CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Aanvraag tot aanwijzing publieke media-instelling met bijlagen (Geanonimiseerd)

Gemeenteraad 7 december 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Advies aanwijzing lokale publieke media-instelling7.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

LEDENLIJST PBO STICHTING DTV DEN BOSCH Stroming etnische en culturele minderheden: (voorzitter) Klachtbehandelaar, Preventie & Voorlichting Radar, organisatie voor gelijke behandeling tegen discriminatie Radar Emmaplein 19d 5211 VZ 's-Hertogenbosch

Stroming Kunst en Cultuur / verenigingsleven: Coördinator Communicatie en Marketing Huis73 Hinthamerstraat 72 5211 MR ‘s-Hertogenbosch

Stroming Werkgevers: directeur GWS dé schoonmaker, lid stuurgroep regionaal werkbedrijf Noordoost Brabant, bestuurslid de Beursvloer en voorzitter Jazz in Duketown Westeind 10, 5245 NL Rosmalen

Stroming Onderwijs en educatie: Docent Juridische Hogeschool Avans-Fontys Hervenplein 2 ‘s-Hertogenbosch

Stroming Religie en Levensbeschouwing: Platform voor Religie en Levensbeschouwing Hunzestraat 2 5215 HJ 's-Hertogenbosch

Stroming werknemers: Kaderlid FNV ’s-Hertogenbosch FNV

Emmaplein 4 5211 VW 's-Hertogenbosch

Stroming welzijn en zorg: Bestuurder Farent Farent Rogier van der Weydenstraat 2 5213 CA 's-Hertogenbosch

Stroming sport en recreatie: Ex-speler en vrijwilliger (co-commentator) basketbalclub Heroes Den Bosch Basketbalclub Heroes Den Bosch Marathonloop 1 5235 AA ’s-Hertogenbosch

Additionele, non-statutaire stroming carnaval: Minister van Verenigingszaken OC Oeteldonksche Club van 1882 Postbus 1123 5200 BD ’s-Hertogenbosch

PROGRAMMASTATUUT STICHTING DTV DEN BOSCH

Doelstelling Stichting Dtv Den Bosch Artikel 1 De Stichting Dtv Den Bosch stelt zich uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel het in de gemeente ’sHertogenbosch uitvoeren van de publieke media-opdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op bevrediging van maatschappelijke behoeften die in de betreffende gemeenten leven en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen. Beginselverklaring Artikel 2 1 De uitgangspunten die betrekking hebben op het samenstellen van het omroepprogramma van de stichting Dtv Den Bosch zijn neergelegd in de statuten van de omroep en het door het Programmabeleid Bepalend Orgaan vastgestelde programmabeleid, evenals in hieruit voortvloeiende regelingen. De hoofdredacteur en de medewerkers zijn hieraan gebonden. Al deze stukken worden geacht bij de medewerkers bekend te zijn. Statuten, programmabeleid en regelingen kunnen worden gewijzigd, zoals bepaald in de desbetreffende artikelen van de statuten en met inachtneming van de regels, zoals deze in dit programmastatuut zijn beschreven. 2 Dit programmastatuut beoogt de programmamakers waarborgen te geven voor het onafhankelijk uitoefenen van de hieruit voortvloeiende taken, zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, anders dan op de wijze als in dit programmastatuut wordt geregeld.

3 Op grond van deze onafhankelijke taakuitoefening gaan de programmamedewerkers bij de samenstelling van programmaonderdelen: a. Zonder vooroordelen te werk b. Geven de gelegenheid tot hoor en wederhoor c. Betrachten zorgvuldige verificatie d. Weren verkapte reclame e. Brengen een zo herkenbaar mogelijk onderscheid aan tussen feitelijke gegevens de interpretatie daarvan of het commentaar daarop f. Laten tot de programmaonderdelen toe wat informatief en opinievormend is g. Stellen zich terughoudend op tegenover sponsoractiviteiten h. En verrichten geen nevenactiviteiten die met hun onafhankelijke taakuitvoering strijdig kunnen zijn Organen: hun bevoegdheden en onderlinge verhoudingen Definities Artikel 3 Dit statuut verstaat onder: - Directeur/hoofdredacteur degene aan wie de samenstelling van het omroepprogramma van de lokale omroep is gedelegeerd

-

-

Programmamedewerkers: de medewerkers die belast zijn met de werkzaamheden in het kader van de samenstelling van het omroepprogramma, voor zover deze een contract of medewerker overeenkomst heeft afgesloten Programmastaf: de gezamenlijke programmamedewerkers

De stichting Dtv Den Bosch Artikel 4 De Stichting Dtv Den Bosch is verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van wat in haar zendtijd wordt uitgezonden, zowel intern als tegenover derden. De samenstelling van het omroepprogramma is gedelegeerd aan de directeur/hoofdredacteur. Namens de Stichting Dtv Den Bosch oefent het bestuur achteraf en met terughoudendheid toezicht ui op naleving van de statuten, programmabeleid en regelingen. De programmamedewerkers Artikel 5 Uitgangspunten voor het beleid bij benoeming, schorsing of ontslag van de programmamedewerkers zijn geformuleerd door het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch Directeur/hoofdredacteur Artikel 6 Uitgangspunten voor het beleid bij benoeming, schorsing of ontslag van de directeur/hoofdredacteur zijn geformuleerd door het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch Artikel 7 1

2

De directeur/hoofdredacteur is belast met de verantwoordelijkheid inzake de samenstelling van het omroepprogramma van de Stichting Dtv Den Bosch. Hij is met betrekking tot het omroepprogramma verantwoordelijk voor de naleving van de statuten, programmabeleid en regelingen. Hij draagt binnen dit kader de verantwoordelijkheid voor de uitwerking van de programmaonderdelen en heeft de dagelijkse leiding over de programmastaf en hij wijst mankracht, zendtijd en budget toe en bindt zijn opdracht eventueel aan nadere instructies De directeur/hoofdredacteur woont de vergaderingen van het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch bij. Hij heeft daarin, conform de statuten, een adviserende stem

De programmastaf Artikel 8 1 De programmastaf kan de directeur-hoofdredacteur adviseren omtrent de uitgangspunten van het te voeren redactioneel beleid 2 De programmastaf vergadert tenminste één maal per jaar. Voorts vergadert hij telkenmale wanneer de directeur-hoofdredacteur dit wenselijk acht of wanneer tenminste de helft van de leden van de programmastaf de directeur-hoofdredacteur daartoe verzoekt 3 De oproeping tot de vergadering geschiedt door de directeur-hoofdredacteur, die tevens de vergadering voorzit en zorgdraagt voor de verslaglegging

