit de clusters via een landelijke backbone, waarmee flexibiliteit aan het gehele energiesysteem wordt geboden door koppeling met waterstofopslag in zoutcavernes in Noord-Nederland. Via het MIEK kan worden zorggedragen dat de ontwikkeling van elektrolysefaciliteiten zoveel mogelijk plaatsvindt op locaties waar elektriciteitsaanbod aanwezig is.

Advies Stuurgroep Extra Opgave

20

6.3.2 Te zorgen voor tijdige realisatie infrastructuur door voorinvesteren mogelijk te maken De Stuurgroep adviseert om: • •

•

•

•

De beschikbaarheid van voldoende financiële middelen te borgen en zorgen voor de juiste financiële kaders. Netbeheerders moeten de mogelijkheid krijgen om voorinvesteringen te doen en daartoe voldoende financiële middelen beschikbaar te krijgen. Om het aanloop- en volloop risico van infrastructuurinvesteringen van nationaal belang af te dekken onderstreept de Stuurgroep het TIKI-advies om dit volloop- en aanloop risico af te dekken via toegang tot het Nationaal Groeifonds om zo risico’s te delen. De lange planningshorizon voor infrastructuur met bijbehorende afschrijftermijnen passen goed bij de systematiek van dit investeringsfonds. Het MIEK wettelijk te verankeren zodat rechtszekerheid ontstaat voor alle betrokken partijen, zoals ook door TIKI geadviseerd. Voor de totstandkoming en uitvoering van het MIEK (inclusief de daarmee samenhangende financiering) dienen duidelijke, transparante en toetsbare regels te komen. Deze regels moeten een duidelijke wettelijke grondslag krijgen en een zorgvuldige besluitvorming inzake totstandkoming en uitvoering van het MIEK borgen. In de nieuwe Energiewet dient duidelijk vast te worden gelegd wat het doel is van het MIEK, alsmede welke criteria worden toegepast bij de beoordeling van het al dan niet opnemen van een investeringsvoorstel in het MIEK.

Hierbij dient ook de inspraak geborgd te worden van alle betrokken partijen in het proces van totstandkoming en uitvoering van het MIEK. Het MIEK zal dan ook een voor alle betrokkenen bindend karakter krijgen, waarmee netbeheerders, industrie en energieproducenten voldoende zekerheden krijgen om investeringsbesluiten te kunnen nemen. Hierbij dient ook het transparant maken van gemaakte afwegingen voldoende aandacht te krijgen in het proces van totstandkoming en uitvoering van het MIEK. Erop toe te zien dat het MIEK de toepassing bevordert van elektrificatieopties in de industrie op locaties passend binnen de mogelijkheden van de infrastructuur. Hiertoe kan via het MIEK worden gestuurd op de ontwikkeling van de noodzakelijke infrastructuur die van nationaal belang is en die geprioriteerd wordt via een afwegingskader. Hier kan een sturende werking vanuit gaan, door de volgorde van realisatie van de noodzakelijke infrastructuurprojecten. Internationale verbindingen onderzoeken en versterken. Door proactief infrastructuur aan te leggen kunnen de kansen die Nederland heeft vanwege haar ligging en grote industrie worden benut. Hiertoe is het nodig dat naast de nationale inspanningen voor realisatie van de infrastructuur, ook gekeken wordt naar de kansen die internationaal, met name in Europa liggen voor versterkte verbindingen met het Europese infrastructuurnetwerk.

Hiermee kan Nederland haar internationale concurrentiepositie door slim te investeren versterken. De Stuurgroep adviseert om de potentie van grensoverschrijdende netwerken te onderzoeken, specifiek voor waterstof en CO2. Hierbij vraagt de Stuurgroep ook aandacht voor het perspectief van import en doorvoer van onder andere waterstof. Tevens adviseert de Stuurgroep om te bezien of de huidige internationale beleidsactiviteiten voor versterkte verbindingen en samenwerking rond alle energie infrastructuur afdoende zijn voor realisatie van de ambities of dat nog extra inspanningen nodig zijn.

6.4. Faciliteren de ontwikkeling van flexibiliteit in het gehele energiesysteem Doel: Voor een efficiënte inpassing van weersafhankelijke hernieuwbare elektriciteit in het totale energiesysteem (inclusief infrastructuur) is het van belang om de ontwikkeling van voldoende

Advies Stuurgroep Extra Opgave

21

flexibiliteit te faciliteren, zowel aan de aanbod- als de vraagzijde en zowel op lokaal/regionaal niveau als op nationale schaal. Concrete maatregelen: De Stuurgroep adviseert om: •

•

• •

Flexibiliteit direct bij de hernieuwbare opwek te stimuleren door de realisatie van hybride energieparken (wind en/of zon in combinatie met opslag, elektrolyse en/of P2H) te stimuleren via het ruimtelijk faciliteren en door de introductie van een nieuwe SDE++ categorie ‘uitgestelde levering’ voor wind- en zonne-energie. Daarnaast dient flexibiliteit als beoordelingscriterium opgenomen worden binnen de wind-op-zee-tenders en Rijkstenders voor hernieuwbaar op land. De gezamenlijke netbeheerders te verzoeken om in overleg met representatieve organisaties van netgebruikers dit jaar oplossingen te ontwikkelen over aanpassing van de tariefstructuur om flexibiliteit te bevorderen rekening houdend met de kaders in de nieuwe Energiewet en deze voor besluitvorming aan de ACM voor te leggen De huidige tariefstructuur voor elektriciteitstransport voor grootverbruikers (aangeslotenen op middenspanning of hogere netvlakken) nodigt niet uit te investeren in flexibele elektrificatie. Die flexibiliteit is juist belangrijk om mismatch tussen vraag en aanbod te beperken en bij te dragen aan efficiënte benutting van het elektriciteitsnetwerk. De Stuurgroep adviseert om in ieder geval de te kijken naar de mogelijkheden van tariefdifferentiatie o.b.v. de beschikbaarheid van transportcapaciteit en verder gebruik te maken van het werk van de Werkgroep Power-2-Industry.

Het al lang bestaande knelpunt van de dubbele heffing van energiebelasting bij energieopslag dit jaar daadwerkelijk op te lossen. Al voor 2030, in aanvulling op weersafhankelijke hernieuwbare opwek, te starten met de stimulering van de ontwikkeling van CO2-vrije regelbare elektriciteitsproductie en helderheid te geven over welke technologieën hierbij wel en niet worden meegenomen. Dit kan door voor de verschillende opties één of meerdere demonstratieprojecten op te starten, zoals de ombouw van bestaande gascentrales voor inzet (bijmenging) van waterstof. Door voor 2030 demonstratieprojecten te starten, kan wanneer nodig tijdig verder opgeschaald worden.

6.5. Orkestreer gericht het complementair ontwikkelen van de waardeketen Doel: Het bewaken van de complementaire ontwikkeling van vraag, aanbod en benodigde infrastructuur en flexibiliteit van de waardeketen voor elektrificatie van de industrie en voor datacenters, in volume, tijd en ruimte waarbij enige mismatch aanvaardbaar is. Concrete maatregelen: De Stuurgroep adviseert om: •

Het voortouw te nemen om samen met de ketenpartners (industrie, netbeheerders, energieproducenten) te bepalen of er voldoende voortgang is en waar nodig bij te sturen op de hierboven geschetste ketenaanpak (samenhangend pakket aan maatregelen) om de verduurzaming van de industrie via directe en indirecte elektrificatie (6.1) en de bijbehorende waardeketen (hernieuwbare-elektriciteitsproductie (6.2), infrastructuur (6.3) en flexibiliteit (6.4)) op gang te brengen. De Stuurgroep adviseert hiertoe de Minister de voortgang van het samenhangende pakket jaarlijks in een Bestuurlijk Overleg Complementair Ontwikkelen met de ketenpartners te bespreken en waar nodig bij te sturen op de ketenaanpak, in samenhang met het MIEK. Via dit bestuurlijk overleg onder