Verhouding programmastaf, bestuur en directeur-hoofdredacteur Artikel 9 1 Alvorens het bestuur en-of de directeur-hoofdredacteur een beslissing nemen over zaken die van wezenlijk belang zijn voor de werkzaamheden van de programmastaf, wordt de programmastaf zo tijdig mogelijk geïnformeerd 2 Als zodanige zaken van wezenlijk belang worden tenminste aangemerkt: a. Ingrijpende wijzigingen in statuten, programmabeleid en regelingen, voorover deze wijzigingen betrekking hebben op het voorbereiden en samenstellen van het omroepprogramma b. Ingrijpende wijzigingen in het uitzendschema c. de benoeming van de directeur/hoofdredacteur, met inachtneming van het daaromtrent statutair bepaalde d. ingrijpende wijzigingen in de programmastaf e. wijzigingen in het programmastatuut, met inachtneming van het daaromtrent statutair bepaalde f.

disciplinaire maatregelen tegen medewerkers Persoonlijke verantwoordelijkheid Artikel 10 1 Wanneer een programmamedewerker ernstige gewetensbezwaren heeft tegen een aan hem verstrekte opdracht in verband met een programmaonderdeel en hij zich niet kan neerleggen bij een door de directeur/hoofdredacteur ter zake te nemen of genomen beslissing , kan hij zich wenden tot het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch voor een uitspraak 2 Wanneer de directeur/hoofdredacteur besluit ingrijpende wijzigingen aan te brengen of te doen aanbrengen in een programmaonderdeel, kan (kunnen) de betrokken programmamedewerker(s) verzoeken het programmaonderdeel niet uit te zenden. Indien door de directeur/hoofdredacteur niettemin tot uitzending wordt besloten, zal het programmaonderdeel niet van de naam van de betrokken programmamedewerker(s) kunnen worden voorzien. Als de betrokken programmamedewerker(s) het niet met de genomen beslissing eens is (zijn) kan (kunnen) de betrokken programmamedewerker(s) zich achteraf wenden tot het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch met het verzoek om een uitspraak. 3 Wanneer de directeur/hoofdredacteur meent een uitspraak, zoals hierboven bedoeld, van het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch niet te kunnen aanvaarden, maakt hij zijn standpunt gemotiveerd kenbaar aan het bestuur.

4 Indien het bestuur van de Stichting Dtv Den Bosch ernstige klachten heeft over het gevoerde redactionele beleid of één of meer programmaonderdelen, dienen de directeur/hoofdredacteur en de betrokken leden van de programmastaf ter zake te worden gehoord. Als het bestuur daarna de klacht handhaaft, kan het maatregelen treffen.

Geschillen Artikel 11 Geschillen die naar aanleiding of in verband met dit programmastatuut of het redactionele beleid mochten ontstaan, zullen –indien niet tot onderlinge overeenstemming kan worden gekomenworden voorgelegd aan een geschillencommissie Artikel 12 Deze geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén aan te wijzen door de programmastaf, één door het bestuur en één door de directeur/hoofdredacteur. Artikel 13 De uitspraken van de geschillencommissie zijn voor alle betrokkenen bindend. Wijzigingen programmastatuut Artikel 14 Wijzigingen van dit programmastatuut worden vastgesteld met inachtneming van wat daaromtrent in de statuten van de Stichting Dtv Den Bosch wordt vermeld.

21-7-2021

https://www.kvk.nl/handelsregister/TST-BIN/RB/RBWWW06@?BUTT=62622870&kvknummer=62622870&product=Inzien+uittreksel

Inzien uittreksel - Stichting DTV Den Bosch (62622870) Kamer van Koophandel, 21 juli 2021 - 10:59 KvK-nummer 62622870 Rechtspersoon RSIN Rechtsvorm Statutaire naam Ook genoemd Statutaire zetel Bezoekadres Postadres Telefoonnummer Eerste inschrijving handelsregister Datum akte van oprichting Datum akte laatste statutenwijziging Activiteiten

854891493 Stichting Stichting DTV Den Bosch DTV Den Bosch 's-Hertogenbosch Angelenweg 153, 5349TG Oss Postbus 87, 5340AB Oss 0412622230 11-02-2015 11-02-2015 21-09-2017 SBI-code: 6010 - Radio-omroepen Het in de gemeente 's-Hertogenbosch uitvoeren van de publieke media-opdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op bevrediging van maatschappelijke behoeften die in de betreffende gemeenten leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen.

Bestuurder Naam Geboortedatum Datum in functie Bevoegdheid

21-09-2017 (datum registratie: 26-09-2017) Alleen/zelfstandig bevoegd

Leden toezichthoudend orgaan Naam Geboortedatum Datum in functie Titel

21-09-2017 (datum registratie: 26-09-2017) lid raad van toezicht

Naam https://www.kvk.nl/handelsregister/TST-BIN/RB/RBWWW06@?BUTT=62622870&kvknummer=62622870&product=Inzien+uittreksel

1/2

21-7-2021

Geboortedatum Datum in functie Titel Naam Geboortedatum Datum in functie Titel

https://www.kvk.nl/handelsregister/TST-BIN/RB/RBWWW06@?BUTT=62622870&kvknummer=62622870&product=Inzien+uittreksel

21-09-2017 (datum registratie: 26-09-2017) lid raad van toezicht

21-09-2017 (datum registratie: 26-09-2017) lid raad van toezicht

Naam Geboortedatum Datum in functie Titel

21-09-2017 (datum registratie: 26-09-2017) lid raad van toezicht

Naam Geboortedatum Datum in functie Titel

21-09-2017 (datum registratie: 26-09-2017) lid raad van toezicht

Naam Geboortedatum Datum in functie Titel

20-11-2018 (datum registratie: 04-01-2019) lid raad van toezicht

Gegevens zijn vervaardigd op 21-07-2021 om 10.59 uur.

https://www.kvk.nl/handelsregister/TST-BIN/RB/RBWWW06@?BUTT=62622870&kvknummer=62622870&product=Inzien+uittreksel

2/2

1

84817OG

Statutenwijziging Stichting Heden, een en twintig september tweeduizend zeventien, verscheen voor mij, MR __________ notaris te Oss: ___________________________________________ de heer , op negen en twintig maart negentienhonderd twee en zeventig, zich identificerend met zijn , _____________________________ te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de stichting: Stichting DTV ________ Den Bosch, gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, kantoorhoudende te 5223 MT ’s- ________________ Hertogenbosch, Bordeslaan 182, ingeschreven in het handelsregister onder _________________ dossiernummer 62622870, hierna ook te noemen “de stichting”. ______________________________ De verschenen persoon, handelend als gemeld, verklaarde: _____________________________________ INLEIDING _________________________________________________________________________________ 1. De stichting is opgericht bij akte van oprichting op elf februari tweeduizend vijftien __ verleden voor notaris te Oss. ________________________________________ 2. De statuten van de stichting werden gewijzigd bij akte van statutenwijziging _________ verleden voor genoemde notaris op vijftien september tweeduizend _______ vijftien. __________________________________________________________________________________________ 3.

In de speciaal op achtentwintig augustus tweeduizend zeventien bijeengeroepen _____ bestuursvergadering is rechtsgeldig besloten om de statuten van de stichting te ______ wijzigen, zodat de stichting thans wordt beheerst door de navolgende statuten. _______ NOTULEN EN VOLMACHT _____________________________________________________________ Een uittreksel van de notulen, waaruit blijkt het besluit tot wijziging van de statuten is ___ aan de akte gehecht. ________________________________________________________________________________ De verschenen persoon is door het bestuur gemachtigd om deze statutenwijziging _________ bij notariële akte vast te leggen. Het stuk waaruit dit blijkt, is aan deze akte ________________ vastgemaakt._________________________________________________________________________________________ STATUTEN ________________________________________________________________________________ Artikel 1 – Naam, zetel en organen __________________________________________________ 1. De naam van de stichting is: Stichting DTV Den Bosch, bij verkorting genaamd: ______ DTV Den Bosch. _________________________________________________________________________________ 2. De stichting is gevestigd te ‘s-Hertogenbosch. ______________________________________________ 3.

De stichting heeft de volgende organen: ____________________________________________________ - het bestuur; _______________________________________________________________________________ - de raad van toezicht; _____________________________________________________________________ - het programmabeleidsbepalend orgaan (PBO);_________________________________________ - de hoofdredacteur; _______________________________________________________________________ Artikel 2 - Doel ___________________________________________________________________________

2

De stichting stelt zich uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel het in de gemeente ‘s- _____ Hertogenbosch uitvoeren van de publieke media-opdracht door het verzorgen van ____ media-aanbod dat gericht is op bevrediging van maatschappelijke behoeften die in de betreffende gemeenten leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig _____ zijn om daarmee een publieke taak te vervullen. ____________________________________________ 2. De stichting heeft geen winstoogmerk. ______________________________________________________ Artikel 3 – Programmabeleidsbepalend orgaan (PBO) __________________________ 1. De stichting kent een programmabeleidsbepalend orgaan, hier te noemen “het ________ PBO”. Het PBO is een orgaan dat met uitzondering van ieder ander orgaan het ________ media-aanbodbeleid bepaalt. Het PBO heeft tot taak het opstellen van een, aan ______ het Commissariaat voor de Media te overleggen, jaarlijkse rapportage aangaande _____ het gevoerde en gerealiseerde media-aanbod. ______________________________________________ 2. Het PBO dient zodanig te worden samengesteld, dat het representatief is voor de _____ in het werkgebied van de stichting voorkomende maatschappelijke, culturele, ________ godsdienstige en geestelijke stromingen.

____________________________________________________ In het PBO zullen te allen tijde ten minste zitting hebben de vertegenwoordigers _____ van onder meer de navolgende stromingen: _________________________________________________ - maatschappelijke zorg en welzijn;_____________________________________________________ - werkgevers; ______________________________________________________________________________ - werknemers; _____________________________________________________________________________ - cultuur en kunst; ________________________________________________________________________ - kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag;________________ - onderwijs en educatie; _________________________________________________________________ - sport en recreatie; ______________________________________________________________________ - etnische en culturele minderheden. ___________________________________________________ Bij reglement kunnen nadere regelen worden gegeven omtrent de samenstelling ______ van het PBO. ____________________________________________________________________________________ Het aantal representatieve leden als hiervoor bedoeld dient te allen tijde een ruime meerderheid te vormen ten opzichte van het aantal leden op persoonlijke titel. ________ 3. Het PBO wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

____________________________________________ De administratie van het PBO wordt verzorgd door het secretariaat van de _____________ stichting. ________________________________________________________________________________________ 4. De benoeming van leden van het PBO geschiedt door de raad van toezicht van de stichting uit een of meer voordrachten. Tot het opmaken van zulk een voordracht ____ zijn bevoegd zowel de raad van toezicht van de stichting, de raad van bestuur van ____ de stichting, leden van het PBO, alsmede bij Huishoudelijk Reglement aan te __________ wijzen organisaties of groepen van organisaties. ___________________________________________ 5. Het PBO vergadert minstens drie keer per jaar. Zowel de voorzitter als de leden _______ van het PBO kunnen zich tijdens de vergadering laten bijstaan door adviseurs. ________ Deze adviseurs hebben echter geen stemrecht. Vergaderingen zullen voorts ____________ telkenmale worden gehouden wanneer de voorzitter dit wenselijk acht of indien ______ drie leden van het PBO daartoe schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de ______ te behandelen onderwerpen aan de voorzitter het verzoek richten. _______________________ 6. Vacatures in het PBO dienen binnen zes maanden te zijn vervuld. ________________________ 1.

3

Voor elke vergadering van het PBO dienen te worden uitgenodigd: _______________________ a. de voorzitter van de raad van toezicht van de stichting, ______________________________ b. de voorzitter van het bestuur van de stichting, ________________________________________ c. de hoofdredacteur als bedoeld in artikel 5. _____________________________________________ Zij hebben slechts een adviserende stem. ____________________________________________________ Artikel 4 – Einde lidmaatschap PBO _________________________________________________ 1. Het lidmaatschap van het PBO eindigt door bedanken. ____________________________________ 2. Elk lid van het PBO treedt uiterlijk drie jaar na zijn benoeming af, volgens een door het PBO op te maken rooster van aftreding. _________________________________________________ 3. De aftredende is terstond herbenoembaar. __________________________________________________ Artikel 5 – Hoofdredacteur_____________________________________________________________ De stichting heeft één hoofdredacteur die journalistiek verantwoordelijk is voor alle _______ informatieve programma's die de omroep uitzendt. De functie kan ook door een ____________ bestuurder van de stichting worden vervuld. _____________________________________________________ De hoofdredacteur wordt door de raad van toezicht aangesteld.