Advies Stuurgroep Extra Opgave

22

•

•

voorzitterschap van de minister wordt dan geadviseerd over en gestuurd op het tempo en omvang van de vraagstimulering en aanbodfacilitering en de maatregelen die nodig zijn om dit in gelijkmatig tempo te ontwikkelen, in samenhang met de (hoofd)infrastructuur. Vervolgens kan hierop gestuurd worden, bijvoorbeeld via de voorgestelde aparte SDEtenders voor elektrificatie en door gelijktijdige besluitvorming over opschaling van de hernieuwbare-elektriciteitsproductie door extra (wind op zee) tenders uit te schrijven voor hetzelfde volume als de elektrificatietenders. Op deze wijze wordt de directe koppeling tussen de ontwikkeling van de extra vraag en het extra aanbod op nationaal niveau geborgd. Een brede energiesysteemmonitoring van vraag en aanbod, flexibiliteit en realisatie van infrastructuur te (laten) ontwikkelen en uitvoeren en hierover te rapporteren, om de hierboven voorgestelde voortgang van de complementaire ontwikkeling van de keten te monitoren. Hiermee kan worden gevolgd hoe de ontwikkeling van vraag, aanbod, flexibiliteit en infrastructuur plaatsvindt en kunnen eventuele knelpunten en versnellingskansen geïdentificeerd worden. Deze monitoring dient niet alleen de ontwikkelingen vanuit het elektriciteitssysteem in kaart te brengen maar ook bij andere onderdelen van het systeem (waterstof en aardgas, warmte, CO2).

Hiertoe adviseert de Stuurgroep waar mogelijk gebruik te maken van bestaande monitoring zoals de Flexibiliteitsmonitor van TenneT. Op basis van deze energiesysteemmonitoring kan indien nodig worden bijgestuurd in de ketenaanpak, in afstemming met de ketenpartners. Een verkenning te starten naar het bredere energie- en klimaatbeleid en -instrumentarium om te bezien in hoeverre dat flexibiliteit, ketenoptimalisatie en systeemintegratie beloont of tegenwerkt. Op dit moment wordt veelal geoptimaliseerd op individueel niveau (van een project/organisatie), optimalisatie op keten- en systeemniveau wordt nog niet beloond. Hierdoor ontstaan potentieel grote maatschappelijke kosten vanuit onder andere infrastructuurkosten, die door keten- en systeemoptimalisatie beperkt(er) kunnen blijven.

Ten slotte Onze Stuurgroep heeft met grote inzet en betrokkenheid gewerkt aan deze opdracht en kon daarbij rekenen op de betrokkenheid en expertise van velen. We hebben het als zeer constructief ervaren dat zoveel experts en beslissers hun inzichten, ambities en concrete voorstellen met ons wilden delen in online overleggen. Wij willen de vertegenwoordigers van industrie, netbeheerders, energieproducenten en overheid danken voor hun bijdragen tot nu toe en gaan ervan uit dat u hen in de volgende fase ook intensief betrekt bij het tot stand brengen van de beoogde ketenaanpak gericht op de gewenste industriële transformatie en bijbehorende transitie in de elektriciteitssector. We zien uit naar de kabinetsreactie. Met vriendelijke groet Stuurgroep Extra Opgave

Jan Jacob van Dijk

Carolien Gehrels

Advies Stuurgroep Extra Opgave

Hans Grünfeld

Martijn Hagens

Marc van der Linden

VEMW

Vattenfall

Stedin

23

Voorzitter Voorzitter Uitvoeringsoverleg Uitvoeringsoverleg Elektriciteit Industrie

Advies Stuurgroep Extra Opgave

24

Bijlage 1 Colofon Titel

Complementair ontwikkelen in balans naar groeiende elektrificatie van de industrie en extra aanbod van hernieuwbare elektriciteit

In opdracht van

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Sandor Gaastra (directeur-generaal Energie) en Focco Vijselaar (directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie) Ernst Paul Nas (directeur Elektriciteit), Paul Claassens-Rijnja en Lieke Mulder

Stuurgroep Extra Opgave

Jan Jacob van Dijk (voorzitter Uitvoeringsoverleg Elektriciteit), Carolien Gehrels (voorzitter Uitvoeringsoverleg Industrie), Hans Grünfeld (VEMW), Martijn Hagens (Vattenfall) en Marc van der Linden (Stedin)