_______________________________ Artikel 6 - Bestuur: samenstelling, benoeming, beloning, schorsing, _______ ontslag _____________________________________________________________________________________ 1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een of meer natuurlijke personen. De raad ___ van toezicht stelt het aantal bestuurders vast. ______________________________________________ Een niet-voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden. ____________________________________ 2. De bestuurders worden benoemd door de raad van toezicht. ______________________________ 3. De taakomschrijving van de bestuurders wordt door het bestuur vastgesteld. De _______ raad van toezicht kan uit het bestuur een voorzitter aanwijzen. Het bestuur kan uit __ zijn midden een secretaris en een penningmeester aanwijzen. Het bestuur kan uit ____ zijn midden ook een voorzitter aanwijzen, zolang de raad van toezicht niet een _______ voorzitter heeft aangewezen. Eén bestuurder kan meer van deze functies ______________ vervullen. _______________________________________________________________________________________ 4. Een bestuurder moet voldoen aan de volgende vereisten:__________________________________ a. een bestuurder is een natuurlijk persoon; ______________________________________________ b. een bestuurder heeft het vrije beheer over zijn vermogen; ___________________________ c.

een bestuurder is geen lid van de raad van toezicht. _________________________________ 5. Bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd. _______________________________________ 6. Alle bestuurders kunnen een vergoeding krijgen van de kosten die zij redelijkerwijs hebben gemaakt in de uitoefening van hun functie. ________________________________________ De raad van toezicht kan aan een of meer bestuurders daarnaast een beloning ________ toekennen voor de werkzaamheden. _________________________________________________________ 7. De raad van toezicht wijst een of meer personen aan, die het bestuur tijdelijk _________ waarnemen bij belet of ontstentenis van alle bestuurders. Personen die het ____________ bestuur tijdelijk waarnemen moeten ook voldoen aan de eisen die lid 4 stelt aan ______ een bestuurder. _________________________________________________________________________________ 8. Een bestuurder kan door de raad van toezicht worden geschorst. _________________________ Na een schorsing wordt binnen vier weken een nieuwe vergadering van de raad _______ van toezicht gehouden. In die vergadering wordt besloten of de schorsing wordt ______ opgeheven, de schorsing wordt verlengd of de betreffende bestuurder wordt __________ ontslagen. Een schorsing kan in totaal nooit langer dan drie maanden duren. ___________ 7.

4

De schorsing vervalt als geen besluit tot verlenging wordt genomen binnen de ________ hiervoor vermelde termijn van vier weken of als na verloop van drie maanden geen besluit tot ontslag van de betreffende bestuurder is genomen.____________________________ 9. Een bestuurder verliest zijn functie: __________________________________________________________ a. door zijn overlijden; ______________________________________________________________________ b. door zijn faillissement, door het op hem van toepassing verklaren van de _________ schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of doordat hij surseance van _______ betaling verkrijgt; _________________________________________________________________________ c. door zijn ondercuratelestelling of de onderbewindstelling van zijn gehele _________ vermogen; _________________________________________________________________________________ d. door zijn vrijwillig aftreden; _____________________________________________________________ e. door zijn ontslag door de raad van toezicht; ___________________________________________ f. door zijn ontslag door de rechtbank; ____________________________________________________ g.

door een besluit van de raad van toezicht, waarmee wordt geconstateerd dat ____ een bestuurder niet (meer) voldoet aan de eisen als vermeld in lid 4, als de _______ functie van de betreffende bestuurder niet eindigt op grond van enige hiervoor __ vermelde grond. In dat geval eindigt de functie met ingang van de datum ________ vermeld in het besluit van de raad van toezicht._______________________________________ Artikel 7 - Bestuur: bijeenroeping, vergaderingen, besluitvorming __________ 1. Iedere bestuurder is bevoegd een vergadering van het bestuur bijeen te roepen. ________ 2. De bijeenroeping van de vergaderingen van het bestuur vindt schriftelijk plaats. Bij ___ deze bijeenroeping wordt opgegeven op welke dag de vergadering plaatsvindt, wat het aanvangstijdstip van de vergadering is en welke onderwerpen worden _____________ behandeld (agenda). De bijeenroeping vindt plaats met inachtneming van een _________ termijn van ten minste zeven dagen, de dag van bijeenroeping en die van de __________ vergadering niet meegerekend. _______________________________________________________________ De bestuurder die voor dit doel een adres aan de stichting bekend heeft gemaakt, ____ kan tot de vergaderingen van het bestuur worden opgeroepen door een langs _________ elektronische weg aan dat adres toegezonden leesbaar en reproduceerbaar ____________ bericht.

__________________________________________________________________________________________ 3. De vergaderingen van het bestuur worden gehouden op de plaats te bepalen door ____ degene die de vergadering bijeenroept. ______________________________________________________ 4. Als wordt gehandeld in strijd met enige bepaling van de twee vorige leden kan het ___ bestuur niettemin rechtsgeldige besluiten nemen als alle bestuurders in de ____________ vergadering aanwezig of vertegenwoordigd zijn. ___________________________________________ 5. Een bestuurder kan aan een andere bestuurder schriftelijk volmacht verlenen om _____ zich in de vergadering te laten vertegenwoordigen. Een elektronisch vastgelegde _____ volmacht geldt als een schriftelijke volmacht. ______________________________________________ Een bestuurder kan niet meer dan één medebestuurder in de vergadering ______________ vertegenwoordigen. ____________________________________________________________________________ 6. Als het bestuur daartoe besluit, kunnen bestuurders hun vergaderrechten ______________ uitoefenen via een elektronisch communicatiemiddel. _____________________________________ De bestuurder die op deze wijze aan de vergadering deelneemt, moet minimaal _______ via het elektronisch communicatiemiddel: __________________________________________________

5

kunnen worden geïdentificeerd; _________________________________________________________ rechtstreeks kunnen kennisnemen van de beraadslagingen in de ___________________ vergaderingen en in de vergadering het woord kunnen voeren; ______________________ - het stemrecht kunnen uitoefenen. ______________________________________________________ Het bestuur kan verdere voorwaarden stellen aan het gebruik van het elektronisch ___ communicatiemiddel. Als verdere voorwaarden worden gesteld, worden deze bij ______ de oproeping tot de vergadering bekend gemaakt. _________________________________________ De bestuurder die via een elektronisch communicatiemiddel aan een vergadering _____ deelneemt, geldt als in de vergadering aanwezig. __________________________________________ 7. In de vergaderingen van het bestuur heeft iedere bestuurder één stem. __________________ Voor zover in deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden _____ de besluiten door het bestuur genomen met volstrekte meerderheid van de ____________ uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste de helft van de __________ bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. ______________________________________________ Bij staking van stemmen over zaken in de vergaderingen van het bestuur is het _______ voorstel verworpen.

Staken de stemmen bij een stemming over de benoeming van personen in de vergaderingen van het bestuur, dan beslist het lot. _______________________ In de vergaderingen van de raad van toezicht is de stem van de voorzitter bij __________ staking van stemmen doorslaggevend. _______________________________________________________ 8. Als voor het nemen van een besluit wordt vereist dat een bepaald aantal ______________ bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is en dit aantal niet bij de vergadering ____ aanwezig of vertegenwoordigd was, wordt een nieuwe vergadering _____________________ bijeengeroepen waarin het betreffende besluit opnieuw aan de orde wordt gesteld. ___ Die vergadering moet worden gehouden niet eerder dan drie en niet later dan zes ____ weken na de eerste vergadering. _____________________________________________________________ In de nieuwe vergadering kan het betreffende besluit dan worden genomen ___________ ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders, met ten minste ___ de voor dat besluit voorgeschreven meerderheid van stemmen. ___________________________ 9. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslagingen en de besluitvorming als _____ hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het _ belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie en onderneming.

_______ Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, is de betreffende ______ bestuurder toch bevoegd om deel te nemen aan de beraadslagingen en de _____________ besluitvorming en is het bestuur bevoegd om het besluit op deze wijze te nemen. _____ Artikel 8 - Leiding van de vergaderingen, notulen, besluitvorming buiten _ vergadering _______________________________________________________________________________ 1. De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur. Bij zijn afwezigheid voorziet ____ de vergadering zelf in haar leiding. ___________________________________________________________ 2. De voorzitter van de vergadering bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de _______ vergaderingen worden gehouden. ____________________________________________________________ 3. Het in de vergadering uitgesproken oordeel van de voorzitter van de vergadering _____ over de uitslag van een stemming is beslissend. ____________________________________________ Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd _____________ gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. Wordt onmiddellijk na het _____ -

6

uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, als de meerderheid van de vergadering of, als de ________ oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk plaatsvond, een ________________ stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming. __________________________________________ 4. Van het verhandelde in de vergaderingen van het bestuur worden notulen _____________ gehouden door de daartoe door de voorzitter van de vergadering aangewezen _________ persoon. _________________________________________________________________________________________ De notulen worden - nadat zij zijn vastgesteld - door de voorzitter en de notulist _____ van de vergadering ondertekend. _____________________________________________________________ 5. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, als ____ alle bestuurders schriftelijk hun stem uitbrengen. __________________________________________ Een besluit is dan genomen als de vereiste meerderheid van de bestuurders zich ______ vóór het voorstel heeft verklaard.

____________________________________________________________ Onder een schriftelijke verklaring wordt mede begrepen een langs elektronische ______ weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht, aan het adres dat het _________ bestuur voor dit doel heeft vastgesteld en aan alle bestuurders bekend heeft __________ gemaakt. ________________________________________________________________________________________ Van elk besluit dat buiten vergadering wordt genomen, wordt mededeling gedaan ____ in de eerstvolgende vergadering. Deze mededeling wordt in de notulen van die ________ vergadering vermeld en de uitgebrachte stemmen worden bij deze notulen ____________ gevoegd. ________________________________________________________________________________________ Artikel 9 – Bestuur: taken en bevoegdheden ______________________________________ 1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting onder toezicht van de raad ___ van toezicht. ____________________________________________________________________________________ Iedere bestuurder is tegenover de stichting verplicht tot een behoorlijke vervulling ___ van de hem opgedragen taak. _________________________________________________________________ Een bestuurder vermijdt elke vorm en schijn van persoonlijke bevoordeling of _________ belangenverstrengeling tussen hem en de stichting.

Hij is integer en stelt zich ________ toetsbaar op ten aanzien van zijn eigen functioneren. Hij verschaft de raad van _______ toezicht op eerste verzoek inzicht in de door hem uitgeoefende nevenfuncties. _________ Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles ______ met betrekking tot de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die ______________ voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te _________ voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat op ieder moment de rechten en verplichtingen ____ van de stichting kunnen worden gekend. ____________________________________________________ Het bestuur is verplicht de bedoelde boeken, bescheiden en andere _____________________ gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren. _______________________________________ Het bestuur is voor zijn functioneren verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht en verschaft de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van zijn ______ taak benodigde gegevens. Het bestuur is verder verplicht de raad van toezicht alle ____ gewenste inlichtingen te verschaffen en (een gedeelte van) de vergaderingen van _____ de raad van toezicht bij te wonen als de raad van toezicht dit verlangt. _________________

7

2.

3. 4.

5.

6.

Het bestuur is wel bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot _____ verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, maar niet tot het _______ aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk __________ schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling ___ voor een schuld van een derde verbindt. _____________________________________________________ Deze beperking van de bevoegdheid van het bestuur kan aan derden worden __________ tegengeworpen. ________________________________________________________________________________ Erfstellingen mogen alleen onder het voorrecht van boedelbeschrijving worden _______ aanvaard.

_______________________________________________________________________________________ Een besluit van het bestuur tot: ______________________________________________________________ - statutenwijziging; ________________________________________________________________________ - fusie; _______________________________________________________________________________________ - splitsing in de zin van titel 7 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek; ________________________ - omzetting van de stichting in een andere rechtsvorm; of _____________________________ - ontbinding van de stichting; _____________________________________________________________ wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de _______________ uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee derde van de ______ bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is.