Auteurs

Sanne Tonneijck (MSG Sustainable Strategies), Marnix van Alphen (Vattenfall)

Met dank aan

Jörg Gigler (TKI Nieuw Gas), Marijke Kellner-Tjonger (Gasunie), Rob Kreiter (TKI Energie en Industrie), Jan van der Lee (TenneT), Inez Treffers (VEMW), Ben Voorhorst (TenneT) en de verschillende medelezers

Publicatiedatum

29 Maart 2021

Contact

Jan Jacob van Dijk en Carolien Gehrels

Advies Stuurgroep Extra Opgave

25

Bijlage 2 Geconsulteerde en betrokken organisaties • • • • • • • • •

DNV-GL Gasunie Werkgroep iNET – integraal Netwerk en Energiesysteem van de Toekomst Ministerie van Economische Zaken TenneT Topsector Energie - TKI Energie en Industrie Topsector Energie - TKI Nieuw Gas TNO Werkgroep Power-2-Industry

Bijlage 3 Bronnen • • • • • • • • • • • •

Advies Taskforce Infrastructuur Klimaat Industrie, mei 2020 Bestemming Parijs: Wegwijzer voor klimaatkeuzes 2030, 2050, Studiegroep Klimaatopgave Green Deal, januari 2021 Elektrificatie en Vraagprofiel 2030 – rapport experttraject TenneT E-Top, CE Delft, 2020 Concept Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050, Gasunie, TenneT en regionale netbeheerders, maart 2021 Concept Routekaart Elektrificatie, TKI Energie en Industrie, maart 2021 Concept VAWOZ, Verkenning Aanlanding Wind Op Zee, TenneT, maart 2021 Conceptnotities Werkgroep Power-2-Industry, maart 2021 Inschatting CO2-emissiereductie extra opgave, TNO/DNV-GL, februari 2021 Kabinetsreactie Minister van EZK op advies TIKI, oktober 2020 Kabinetsvisie Waterstof, EZK, 2020 The business case and supporting interventions for Dutch offshore wind, Afry, maart 2020 Verkenning instrumentatie voor industriële elektrificatie, TNO, december 2020

Advies Stuurgroep Extra Opgave

26

Bijlage 4: Toelichting Tabel 1 Inschatting Routekaart Elektrificatie

TWh

Industrie

22,3

Directe elektrificatie Basislast P2H Flexibel P2H Elektrolyse voor groene waterstof

Scenario laag MW

vollasturen

TWh

Scenario hoog MW

vollasturen

42,0

19,5

26,6 5,3 14,2

2,8

600 7.100

8.760 2.000

800

3.500

5,3 21,3 15,4

Datacenters

5

15

Totaal

27

57

Aanname extra vraag Klimaatakkoord 2019

12

12

Totaal extra vraag t.o.v. Klimaatakkoord

15

45

600 7.100

8.760 3.000

4.400

3.500

Toelichting: de vermogens voor directe elektrificatie en elektrolyse zijn afkomstig uit het adviesrapport van de Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie. De vollasturen zijn t.b.v. de Routekaart Elektrificatie bepaald o.b.v. de verwachting van de elektriciteitsmarkt in 2030. De gegevens over de datacenters zijn verkregen via het Routekaart-traject en zijn opgebouwd uit het clusterplan van het zesde cluster en getoetst met NLdigital. Ter controle heeft de Stuurgroep de bovenstaande verwachtingen voor directe elektrificatie, elektrolyse en datacenters vergeleken met de verwachtingen uit II3050/IP2020, DNV-GL/ TNO, CE Delft. Deze kennen over het algemeen inschattingen van vergelijkbare orde grootte. Het IP2020 gaat uit van meer gerealiseerde elektrolysecapaciteit in 2030, omdat is uitgegaan van een uitgebreider en actueler overzicht van projectinitiatieven. Alhoewel deze projectinitiatieven nog een grote mate van onzekerheid kennen, zou op basis van het meest actuele overzicht het scenario hoog voor elektrolyse 5.500 MW worden.

Advies Stuurgroep Extra Opgave

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10100871/1