______________________________________________ Een besluit van het bestuur tot: ______________________________________________________________ - het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 9 lid 2; _________________ - het verlenen van een doorlopende volmacht als bedoeld in artikel 10 lid 4; ________ - het vaststellen, wijzigen of intrekken van een reglement als bedoeld in artikel ____ 15;__________________________________________________________________________________________ - het vaststellen of wijzigen van een beleidsplan; _______________________________________ wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de _______________ uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste de helft van de __________ bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is.

______________________________________________ Het bestuur heeft de goedkeuring nodig van de raad van toezicht voor een besluit ____ tot: ______________________________________________________________________________________________ - rechtshandelingen, waarbij de stichting een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders; _____________________________________________________________________ - het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 9 lid 2; _________________ - het vaststellen, wijzigen of intrekken van een reglement als bedoeld in artikel ____ 15;__________________________________________________________________________________________ - het aangaan van kredietovereenkomsten en van geldleningen ten behoeve en ten laste van de stichting, met uitzondering van opnamen ten laste van een ______ bestaand krediet; _________________________________________________________________________ - het voeren van rechtsgedingen, het nemen van executoriale maatregelen, het ____ sluiten van vaststellingsovereenkomsten en het onderwerpen van geschillen _____ aan de beslissing van scheidslieden, een en ander met uitzondering van het ______ nemen van maatregelen die tot het bewaren van recht noodzakelijk zijn; __________ - het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de stichting met _____ een andere rechtspersoon of onderneming als deze samenwerking of

______________ verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting; ____________________________

8

ingrijpende wijziging in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk _________ aantal werknemers van de stichting of van een afhankelijke maatschappij; ________ - het vaststellen of wijzigen van een beleidsplan. _______________________________________ - het doen van investeringen en aangaan van andere rechtshandelingen die ________ uitgaan boven het bedrag dat de raad van toezicht kan vaststellen._________________ De raad van toezicht is bevoegd ook andere besluiten aan zijn goedkeuring te _________ onderwerpen. Die andere besluiten moeten duidelijk worden omschreven en ___________ schriftelijk aan het bestuur worden medegedeeld. __________________________________________ Op het ontbreken van deze goedkeuring kan tegen en door derden geen beroep _______ worden gedaan. In afwijking daarvan kan tegen derden wel een beroep worden _______ gedaan op het ontbreken van de goedkeuring voor een rechtshandeling als ____________ bedoeld in artikel 9 lid 2. ______________________________________________________________________ 7.

Het bestuur heeft bovendien goedkeuring nodig van de raad van toezicht voor een ___ besluit tot: ______________________________________________________________________________________ - statutenwijziging; ________________________________________________________________________ - fusie; _______________________________________________________________________________________ - splitsing in de zin van titel 7 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek; ________________________ - omzetting van de stichting in een andere rechtsvorm; of _____________________________ - ontbinding van de stichting; _____________________________________________________________ als bedoeld in de artikelen 16 tot en met 18.Er kan voor gekozen worden om de _______ regeling van lid 9 en 10 op te nemen in een reglement. ___________________________________ 8. Het bestuur stelt een beleidsplan vast en actualiseert dit beleidsplan periodiek. Het beleidsplan geeft inzicht in de door de stichting te verrichten werkzaamheden, de ____ wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de stichting en de besteding daarvan. _____________________________________________________________________________ 9.

Het bestuur zorgt ervoor dat: _________________________________________________________________ - er niet meer vermogen wordt aangehouden door de stichting dan nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van het doel ______ van de stichting; en_______________________________________________________________________ - de kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de stichting in ________ redelijke verhouding staan tot de besteding ten behoeve van het doel van de _____ stichting.___________________________________________________________________________________ 10. Het bestuur zorgt er voor dat de administratie van de instelling zodanig is ingericht, dat daaruit duidelijk blijkt de aard en omvang van: ________________________________________ - de onkostenvergoedingen en vacatiegelden die toekomen aan de __________________ afzonderlijke bestuurders; ________________________________________________________________ - de kosten die zijn gemaakt voor de werving van gelden en voor het beheer _______ van de stichting en de aard en omvang van andere uitgaven van de stichting;_____ - de inkomsten van de stichting; __________________________________________________________ - het vermogen van de stichting. __________________________________________________________ Artikel 10 - Bestuur: vertegenwoordiging __________________________________________ 1.

Het bestuur vertegenwoordigt de stichting. _________________________________________________ De stichting kan niet rechtsgeldig worden vertegenwoordigd bij handelingen die in ___ strijd met het bepaalde in artikel 6 lid 2 worden verricht. _________________________________ -

9

De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt bovendien toe aan iedere bestuurder. ______ De in beide vorige leden van dit artikel opgenomen bevoegdheid van het bestuur _____ en bestuurders tot vertegenwoordiging van de stichting bestaat ook als tussen de ____ stichting en een of meer bestuurders een tegenstrijdig belang bestaat. __________________ 4. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt bovendien toe aan de persoon als __________ bedoeld in artikel 6 lid 7. ______________________________________________________________________ 5. Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van incidentele dan wel doorlopende ______ volmacht aan een of meer bestuurders en/of aan anderen, zowel samen als ____________ afzonderlijk, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te ____________________ vertegenwoordigen. ____________________________________________________________________________ Artikel 11 - Raad van toezicht: samenstelling, benoeming, beloning, _______ schorsing, ontslag ______________________________________________________________________ 1. De stichting heeft een raad van toezicht. ____________________________________________________ Het aantal leden van de raad van toezicht wordt vastgesteld door de raad van ________ toezicht en bedraagt een aantal van ten minste drie natuurlijke personen.

______________ De raad van toezicht wijst uit zijn midden een voorzitter en een secretaris aan. ________ 2. De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de raad van toezicht. ________ In vacatures wordt zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden _______ voorzien. ________________________________________________________________________________________ 3. Een lid van de raad van toezicht moet voldoen aan de volgende vereisten: ______________ a. een lid van de raad van toezicht is een natuurlijk persoon; ___________________________ b. een lid van de raad van toezicht heeft het vrije beheer over zijn vermogen; ________ c. een lid van de raad van toezicht is geen bestuurder van de stichting en ook ______ geen lid van enig ander orgaan van de stichting; ______________________________________ d. een lid van de raad van toezicht is in de afgelopen drie jaar geen werknemer _____ van de stichting geweest. ________________________________________________________________ Bovendien moet de voorzitter woonachtig zijn in de gemeente ’s-Hertogenbosch. _____ Een lid van de raad van toezicht mag geen familieband hebben met een _______________ bestuurder of met een ander lid van de raad van toezicht.

Onder familieband wordt verstaan bloed- of aanverwantschap tot en met de vierde graad en de _________________ hoedanigheid van echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel. _____________ 4. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van _____________ maximaal drie jaar. Zij treden af volgens een door de raad van toezicht op te __________ maken rooster. Als een lid van de raad van toezicht zijn functie verliest voordat hij ___ volgens het rooster aftreedt, neemt zijn opvolger op het rooster de plaats in van ______ zijn voorganger. ________________________________________________________________________________ Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk _____________ herbenoembaar. ________________________________________________________________________________ 5. De leden van de raad van toezicht kunnen een vergoeding krijgen van de kosten ______ die zij redelijkerwijs hebben gemaakt in de uitoefening van hun functie. ________________ De raad van toezicht kan besluiten aan een of meer van zijn leden vacatiegelden _____ toe te kennen als beloning. ___________________________________________________________________ De leden van de raad van toezicht ontvangen geen beloning voor hun __________________ werkzaamheden. _______________________________________________________________________________ 2. 3.

10

Een lid van de raad van toezicht kan worden geschorst door de raad van toezicht. _____ Na een schorsing van een lid van de raad van toezicht roept de voorzitter van de _____ raad van toezicht een nieuwe vergadering bijeen, die wordt gehouden binnen vier ____ weken na de schorsing. In die vergadering wordt besloten of de schorsing wordt ______ opgeheven, de schorsing wordt verlengd of het betreffende lid van de raad van _______ toezicht wordt ontslagen. Een schorsing kan in totaal nooit langer dan drie ____________ maanden duren. ________________________________________________________________________________ Voor een besluit tot schorsing of verlenging van de schorsing gelden extra _____________ vereisten, die zijn opgenomen in artikel 12 lid 3. ___________________________________________ Als geen nieuwe vergadering wordt gehouden binnen de hiervoor vermelde vier _______ weken, als de schorsing niet wordt verlengd in die vergadering of als na verloop ______ van drie maanden geen besluit tot ontslag is genomen, vervalt de schorsing. ___________ 7. Een lid van de raad van toezicht verliest zijn functie: ______________________________________ a. door zijn overlijden; ______________________________________________________________________ b.

door zijn faillissement, door het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of doordat aan hem _________ surseance van betaling wordt verleend; ________________________________________________ c. door zijn ondercuratelestelling of de onderbewindstelling van zijn gehele _________ vermogen; _________________________________________________________________________________ d. door zijn vrijwillig aftreden; _____________________________________________________________ e. door zijn ontslag door de raad van toezicht met inachtneming van de vereisten als opgenomen in artikel 12 lid 3; _______________________________________________________ f. door het verstrijken van de periode waarvoor hij is benoemd; ________________________ g. door een besluit van de raad van toezicht, waarmee wordt geconstateerd dat ____ een lid van de raad van toezicht niet (meer) voldoet aan de eisen als vermeld ____ in lid 3, als de functie van het betreffende lid van de raad van toezicht niet ______ eindigt op grond van enige hiervoor vermelde grond. In dat geval eindigt de ______ functie met ingang van de datum vermeld in het besluit van de raad van _________ toezicht. ___________________________________________________________________________________ Artikel 12 - Raad van toezicht: vergaderingen en besluitvorming ____________ 1.

De raad van toezicht komt bijeen zodra uitvoering van aan de raad van toezicht ______ opgedragen taken dat nodig maakt. De raad van toezicht komt minimaal éénmaal ____ per kwartaal bijeen en verder zo vaak als ten minste een van zijn leden dat wenst. ____ De Raad van Toezicht bespreekt minimaal éénmaal per jaar: ______________________________ - de strategie en de voornaamste risico’s verbonden aan de stichting en haar ______ activiteiten; _______________________________________________________________________________ - de uitkomsten van de beoordeling door het bestuur van de opzet en werking _____ van de interne risicobeheersings- en controlesystemen en eventuele _______________ significante wijzigingen daarin; _________________________________________________________ - zijn eigen functioneren, het functioneren van het bestuur en de relatie tussen ___ de raad van toezicht en het bestuur. ____________________________________________________ 2. Het bepaalde in de artikelen 7 en 8 met betrekking tot de vergadering en de __________ besluitvorming van het bestuur zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige ______________ toepassing op de raad van toezicht. __________________________________________________________ 6.

11

Een besluit van de raad van toezicht: ________________________________________________________ - tot schorsing of verlenging van schorsing van een bestuurder of van een lid ______ van de raad van toezicht; ________________________________________________________________ - tot benoeming of ontslag van een bestuurder of van een lid van de raad van _____ toezicht; ___________________________________________________________________________________ - inhoudende constatering dat een bestuurder niet meer voldoet aan de eisen _____ vermeld in artikel 6 lid 4; ________________________________________________________________ - constatering dat een lid van de raad van toezicht niet meer voldoet aan de _______ eisen vermeld in artikel 11 lid 3; ________________________________________________________ wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de _______________ uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee derde van de ______ leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd is. ________________________ De betreffende persoon wordt steeds in de gelegenheid gesteld zich te _________________ verantwoorden in een vergadering waarin deze besluiten over hem besproken _________ worden en hij kan zich daarin door een raadsman doen bijstaan.

_________________________ Bij een besluit over een lid van de raad van toezicht wordt het betreffende lid van ____ de raad van toezicht niet meegeteld wat betreft het aantal leden dat aanwezig _______ moet zijn en het aantal leden dat benodigd is om het besluit te nemen. Een ___________ dergelijk besluit kan echter nooit genomen worden door een enkel lid van de raad ____ van toezicht. ____________________________________________________________________________________ 4. Een besluit van de raad van toezicht tot: ____________________________________________________ - het verlenen van goedkeuring voor statutenwijziging, fusie, splitsing, omzetting of ontbinding als bedoeld in de artikelen 16 tot en met 18; __________________________ - het verlenen van goedkeuring aan het bestuur voor het verrichten van ____________ rechtshandelingen als bedoeld in artikel 9 lid 2; _______________________________________ wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de _______________ uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee derde van de ______ leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd is. ________________________ 5.

Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslagingen en de _______ besluitvorming als hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat _______ tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden ____________ organisatie/onderneming. ____________________________________________________________________ Wanneer de raad van toezicht hierdoor geen besluit kan nemen, is het betreffende lid van de raad van toezicht toch bevoegd om deel te nemen aan de ____________________ beraadslagingen en de besluitvorming en is de raad van toezicht bevoegd om het _____ besluit op deze wijze te nemen. ______________________________________________________________ Artikel 13 – Raad van toezicht: taken en bevoegdheden ________________________ 1. De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene ___ gang van zaken in de stichting.

______________________________________________________________ De raad van toezicht houdt toezicht op ten minste: ________________________________________ - de realisatie van de statutaire doelstellingen van de stichting; ______________________ - de strategie en de risico’s verbonden aan de activiteiten van de stichting; _________ - de opzet en werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen; ______ - de financiële verslaglegging; ____________________________________________________________ 3.

12

- de naleving van wet- en regelgeving. ___________________________________________________ 2. De raad van toezicht staat het bestuur met advies terzijde. De raad van toezicht ______ oefent verder die taken en bevoegdheden uit die hem in deze statuten zijn ____________ opgedragen en toegekend. ____________________________________________________________________ 3. Bij de uitoefening van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting. De leden van de raad van toezicht oefenen hun functie onafhankelijk uit, zonder last of ruggespraak en zonder een deelbelang te laten _______ prevaleren. ______________________________________________________________________________________ Een lid van de raad van toezicht is integer en vermijdt elke vorm en schijn van ________ persoonlijke bevoordeling of belangenverstrengeling tussen hem en de stichting. ______ Hij verschaft de raad van toezicht op eerste verzoek inzicht in de door hem ____________ uitgeoefende nevenfuncties ___________________________________________________________________ 4. De raad van toezicht heeft recht op alle voor de uitoefening van zijn taken en _________ bevoegdheden noodzakelijke gegevens. ______________________________________________________ De raad van toezicht heeft recht op inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de stichting.

____________________________________________________________ De raad van toezicht kan zich op kosten van de stichting in de uitoefening van zijn ___ taak doen bijstaan door een of meer deskundigen. _________________________________________ 5. De raad van toezicht doet verslag van zijn werkzaamheden en het uitgeoefende ______ toezicht. Dit verslag wordt aan de verslaggevingsstukken toegevoegd, als bedoeld ____ in artikel 14. ____________________________________________________________________________________ Artikel 14 - Boekjaar; verslaggeving_________________________________________________ 1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar. ______________________________ 2. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ______ de balans en de staat van baten en lasten van de stichting op te maken en op _________ papier te stellen.

_______________________________________________________________________________ Het bestuur zendt deze stukken en een nadere toelichting daarop vóór het einde _____ van de in de voorgaande zin bedoelde termijn ter goedkeuring aan de raad van _______ toezicht._________________________________________________________________________________________ Het bestuur maakt een jaarrekening en een bestuursverslag op als bedoeld in _________ artikel 2:300 Burgerlijk Wetboek als dat op grond van de wet verplicht is. In dat ______ geval legt het bestuur een exemplaar daarvan voor de raad van toezicht ter inzage op het kantoor van de stichting met de op grond van de wet toe te voegen ____________ gegevens. _______________________________________________________________________________________ 3. De raad van toezicht laat de stukken onderzoeken door een door hem aan te __________ wijzen accountant als bedoeld in artikel 2:393 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Deze _________ accountant brengt over zijn onderzoek verslag uit aan de raad van toezicht en het ___ bestuur.

Hij geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een verklaring over de ________ getrouwheid van de stukken.__________________________________________________________________ Als de wet dat toestaat kan de raad van toezicht besluiten dit onderzoek ______________ achterwege te laten of dit onderzoek te laten verrichten door een andere ______________ deskundige. _____________________________________________________________________________________ 4. De balans en de staat van baten en lasten van de stichting of de jaarrekening _________ wordt vastgesteld door de raad van toezicht binnen een maand na het opmaken ______

13

van de stukken als bedoeld in lid 2. __________________________________________________________ De vastgestelde stukken worden ondertekend door alle bestuurders en alle leden ______ van de raad van toezicht. Als een handtekening van een van hen ontbreekt wordt ____ de reden daarvan op de stukken vermeld.____________________________________________________ 5. De in lid 2 vermelde termijn kan door de raad van toezicht worden verlengd met ______ ten hoogste vier maanden op grond van bijzondere omstandigheden. ____________________ Artikel 15 - Reglementen _______________________________________________________________ 1. Het bestuur kan een of meer reglementen vaststellen. In een reglement worden _______ regels of nadere regels opgenomen, die het bestuur nodig acht voor de uitvoering ____ van zijn taak. Een reglement mag nooit in strijd zijn met de statuten, de wet of een __ reglement van de raad van toezicht. _________________________________________________________ Het bestuur kan elk door hem gemaakt reglement wijzigen en ook intrekken. ___________ 2. De raad van toezicht kan een of meer reglementen vaststellen. In een reglement ______ worden regels of nadere regels opgenomen, die de raad van toezicht nodig acht ______ voor de uitvoering van zijn taak. Een reglement mag nooit in strijd zijn met de ________ statuten en/of de wet.

_________________________________________________________________________ De raad van toezicht kan elk door hem gemaakt reglement wijzigen en ook ____________ intrekken. _______________________________________________________________________________________ 3. Een reglement wordt schriftelijk vastgelegd met vermelding van de dag waarop het van kracht wordt. Deze datum kan niet zijn gelegen vóór de datum waarop het _______ besluit werd genomen. ________________________________________________________________________ Artikel 16 - Statutenwijziging__________________________________________________________ 1. Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. ____________________________________________ 2. Het besluit tot statutenwijziging kan slechts worden genomen overeenkomstig het ___ bepaalde in artikel 9 lid 4 en lid 7 en artikel 12 lid 4. ______________________________________ 3. Als een voorstel tot wijziging van de statuten wordt gedaan, moet dat vooraf, bij de oproeping tot de betreffende vergadering, worden vermeld. De woordelijke tekst ______ van de voorgestelde wijziging moet bij die oproeping worden gevoegd. __________________ De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten minste twee weken. _____________ 4. Een statutenwijziging treedt in werking op het door het bestuur bepaalde tijdstip, ____ maar niet eerder dan nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10770620/1